Het lege graf en de verschijningen van de opgestane Yeshua
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het lege graf
1Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena vroeg, toen het nog donker was, naar het graf. Zij zag dat de steen van het graf weggehaald was.
Τῇ
(Te)
op de
δὲ
(de)
maar
μιᾷ
(mia)
eerste
τῶν
(ton)
van de
σαββάτων
(sabbaton)
week
Μαρία
(Maria)
Maria
ἡ
(he)
de
Μαγδαληνὴ
(Magdalene)
Magdalena
ἔρχεται
(erchetai)
komt
πρωῒ
(proi)
vroeg
σκοτίας
(skotias)
duisternis
ἔτι
(eti)
nog
οὔσης
(ouses)
zijnde
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
het
μνημεῖον
(mnemeion)
graf
καὶ
(kai)
en
βλέπει
(blepei)
ziet
τὸν
(ton)
de
λίθον
(lithon)
steen
ἠρμένον
(ermenon)
weggehaald
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
het
μνημείου
(mnemeiou)
graf
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Tuin en graf van Yeshua (Jeruzalem; ligging onzeker): De tuin met het nieuwe graf lag buiten de stadsmuur van Jeruzalem, vlak bij Golgota.
De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk.
Dit is niet zeker.
Uitleg
μία τῶν σαββάτων (mia ton sabbaton), ‘de eerste dag van de week’: letterlijk ‘de eerste van de sabbatten’, de dag na de sabbat (zoals in Matt. 28:1).
Johannes noemt alleen Maria Magdalena; in 20:2 spreekt zij echter van ‘wij’.
2Zij rende dus weg en kwam bij Simon Petrus en bij de andere leerling, die Yeshua liefhad. Zij zei tegen hen: „Zij hebben de Heer uit het graf weggehaald, en wij weten niet waar zij Hem hebben neergelegd.”
τρέχει
(trechei)
rent
οὖν
(oun)
dus
καὶ
(kai)
en
ἔρχεται
(erchetai)
komt
πρὸς
(pros)
naar
Σίμωνα
(Simona)
Simon
Πέτρον
(Petron)
Petrus
καὶ
(kai)
en
πρὸς
(pros)
naar
τὸν
(ton)
de
ἄλλον
(allon)
andere
μαθητὴν
(matheten)
leerling
ὃν
(hon)
die
ἐφίλει
(ephilei)
liefhad
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Ἦραν
(Eran)
hebben weggehaald
τὸν
(ton)
de
κύριον
(kyrion)
Heer
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
het
μνημείου
(mnemeiou)
graf
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
οἴδαμεν
(oidamen)
weten wij
ποῦ
(pou)
waar
ἔθηκαν
(ethekan)
legden
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐφίλει (ephilei): φιλέω (phileo), ‘liefhebben’.
In 19:26, 21:7 en 21:20 staat ἀγαπάω (agapao).
Wij vertalen beide met ‘liefhebben’ (zie 21:15–17).
οἴδαμεν (oidamen), ‘wij weten’: het meervoud kan wijzen op meer vrouwen dan Maria Magdalena alleen (vergelijk Matt. 28:1; Mark. 16:1).
13Zij zeiden tegen haar: „Vrouw, waarom huil je?” Zij zei tegen hen: „Zij hebben mijn Heer weggehaald, en ik weet niet waar zij Hem hebben neergelegd.”
καὶ
(kai)
en
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῇ
(aute)
haar
ἐκεῖνοι
(ekeinoi)
die
Γύναι
(Gynai)
vrouw
τί
(ti)
waarom
κλαίεις
(klaieis)
huil je
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὅτι
(hoti)
dat
Ἦραν
(Eran)
hebben weggehaald
τὸν
(ton)
de
κύριόν
(kyrion)
Heer
μου
(mou)
mijn
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
οἶδα
(oida)
weet ik
ποῦ
(pou)
waar
ἔθηκαν
(ethekan)
legden
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
κύριός μου (kyrios mou), ‘mijn Heer’: Maria noemt Yeshua zo, ook in 20:2 (‘de Heer’) en 20:18.
14Nadat zij dit gezegd had, draaide zij zich om en zag Yeshua staan. Zij wist niet dat het Yeshua was.
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
εἰποῦσα
(eipousa)
zeggend
ἐστράφη
(estraphe)
draaide zich om
εἰς
(eis)
naar
τὰ
(ta)
de
ὀπίσω
(opiso)
achterzijde
καὶ
(kai)
en
θεωρεῖ
(theorei)
ziet
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
ἑστῶτα
(hestota)
staand
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ᾔδει
(edei)
wist
ὅτι
(hoti)
dat
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
15Yeshua zei tegen haar: „Vrouw, waarom huil je? Wie zoek je?” Zij dacht dat het de tuinman was en zei tegen Hem: „Heer, als u Hem hebt weggedragen, zeg mij dan waar u Hem hebt neergelegd. Dan zal ik Hem weghalen.”
