De sabbat, de Knecht van Yahweh en het teken van Jona
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De leerlingen plukken aren op de sabbat
1In die tijd ging Yeshua op de sabbat door de korenvelden. Zijn leerlingen kregen honger en begonnen aren af te plukken en te eten.
Ἐν
(En)
in
ἐκείνῳ
(ekeino)
die
τῷ
(to)
de
καιρῷ
(kairo)
tijd
ἐπορεύθη
(eporeuthe)
ging
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τοῖς
(tois)
op de
σάββασιν
(sabbasin)
sabbat
διὰ
(dia)
door
τῶν
(ton)
de
σπορίμων
(sporimon)
korenvelden
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἐπείνασαν
(epeinasan)
kregen honger
καὶ
(kai)
en
ἤρξαντο
(erxanto)
begonnen
τίλλειν
(tillein)
af te plukken
στάχυας
(stachyas)
aren
καὶ
(kai)
en
ἐσθίειν
(esthiein)
te eten
Bron: SBLGNT
Uitleg
σπόριμα (sporima), ‘korenvelden’: akkers met gezaaid graan.
Aren plukken van het graan van een ander was toegestaan (Deut. 23:26; NL 23:25).
De Farizeeën rekenden het plukken en eten op de sabbat tot verboden werk; zie Exod. 20:10.
4Hoe hij het huis van Elohim binnenging en zij het toonbrood aten. Dat mocht hij niet eten, en zij die bij hem waren ook niet, maar alleen de priesters.
πῶς
(pos)
hoe
εἰσῆλθεν
(eiselthen)
binnenging
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
het
οἶκον
(oikon)
huis
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
ἄρτους
(artous)
broden
τῆς
(tes)
van de
προθέσεως
(protheseos)
schikking
ἔφαγον
(ephagon)
aten zij
ὃ
(ho)
wat
οὐκ
(ouk)
niet
ἐξὸν
(exon)
geoorloofd
ἦν
(en)
was
αὐτῷ
(auto)
voor hem
φαγεῖν
(phagein)
te eten
οὐδὲ
(oude)
ook niet
τοῖς
(tois)
voor die
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
hem
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
τοῖς
(tois)
voor de
ἱερεῦσιν
(hiereusin)
priesters
μόνοις
(monois)
alleen
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἄρτοι τῆς προθέσεως (artoi tes protheseos), letterlijk ‘broden van de voorlegging’: het toonbrood, twaalf koeken die elke sabbat vers voor het aangezicht van Yahweh werden gelegd (Lev. 24:5–9).
Alleen de priesters mochten ervan eten.
Het Grieks heeft hier ‘zij aten’ (meervoud) naast ‘hij ging binnen’.
11Hij zei tegen hen: „Welk mens is er onder jullie die één schaap heeft? En als dat op de sabbat in een put valt, zal hij het dan niet vastpakken en eruit halen?
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Τίς
(Tis)
wie
ἔσται
(estai)
zal zijn
ἐξ
(ex)
uit
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ὃς
(hos)
die
ἕξει
(hexei)
zal hebben
πρόβατον
(probaton)
schaap
ἕν
(hen)
één
καὶ
(kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
ἐμπέσῃ
(empese)
valt
τοῦτο
(touto)
dit
τοῖς
(tois)
op de
σάββασιν
(sabbasin)
sabbat
εἰς
(eis)
in
βόθυνον
(bothynon)
put
οὐχὶ
(ouchi)
niet
κρατήσει
(kratesei)
zal vastpakken
αὐτὸ
(auto)
het
καὶ
(kai)
en
ἐγερεῖ
(egerei)
zal oprichten
Bron: SBLGNT
12Hoeveel meer is een mens waard dan een schaap! Daarom is het geoorloofd om op de sabbat goed te doen.”
