Elohim Bijbel

Jeremia 13

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

De linnen gordel, de kruiken vol wijn en de oproep aan de koning en de koningin-moeder

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De linnen gordel

1Zo zegt Yahweh tegen mij: „Ga, koop een linnen gordel voor jezelf en leg hem om je heupen. Maar breng hem niet in water.”
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
tegen mij
הָל֞וֹךְ
(halokh)
ga
וְקָנִ֤יתָ
(veqanita)
en koop
לְּךָ֙
(lekha)
voor jezelf
אֵז֣וֹר
(ezor)
gordel van
פִּשְׁתִּ֔ים
(pishtim)
linnen
וְשַׂמְתּ֖וֹ
(vesamto)
en leg hem
עַל
(al)
op
מָתְנֶ֑יךָ
(mateneikha)
je heupen
וּבַמַּ֖יִם
(uvamayim)
en in water
לֹ֥א
(lo)
niet
תְבִאֵֽהוּ
(teviehu)
breng hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵזוֹר (ezor), ‘gordel’: een lendendoek van linnen, die direct op het lichaam werd gedragen.

Dit is een tekenhandeling: Jeremia moet iets doen waardoor het volk iets begrijpt. Vergelijk Jer. 19:1–2 en 27:2.

2Ik kocht de gordel, naar het woord van Yahweh, en legde hem om mijn heupen.
וָאֶקְנֶ֥ה
(vaeqne)
en ik kocht
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֵז֖וֹר
(haezor)
de gordel
כִּדְבַ֣ר
(kidvar)
naar het woord van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וָאָשִׂ֖ם
(vaasim)
en ik legde
עַל
(al)
op
מָתְנָֽי
(matenay)
mijn heupen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Het woord van Yahweh kwam voor de tweede keer tot mij:
וַיְהִ֧י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
שֵׁנִ֥ית
(shenit)
voor de tweede keer
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJer 13:8
4„Neem de gordel die je gekocht hebt, die om je heupen zit. Sta op, ga naar de Eufraat en verberg hem daar in een spleet van de rots.”
קַ֧ח
(qach)
neem
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֵז֛וֹר
(haezor)
de gordel
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
קָנִ֖יתָ
(qanita)
je gekocht hebt
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
מָתְנֶ֑יךָ
(mateneikha)
je heupen
וְקוּם֙
(vequm)
en sta op
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
פְּרָ֔תָה
(perata)
naar de Eufraat
וְטָמְנֵ֥הוּ
(vetamenehu)
en verberg hem
שָׁ֖ם
(sham)
daar
בִּנְקִ֥יק
(binqiq)
in een spleet van
הַסָּֽלַע
(hasala)
de rots
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.

Uitleg

פְּרָתָה (Peratah), ‘naar de Eufraat’: het Hebreeuwse woord Perat is de gewone naam van de Eufraat.

Dat is een zeer lange reis vanuit Juda, en Jeremia moet haar tweemaal maken (vers 4 en 6).

Sommigen denken aan een plaats dichter bij Anatot, Para (Joz. 18:23), bij het Wadi Farah. De tekst zegt het niet. Wij vertalen ‘Eufraat’.

5Ik ging en verborg hem bij de Eufraat, zoals Yahweh mij had geboden.
וָאֵלֵ֕ךְ
(vaelekh)
en ik ging
וָאֶטְמְנֵ֖הוּ
(vaetmenehu)
en ik verborg hem
בִּפְרָ֑ת
(bifrat)
bij de Eufraat
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
had geboden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אוֹתִֽי
(oti)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.

6Na vele dagen zei Yahweh tegen mij: „Sta op, ga naar de Eufraat. Haal daar de gordel vandaan, die Ik je geboden had daar te verbergen.”
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
מִקֵּ֖ץ
(miqets)
na het einde van
יָמִ֣ים
(yamim)
dagen
רַבִּ֑ים
(rabim)
vele
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
tegen mij
ק֚וּם
(qum)
sta op
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
פְּרָ֔תָה
(perata)
naar de Eufraat
וְקַ֤ח
(veqach)
en haal
מִשָּׁם֙
(misham)
vandaar
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אֵז֔וֹר
(haezor)
de gordel
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צִוִּיתִ֖יךָ
(tsivitikha)
Ik je had geboden
לְטָמְנוֹ
(letameno)
hem te verbergen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.

