Elohim Bijbel

Zacharia 3

1234567891011121314

Jozua, de hogepriester, voor de engel van Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Vierde visioen: Jozua en de satan

1Hij liet mij Jozua, de hogepriester, zien. Hij stond voor de engel van Yahweh, en de satan stond aan zijn rechterhand om hem te beschuldigen.
וַיַּרְאֵ֗נִי
(vayareni)
en liet mij zien
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
de grote
עֹמֵ֕ד
(omed)
staande
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
de engel van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהַשָּׂטָ֛ן
(vehasatan)
en de satan
עֹמֵ֥ד
(omed)
staande
עַל
(al)
aan
יְמִינ֖וֹ
(yemino)
zijn rechterhand
לְשִׂטְנֽוֹ
(lesitno)
om hem te beschuldigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוֹשֻׁעַ (Yehoshua), ‘Jozua’: de hogepriester, de zoon van Jehozadak (Hag. 1:1; 1 Kron. 5:40–41).

In Ezra en Nehemia heet hij Jesua, een kortere vorm van dezelfde naam.

Wij schrijven hier ‘Jozua’, zoals de naam in het Hebreeuws staat.

הַכֹּהֵן הַגָּדוֹל (hakkohen haggadol), ‘de hogepriester’: letterlijk ‘de grote priester’, zoals in Lev. 21:10.

הַשָּׂטָן (hasatan), ‘de satan’: met het lidwoord; het woord betekent ‘tegenstander’ of ‘aanklager’. Zo staat het ook in Job 1:6, 2:1. In 1 Kron. 21:1 staat het zonder lidwoord, ‘een satan’. Hier staat de satan rechts van Jozua, de plaats van de aanklager voor de rechter (vergelijk Ps. 109:6).

Het Hebreeuws zegt niet wie ‘Hij’ in ‘Hij liet mij zien’ is. Waarschijnlijk is het de engel die met Zacharia sprak (zie 1:9).

Het visioen is het vierde van de acht visioenen.

2Yahweh zei tegen de satan: „Moge Yahweh je bestraffen, satan. Ja, moge Yahweh je bestraffen, Hij die Jeruzalem kiest. Is deze niet een brandhout, uit het vuur bevrijd?”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
הַשָּׂטָ֗ן
(hasatan)
de satan
יִגְעַ֨ר
(yigar)
moge bestraffen
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּךָ֙
(bekha)
jou
הַשָּׂטָ֔ן
(hasatan)
satan
וְיִגְעַ֤ר
(veyigar)
en moge bestraffen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּךָ֔
(bekha)
jou
הַבֹּחֵ֖ר
(habocher)
die kiest
בִּירֽוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
Jeruzalem
הֲל֧וֹא
(halo)
is niet
זֶ֦ה
(ze)
deze
א֖וּד
(ud)
een brandhout
מֻצָּ֥ל
(mutsal)
bevrijd
מֵאֵֽשׁ
(meesh)
uit het vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

יִגְעַר יְהוָה בְּךָ (yig’ar Yahweh bekha), ‘Moge Yahweh je bestraffen’: een verwensing of bevel.

De spreker is Yahweh volgens het Hebreeuws (‘Yahweh zei tegen de satan’), maar Hij spreekt hier over Zichzelf in de derde persoon, zoals in Jes. 6:12.

Daarom staat het vers rood.

Het kan ook gelezen worden als woord van de engel van Yahweh (vers 1); dan staat het zwart.

הַבֹּחֵר בִּירוּשָׁלִַם (habbochér bi-Yerushalaim), ‘Hij die Jeruzalem kiest’: zie 1:17 en 2:16.

אוּד מֻצָּל מֵאֵשׁ (ud mutsal me’esh), ‘een brandhout, uit het vuur bevrijd’: een stuk hout dat uit de vlammen is getrokken voordat het geheel verbrandt. Vergelijk Amos 4:11. Het beeld is Jozua, en met hem het volk, dat uit de ballingschap is gered.

