Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een bode uit het kamp van Saul
1Na de dood van Saul keerde David terug van de slag tegen de Amalekieten. David bleef twee dagen in Siklag.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
אַֽחֲרֵי֙
(acharei)
na
מ֣וֹת
(mot)
de dood van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וְדָוִ֣ד
(vedavid)
en David
שָׁ֔ב
(shav)
was teruggekeerd
מֵהַכּ֖וֹת
(mehakot)
van het verslaan van
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֲמָלֵ֑ק
(haamaleq)
de Amalekiet
וַיֵּ֧שֶׁב
(vayeshev)
en David bleef
דָּוִ֛ד
(david)
David
בְּצִקְלָ֖ג
(betsiqlag)
in Siklag
יָמִ֥ים
(yamim)
dagen
שְׁנָֽיִם
(shenayim)
twee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Siklag lag in het zuiden van Juda, in de Negev, in het huidige Israël.
De precieze plek is onzeker; Tel Seraa en Tel Chalif worden genoemd.
2Op de derde dag kwam er, zie, een man uit het kamp van Saul. Zijn kleren waren gescheurd en er lag aarde op zijn hoofd. Toen hij bij David kwam, viel hij ter aarde en boog zich neer.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁלִישִׁ֗י
(hashelishi)
de derde
וְהִנֵּה֩
(vehine)
en zie
אִ֨ישׁ
(ish)
een man
בָּ֤א
(ba)
kwam
מִן
(min)
uit
הַֽמַּחֲנֶה֙
(hamachane)
het kamp
מֵעִ֣ם
(meim)
van bij
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וּבְגָדָ֣יו
(uvegadav)
en zijn kleren
קְרֻעִ֔ים
(qeruim)
gescheurd
וַאֲדָמָ֖ה
(vaadama)
en aarde
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֑וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בְּבֹא֣וֹ
(bevoo)
bij zijn komst
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֔ד
(david)
David
וַיִּפֹּ֥ל
(vayipol)
en hij viel
אַ֖רְצָה
(artsa)
ter aarde
וַיִּשְׁתָּֽחוּ
(vayishtachu)
en hij boog zich neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het gescheurde kleed en de aarde op het hoofd zijn tekenen van rouw.
4David zei tegen hem: „Wat is er gebeurd? Vertel het mij toch.” Hij zei: „Het volk is gevlucht uit de strijd. Ook zijn er velen van het volk gevallen en gestorven. Ook Saul en zijn zoon Jonatan zijn gestorven.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֥יו
(elav)
tot hem
דָּוִ֛ד
(david)
David
מֶה
(me)
wat
הָיָ֥ה
(haya)
is geschied
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
de zaak
הַגֶּד
(haged)
vertel
נָ֣א
(na)
toch
לִ֑י
(li)
mij
וַ֠יֹּאמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָ֨ס
(nas)
is gevlucht
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
מִן
(min)
uit
הַמִּלְחָמָ֗ה
(hamilchama)
de strijd
וְגַם
(vegam)
en ook
הַרְבֵּ֞ה
(harbe)
velen
נָפַ֤ל
(nafal)
zijn gevallen
מִן
(min)
van
הָעָם֙
(haam)
het volk
וַיָּמֻ֔תוּ
(vayamutu)
en zij zijn gestorven
וְגַ֗ם
(vegam)
en ook
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
וִיהוֹנָתָ֥ן
(vihonatan)
en Jonatan
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
מֵֽתוּ
(metu)
zijn gestorven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6De jongen die het hem vertelde, zei: „Ik was toevallig op de berg Gilboa. Zie, Saul leunde op zijn speer. Zie, de wagens en de bevelhebbers van de ruiters waren hem dicht op de hielen.