7Ik ging naar de Eufraat, ik groef en ik haalde de gordel weg van de plaats waar ik hem verborgen had. En zie: de gordel was bedorven. Hij was nergens meer goed voor.
וָאֵלֵ֣ךְ
(vaelekh)
en ik ging
פְּרָ֔תָה
(perata)
naar de Eufraat
וָאֶחְפֹּ֗ר
(vaechpor)
en ik groef
וָֽאֶקַּח֙
(vaeqach)
en ik nam
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אֵז֔וֹר
(haezor)
de gordel
מִן
(min)
van
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waar
טְמַנְתִּ֣יו
(temantiv)
ik hem had verborgen
שָׁ֑מָּה
(shama)
daar
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
נִשְׁחַ֣ת
(nishchat)
was bedorven
הָאֵז֔וֹר
(haezor)
de gordel
לֹ֥א
(lo)
niet
יִצְלַ֖ח
(yitslach)
was hij nuttig
לַכֹּֽל
(lakol)
voor iets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.

Uitleg

נִשְׁחַת (nishchat), ‘was bedorven’: hetzelfde werkwoord als ‘verderven’ in vers 9 (אַשְׁחִית, ashchit).

Wat met de gordel gebeurde, gebeurt met de trots van Juda.

De betekenis van de gordel

8Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Zo zegt Yahweh: „Zo zal Ik de trots van Juda verderven, en de grote trots van Jeruzalem.
כֹּ֖ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כָּ֠כָה
(kakha)
zo
אַשְׁחִ֞ית
(ashchit)
zal Ik verderven
אֶת
(et)
(obj.)
גְּא֧וֹן
(geon)
trots van
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גְּא֥וֹן
(geon)
trots van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
הָרָֽב
(harav)
de grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

גְּאוֹן (ge’on), ‘trots’: hoogmoed, maar ook statigheid.

Hier is het de hoogmoed van het volk, dat zich op zijn eigen kracht verlaat.

De aanhef ‘Zo zegt Yahweh’ staat zwart; de woorden erna zijn rood.

10Dit slechte volk weigert naar Mijn woorden te luisteren. Het gaat in de hardnekkigheid van zijn hart en loopt andere goden achterna, om hen te dienen en zich voor hen neer te buigen. Het zal worden als deze gordel, die nergens goed voor is.
הָעָם֩
(haam)
het volk
הַזֶּ֨ה
(haze)
dit
הָרָ֜ע
(hara)
het slechte
הַֽמֵּאֲנִ֣ים
(hameanim)
dat weigert
לִשְׁמ֣וֹעַ
(lishmoa)
te horen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרַ֗י
(devaray)
Mijn woorden
הַהֹֽלְכִים֙
(haholekhim)
dat gaat
בִּשְׁרִר֣וּת
(bishrirut)
in de hardnekkigheid van
לִבָּ֔ם
(libam)
hun hart
וַיֵּלְכ֗וּ
(vayelekhu)
en gaat
אַֽחֲרֵי֙
(acharei)
achter
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
לְעָבְדָ֖ם
(leavedam)
om hen te dienen
וּלְהִשְׁתַּחֲוֺ֣ת
(ulehishtachavot)
en zich neer te buigen
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
וִיהִי֙
(vihi)
en het zal worden
כָּאֵז֣וֹר
(kaezor)
als de gordel
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
יִצְלַ֖ח
(yitslach)
nuttig is
לַכֹּֽל
(lakol)
voor iets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Want zoals een gordel zich vastklemt aan de heupen van een man, zo heb Ik het hele huis van Israël en het hele huis van Juda aan Mij vastgemaakt, godsspraak van Yahweh. Zij moesten Mij zijn tot een volk, tot een naam, tot een lof en tot een sieraad. Maar zij hebben niet geluisterd.
כִּ֡י
(ki)
want
כַּאֲשֶׁר֩
(kaasher)
zoals
יִדְבַּ֨ק
(yidbaq)
zich vastklemt
הָאֵז֜וֹר
(haezor)
de gordel
אֶל
(el)
aan
מָתְנֵי
(matenei)
heupen van
אִ֗ישׁ
(ish)
een man
כֵּ֣ן
(ken)
zo
הִדְבַּ֣קְתִּי
(hidbaqti)
heb Ik vastgemaakt
אֵ֠לַי
(elay)
aan Mij
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֨ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֤ית
(beit)
huis van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לִֽהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
לִי֙
(li)
voor Mij
לְעָ֔ם
(leam)
tot een volk
וּלְשֵׁ֥ם
(uleshem)
en tot een naam
וְלִתְהִלָּ֖ה
(velithila)
en tot een lof
וּלְתִפְאָ֑רֶת
(uletifaret)
en tot een sieraad
וְלֹ֖א
(velo)
maar niet
שָׁמֵֽעוּ
(shameu)
hebben zij gehoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8.