πόσῳ
(poso)
hoeveel
οὖν
(oun)
dus
διαφέρει
(diapherei)
verschilt
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
προβάτου
(probatou)
van een schaap
ὥστε
(hoste)
daarom
ἔξεστιν
(exestin)
geoorloofd is
τοῖς
(tois)
op de
σάββασιν
(sabbasin)
sabbat
καλῶς
(kalos)
goed
ποιεῖν
(poiein)
te doen
Bron: SBLGNT
13Toen zei Hij tegen de man: „Steek je hand uit.” De man stak hem uit, en hij werd hersteld, gezond als de andere.
τότε
(tote)
toen
λέγει
(legei)
zegt
τῷ
(to)
aan de
ἀνθρώπῳ
(anthropo)
mens
Ἔκτεινόν
(Ekteinon)
steek uit
σου
(sou)
je
τὴν
(ten)
de
χεῖρα
(cheira)
hand
καὶ
(kai)
en
ἐξέτεινεν
(exeteinen)
stak uit
καὶ
(kai)
en
ἀπεκατεστάθη
(apekatestathe)
werd hersteld
ὑγιὴς
(hygies)
gezond
ὡς
(hos)
als
ἡ
(he)
de
ἄλλη
(alle)
andere
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft bij ‘stak uit’ geen onderwerp; wij schrijven ‘de man’, om verwarring met Yeshua te voorkomen.
14De Farizeeën gingen naar buiten en hielden raad tegen Hem, hoe zij Hem konden ombrengen.
ἐξελθόντες
(exelthontes)
uitgaande
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
συμβούλιον
(symboulion)
raad
ἔλαβον
(elabon)
namen
κατ’
(kat’)
tegen
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ὅπως
(hopos)
opdat
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἀπολέσωσιν
(apolesosin)
zouden ombrengen
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀπολέσωσιν (apolesosin), ‘ombrengen’: ook ‘vernietigen’.
Yeshua, de Knecht die Yahweh heeft uitgekozen
15Yeshua merkte het en vertrok vandaar. Velen volgden Hem, en Hij genas hen allen.
Ὁ
(Ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
γνοὺς
(gnous)
wetend
ἀνεχώρησεν
(anechoresen)
vertrok
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
καὶ
(kai)
en
ἠκολούθησαν
(ekolouthesan)
volgden
αὐτῷ
(auto)
Hem
πολλοί
(polloi)
velen
καὶ
(kai)
en
ἐθεράπευσεν
(etherapeusen)
genas
αὐτοὺς
(autous)
hen
πάντας
(pantas)
allen
Bron: SBLGNT
16Hij bestrafte hen, zodat zij Hem niet bekend zouden maken,
καὶ
(kai)
en
ἐπετίμησεν
(epetimesen)
bestrafte
αὐτοῖς
(autois)
hun
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
φανερὸν
(phaneron)
bekend
αὐτὸν
(auton)
Hem
ποιήσωσιν
(poiesosin)
zouden maken
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐπετίμησεν (epetimesen), ‘bestrafte’: hier met de kracht van een streng bevel, ‘sprak scherp toe’.
17opdat vervuld zou worden wat gezegd is door de profeet Jesaja:
ἵνα
(hina)
opdat
πληρωθῇ
(plerothe)
vervuld wordt
τὸ
(to)
het
ῥηθὲν
(rhethen)
gesprokene
διὰ
(dia)
door
Ἠσαΐου
(Esaiou)
Jesaja
τοῦ
(tou)
de
προφήτου
(prophetou)
profeet
λέγοντος
(legontos)
zeggend
Bron: SBLGNT
18„Zie, Mijn Knecht, die Ik heb uitgekozen, Mijn Geliefde, in wie Mijn ziel behagen heeft. Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal aan de volken het recht verkondigen.
