Zacharia 3
Jozua, de hogepriester, voor de engel van Yahweh
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Vierde visioen: Jozua en de satan
יְהוֹשֻׁעַ (Yehoshua), ‘Jozua’: de hogepriester, de zoon van Jehozadak (Hag. 1:1; 1 Kron. 5:40–41).
In Ezra en Nehemia heet hij Jesua, een kortere vorm van dezelfde naam.
Wij schrijven hier ‘Jozua’, zoals de naam in het Hebreeuws staat.
הַכֹּהֵן הַגָּדוֹל (hakkohen haggadol), ‘de hogepriester’: letterlijk ‘de grote priester’, zoals in Lev. 21:10.
הַשָּׂטָן (hasatan), ‘de satan’: met het lidwoord; het woord betekent ‘tegenstander’ of ‘aanklager’. Zo staat het ook in Job 1:6, 2:1. In 1 Kron. 21:1 staat het zonder lidwoord, ‘een satan’. Hier staat de satan rechts van Jozua, de plaats van de aanklager voor de rechter (vergelijk Ps. 109:6).
Het Hebreeuws zegt niet wie ‘Hij’ in ‘Hij liet mij zien’ is. Waarschijnlijk is het de engel die met Zacharia sprak (zie 1:9).
Het visioen is het vierde van de acht visioenen.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
יִגְעַר יְהוָה בְּךָ (yig’ar Yahweh bekha), ‘Moge Yahweh je bestraffen’: een verwensing of bevel.
De spreker is Yahweh volgens het Hebreeuws (‘Yahweh zei tegen de satan’), maar Hij spreekt hier over Zichzelf in de derde persoon, zoals in Jes. 6:12.
Daarom staat het vers rood.
Het kan ook gelezen worden als woord van de engel van Yahweh (vers 1); dan staat het zwart.
הַבֹּחֵר בִּירוּשָׁלִַם (habbochér bi-Yerushalaim), ‘Hij die Jeruzalem kiest’: zie 1:17 en 2:16.
אוּד מֻצָּל מֵאֵשׁ (ud mutsal me’esh), ‘een brandhout, uit het vuur bevrijd’: een stuk hout dat uit de vlammen is getrokken voordat het geheel verbrandt. Vergelijk Amos 4:11. Het beeld is Jozua, en met hem het volk, dat uit de ballingschap is gered.
צוֹאִים (tso’im), ‘vuile’: het woord komt van een zelfstandig naamwoord dat ‘uitwerpselen’ betekent.
De kleren zijn dus zeer vuil.
Het beeld is de schuld van Jozua en zijn volk (vers 4).
De vuile kleren worden weggenomen
עֲוֺנֶךָ (avonekha), ‘je schuld’: zie ook 3:9.
De vuile kleren zijn het teken van de schuld.
Als de schuld wordt weggenomen, krijgt Jozua nieuwe kleren.
הֶעֱבַרְתִּי (he’evarti), ‘Ik heb weggenomen’: letterlijk ‘Ik heb laten voorbijgaan’. Hier spreekt de engel van Yahweh in de eerste persoon namens Yahweh; daarom staat dit deel rood. Het bevel ‘Doe de vuile kleren van hem uit’ is een gewoon bevel en staat zwart.
וְהַלְבֵּשׁ (vehalbesh), ‘en je te kleden’: een werkwoordsvorm zonder persoon, die hier als vervolg op ‘Ik heb weggenomen’ staat. Wij vertalen ‘Ik kleed je’.
מַחֲלָצוֹת (machalatsot), ‘feestgewaden’: kostbare kleren, zoals in Jes. 3:22.
וָאֹמַר (va’omar), ‘en ik zei’: Zacharia grijpt zelf in.
Sommige oude vertalingen lezen anders.
Wij volgen de Masoretische tekst.
הַצָּנִיף הַטָּהוֹר (hatstsanif hattahor), ‘de reine tulband’: het hoofdkleed van de hogepriester. Het hoofdkleed van de hogepriester heet elders מִצְנֶפֶת (mitsnefet), zie Exod. 28:4, 28:39 en Lev. 8:9. In Jes. 62:3 staat hetzelfde woord צָנִיף (tsanif) voor een ‘koninklijke tulband’.
De belofte aan Jozua
וַיָּעַד (vaya’ad), ‘betuigde plechtig’: het werkwoord betekent ‘ernstig waarschuwen’ of ‘plechtig getuigen’, bijvoorbeeld in Gen. 43:3.
De engel zegt de woorden van Yahweh plechtig aan Jozua.
מִשְׁמַרְתִּי (mishmarti), ‘Mijn opdracht’: wat Yahweh te bewaken heeft opgedragen.
Het is het woord van de dienst van de priesters (Num. 3:7–8, 18:5).
תָּדִין (tadin), ‘zult oordelen’: het werkwoord betekent recht spreken en besturen. Jozua krijgt gezag over het huis (de tempel).
מהלכים (mahlekhim), ‘toegang’: letterlijk ‘gangen’ of ‘wandelaars’. Het woord is zeldzaam; hier betekent het waarschijnlijk dat Jozua toegang krijgt tussen hen die voor Yahweh staan, de engelen (vers 4). De betekenis is een aanname.
‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ staat zwart; wat daarna komt rood, ook als de engel de woorden brengt.
Mijn knecht, de Spruit
אַנְשֵׁי מוֹפֵת (anshei mofet), ‘mannen van een teken’: mannen die een voorteken zijn van wat komt.
Vergelijk Jes. 8:18 en Ezech. 12:11.
עַבְדִּי צֶמַח (avdi Tsemach), ‘Mijn knecht, de Spruit’: צֶמַח (tsemach) is wat uit de grond opkomt. Wie ermee bedoeld wordt, zegt het Hebreeuws niet. In 6:12 wordt een man met die naam genoemd, en vergelijk Jes. 4:2, Jer. 23:5 en 33:15. Wij schrijven ‘Spruit’ met hoofdletter, omdat het hier een naam of titel lijkt; in Jes. 4:2 en Jer. 23:5 staat ‘spruit’ met kleine letter. ‘Knecht’ (eved) staat met kleine letter, zoals bij ‘mijn knecht’ elders.
De steen met zeven ogen
הָאֶבֶן (ha’even), ‘de steen’: het Hebreeuws zegt niet welke steen het is.
Men denkt aan een kostbare steen op het hoofdkleed van de hogepriester, een hoeksteen of de steen van 4:7 en 4:10.
Wij laten het open.
שִׁבְעָה עֵינָיִם (shiv’ah einayim), ‘zeven ogen’: ‘ogen’ kan ook ‘bronnen’ of ‘facetten’ betekenen. In 4:10 zijn de zeven de ogen van Yahweh.
מְפַתֵּחַ פִּתֻּחָהּ (mefattéach pittuchah), ‘Ik graveer zijn inscriptie’: het werkwoord is hetzelfde als in Exod. 28:9, 28:11, 28:36, de graveringen op de stenen en de plaat van de hogepriester.
תִּקְרְאוּ אִישׁ לְרֵעֵהוּ (tiqre’u ish lere’ehu), ‘jullie zullen ieder je naaste uitnodigen’: letterlijk ‘jullie zullen roepen, een man tot zijn naaste’.
תַּחַת גֶּפֶן וְאֶל תַּחַת תְּאֵנָה (tachat gefen ve’el tachat te’enah), ‘onder de wijnstok en onder de vijgenboom’: een beeld van vrede en veiligheid. Zie 1 Kon. 5:5 (Hebr.) en Micha 4:4.