3Jozua was gekleed in vuile kleren en stond voor de engel.
וִיהוֹשֻׁ֕עַ
(vihoshua)
en Jozua
הָיָ֥ה
(haya)
was
לָבֻ֖שׁ
(lavush)
gekleed in
בְּגָדִ֣ים
(begadim)
kleren
צוֹאִ֑ים
(tsoim)
vuile
וְעֹמֵ֖ד
(veomed)
en stond
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הַמַּלְאָֽךְ
(hamalakh)
de engel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צוֹאִים (tso’im), ‘vuile’: het woord komt van een zelfstandig naamwoord dat ‘uitwerpselen’ betekent.

De kleren zijn dus zeer vuil.

Het beeld is de schuld van Jozua en zijn volk (vers 4).

De vuile kleren worden weggenomen

4Hij antwoordde en zei tegen hen die voor hem stonden: „Doe de vuile kleren van hem uit.” Tegen hem zei hij: „Zie, Ik heb je schuld van je weggenomen. Ik kleed je in feestgewaden.”
וַיַּ֣עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tegen
הָעֹמְדִ֤ים
(haomedim)
die stonden
לְפָנָיו֙
(lefanav)
voor hem
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
הָסִ֛ירוּ
(hasiru)
verwijder
הַבְּגָדִ֥ים
(habegadim)
de kleren
הַצֹּאִ֖ים
(hatsoim)
de vuile
מֵעָלָ֑יו
(mealav)
van hem
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֗יו
(elav)
tegen hem
רְאֵ֨ה
(ree)
zie
הֶעֱבַ֤רְתִּי
(heevarti)
ik heb weggenomen
מֵעָלֶ֨יךָ֙
(mealeikha)
van je
עֲוֺנֶ֔ךָ
(avonekha)
je schuld
וְהַלְבֵּ֥שׁ
(vehalbesh)
en kleden
אֹתְךָ֖
(otekha)
je
מַחֲלָצֽוֹת
(machalatsot)
in feestgewaden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲוֺנֶךָ (avonekha), ‘je schuld’: zie ook 3:9.

De vuile kleren zijn het teken van de schuld.

Als de schuld wordt weggenomen, krijgt Jozua nieuwe kleren.

הֶעֱבַרְתִּי (he’evarti), ‘Ik heb weggenomen’: letterlijk ‘Ik heb laten voorbijgaan’. Hier spreekt de engel van Yahweh in de eerste persoon namens Yahweh; daarom staat dit deel rood. Het bevel ‘Doe de vuile kleren van hem uit’ is een gewoon bevel en staat zwart.

וְהַלְבֵּשׁ (vehalbesh), ‘en je te kleden’: een werkwoordsvorm zonder persoon, die hier als vervolg op ‘Ik heb weggenomen’ staat. Wij vertalen ‘Ik kleed je’.

מַחֲלָצוֹת (machalatsot), ‘feestgewaden’: kostbare kleren, zoals in Jes. 3:22.

5Ik zei: „Laat hen een reine tulband op zijn hoofd zetten.” Zij zetten de reine tulband op zijn hoofd en kleedden hem in kleren. De engel van Yahweh stond erbij.
וָאֹמַ֕ר
(vaomar)
en ik zei
יָשִׂ֛ימוּ
(yasimu)
laten zij zetten
צָנִ֥יף
(tsanif)
een tulband
טָה֖וֹר
(tahor)
rein
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֑וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וַיָּשִׂימוּ֩
(vayasimu)
en zij zetten
הַצָּנִ֨יף
(hatsanif)
de tulband
הַטָּה֜וֹר
(hatahor)
de reine
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֗וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וַיַּלְבִּשֻׁ֨הוּ֙
(vayalbishuhu)
en zij kleedden hem
בְּגָדִ֔ים
(begadim)
in kleren
וּמַלְאַ֥ךְ
(umalakh)
en de engel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עֹמֵֽד
(omed)
stond erbij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וָאֹמַר (va’omar), ‘en ik zei’: Zacharia grijpt zelf in.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

Wij volgen de Masoretische tekst.