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ὁ
(ho)
de
παῖς
(pais)
Knecht
μου
(mou)
Mijn
ὃν
(hon)
die
ᾑρέτισα
(heretisa)
Ik koos
ὁ
(ho)
de
ἀγαπητός
(agapetos)
Geliefde
μου
(mou)
Mijn
εἰς
(eis)
in
ὃν
(hon)
wie
εὐδόκησεν
(eudokesen)
behaagde
ἡ
(he)
de
ψυχή
(psyche)
ziel
μου
(mou)
Mijn
θήσω
(theso)
Ik zal leggen
τὸ
(to)
de
πνεῦμά
(pneuma)
Geest
μου
(mou)
Mijn
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτόν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
κρίσιν
(krisin)
recht
τοῖς
(tois)
aan de
ἔθνεσιν
(ethnesin)
volken
ἀπαγγελεῖ
(apangelei)
zal verkondigen
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het citaat is Jes. 42:1–4.
Het Hebreeuws heeft in Jes. 42:1 ‘Zie, Mijn Knecht, die Ik steun, Mijn uitverkorene’; de Griekse tekst heeft ‘Mijn Knecht, die Ik heb uitgekozen, Mijn Geliefde’.
In het Hebreeuws ‘brengt Hij het recht uit naar de volken’, in het Grieks ‘zal Hij de volken het recht verkondigen’. παῖς (pais), ‘knecht’: ook ‘kind’; wij kiezen ‘Knecht’ zoals in Jesaja.
De woorden ‘in wie Mijn ziel behagen heeft’ klinken als Matt. 3:17 en 17:5.
Wij zetten het citaat rood, omdat Yahweh er in de eerste persoon in spreekt.
19Hij zal niet twisten en niet schreeuwen, en niemand zal Zijn stem op de pleinen horen.
οὐκ
(ouk)
niet
ἐρίσει
(erisei)
zal twisten
οὐδὲ
(oude)
noch
κραυγάσει
(kraugasei)
zal schreeuwen
οὐδὲ
(oude)
noch
ἀκούσει
(akousei)
zal horen
τις
(tis)
iemand
ἐν
(en)
op
ταῖς
(tais)
de
πλατείαις
(plateiais)
pleinen
τὴν
(ten)
de
φωνὴν
(phonen)
stem
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Hebreeuws heeft in Jes. 42:2 ‘Hij roept niet en verheft zijn stem niet’; de Griekse tekst heeft ‘Hij zal niet twisten en niet schreeuwen’ en ‘op de pleinen’ in plaats van ‘op straat’.
20Een geknakt riet zal Hij niet breken en een rokende vlaspit zal Hij niet doven, totdat Hij het recht tot overwinning brengt.
κάλαμον
(kalamon)
riet
συντετριμμένον
(syntetrimmenon)
geknakt
οὐ
(ou)
niet
κατεάξει
(kateaxei)
zal breken
καὶ
(kai)
en
λίνον
(linon)
vlaspit
τυφόμενον
(typhomenon)
rokende
οὐ
(ou)
niet
σβέσει
(sbesei)
zal doven
ἕως
(heos)
totdat
ἂν
(an)
zou
ἐκβάλῃ
(ekbale)
uitbrengt
εἰς
(eis)
tot
νῖκος
(nikos)
overwinning
τὴν
(ten)
het
κρίσιν
(krisin)
recht
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Hebreeuws heeft in Jes. 42:3 ‘een zwak brandende vlaspit’ en ‘naar waarheid brengt Hij het recht uit’; de Griekse tekst heeft ‘een rokende vlaspit’ en ‘totdat Hij het recht tot overwinning brengt’.
25Maar Hij kende hun gedachten en zei tegen hen: „Elk koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest. En elke stad of elk huis dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet standhouden.