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῇ
(aute)
haar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Γύναι
(Gynai)
vrouw
τί
(ti)
waarom
κλαίεις
(klaieis)
huil je
τίνα
(tina)
wie
ζητεῖς
(zeteis)
zoek je
ἐκείνη
(ekeine)
zij
δοκοῦσα
(dokousa)
denkend
ὅτι
(hoti)
dat
ὁ
(ho)
de
κηπουρός
(kepouros)
tuinman
ἐστιν
(estin)
is
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
Hem
Κύριε
(Kyrie)
heer
εἰ
(ei)
als
σὺ
(sy)
u
ἐβάστασας
(ebastasas)
hebt weggedragen
αὐτόν
(auton)
Hem
εἰπέ
(eipe)
zeg
μοι
(moi)
mij
ποῦ
(pou)
waar
ἔθηκας
(ethekas)
hebt neergelegd
αὐτόν
(auton)
Hem
κἀγὼ
(kago)
en ik
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἀρῶ
(aro)
zal wegnemen
Bron: SBLGNT
Uitleg
κύριε (kyrie), ‘heer’: Maria denkt dat zij met de tuinman spreekt; het is een beleefde aanspreking en geen titel.
Het Grieks heeft bij ‘zeg mij’ en ‘weghalen’ geen voorwerp; de ‘Hem’ is Yeshua zelf.
16Yeshua zei tegen haar: „Maria!” Zij draaide zich om en zei in het Hebreeuws tegen Hem: „Rabboeni!” Dat betekent: Leraar.
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῇ
(aute)
haar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Μαριάμ
(Mariam)
Maria
στραφεῖσα
(strapheisa)
omgedraaid
ἐκείνη
(ekeine)
zij
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
Hem
Ἑβραϊστί
(Hebraisti)
in het Hebreeuws
Ραββουνι
(Rhabbouni)
rabboeni
ὃ
(ho)
wat
λέγεται
(legetai)
wordt gezegd
Διδάσκαλε
(Didaskale)
leraar
Bron: SBLGNT
Uitleg
Μαριάμ (Mariam) is de Aramese vorm van de naam Maria. Ῥαββουνι (Rabboeni) is Aramees en een eerbiedige vorm van ῥαββί (rabbi), ‘leraar’; Johannes vertaalt het zelf met διδάσκαλε (didaskale), ‘Leraar’. Ἑβραϊστί (Hebraisti), ‘in het Hebreeuws’: kan hier de Aramese volkstaal bedoelen (zie 19:13).
17Yeshua zei tegen haar: „Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgegaan naar de Vader. Maar ga naar Mijn broers en zeg tegen hen: ‘Ik ga op naar Mijn Vader en jullie Vader, naar Mijn Elohim en jullie Elohim.’”
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῇ
(aute)
haar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Μή
(Me)
niet
μου
(mou)
Mij
ἅπτου
(haptou)
houd vast
οὔπω
(oupo)
nog niet
γὰρ
(gar)
want
ἀναβέβηκα
(anabebeka)
ben opgegaan
πρὸς
(pros)
naar
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
Vader
πορεύου
(poreuou)
ga
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
naar
τοὺς
(tous)
de
ἀδελφούς
(adelphous)
broers
μου
(mou)
Mijn
καὶ
(kai)
en
εἰπὲ
(eipe)
zeg
αὐτοῖς
(autois)
hun
Ἀναβαίνω
(Anabaino)
ga op
πρὸς
(pros)
naar
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
Vader
μου
(mou)
Mijn
καὶ
(kai)
en
πατέρα
(patera)
Vader
ὑμῶν
(hymon)
jullie
καὶ
(kai)
en
θεόν
(theon)
Elohim
μου
(mou)
Mijn
καὶ
(kai)
en
θεὸν
(theon)
Elohim
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἅπτομαι (haptomai), ‘aanraken’ of ‘vasthouden’: Μή μου ἅπτου kan betekenen ‘raak Mij niet aan’ of ‘houd Mij niet vast’ (blijf je niet aan Mij vastklampen).
Wij kiezen het laatste, omdat Yeshua in 20:27 Tomas juist uitnodigt Hem aan te raken. ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: hier de leerlingen (zoals in Matt. 28:10). ἀναβαίνω (anabaino), ‘opgaan’.
18Maria Magdalena kwam naar de leerlingen en meldde: „Ik heb de Heer gezien!” En zij vertelde dat Hij dit tegen haar gezegd had.