De formule staat midden in Yahweh’s woorden en is daarom rood.

Volk, naam, lof en sieraad: dit was Yahweh’s doel met Israël. Vergelijk Deut. 26:19.

De kruiken vol wijn

12Zeg dit woord tegen hen: ‘Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: Elke kruik wordt met wijn gevuld.’ Dan zullen zij tegen je zeggen: ‘Weten wij dan niet dat elke kruik met wijn gevuld wordt?’
וְאָמַרְתָּ֨
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
tegen hen
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֗ה
(haze)
dit
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כָּל
(kal)
elke
נֵ֖בֶל
(nevel)
kruik
יִמָּ֣לֵא
(yimale)
wordt gevuld
יָ֑יִן
(yayin)
met wijn
וְאָמְר֣וּ
(veameru)
en zij zullen zeggen
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tegen je
הֲיָדֹ֨עַ֙
(hayadoa)
weten wij
לֹ֣א
(lo)
niet
נֵדַ֔ע
(neda)
wij weten
כִּ֥י
(ki)
dat
כָל
(kal)
elke
נֵ֖בֶל
(nevel)
kruik
יִמָּ֥לֵא
(yimale)
wordt gevuld
יָֽיִן
(yayin)
met wijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֵבֶל (nevel), ‘kruik’: een aarden vat voor wijn.

Het woord kan ook een leren wijnzak betekenen.

Het volk antwoordt als vanzelfsprekend: een kruik is er om gevuld te worden.

13Zeg dan tegen hen: ‘Zo zegt Yahweh: Zie, Ik vul alle inwoners van dit land met dronkenschap: de koningen die op de troon van David zitten, de priesters, de profeten en alle inwoners van Jeruzalem.
וְאָמַרְתָּ֨
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
tegen hen
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Ik
מְמַלֵּ֣א
(memale)
vul
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
inwoners van
הָאָ֪רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֟את
(hazot)
dit
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמְּלָכִ֣ים
(hamelakhim)
de koningen
הַיֹּשְׁבִים֩
(hayoshevim)
die zitten
לְדָוִ֨ד
(ledavid)
voor David
עַל
(al)
op
כִּסְא֜וֹ
(kiso)
zijn troon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכֹּהֲנִ֣ים
(hakohanim)
de priesters
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנְּבִיאִ֗ים
(haneviim)
de profeten
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
inwoners van
יְרוּשָׁלִָ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
שִׁכָּרֽוֹן
(shikaron)
met dronkenschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

שִׁכָּרוֹן (shikkaron), ‘dronkenschap’: het beeld van Yahweh’s oordeel, dat men als wijn moet drinken.

Zie ook Jer. 25:15–16.