εἰδὼς
(eidos)
wetend
δὲ
(de)
maar
τὰς
(tas)
de
ἐνθυμήσεις
(enthymeseis)
gedachten
αὐτῶν
(auton)
hun
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Πᾶσα
(Pasa)
elk
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
μερισθεῖσα
(meristheisa)
verdeeld
καθ’
(kath’)
tegen
ἑαυτῆς
(heautes)
zichzelf
ἐρημοῦται
(eremoutai)
wordt verwoest
καὶ
(kai)
en
πᾶσα
(pasa)
elke
πόλις
(polis)
stad
ἢ
(e)
of
οἰκία
(oikia)
huis
μερισθεῖσα
(meristheisa)
verdeeld
καθ’
(kath’)
tegen
ἑαυτῆς
(heautes)
zichzelf
οὐ
(ou)
niet
σταθήσεται
(stathesetai)
zal standhouden
Bron: SBLGNT
26En als Satan Satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld. Hoe zal dan zijn koninkrijk standhouden?
καὶ
(kai)
en
εἰ
(ei)
als
ὁ
(ho)
de
Σατανᾶς
(Satanas)
Satan
τὸν
(ton)
de
Σατανᾶν
(Satanan)
Satan
ἐκβάλλει
(ekballei)
uitdrijft
ἐφ’
(eph’)
tegen
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
ἐμερίσθη
(emeristhe)
was verdeeld
πῶς
(pos)
hoe
οὖν
(oun)
dan
σταθήσεται
(stathesetai)
zal standhouden
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
27En als Ik de demonen uitdrijf door Beëlzebul, door wie drijven jullie zonen ze dan uit? Daarom zullen zij jullie rechters zijn.
καὶ
(kai)
en
εἰ
(ei)
als
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἐν
(en)
door
Βεελζεβοὺλ
(Beelzeboul)
Beëlzebul
ἐκβάλλω
(ekballo)
uitdrijf
τὰ
(ta)
de
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
οἱ
(hoi)
de
υἱοὶ
(huioi)
zonen
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἐν
(en)
door
τίνι
(tini)
wie
ἐκβάλλουσιν
(ekballousin)
drijven uit
διὰ
(dia)
door
τοῦτο
(touto)
dit
αὐτοὶ
(autoi)
zij
κριταὶ
(kritai)
rechters
ἔσονται
(esontai)
zullen zijn
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg
υἱοὶ ὑμῶν (huioi hymon), ‘jullie zonen’: de eigen mensen of leerlingen van de Farizeeën.
28Maar als Ik de demonen uitdrijf door de Geest van Elohim, dan is het koninkrijk van Elohim bij jullie gekomen.
εἰ
(ei)
als
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
door
πνεύματι
(pneumati)
Geest
θεοῦ
(theou)
van Elohim
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἐκβάλλω
(ekballo)
uitdrijf
τὰ
(ta)
de
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
ἄρα
(ara)
dan
ἔφθασεν
(ephthasen)
is gekomen
ἐφ’
(eph’)
tot
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg
Matteüs schrijft meestal ‘het koninkrijk van de hemelen’ (Matt. 3:2); hier staat ‘het koninkrijk van Elohim’. ἔφθασεν (ephthasen), ‘is gekomen’: het is aangekomen, het heeft jullie bereikt.
32En wie een woord spreekt tegen de Mensenzoon, hem zal het vergeven worden. Maar wie spreekt tegen de Heilige Geest, hem zal het niet vergeven worden, niet in deze eeuw en niet in de komende.
καὶ
(kai)
en
ὃς
(hos)
wie
ἐὰν
(ean)
indien
εἴπῃ
(eipe)
spreekt
λόγον
(logon)
woord
κατὰ
(kata)
tegen
τοῦ
(tou)
de
υἱοῦ
(huiou)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
ἀφεθήσεται
(aphethesetai)
zal vergeven worden
αὐτῷ
(auto)
aan hem
ὃς
(hos)
wie
δ’
(d’)
maar
ἂν
(an)
zou
εἴπῃ
(eipe)
spreekt
κατὰ
(kata)
tegen
τοῦ
(tou)
de
πνεύματος
(pneumatos)
Geest
τοῦ
(tou)
de
ἁγίου
(hagiou)
heilige
οὐκ
(ouk)
niet
ἀφεθήσεται
(aphethesetai)
zal vergeven worden
αὐτῷ
(auto)
aan hem
οὔτε
(oute)
noch
ἐν
(en)
in
τούτῳ
(touto)
deze
τῷ
(to)
de
αἰῶνι
(aioni)
eeuw
οὔτε
(oute)
noch
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
μέλλοντι
(mellonti)
komende
Bron: SBLGNT
Uitleg
αἰών (aion), ‘eeuw’: een tijdperk.
