Elohim Bijbel

Matteüs 12

12345678910111213141516171819202122232425262728

De sabbat, de Knecht van Yahweh en het teken van Jona

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De leerlingen plukken aren op de sabbat

1In die tijd ging Yeshua op de sabbat door de korenvelden. Zijn leerlingen kregen honger en begonnen aren af te plukken en te eten.
Ἐν
(En)
in
ἐκείνῳ
(ekeino)
die
τῷ
(to)
de
καιρῷ
(kairo)
tijd
ἐπορεύθη
(eporeuthe)
ging
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τοῖς
(tois)
op de
σάββασιν
(sabbasin)
sabbat
διὰ
(dia)
door
τῶν
(ton)
de
σπορίμων
(sporimon)
korenvelden
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἐπείνασαν
(epeinasan)
kregen honger
καὶ
(kai)
en
ἤρξαντο
(erxanto)
begonnen
τίλλειν
(tillein)
af te plukken
στάχυας
(stachyas)
aren
καὶ
(kai)
en
ἐσθίειν
(esthiein)
te eten
Bron: SBLGNT
Uitleg

σπόριμα (sporima), ‘korenvelden’: akkers met gezaaid graan.

Aren plukken van het graan van een ander was toegestaan (Deut. 23:26; NL 23:25).

De Farizeeën rekenden het plukken en eten op de sabbat tot verboden werk; zie Exod. 20:10.

Zie ook Mark. 2:23–28; Luc. 6:1–5.

2Toen de Farizeeën dat zagen, zeiden zij tegen Hem: „Zie, Uw leerlingen doen wat op de sabbat niet geoorloofd is.”
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
ἰδόντες
(idontes)
ziende
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
οἱ
(hoi)
de
μαθηταί
(mathetai)
leerlingen
σου
(sou)
Uw
ποιοῦσιν
(poiousin)
doen
ὃ
(ho)
wat
οὐκ
(ouk)
niet
ἔξεστιν
(exestin)
geoorloofd is
ποιεῖν
(poiein)
te doen
ἐν
(en)
op
σαββάτῳ
(sabbato)
sabbat
Bron: SBLGNT
3Hij zei tegen hen: „Hebben jullie niet gelezen wat David deed toen hij honger had, hij en zij die bij hem waren?
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἀνέγνωτε
(anegnote)
lazen jullie
τί
(ti)
wat
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
Δαυὶδ
(Dauid)
David
ὅτε
(hote)
toen
ἐπείνασεν
(epeinasen)
had honger
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
die
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het verhaal staat in 1 Sam. 21:2–7 (NL 21:1–6): David kreeg van de priester het heilige brood.

4Hoe hij het huis van Elohim binnenging en zij het toonbrood aten. Dat mocht hij niet eten, en zij die bij hem waren ook niet, maar alleen de priesters.
πῶς
(pos)
hoe
εἰσῆλθεν
(eiselthen)
binnenging
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
het
οἶκον
(oikon)
huis
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
ἄρτους
(artous)
broden
τῆς
(tes)
van de
προθέσεως
(protheseos)
schikking
ἔφαγον
(ephagon)
aten zij
ὃ
(ho)
wat
οὐκ
(ouk)
niet
ἐξὸν
(exon)
geoorloofd
ἦν
(en)
was
αὐτῷ
(auto)
voor hem
φαγεῖν
(phagein)
te eten
οὐδὲ
(oude)
ook niet
τοῖς
(tois)
voor die
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
hem
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
τοῖς
(tois)
voor de
ἱερεῦσιν
(hiereusin)
priesters
μόνοις
(monois)
alleen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄρτοι τῆς προθέσεως (artoi tes protheseos), letterlijk ‘broden van de voorlegging’: het toonbrood, twaalf koeken die elke sabbat vers voor het aangezicht van Yahweh werden gelegd (Lev. 24:5–9).

Alleen de priesters mochten ervan eten.

Het Grieks heeft hier ‘zij aten’ (meervoud) naast ‘hij ging binnen’.

5Of hebben jullie in de wet niet gelezen dat de priesters op de sabbat in de tempel de sabbat ontheiligen en toch onschuldig zijn?
ἢ
(e)
of
οὐκ
(ouk)
niet
ἀνέγνωτε
(anegnote)
lazen jullie
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
νόμῳ
(nomo)
wet
ὅτι
(hoti)
dat
τοῖς
(tois)
op de
σάββασιν
(sabbasin)
sabbat
οἱ
(hoi)
de
ἱερεῖς
(hiereis)
priesters
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
τὸ
(to)
de
σάββατον
(sabbaton)
sabbat
βεβηλοῦσιν
(bebelousin)
ontheiligen
καὶ
(kai)
en
ἀναίτιοί
(anaitioi)
onschuldig
εἰσιν
(eisin)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie Num. 28:9–10: op de sabbat moesten de priesters extra offers brengen.