De koningen ‘op de troon van David’: de koningen van Juda uit het huis van David.

14Ik zal hen stukslaan, de een tegen de ander, vaders en zonen samen, godsspraak van Yahweh. Ik zal niet sparen, geen medelijden hebben en Mij niet ontfermen, zodat Ik hen niet zou verderven.’”
וְנִפַּצְתִּים֩
(venipatstim)
en Ik zal hen stukslaan
אִ֨ישׁ
(ish)
een man
אֶל
(el)
tegen
אָחִ֜יו
(achiv)
zijn broer
וְהָאָב֧וֹת
(vehaavot)
en de vaders
וְהַבָּנִ֛ים
(vehabanim)
en de zonen
יַחְדָּ֖ו
(yachdav)
samen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹֽא
(lo)
niet
אֶחְמ֧וֹל
(echmol)
zal Ik sparen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אָח֛וּס
(achus)
zal Ik medelijden hebben
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אֲרַחֵ֖ם
(arachem)
zal Ik Mij ontfermen
מֵהַשְׁחִיתָֽם
(mehashchitam)
zodat Ik hen niet verderf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶחְמוֹל (echmol), ‘zal Ik sparen’, אָחוּס (achus), ‘zal Ik medelijden hebben’, en אֲרַחֵם (arachem), ‘zal Ik Mij ontfermen’: drie werkwoorden voor hetzelfde.

Yahweh zal nu niet meer terughouden.

Luister en wees niet hoogmoedig

15Luister en let op. Wees niet hoogmoedig, want Yahweh heeft gesproken.
שִׁמְע֥וּ
(shimu)
luistert
וְהַאֲזִ֖ינוּ
(vehaazinu)
en let op
אַל
(al)
niet
תִּגְבָּ֑הוּ
(tigbahu)
wees hoogmoedig
כִּ֥י
(ki)
want
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבֵּֽר
(diber)
heeft gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Geef Yahweh, jullie Elohim, eer, voordat Hij duisternis brengt en voordat jullie voeten struikelen op de bergen in de schemering. Jullie wachten op licht, maar Hij maakt er diepe schaduw van en brengt donkere wolken.
תְּנוּ֩
(tenu)
geeft
לַיהוָ֨ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֤ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
כָּבוֹד֙
(kavod)
eer
בְּטֶ֣רֶם
(beterem)
voordat
יַחְשִׁ֔ךְ
(yachshikh)
Hij duisternis brengt
וּבְטֶ֛רֶם
(uveterem)
en voordat
יִֽתְנַגְּפ֥וּ
(yitnagefu)
struikelen
רַגְלֵיכֶ֖ם
(ragleikhem)
jullie voeten
עַל
(al)
op
הָ֣רֵי
(harei)
bergen van
נָ֑שֶׁף
(nashef)
schemering
וְקִוִּיתֶ֤ם
(veqivitem)
en jullie wachten
לְאוֹר֙
(leor)
op licht
וְשָׂמָ֣הּ
(vesamah)
en Hij maakt het
לְצַלְמָ֔וֶת
(letsalmavet)
tot diepe schaduw
וְשִׁ֖ית
(veshit)
en Hij zet
לַעֲרָפֶֽל
(laarafel)
tot donkere wolken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשֶׁף (nashef), ‘schemering’: de tijd van de avond- of ochtendschemer, als het moeilijk is de weg te zien.

לְצַלְמָוֶת (tsalmavet), ‘diepe schaduw’: letterlijk misschien ‘schaduw van de dood’. Zie ook Ps. 23:4.

לַעֲרָפֶל (arafel), ‘donkere wolken’: dikke duisternis.

Lezing

In de geschreven tekst staat ישית (yashit); de overlevering leest וְשִׁית (veshit), ‘en Hij zet’.

Wij volgen de lezing.