ἔρχεται
(erchetai)
komt
Μαριὰμ
(Mariam)
Maria
ἡ
(he)
de
Μαγδαληνὴ
(Magdalene)
Magdalena
ἀγγέλλουσα
(angellousa)
meldend
τοῖς
(tois)
aan de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
ὅτι
(hoti)
dat
Ἑώρακα
(Heoraka)
heb gezien
τὸν
(ton)
de
κύριον
(kyrion)
Heer
καὶ
(kai)
en
ταῦτα
(tauta)
dit
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῇ
(aute)
haar
Bron: SBLGNT
Yeshua verschijnt aan de leerlingen
19Het was avond op die dag, de eerste dag van de week. De deuren waren gesloten waar de leerlingen waren, uit angst voor de Joden. Yeshua kwam, ging in het midden staan en zei tegen hen: „Vrede voor jullie.”
Οὔσης
(Ouses)
zijnde
οὖν
(oun)
dus
ὀψίας
(opsias)
avond
τῇ
(te)
op de
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
ἐκείνῃ
(ekeine)
die
τῇ
(te)
de
μιᾷ
(mia)
eerste
σαββάτων
(sabbaton)
week
καὶ
(kai)
en
τῶν
(ton)
van de
θυρῶν
(thyron)
deuren
κεκλεισμένων
(kekleismenon)
gesloten
ὅπου
(hopou)
waar
ἦσαν
(esan)
waren
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
διὰ
(dia)
vanwege
τὸν
(ton)
de
φόβον
(phobon)
angst
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
ἦλθεν
(elthen)
kwam
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἔστη
(este)
stond
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
het
μέσον
(meson)
midden
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Εἰρήνη
(Eirene)
vrede
ὑμῖν
(hymin)
voor jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg
Εἰρήνη ὑμῖν (eirene hymin), ‘Vrede voor jullie’: de gewone groet, in het Hebreeuws shalom. Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: hier de leiders (zoals in 19:38).
22Nadat Hij dit gezegd had, blies Hij op hen en zei tegen hen: „Ontvang de Heilige Geest.
καὶ
(kai)
en
τοῦτο
(touto)
dit
εἰπὼν
(eipon)
zeggend
ἐνεφύσησεν
(enephysesen)
blies
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Λάβετε
(Labete)
ontvangt
πνεῦμα
(pneuma)
geest
ἅγιον
(hagion)
heilige
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐμφυσάω (emphysao), ‘blazen’: het Grieks heeft geen voorwerp; wij vullen ‘op hen’ aan.
Vergelijk Gen. 2:7, waar Elohim de adem van leven in de mens blies. πνεῦμα ἅγιον (pneuma hagion) heeft geen lidwoord; wij schrijven ‘de Heilige Geest’.
25De andere leerlingen zeiden dus tegen hem: „Wij hebben de Heer gezien!” Maar hij zei tegen hen: „Als ik niet in Zijn handen de afdruk van de nagels zie, en mijn vinger in de afdruk van de nagels leg, en mijn hand in Zijn zij leg, zal ik beslist niet geloven.”
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
αὐτῷ
(auto)
hem
οἱ
(hoi)
de
ἄλλοι
(alloi)
andere
μαθηταί
(mathetai)
leerlingen
Ἑωράκαμεν
(Heorakamen)
hebben gezien wij
τὸν
(ton)
de
κύριον
(kyrion)
Heer
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
hun
Ἐὰν
(Ean)
als
μὴ
(me)
niet
ἴδω
(ido)
zie ik
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
χερσὶν
(chersin)
handen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
τὸν
(ton)
de
τύπον
(typon)
afdruk
τῶν
(ton)
van de
ἥλων
(helon)
nagels
καὶ
(kai)
en
βάλω
(balo)
leg ik
τὸν
(ton)
de
δάκτυλόν
(daktylon)
vinger
μου
(mou)
mijn
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
τύπον
(typon)
afdruk
τῶν
(ton)
van de
ἥλων
(helon)
nagels
καὶ
(kai)
en
βάλω
(balo)
leg ik
μου
(mou)
mijn
τὴν
(ten)
de
χεῖρα
(cheira)
hand
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
πλευρὰν
(pleuran)
zij
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
niet
πιστεύσω
(pisteuso)
zal geloven ik
Bron: SBLGNT
Uitleg
τύπος (typos), ‘afdruk’: het teken dat de nagels achterlieten. ἥλος (helos), ‘nagel’. οὐ μὴ πιστεύσω (ou me pisteuso), ‘ik zal beslist niet geloven’: een sterke ontkenning.
26Na 8 dagen waren Zijn leerlingen weer binnen, en Tomas was bij hen. Terwijl de deuren gesloten waren, kwam Yeshua, ging in het midden staan en zei: „Vrede voor jullie.”
