Rechtsregels over eigendom, huwelijk en omgang met kwetsbaren
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Inbraak en diefstal
1Als een dief bij een inbraak wordt betrapt en zo wordt geslagen dat hij sterft, dan rust er op degene die hem sloeg geen bloedschuld.
אִם
(im)
als
בַּמַּחְתֶּ֛רֶת
(bamachteret)
bij het inbreken
יִמָּצֵ֥א
(yimatse)
gevonden wordt
הַגַּנָּ֖ב
(haganav)
de dief
וְהֻכָּ֣ה
(vehuka)
en geslagen wordt
וָמֵ֑ת
(vamet)
en sterft
אֵ֥ין
(ein)
niet
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
דָּמִֽים
(damim)
bloedschuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hebreeuwse versnummering: dit hoofdstuk heeft 30 verzen en komt overeen met 22:2–31 in veel Nederlandse bijbels.
2Maar als de zon over hem is opgegaan, rust er wel bloedschuld; hij moet volledig vergoeden. Als hij niets heeft, wordt hij verkocht voor zijn diefstal.
אִם
(im)
als
זָרְחָ֥ה
(zarecha)
opgaat
הַשֶּׁ֛מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
עָלָ֖יו
(alav)
over hem
דָּמִ֣ים
(damim)
bloedschuld
ל֑וֹ
(lo)
voor hem
שַׁלֵּ֣ם
(shalem)
betalen
יְשַׁלֵּ֔ם
(yeshalem)
moet hij betalen
אִם
(im)
als
אֵ֣ין
(ein)
niet
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
וְנִמְכַּ֖ר
(venimkar)
dan wordt hij verkocht
בִּגְנֵבָתֽוֹ
(bignevato)
voor zijn diefstal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Bij daglicht kon de dief worden herkend en aangepakt; dan was doden niet meer als noodweer te rechtvaardigen.
4Wanneer iemand een akker of wijngaard laat afgrazen en zijn vee loslaat zodat het in de akker van een ander graast, dan moet hij het beste van zijn eigen akker en van zijn eigen wijngaard vergoeden.
כִּ֤י
(ki)
wanneer
יַבְעֶר
(yaver)
laat afgrazen
אִישׁ֙
(ish)
een man
שָׂדֶ֣ה
(sade)
akker
אוֹ
(o)
of
כֶ֔רֶם
(kerem)
wijngaard
וְשִׁלַּח֙
(veshilach)
en hij laat los
אֶת
(et)
(obj.)
בְּעִיר֔וֹ
(beiro)
zijn vee
וּבִעֵ֖ר
(uvier)
en het graast af
בִּשְׂדֵ֣ה
(bisde)
in akker van
אַחֵ֑ר
(acher)
een ander
מֵיטַ֥ב
(meitav)
het beste van
שָׂדֵ֛הוּ
(sadehu)
zijn akker
וּמֵיטַ֥ב
(umeitav)
en het beste van
כַּרְמ֖וֹ
(karmo)
zijn wijngaard
יְשַׁלֵּֽם
(yeshalem)
hij betaalt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Wanneer er vuur uitbreekt en in doornstruiken terechtkomt, zodat een korenhoop, het staande koren of het veld wordt verteerd, dan moet degene die het vuur heeft aangestoken zeker vergoeden.
כִּֽי
(ki)
wanneer
תֵצֵ֨א
(tetse)
uitgaat
אֵ֜שׁ
(esh)
vuur
וּמָצְאָ֤ה
(umatsea)
en vindt
קֹצִים֙
(qotsim)
doornen
וְנֶאֱכַ֣ל
(veneekhal)
en wordt verteerd
גָּדִ֔ישׁ
(gadish)
korenhoop
א֥וֹ
(o)
of
הַקָּמָ֖ה
(haqama)
het staande koren
א֣וֹ
(o)
of
הַשָּׂדֶ֑ה
(hasade)
het veld
שַׁלֵּ֣ם
(shalem)
betalen
יְשַׁלֵּ֔ם
(yeshalem)
moet betalen
הַמַּבְעִ֖ר
(hamavir)
de aansteker
אֶת
(et)
(obj.)