17Maar als jullie het niet horen, zal mijn ziel in het verborgene huilen vanwege de hoogmoed. Mijn oog zal heftig tranen en tranen laten neerstromen, want de kudde van Yahweh is gevankelijk weggevoerd.
וְאִם֙
(veim)
en als
לֹ֣א
(lo)
niet
תִשְׁמָע֔וּהָ
(tishmauha)
jullie het horen
בְּמִסְתָּרִ֥ים
(bemistarim)
in het verborgene
תִּבְכֶּֽה
(tivke)
zal huilen
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
mijn ziel
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
vanwege
גֵוָ֑ה
(geva)
hoogmoed
וְדָמֹ֨עַ
(vedamoa)
en heftig
תִּדְמַ֜ע
(tidma)
zal tranen
וְתֵרַ֤ד
(veterad)
en zal neerdalen
עֵינִי֙
(eini)
mijn oog
דִּמְעָ֔ה
(dima)
tranen
כִּ֥י
(ki)
want
נִשְׁבָּ֖ה
(nishba)
is gevankelijk weggevoerd
עֵ֥דֶר
(eder)
de kudde van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵדֶר יְהוָה (eder Yahweh), ‘de kudde van Yahweh’: het volk als zijn kudde.

Vers 20 spreekt weer over ‘de kudde’.

Woord voor de koning en de koningin-moeder

18„Zeg tegen de koning en de koningin-moeder: ‘Ga laag zitten, want de kroon van jullie pracht is van jullie hoofden gevallen.
אֱמֹ֥ר
(emor)
zeg
לַמֶּ֛לֶךְ
(lamelekh)
tegen de koning
וְלַגְּבִירָ֖ה
(velagevira)
en tegen de koningin-moeder
הַשְׁפִּ֣ילוּ
(hashpilu)
ga laag
שֵׁ֑בוּ
(shevu)
zit
כִּ֤י
(ki)
want
יָרַד֙
(yarad)
is neergevallen
מַרְאֲשׁ֣וֹתֵיכֶ֔ם
(marashoteikhem)
van jullie hoofden
עֲטֶ֖רֶת
(ateret)
kroon van
תִּֽפְאַרְתְּכֶֽם
(tifartekhem)
jullie pracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְלַגְּבִירָה (gevirah), ‘koningin-moeder’: de moeder van de koning, die aan het hof een eigen plaats had.

Het woord wordt vaak verbonden met Jojachin en zijn moeder (2 Kon. 24:12,15), maar de tekst noemt geen namen.

De toespraak van vers 18 en 19 is Yahweh’s opdracht aan Jeremia en staat daarom rood. Vers 15–17 zijn de woorden van Jeremia zelf.

19De steden van de Negev zijn afgesloten en niemand opent ze. Heel Juda is weggevoerd, volledig weggevoerd.’
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
הַנֶּ֛גֶב
(hanegev)
de Negev
סֻגְּר֖וּ
(sugeru)
zijn afgesloten
וְאֵ֣ין
(veein)
en er is niemand
פֹּתֵ֑חַ
(poteach)
die opent
הָגְלָ֧ת
(hagelat)
is weggevoerd
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
כֻּלָּ֖הּ
(kulah)
geheel
הָגְלָ֥ת
(hagelat)
is weggevoerd
שְׁלוֹמִֽים
(shelomim)
volledig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.

Uitleg

הַנֶּגֶב (hannegev), ‘de Negev’: het droge zuiden van Juda.

De steden daar zijn afgesloten, dus niemand kan er nog in of uit.

Jeruzalem beschaamd

20Sla jullie ogen op en zie wie er uit het noorden komen. Waar is de kudde die aan je gegeven is, je prachtige schapen?
שְׂא֤וּ
(seu)
slaat op
עֵֽינֵיכֶם֙
(eineikhem)
jullie ogen
וּרְא֔וּ
(ureu)
en ziet
הַבָּאִ֖ים
(habaim)
die komen
מִצָּפ֑וֹן
(mitsafon)
uit het noorden
אַיֵּ֗ה
(aye)
waar is
הָעֵ֨דֶר֙
(haeder)
de kudde
נִתַּן
(nitan)
die is gegeven
לָ֔ךְ
(lakh)
aan je
צֹ֖אן
(tson)
schapen van
תִּפְאַרְתֵּֽךְ
(tifartekh)
je pracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het ‘noorden’: vanuit het noorden komt het leger van Babel; zie Jer. 1:14–15.