הַצָּנִיף הַטָּהוֹר (hatstsanif hattahor), ‘de reine tulband’: het hoofdkleed van de hogepriester. Het hoofdkleed van de hogepriester heet elders מִצְנֶפֶת (mitsnefet), zie Exod. 28:4, 28:39 en Lev. 8:9. In Jes. 62:3 staat hetzelfde woord צָנִיף (tsanif) voor een ‘koninklijke tulband’.

De belofte aan Jozua

6De engel van Yahweh betuigde plechtig tegen Jozua:
וַיָּ֨עַד֙
(vayaad)
en betuigde plechtig
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
de engel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּיהוֹשֻׁ֖עַ
(bihoshua)
tegen Jozua
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיָּעַד (vaya’ad), ‘betuigde plechtig’: het werkwoord betekent ‘ernstig waarschuwen’ of ‘plechtig getuigen’, bijvoorbeeld in Gen. 43:3.

De engel zegt de woorden van Yahweh plechtig aan Jozua.

7Zo zegt Yahweh van de legermachten: „Als je op Mijn wegen gaat en Mijn opdracht bewaakt, dan zul jij over Mijn huis oordelen. Ook zul jij Mijn voorhoven bewaken. Dan geef Ik je toegang tussen hen die hier staan.
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֗וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אִם
(im)
als
בִּדְרָכַ֤י
(bidrakhay)
op Mijn wegen
תֵּלֵךְ֙
(telekh)
je gaat
וְאִ֣ם
(veim)
en als
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁמַרְתִּ֣י
(mishmarti)
Mijn opdracht
תִשְׁמֹ֔ר
(tishmor)
je bewaakt
וְגַם
(vegam)
en ook
אַתָּה֙
(ata)
jij
תָּדִ֣ין
(tadin)
zult oordelen
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּיתִ֔י
(beiti)
Mijn huis
וְגַ֖ם
(vegam)
en ook
תִּשְׁמֹ֣ר
(tishmor)
zult bewaken
אֶת
(et)
(obj.)
חֲצֵרָ֑י
(chatseray)
Mijn voorhoven
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal geven
לְךָ֙
(lekha)
aan jou
מַהְלְכִ֔ים
(mahlekhim)
toegang
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
הָעֹמְדִ֖ים
(haomedim)
die staan
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁמַרְתִּי (mishmarti), ‘Mijn opdracht’: wat Yahweh te bewaken heeft opgedragen.

Het is het woord van de dienst van de priesters (Num. 3:7–8, 18:5).

תָּדִין (tadin), ‘zult oordelen’: het werkwoord betekent recht spreken en besturen. Jozua krijgt gezag over het huis (de tempel).

מהלכים (mahlekhim), ‘toegang’: letterlijk ‘gangen’ of ‘wandelaars’. Het woord is zeldzaam; hier betekent het waarschijnlijk dat Jozua toegang krijgt tussen hen die voor Yahweh staan, de engelen (vers 4). De betekenis is een aanname.

‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ staat zwart; wat daarna komt rood, ook als de engel de woorden brengt.

Mijn knecht, de Spruit

8Luister toch, Jozua, hogepriester, jij en je metgezellen die voor je zitten: zij zijn mannen van een teken. Want zie, Ik laat Mijn knecht komen, de Spruit.
שְֽׁמַֽע
(shema)
luister
נָ֞א
(na)
toch
יְהוֹשֻׁ֣עַ
(yehoshua)
Jozua
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
הַגָּד֗וֹל
(hagadol)
de grote
אַתָּה֙
(ata)
jij
וְרֵעֶ֨יךָ֙
(vereeikha)
en je metgezellen
הַיֹּשְׁבִ֣ים
(hayoshevim)
die zitten
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor jou
כִּֽי
(ki)
want
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
מוֹפֵ֖ת
(mofet)
een teken
הֵ֑מָּה
(hema)
zij
כִּֽי
(ki)
want
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie Ik
מֵבִ֛יא
(mevi)
breng
אֶת
(et)
(obj.)
עַבְדִּ֖י
(avdi)
Mijn knecht
צֶֽמַח
(tsemach)
Spruit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַנְשֵׁי מוֹפֵת (anshei mofet), ‘mannen van een teken’: mannen die een voorteken zijn van wat komt.