הַבְּעֵרָֽה
(habeera)
de brand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De tekst heeft ‘doornen’ (קֹצִים, qotsim): doornstruiken waarin het vuur overslaat naar het graan.
6Wanneer iemand zijn naaste geld of voorwerpen in bewaring geeft en die worden uit het huis van die man gestolen: als de dief wordt gevonden, moet hij het dubbele betalen.
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִתֵּן֩
(yiten)
geeft
אִ֨ישׁ
(ish)
een man
אֶל
(el)
aan
רֵעֵ֜הוּ
(reehu)
zijn naaste
כֶּ֤סֶף
(kesef)
zilver
אֽוֹ
(o)
of
כֵלִים֙
(kelim)
voorwerpen
לִשְׁמֹ֔ר
(lishmor)
om te bewaren
וְגֻנַּ֖ב
(vegunav)
en gestolen wordt
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
הָאִ֑ישׁ
(haish)
de man
אִם
(im)
als
יִמָּצֵ֥א
(yimatse)
gevonden wordt
הַגַּנָּ֖ב
(haganav)
de dief
יְשַׁלֵּ֥ם
(yeshalem)
zal betalen
שְׁנָֽיִם
(shenayim)
tweevoudig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Wordt de dief niet gevonden, dan moet de eigenaar van het huis voor Elohim komen om vast te stellen of hij zijn hand niet heeft uitgestoken naar de bezittingen van zijn naaste.
אִם
(im)
als
לֹ֤א
(lo)
niet
יִמָּצֵא֙
(yimatse)
gevonden wordt
הַגַּנָּ֔ב
(haganav)
de dief
וְנִקְרַ֥ב
(veniqrav)
dan nadert
בַּֽעַל
(baal)
eigenaar van
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
אֶל
(el)
tot
הָֽאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
אִם
(im)
of
לֹ֥א
(lo)
niet
שָׁלַ֛ח
(shalach)
hij uitstrekte
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
בִּמְלֶ֥אכֶת
(bimlekhet)
naar de bezittingen van
רֵעֵֽהוּ
(reehu)
zijn naaste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָאֱלֹהִים (ha'elohim) betekent ‘Elohim’ of ‘de rechters’; bedoeld is een uitspraak voor het heiligdom of voor de rechters.
8Bij elke overtreding met betrekking tot een stier, een ezel, een schaap, een mantel of enig verloren voorwerp waarvan iemand zegt: ‘Dit is het,’ komt de zaak van beiden voor Elohim. Wie door Elohim schuldig wordt verklaard, moet het dubbele aan zijn naaste betalen.
עַֽל
(al)
voor
כָּל
(kal)
elke
דְּבַר
(devar)
zaak van
פֶּ֡שַׁע
(pesha)
overtreding
עַל
(al)
voor
שׁ֡וֹר
(shor)
stier
עַל
(al)
voor
חֲ֠מוֹר
(chamor)
ezel
עַל
(al)
voor
שֶׂ֨ה
(se)
schaap
עַל
(al)
voor
שַׂלְמָ֜ה
(salma)
mantel
עַל
(al)
voor
כָּל
(kal)
elk
אֲבֵדָ֗ה
(aveda)
verloren voorwerp
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waarvan
יֹאמַר֙
(yomar)
men zegt
כִּי
(ki)
dat
ה֣וּא
(hu)
hij
זֶ֔ה
(ze)
dit
עַ֚ד
(ad)
tot
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
יָבֹ֖א
(yavo)
zal komen
דְּבַר
(devar)
zaak van
שְׁנֵיהֶ֑ם
(sheneihem)
beiden
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
wie
יַרְשִׁיעֻן֙
(yarshiun)
schuldig verklaart
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
יְשַׁלֵּ֥ם
(yeshalem)
betalen
שְׁנַ֖יִם
(shenayim)
tweevoudig
לְרֵעֵֽהוּ
(lereehu)