‘Deze eeuw’ is de tegenwoordige tijd, ‘de komende’ de tijd die komt.
Een boom wordt gekend aan zijn vrucht
33Maak de boom goed en zijn vrucht goed, of maak de boom slecht en zijn vrucht slecht. Want aan de vrucht wordt de boom gekend.
34Nageslacht van adders, hoe kunnen jullie goede dingen spreken, terwijl jullie slecht zijn? Want de mond spreekt uit de overvloed van het hart.
γεννήματα
(gennemata)
nageslacht
ἐχιδνῶν
(echidnon)
van adders
πῶς
(pos)
hoe
δύνασθε
(dynasthe)
kunnen jullie
ἀγαθὰ
(agatha)
goede dingen
λαλεῖν
(lalein)
spreken
πονηροὶ
(poneroi)
slecht
ὄντες
(ontes)
zijnde
ἐκ
(ek)
uit
γὰρ
(gar)
want
τοῦ
(tou)
de
περισσεύματος
(perisseumatos)
overvloed
τῆς
(tes)
van het
καρδίας
(kardias)
hart
τὸ
(to)
de
στόμα
(stoma)
mond
λαλεῖ
(lalei)
spreekt
Bron: SBLGNT
35De goede mens brengt uit de goede schat goede dingen voort, en de slechte mens brengt uit de slechte schat slechte dingen voort.
ὁ
(ho)
de
ἀγαθὸς
(agathos)
goede
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
ἀγαθοῦ
(agathou)
goede
θησαυροῦ
(thesaurou)
schat
ἐκβάλλει
(ekballei)
brengt voort
ἀγαθά
(agatha)
goede dingen
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
πονηρὸς
(poneros)
slechte
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
πονηροῦ
(ponerou)
slechte
θησαυροῦ
(thesaurou)
schat
ἐκβάλλει
(ekballei)
brengt voort
πονηρά
(ponera)
slechte dingen
Bron: SBLGNT
36Maar Ik zeg jullie: van elk nutteloos woord dat de mensen spreken, zullen zij rekenschap afleggen op de dag van het oordeel.
λέγω
(lego)
Ik zeg
δὲ
(de)
maar
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
ὅτι
(hoti)
dat
πᾶν
(pan)
elk
ῥῆμα
(rhema)
woord
ἀργὸν
(argon)
nutteloos
ὃ
(ho)
dat
λαλήσουσιν
(lalesousin)
zullen spreken
οἱ
(hoi)
de
ἄνθρωποι
(anthropoi)
mensen
ἀποδώσουσιν
(apodosousin)
zullen afleggen
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
het
λόγον
(logon)
rekenschap
ἐν
(en)
op
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
κρίσεως
(kriseos)
van oordeel
Bron: SBLGNT
37Want op grond van je woorden word je rechtvaardig verklaard, en op grond van je woorden word je veroordeeld.”
ἐκ
(ek)
uit
γὰρ
(gar)
want
τῶν
(ton)
de
λόγων
(logon)
woorden
σου
(sou)
je
δικαιωθήσῃ
(dikaiothese)
zul worden gerechtvaardigd
καὶ
(kai)
en
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
λόγων
(logon)
woorden
σου
(sou)
je
καταδικασθήσῃ
(katadikasthese)
zul worden veroordeeld
Bron: SBLGNT
Het teken van Jona
38Toen antwoordden enkele schriftgeleerden en Farizeeën Hem: „Leraar, wij willen een teken van U zien.”