Καὶ
(Kai)
en
μεθ’
(meth’)
na
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
ὀκτὼ
(okto)
acht
πάλιν
(palin)
weer
ἦσαν
(esan)
waren
ἔσω
(eso)
binnen
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
Θωμᾶς
(Thomas)
Tomas
μετ’
(met’)
met
αὐτῶν
(auton)
hen
ἔρχεται
(erchetai)
komt
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τῶν
(ton)
van de
θυρῶν
(thyron)
deuren
κεκλεισμένων
(kekleismenon)
gesloten
καὶ
(kai)
en
ἔστη
(este)
stond
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
het
μέσον
(meson)
midden
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
Εἰρήνη
(Eirene)
vrede
ὑμῖν
(hymin)
voor jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg
μεθ’ ἡμέρας ὀκτώ (meth’ hemeras okto), ‘na 8 dagen’: volgens de toenmalige manier van tellen, waarbij de eerste dag meetelde, is dat een week later.
27Daarna zei Hij tegen Tomas: „Breng je vinger hier en zie Mijn handen. Breng je hand en leg die in Mijn zij. En wees niet ongelovig, maar gelovig.”
εἶτα
(eita)
daarna
λέγει
(legei)
zegt
τῷ
(to)
aan de
Θωμᾷ
(Thoma)
Tomas
Φέρε
(Phere)
breng
τὸν
(ton)
de
δάκτυλόν
(daktylon)
vinger
σου
(sou)
je
ὧδε
(hode)
hier
καὶ
(kai)
en
ἴδε
(ide)
zie
τὰς
(tas)
de
χεῖράς
(cheiras)
handen
μου
(mou)
Mijn
καὶ
(kai)
en
φέρε
(phere)
breng
τὴν
(ten)
de
χεῖρά
(cheira)
hand
σου
(sou)
je
καὶ
(kai)
en
βάλε
(bale)
leg
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
πλευράν
(pleuran)
zij
μου
(mou)
Mijn
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
γίνου
(ginou)
word
ἄπιστος
(apistos)
ongelovig
ἀλλὰ
(alla)
maar
πιστός
(pistos)
gelovig
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἄπιστος (apistos), ‘ongelovig’ en πιστός (pistos), ‘gelovig’ (ook ‘trouw’): verwant aan πίστις (pistis), ‘geloof’.
28Tomas antwoordde en zei tegen Hem: „Mijn Heer en mijn Elohim!”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Θωμᾶς
(Thomas)
Tomas
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
Hem
Ὁ
(Ho)
de
κύριός
(kyrios)
Heer
μου
(mou)
mijn
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
μου
(mou)
mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
ὁ κύριός μου καὶ ὁ θεός μου (ho kyrios mou kai ho theos mou), ‘mijn Heer en mijn Elohim’: Tomas spreekt Yeshua zo aan.
30Yeshua heeft ook nog veel andere tekenen gedaan in het bijzijn van de leerlingen. Die zijn niet in dit boek geschreven.
Πολλὰ
(Polla)
veel
μὲν
(men)
wel
οὖν
(oun)
dus
καὶ
(kai)
ook
ἄλλα
(alla)
andere
σημεῖα
(semeia)
tekenen
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐνώπιον
(enopion)
in het bijzijn van
τῶν
(ton)
de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
ἃ
(ha)
die
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
zijn
γεγραμμένα
(gegrammena)
geschreven
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
βιβλίῳ
(biblio)
boek
τούτῳ
(touto)
dit
Bron: SBLGNT
Uitleg
σημεῖον (semeion), ‘teken’: Johannes noemt de wonderen van Yeshua ‘tekenen’. βιβλίον (biblion), ‘boek’: een boekrol.
31Maar dit is geschreven opdat jullie geloven dat Yeshua de Messias is, de Zoon van Elohim, en opdat jullie, door te geloven, leven hebben in Zijn naam.
ταῦτα
(tauta)
dit
δὲ
(de)
maar
γέγραπται
(gegraptai)
is geschreven
ἵνα
(hina)
opdat
πιστεύητε
(pisteuete)
jullie geloven
ὅτι
(hoti)
dat
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
χριστὸς
(christos)
Messias
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
ἵνα
(hina)
opdat
πιστεύοντες
(pisteuontes)
gelovend
ζωὴν
(zoen)
leven
ἔχητε
(echete)
jullie hebben
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ὀνόματι
(onomati)
naam
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
Χριστός (Christos), ‘Messias’: de gezalfde, in het Hebreeuws mashiach.
Lezing
In sommige oude handschriften staat hier πιστεύσητε (pisteusete), ‘tot geloof komen’.
De SBLGNT heeft πιστεύητε (pisteuete), ‘geloven’ of ‘blijven geloven’.