6Maar Ik zeg jullie dat hier iets groters is dan de tempel.
λέγω
(lego)
Ik zeg
δὲ
(de)
maar
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
ὅτι
(hoti)
dat
τοῦ
(tou)
dan de
ἱεροῦ
(hierou)
tempel
μεῖζόν
(meizon)
groter
ἐστιν
(estin)
is
ὧδε
(hode)
hier
Bron: SBLGNT
7Als jullie hadden geweten wat het is: ‘Barmhartigheid wil Ik, en geen slachtoffer’, dan hadden jullie de onschuldigen niet veroordeeld.
εἰ
(ei)
als
δὲ
(de)
maar
ἐγνώκειτε
(egnokeite)
jullie hadden geweten
τί
(ti)
wat
ἐστιν
(estin)
is
Ἔλεος
(Eleos)
barmhartigheid
θέλω
(thelo)
Ik wil
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
θυσίαν
(thysian)
slachtoffer
οὐκ
(ouk)
niet
ἂν
(an)
zou
κατεδικάσατε
(katedikasate)
jullie hadden veroordeeld
τοὺς
(tous)
de
ἀναιτίους
(anaitious)
onschuldigen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Hos. 6:6; zie ook Matt. 9:13.

Het Hebreeuws heeft חֶסֶד (chesed), ‘trouw’; de Griekse tekst heeft ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’.

Wij volgen de Griekse tekst van het evangelie.

8Want de Mensenzoon is heer van de sabbat.”
κύριος
(kyrios)
heer
γάρ
(gar)
want
ἐστιν
(estin)
is
τοῦ
(tou)
van de
σαββάτου
(sabbatou)
sabbat
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριος (kyrios), ‘heer’: eigenaar, wie over iets beslist.

Het gaat niet om een citaat uit het Oude Testament; daarom schrijven wij ‘heer’ met kleine letter.

De man met de verschrompelde hand

9Hij ging vandaar weg en kwam in hun synagoge.
Καὶ
(Kai)
en
μεταβὰς
(metabas)
weggaand
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
ἦλθεν
(elthen)
kwam
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
συναγωγὴν
(synagogen)
synagoge
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
10En zie: daar was een man met een verschrompelde hand. Om Hem te kunnen beschuldigen, vroegen zij Hem: „Is het geoorloofd op de sabbat te genezen?”
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
χεῖρα
(cheira)
hand
ἔχων
(echon)
hebbend
ξηράν
(xeran)
verschrompelde
καὶ
(kai)
en
ἐπηρώτησαν
(eperotesan)
vroegen
αὐτὸν
(auton)
Hem
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Εἰ
(Ei)
of
ἔξεστι
(exesti)
geoorloofd is
τοῖς
(tois)
op de
σάββασιν
(sabbasin)
sabbat
θεραπεύειν
(therapeuein)
te genezen
ἵνα
(hina)
opdat
κατηγορήσωσιν
(kategoresosin)
zij zouden beschuldigen
αὐτοῦ
(autou)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ξηράν (xeran), ‘verschrompeld’: uitgedroogd, verlamd.

Zie ook Mark. 3:1–6; Luc. 6:6–11.