Τότε
(Tote)
toen
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
αὐτῷ
(auto)
Hem
τινες
(tines)
enkelen
τῶν
(ton)
van de
γραμματέων
(grammateon)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
Φαρισαίων
(Pharisaion)
Farizeeën
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Διδάσκαλε
(Didaskale)
leraar
θέλομεν
(thelomen)
wij willen
ἀπὸ
(apo)
van
σοῦ
(sou)
U
σημεῖον
(semeion)
teken
ἰδεῖν
(idein)
zien
Bron: SBLGNT
Uitleg
σημεῖον (semeion), ‘teken’: een wonder dat iets bewijst.
39Hij antwoordde en zei tegen hen: „Een slechte en overspelige generatie vraagt om een teken. Maar er zal haar geen teken gegeven worden, behalve het teken van de profeet Jona.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Γενεὰ
(Genea)
generatie
πονηρὰ
(ponera)
slechte
καὶ
(kai)
en
μοιχαλὶς
(moichalis)
overspelige
σημεῖον
(semeion)
teken
ἐπιζητεῖ
(epizetei)
zoekt
καὶ
(kai)
en
σημεῖον
(semeion)
teken
οὐ
(ou)
niet
δοθήσεται
(dothesetai)
zal gegeven worden
αὐτῇ
(aute)
aan haar
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
τὸ
(to)
het
σημεῖον
(semeion)
teken
Ἰωνᾶ
(Iona)
van Jona
τοῦ
(tou)
de
προφήτου
(prophetou)
profeet
Bron: SBLGNT
Uitleg
Zie ook Matt. 16:1–4; Luc. 11:29–32. μοιχαλίς (moichalis), ‘overspelig’: een beeld voor ontrouw aan Elohim, zoals in de profetenboeken.
41Mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel, samen met deze generatie, en zullen haar veroordelen. Want zij bekeerden zich op de verkondiging van Jona. En zie: hier is meer dan Jona.
ἄνδρες
(andres)
mannen
Νινευῖται
(Nineuitai)
van Nineve
ἀναστήσονται
(anastesontai)
zullen opstaan
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
κρίσει
(krisei)
oordeel
μετὰ
(meta)
met
τῆς
(tes)
de
γενεᾶς
(geneas)
generatie
ταύτης
(tautes)
deze
καὶ
(kai)
en
κατακρινοῦσιν
(katakrinousin)
zullen veroordelen
αὐτήν
(auten)
haar
ὅτι
(hoti)
omdat
μετενόησαν
(metenoesan)
zij bekeerden zich
εἰς
(eis)
tot
τὸ
(to)
de
κήρυγμα
(kerygma)
verkondiging
Ἰωνᾶ
(Iona)
van Jona
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
πλεῖον
(pleion)
meer
Ἰωνᾶ
(Iona)
dan Jona
ὧδε
(hode)
hier
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak.
Uitleg
Zie Jona 3:5: de mannen van Nineve geloofden in Elohim en bekeerden zich.
42De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel, samen met deze generatie, en zal haar veroordelen. Want zij kwam van de uiteinden van de aarde om de wijsheid van Salomo te horen. En zie: hier is meer dan Salomo.
βασίλισσα
(basilissa)
koningin
νότου
(notou)
van het zuiden
ἐγερθήσεται
(egerthesetai)
zal opgewekt worden
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
κρίσει
(krisei)
oordeel
μετὰ
(meta)
met
τῆς
(tes)
de
γενεᾶς
(geneas)
generatie
ταύτης
(tautes)
deze
καὶ
(kai)
en
κατακρινεῖ
(katakrinei)
zal veroordelen
αὐτήν
(auten)
haar
ὅτι
(hoti)
omdat
ἦλθεν
(elthen)
kwam
ἐκ
(ek)
van
τῶν
(ton)
de
περάτων
(peraton)
uiteinden
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
ἀκοῦσαι
(akousai)
om te horen
τὴν
(ten)
de
σοφίαν
(sophian)
wijsheid
Σολομῶνος
(Solomonos)
van Salomo
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
πλεῖον
(pleion)
meer
Σολομῶνος
(Solomonos)
dan Salomo
ὧδε
(hode)
hier
Bron: SBLGNT
Uitleg
Zie 1 Kon. 10:1–10: de koningin van Sjeba kwam om de wijsheid van Salomo te horen.