Lezing

In de geschreven tekst staan שאי (se’i) en וראי (ur’i), vrouwelijk enkelvoud; de overlevering leest שְׂאוּ (se’u) en וּרְאוּ (ur’u), meervoud.

Wij volgen de lezing.

21Wat zul je zeggen wanneer Hij hen tot hoofd over je aanstelt, hen die jij zelf als vertrouwelingen aan je hebt gewend? Zullen geen weeën je grijpen, als een vrouw die baart?
מַה
(ma)
wat
תֹּֽאמְרִי֙
(tomri)
zul je zeggen
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִפְקֹ֣ד
(yifqod)
Hij aanstelt
עָלַ֔יִךְ
(alayikh)
over je
וְ֠אַתְּ
(veat)
en jij
לִמַּ֨דְתְּ
(limadt)
hebt gewend
אֹתָ֥ם
(otam)
hen
עָלַ֛יִךְ
(alayikh)
aan je
אַלֻּפִ֖ים
(alufim)
als vertrouwelingen
לְרֹ֑אשׁ
(lerosh)
tot hoofd
הֲל֤וֹא
(halo)
niet
חֲבָלִים֙
(chavalim)
weeën
יֹאחֱז֔וּךְ
(yochezukh)
grijpen je
כְּמ֖וֹ
(kemo)
als
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
een vrouw van
לֵדָֽה
(leda)
het baren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws van dit vers is moeilijk.

אַלֻּפִים (alluphim) betekent ‘vertrouwelingen’ of ‘aanvoerders’.

De tekst noemt niet wie bedoeld wordt: mensen die Jeruzalem zelf als vrienden heeft aangetrokken, krijgen nu macht over haar.

חֲבָלִים יֹאחֱזוּךְ (chavalim yochazukh), ‘weeën grijpen je’: een beeld van plotselinge, onontkoombare pijn.

22En als je in je hart zegt: ‘Waarom overkomt mij dit?’ Door de grootte van je schuld zijn je slippen opgetild en zijn je hielen geweld aangedaan.
וְכִ֤י
(vekhi)
en als
תֹאמְרִי֙
(tomri)
je zegt
בִּלְבָבֵ֔ךְ
(bilvavekh)
in je hart
מַדּ֖וּעַ
(madua)
waarom
קְרָאֻ֣נִי
(qerauni)
zijn overkomen mij
אֵ֑לֶּה
(ele)
deze dingen
בְּרֹ֧ב
(berov)
vanwege de grootte van
עֲוֺנֵ֛ךְ
(avonekh)
je schuld
נִגְל֥וּ
(niglu)
zijn opgetild
שׁוּלַ֖יִךְ
(shulayikh)
je slippen
נֶחְמְס֥וּ
(nechmesu)
is geweld aangedaan
עֲקֵבָֽיִךְ
(aqevayikh)
aan je hielen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Kan een Kushiet zijn huid veranderen, of een luipaard zijn vlekken? Dan zouden ook jullie goed kunnen doen, jullie die gewend zijn kwaad te doen.
הֲיַהֲפֹ֤ךְ
(hayahafokh)
kan veranderen
כּוּשִׁי֙
(kushi)
een Kushiet
עוֹר֔וֹ
(oro)
zijn huid
וְנָמֵ֖ר
(venamer)
en een luipaard
חֲבַרְבֻּרֹתָ֑יו
(chavarburotav)
zijn vlekken
גַּם
(gam)
ook
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
תּוּכְל֣וּ
(tukhelu)
kunnen
לְהֵיטִ֔יב
(leheitiv)
goed te doen
לִמֻּדֵ֖י
(limudei)
die gewend zijn
הָרֵֽעַ
(harea)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כּוּשִׁי (Kushi), ‘Kushiet’: iemand uit Kush, het land ten zuiden van Egypte.