Vergelijk Jes. 8:18 en Ezech. 12:11.

עַבְדִּי צֶמַח (avdi Tsemach), ‘Mijn knecht, de Spruit’: צֶמַח (tsemach) is wat uit de grond opkomt. Wie ermee bedoeld wordt, zegt het Hebreeuws niet. In 6:12 wordt een man met die naam genoemd, en vergelijk Jes. 4:2, Jer. 23:5 en 33:15. Wij schrijven ‘Spruit’ met hoofdletter, omdat het hier een naam of titel lijkt; in Jes. 4:2 en Jer. 23:5 staat ‘spruit’ met kleine letter. ‘Knecht’ (eved) staat met kleine letter, zoals bij ‘mijn knecht’ elders.

De steen met zeven ogen

9Want zie, de steen die Ik voor Jozua heb gelegd: op die ene steen zijn zeven ogen. Zie, Ik graveer zijn inscriptie, godsspraak van Yahweh van de legermachten. Ik neem de schuld van dat land weg, op één dag.
כִּ֣י
(ki)
want
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
הָאֶ֗בֶן
(haeven)
de steen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נָתַ֨תִּי֙
(natati)
Ik heb gelegd
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
עַל
(al)
op
אֶ֥בֶן
(even)
steen
אַחַ֖ת
(achat)
één
שִׁבְעָ֣ה
(shiva)
zeven
עֵינָ֑יִם
(einayim)
ogen
הִנְנִ֧י
(hinni)
zie Ik
מְפַתֵּ֣חַ
(mefateach)
graveer
פִּתֻּחָ֗הּ
(pituchah)
zijn inscriptie
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וּמַשְׁתִּ֛י
(umashti)
en Ik zal wegnemen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺ֥ן
(avon)
de schuld van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
הַהִ֖יא
(hahi)
dat
בְּי֥וֹם
(beyom)
op dag
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאֶבֶן (ha’even), ‘de steen’: het Hebreeuws zegt niet welke steen het is.

Men denkt aan een kostbare steen op het hoofdkleed van de hogepriester, een hoeksteen of de steen van 4:7 en 4:10.

Wij laten het open.

שִׁבְעָה עֵינָיִם (shiv’ah einayim), ‘zeven ogen’: ‘ogen’ kan ook ‘bronnen’ of ‘facetten’ betekenen. In 4:10 zijn de zeven de ogen van Yahweh.

מְפַתֵּחַ פִּתֻּחָהּ (mefattéach pittuchah), ‘Ik graveer zijn inscriptie’: het werkwoord is hetzelfde als in Exod. 28:9, 28:11, 28:36, de graveringen op de stenen en de plaat van de hogepriester.

10Op die dag, godsspraak van Yahweh van de legermachten, zullen jullie ieder je naaste uitnodigen onder de wijnstok en onder de vijgenboom.”
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
תִּקְרְא֖וּ
(tiqreu)
zullen jullie roepen
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
לְרֵעֵ֑הוּ
(lereehu)
zijn naaste
אֶל
(el)
naar
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
גֶּ֖פֶן
(gefen)
een wijnstok
וְאֶל
(veel)
en naar
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
תְּאֵנָֽה
(teena)
een vijgenboom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּקְרְאוּ אִישׁ לְרֵעֵהוּ (tiqre’u ish lere’ehu), ‘jullie zullen ieder je naaste uitnodigen’: letterlijk ‘jullie zullen roepen, een man tot zijn naaste’.

תַּחַת גֶּפֶן וְאֶל תַּחַת תְּאֵנָה (tachat gefen ve’el tachat te’enah), ‘onder de wijnstok en onder de vijgenboom’: een beeld van vrede en veiligheid. Zie 1 Kon. 5:5 (Hebr.) en Micha 4:4.