‘Het zuiden’: het Grieks heeft νότος (notos), ‘zuiden’.
44Dan zegt hij: ‘Ik zal terugkeren naar mijn huis, vanwaar ik ben weggegaan.’ En als hij komt, vindt hij het leeg, aangeveegd en versierd.
τότε
(tote)
dan
λέγει
(legei)
zegt
Εἰς
(Eis)
naar
τὸν
(ton)
het
οἶκόν
(oikon)
huis
μου
(mou)
mijn
ἐπιστρέψω
(epistrepso)
zal terugkeren
ὅθεν
(hothen)
vanwaar
ἐξῆλθον
(exelthon)
ging uit
καὶ
(kai)
en
ἐλθὸν
(elthon)
gekomen
εὑρίσκει
(heuriskei)
vindt
σχολάζοντα
(scholazonta)
leegstaand
σεσαρωμένον
(sesaromenon)
aangeveegd
καὶ
(kai)
en
κεκοσμημένον
(kekosmemenon)
versierd
Bron: SBLGNT
45Dan gaat hij en neemt zeven andere geesten mee die slechter zijn dan hijzelf. Zij gaan naar binnen en wonen daar. Dan wordt het einde van die mens erger dan het begin. Zo zal het ook gaan met deze slechte generatie.”
τότε
(tote)
dan
πορεύεται
(poreuetai)
gaat
καὶ
(kai)
en
παραλαμβάνει
(paralambanei)
neemt mee
μεθ’
(meth’)
met
ἑαυτοῦ
(heautou)
zichzelf
ἑπτὰ
(hepta)
zeven
ἕτερα
(hetera)
andere
πνεύματα
(pneumata)
geesten
πονηρότερα
(ponerotera)
slechter
ἑαυτοῦ
(heautou)
dan zichzelf
καὶ
(kai)
en
εἰσελθόντα
(eiselthonta)
binnengegaan
κατοικεῖ
(katoikei)
wonen
ἐκεῖ
(ekei)
daar
καὶ
(kai)
en
γίνεται
(ginetai)
wordt
τὰ
(ta)
de
ἔσχατα
(eschata)
laatste dingen
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
ἐκείνου
(ekeinou)
die
χείρονα
(cheirona)
erger
τῶν
(ton)
dan de
πρώτων
(proton)
eerste
οὕτως
(houtos)
zo
ἔσται
(estai)
zal zijn
καὶ
(kai)
ook
τῇ
(te)
aan de
γενεᾷ
(genea)
generatie
ταύτῃ
(taute)
deze
τῇ
(te)
de
πονηρᾷ
(ponera)
slechte
Bron: SBLGNT
Yeshua’s moeder en broers
46Terwijl Hij nog tot de menigten sprak, zie: Zijn moeder en Zijn broers stonden buiten en wilden met Hem spreken.
Ἔτι
(Eti)
nog
δὲ
(de)
maar
αὐτοῦ
(autou)
Hem
λαλοῦντος
(lalountos)
sprekend
τοῖς
(tois)
tot de
ὄχλοις
(ochlois)
menigten
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἡ
(he)
de
μήτηρ
(meter)
moeder
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀδελφοὶ
(adelphoi)
broers
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εἱστήκεισαν
(heistekeisan)
stonden
ἔξω
(exo)
buiten
ζητοῦντες
(zetountes)
zoekend
αὐτῷ
(auto)
met Hem
λαλῆσαι
(lalesai)
te spreken
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: ook ‘broers en zussen’; zie ook Matt. 13:55–56.