De vraag is bedoeld als onmogelijk: zo min als een mens zijn huid kan veranderen, kan Juda ineens goed doen.

חֲבַרְבֻּרֹתָיו (chavarburotav), ‘zijn vlekken’: dit woord komt alleen hier voor.

24Ik zal hen verstrooien als stoppels die wegwaaien door de woestijnwind.
וַאֲפִיצֵ֖ם
(vaafitsem)
en Ik zal hen verstrooien
כְּקַשׁ
(keqash)
als stoppels
עוֹבֵ֑ר
(over)
die voorbijgaan
לְר֖וּחַ
(leruach)
voor de wind
מִדְבָּֽר
(midbar)
van de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Dit is je lot, het deel dat Ik je heb toegemeten, godsspraak van Yahweh, omdat je Mij vergeten bent en op de leugen vertrouwt.
זֶ֣ה
(ze)
dit
גוֹרָלֵ֧ךְ
(goralekh)
je lot
מְנָת
(menat)
deel van
מִדַּ֛יִךְ
(midayikh)
wat is afgemeten voor je
מֵֽאִתִּ֖י
(meiti)
van Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר֙
(asher)
omdat
שָׁכַ֣חַתְּ
(shakhachat)
je hebt vergeten
אוֹתִ֔י
(oti)
Mij
וַֽתִּבְטְחִ֖י
(vativtechi)
en je vertrouwt
בַּשָּֽׁקֶר
(bashaqer)
op de leugen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גוֹרָלֵךְ (goralekh), ‘je lot’: het deel dat men krijgt toegewezen, zoals bij het werpen van het lot.

26Ook Ik zelf heb je slippen over je gezicht omhoog getrokken, en je schande is gezien.
וְגַם
(vegam)
en ook
אֲנִ֛י
(ani)
Ik
חָשַׂ֥פְתִּי
(chasafti)
heb ontbloot
שׁוּלַ֖יִךְ
(shulayikh)
je slippen
עַל
(al)
over
פָּנָ֑יִךְ
(panayikh)
je gezicht
וְנִרְאָ֖ה
(venira)
en gezien is
קְלוֹנֵֽךְ
(qelonekh)
je schande
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוּלַיִךְ (shulayikh), ‘je slippen’: de zomen van het gewaad.

Wie ze optilt, maakt iemand openlijk te schande.

27Je overspel en je gehinnik, je schaamteloze hoererij: op de heuvels, in het veld, heb Ik je gruwelbeelden gezien. Wee je, Jeruzalem! Je wordt niet rein. Hoelang nog?”
נִֽאֻפַ֤יִךְ
(niufayikh)
je overspel
וּמִצְהֲלוֹתַ֨יִךְ֙
(umitshalotayikh)
en je gehinnik
זִמַּ֣ת
(zimat)
schaamteloosheid van
זְנוּתֵ֔ךְ
(zenutekh)
je hoererij
עַל
(al)
op
גְּבָעוֹת֙
(gevaot)
heuvels
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
in het veld
רָאִ֖יתִי
(raiti)
Ik heb gezien
שִׁקּוּצָ֑יִךְ
(shiqutsayikh)
je gruwelbeelden
א֥וֹי
(oy)
wee
לָךְ֙
(lakh)
jou
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לֹ֣א
(lo)
niet
תִטְהֲרִ֔י
(tithari)
word je rein
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
na
מָתַ֖י
(matay)
hoelang
עֹֽד
(od)
nog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וּמִצְהֲלוֹתַיִךְ (mitsh’alotayikh), ‘je gehinnik’: het hinniken van hengsten, een beeld voor geslachtelijke begeerte; vergelijk Jer. 5:8.

שִׁקּוּצָיִךְ (shiqqutsayikh), ‘je gruwelbeelden’: afgodsbeelden, wat Yahweh afschuwelijk vindt.