וַיֹּ֜אמֶר
(vayomer)
en zei
הַנַּ֣עַר
(hanaar)
de jongen
הַמַּגִּ֣יד
(hamagid)
die vertelde
ל֗וֹ
(lo)
hem
נִקְרֹ֤א
(niqro)
toevallig
נִקְרֵ֨יתִי֙
(niqreiti)
ik kwam toevallig
בְּהַ֣ר
(behar)
op de berg
הַגִּלְבֹּ֔עַ
(hagilboa)
de Gilboa
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
נִשְׁעָ֣ן
(nishan)
leunde
עַל
(al)
op
חֲנִית֑וֹ
(chanito)
zijn speer
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
הָרֶ֛כֶב
(harekhev)
de wagens
וּבַעֲלֵ֥י
(uvaalei)
en de bevelhebbers van
הַפָּרָשִׁ֖ים
(haparashim)
de ruiters
הִדְבִּקֻֽהוּ
(hidbiquhu)
waren hem dicht op de hielen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gilboa: De Gilboa is een bergrug aan de zuidoostkant van de vallei van Jizreël.
Uitleg
Dit verhaal wijkt af van 1 Sam. 31:3–6.
Daar valt Saul in zijn eigen zwaard.
De Amalekiet vertelt het anders; wij vertalen wat de tekst zegt.
בַּעֲלֵי הַפָּרָשִׁים (baalei happarashim), ‘de heren van de ruiters’: de bevelhebbers van de ruiters.
9Hij zei tegen mij: ‘Ga toch over mij staan en dood mij. Want kramp heeft mij gegrepen, terwijl mijn leven nog helemaal in mij is.’
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
עֲמָד
(amad)
ga staan
נָ֤א
(na)
toch
עָלַי֙
(alay)
over mij
וּמֹ֣תְתֵ֔נִי
(umoteteni)
en dood mij
כִּ֥י
(ki)
want
אֲחָזַ֖נִי
(achazani)
heeft gegrepen mij
הַשָּׁבָ֑ץ
(hashavats)
de kramp
כִּֽי
(ki)
want
כָל
(kal)
heel
ע֥וֹד
(od)
nog
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
mijn leven
בִּֽי
(bi)
in mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׁבָץ (shavats), ‘kramp’: de betekenis van dit woord is onzeker.
Het kan ook duizeling of doodsangst zijn.
10Ik ging over hem staan en doodde hem. Want ik wist dat hij na zijn val niet zou blijven leven. Ik nam de kroon die op zijn hoofd was en de armband die om zijn arm zat. Ik heb ze hier gebracht, naar mijn heer.”
וָאֶעֱמֹ֤ד
(vaeemod)
en ik ging staan
עָלָיו֙
(alav)
over hem
וַאֲמֹ֣תְתֵ֔הוּ
(vaamotetehu)
en ik doodde hem
כִּ֣י
(ki)
want
יָדַ֔עְתִּי
(yadati)
ik wist
כִּ֛י
(ki)
dat
לֹ֥א
(lo)
niet
יִֽחְיֶ֖ה
(yichye)
hij zou leven
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
na
נִפְל֑וֹ
(niflo)
zijn val
וָאֶקַּ֞ח
(vaeqach)
en ik nam
הַנֵּ֣זֶר
(hanezer)
de kroon
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֗וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וְאֶצְעָדָה֙
(veetsada)
en de armband
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
aan
זְרֹע֔וֹ
(zeroo)
zijn arm
וָאֲבִיאֵ֥ם
(vaaviem)
en ik bracht ze
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
הֵֽנָּה
(hena)
hierheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֵזֶר (nezer), ‘kroon’: een teken van het koningschap, hier een band om het hoofd.
12Zij rouwden, huilden en vastten tot de avond. Zij deden dat om Saul en om zijn zoon Jonatan, om het volk van Yahweh en om het huis van Israël. Want zij waren door het zwaard gevallen.