aan zijn naaste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Wanneer iemand zijn naaste een ezel, een stier, een schaap of enig ander dier in bewaring geeft en het sterft, raakt gewond of wordt weggevoerd zonder dat iemand het ziet,
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִתֵּן֩
(yiten)
geeft
אִ֨ישׁ
(ish)
een man
אֶל
(el)
aan
רֵעֵ֜הוּ
(reehu)
zijn naaste
חֲמ֨וֹר
(chamor)
ezel
אוֹ
(o)
of
שׁ֥וֹר
(shor)
stier
אוֹ
(o)
of
שֶׂ֛ה
(se)
schaap
וְכָל
(vekhal)
en elk
בְּהֵמָ֖ה
(behema)
dier
לִשְׁמֹ֑ר
(lishmor)
om te bewaren
וּמֵ֛ת
(umet)
en sterft
אוֹ
(o)
of
נִשְׁבַּ֥ר
(nishbar)
gewond raakt
אוֹ
(o)
of
נִשְׁבָּ֖ה
(nishba)
weggevoerd wordt
אֵ֥ין
(ein)
niemand
רֹאֶֽה
(roe)
ziet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10dan komt er een eed bij Yahweh tussen hen beiden of hij zijn hand niet heeft uitgestoken naar de bezittingen van zijn naaste. De eigenaar moet dat aannemen en hij hoeft niet te betalen.
שְׁבֻעַ֣ת
(shevuat)
eed van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
תִּהְיֶה֙
(tihye)
zal zijn
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
שְׁנֵיהֶ֔ם
(sheneihem)
beiden
אִם
(im)
of
לֹ֥א
(lo)
niet
שָׁלַ֛ח
(shalach)
hij uitstrekte
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
בִּמְלֶ֣אכֶת
(bimlekhet)
naar de bezittingen van
רֵעֵ֑הוּ
(reehu)
zijn naaste
וְלָקַ֥ח
(velaqach)
en zal aannemen
בְּעָלָ֖יו
(bealav)
zijn eigenaar
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יְשַׁלֵּֽם
(yeshalem)
betaalt hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De eed is hier een rechtsmiddel: de eed bij Yahweh beslist als er geen getuigen zijn.
24Als je geld uitleent aan Mijn volk, aan de arme die bij je woont, dan mag je voor hem niet als een schuldeiser zijn. Jullie mogen geen rente op hem leggen.
אִם
(im)
als
כֶּ֣סֶף
(kesef)
geld
תַּלְוֶ֣ה
(talve)
je leent
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֗י
(ami)
Mijn volk
אֶת
(et)
(obj.)
הֶֽעָנִי֙
(heani)
de arme
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
bij je
לֹא
(lo)
niet
תִהְיֶ֥ה
(tihye)
zul je zijn
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
כְּנֹשֶׁ֑ה
(kenoshe)
als schuldeiser
לֹֽא
(lo)
niet
תְשִׂימ֥וּן
(tesimun)
zullen jullie leggen
עָלָ֖יו
(alav)
op hem
נֶֽשֶׁךְ
(neshekh)
rente
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Rente op leningen aan een arme volksgenoot is verboden.
26want dat is zijn enige deken, zijn kleed voor zijn huid; waarin zou hij anders slapen? En wanneer hij tot Mij roept, zal Ik het horen, want Ik ben genadig.
כִּ֣י
(ki)
want
הִ֤וא
(hi)
die
כְסוּתוֹ֙
(kesuto)
zijn deken
לְבַדָּ֔הּ
(levadah)
alleen
הִ֥וא
(hi)
die
שִׂמְלָת֖וֹ
(simlato)
zijn kleed
לְעֹר֑וֹ
(leoro)
voor zijn huid
בַּמֶּ֣ה
(bame)
waarin
יִשְׁכָּ֔ב
(yishkav)
zal hij slapen
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִצְעַ֣ק
(yitsaq)
hij roept
אֵלַ֔י
(elay)
tot Mij
וְשָׁמַעְתִּ֖י
(veshamati)
dan hoor Ik
כִּֽי
(ki)
want
חַנּ֥וּן
(chanun)
genadig
אָֽנִי
(ani)
Ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)