וַֽיִּסְפְּדוּ֙
(vayispedu)
en zij rouwden
וַיִּבְכּ֔וּ
(vayivku)
en zij huilden
וַיָּצֻ֖מוּ
(vayatsumu)
en zij vastten
עַד
(ad)
tot
הָעָ֑רֶב
(haarev)
de avond
עַל
(al)
om
שָׁא֞וּל
(shaul)
Saul
וְעַל
(veal)
en om
יְהוֹנָתָ֣ן
(yehonatan)
Jonatan
בְּנ֗וֹ
(beno)
zijn zoon
וְעַל
(veal)
en om
עַ֤ם
(am)
het volk van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְעַל
(veal)
en om
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כִּ֥י
(ki)
omdat
נָפְל֖וּ
(nafelu)
zij waren gevallen
בֶּחָֽרֶב
(becharev)
door het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16David zei tegen hem: „Je bloed komt op je eigen hoofd. Want je eigen mond heeft tegen je getuigd, toen je zei: ‘Ik heb de gezalfde van Yahweh gedood.’”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
דָּוִ֔ד
(david)
David
דָּמְךָ֖
(damekha)
je bloed
עַל
(al)
op
רֹאשֶׁ֑ךָ
(roshekha)
je hoofd
כִּ֣י
(ki)
want
פִ֗יךָ
(pikha)
je mond
עָנָ֤ה
(ana)
heeft getuigd
בְךָ֙
(bekha)
tegen jou
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
מֹתַ֖תִּי
(motati)
heb gedood
אֶת
(et)
(obj.)
מְשִׁ֥יחַ
(meshiach)
de gezalfde van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De geschreven tekst heeft ‘je bloeden’ (meervoud).
20Vertel het niet in Gat. Maak het niet bekend in de straten van Askelon. Anders verheugen de dochters van de Filistijnen zich, anders juichen de dochters van de onbesnedenen.
אַל
(al)
niet
תַּגִּ֣ידוּ
(tagidu)
vertel
בְגַ֔ת
(begat)
in Gat
אַֽל
(al)
niet
תְּבַשְּׂר֖וּ
(tevaseru)
maak bekend
בְּחוּצֹ֣ת
(bechutsot)
in de straten van
אַשְׁקְל֑וֹן
(ashqelon)
Askelon
פֶּן
(pen)
anders
תִּשְׂמַ֨חְנָה֙
(tismachna)
verheugen zich
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
פֶּֽן
(pen)
anders
תַּעֲלֹ֖זְנָה
(taalozena)
juichen
בְּנ֥וֹת
(benot)
dochters van
הָעֲרֵלִֽים
(haarelim)
de onbesnedenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi.
Dit is niet geheel zeker.
Zie Askelon: Askelon lag aan de kust van de Middellandse Zee, ten noorden van Gaza.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
עֲרֵלִים (arelim), ‘onbesnedenen’: een scheldnaam voor volken die het verbond van de besnijdenis niet hebben.
21Bergen van Gilboa, geen dauw en geen regen op jullie, en geen velden van heffingen! Want daar is het schild van de helden bevuild, het schild van Saul, niet met olie gezalfd.
הָרֵ֣י
(harei)
bergen van
בַגִּלְבֹּ֗עַ
(bagilboa)
in Gilboa
אַל
(al)
niet
טַ֧ל
(tal)
dauw
וְאַל
(veal)
en niet
מָטָ֛ר
(matar)
regen
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
op jullie
וּשְׂדֵ֣י
(usedei)
en velden van
תְרוּמֹ֑ת
(terumot)
heffingen
כִּ֣י
(ki)
want
שָׁ֤ם
(sham)
daar
נִגְעַל֙
(nigal)
is bevuild
מָגֵ֣ן
(magen)
schild van
גִּבּוֹרִ֔ים
(giborim)
helden
מָגֵ֣ן
(magen)
schild van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
בְּלִ֖י
(beli)
zonder
מָשִׁ֥יחַ
(mashiach)
gezalfd
בַּשָּֽׁמֶן
(bashamen)
met olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gilboa: De Gilboa is een bergrug aan de zuidoostkant van de vallei van Jizreël.
Uitleg
תְּרוּמֹת (terumot), ‘heffingen’: gaven die men aan Elohim bracht.
De zin is moeilijk.
Het gaat om velden die zulke gaven opleveren.
מָשִׁיחַ (mashiach), ‘gezalfd’: een schild werd met olie ingewreven. Hier is het schild van Saul niet meer gezalfd, dus bevuild.