11Hij zei tegen hen: „Welk mens is er onder jullie die één schaap heeft? En als dat op de sabbat in een put valt, zal hij het dan niet vastpakken en eruit halen?
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Τίς
(Tis)
wie
ἔσται
(estai)
zal zijn
ἐξ
(ex)
uit
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ὃς
(hos)
die
ἕξει
(hexei)
zal hebben
πρόβατον
(probaton)
schaap
ἕν
(hen)
één
καὶ
(kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
ἐμπέσῃ
(empese)
valt
τοῦτο
(touto)
dit
τοῖς
(tois)
op de
σάββασιν
(sabbasin)
sabbat
εἰς
(eis)
in
βόθυνον
(bothynon)
put
οὐχὶ
(ouchi)
niet
κρατήσει
(kratesei)
zal vastpakken
αὐτὸ
(auto)
het
καὶ
(kai)
en
ἐγερεῖ
(egerei)
zal oprichten
Bron: SBLGNT
12Hoeveel meer is een mens waard dan een schaap! Daarom is het geoorloofd om op de sabbat goed te doen.”
πόσῳ
(poso)
hoeveel
οὖν
(oun)
dus
διαφέρει
(diapherei)
verschilt
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
προβάτου
(probatou)
van een schaap
ὥστε
(hoste)
daarom
ἔξεστιν
(exestin)
geoorloofd is
τοῖς
(tois)
op de
σάββασιν
(sabbasin)
sabbat
καλῶς
(kalos)
goed
ποιεῖν
(poiein)
te doen
Bron: SBLGNT
13Toen zei Hij tegen de man: „Steek je hand uit.” De man stak hem uit, en hij werd hersteld, gezond als de andere.
τότε
(tote)
toen
λέγει
(legei)
zegt
τῷ
(to)
aan de
ἀνθρώπῳ
(anthropo)
mens
Ἔκτεινόν
(Ekteinon)
steek uit
σου
(sou)
je
τὴν
(ten)
de
χεῖρα
(cheira)
hand
καὶ
(kai)
en
ἐξέτεινεν
(exeteinen)
stak uit
καὶ
(kai)
en
ἀπεκατεστάθη
(apekatestathe)
werd hersteld
ὑγιὴς
(hygies)
gezond
ὡς
(hos)
als
ἡ
(he)
de
ἄλλη
(alle)
andere
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft bij ‘stak uit’ geen onderwerp; wij schrijven ‘de man’, om verwarring met Yeshua te voorkomen.

14De Farizeeën gingen naar buiten en hielden raad tegen Hem, hoe zij Hem konden ombrengen.
ἐξελθόντες
(exelthontes)
uitgaande
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
συμβούλιον
(symboulion)
raad
ἔλαβον
(elabon)
namen
κατ’
(kat’)
tegen
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ὅπως
(hopos)
opdat
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἀπολέσωσιν
(apolesosin)
zouden ombrengen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπολέσωσιν (apolesosin), ‘ombrengen’: ook ‘vernietigen’.

Yeshua, de Knecht die Yahweh heeft uitgekozen

15Yeshua merkte het en vertrok vandaar. Velen volgden Hem, en Hij genas hen allen.
Ὁ
(Ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
γνοὺς
(gnous)
wetend
ἀνεχώρησεν
(anechoresen)
vertrok
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
καὶ
(kai)
en
ἠκολούθησαν
(ekolouthesan)
volgden
αὐτῷ
(auto)
Hem
πολλοί
(polloi)
velen
καὶ
(kai)
en
ἐθεράπευσεν
(etherapeusen)
genas
αὐτοὺς
(autous)
hen
πάντας
(pantas)
allen
Bron: SBLGNT
16Hij bestrafte hen, zodat zij Hem niet bekend zouden maken,
καὶ
(kai)
en
ἐπετίμησεν
(epetimesen)
bestrafte
αὐτοῖς
(autois)
hun
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
φανερὸν
(phaneron)
bekend
αὐτὸν
(auton)
Hem
ποιήσωσιν
(poiesosin)
zouden maken
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπετίμησεν (epetimesen), ‘bestrafte’: hier met de kracht van een streng bevel, ‘sprak scherp toe’.

17opdat vervuld zou worden wat gezegd is door de profeet Jesaja:
ἵνα
(hina)
opdat
πληρωθῇ
(plerothe)
vervuld wordt
τὸ
(to)
het
ῥηθὲν
(rhethen)
gesprokene
διὰ
(dia)
door
Ἠσαΐου
(Esaiou)
Jesaja
τοῦ
(tou)
de
προφήτου
(prophetou)
profeet
λέγοντος
(legontos)
zeggend
Bron: SBLGNT
18„Zie, Mijn Knecht, die Ik heb uitgekozen, Mijn Geliefde, in wie Mijn ziel behagen heeft. Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal aan de volken het recht verkondigen.
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ὁ
(ho)
de
παῖς
(pais)
Knecht
μου
(mou)
Mijn
ὃν
(hon)
die
ᾑρέτισα
(heretisa)
Ik koos
ὁ
(ho)
de
ἀγαπητός
(agapetos)
Geliefde
μου
(mou)
Mijn
εἰς
(eis)
in
ὃν
(hon)
wie
εὐδόκησεν
(eudokesen)
behaagde
ἡ
(he)
de
ψυχή
(psyche)
ziel
μου
(mou)
Mijn
θήσω
(theso)
Ik zal leggen
τὸ
(to)
de
πνεῦμά
(pneuma)
Geest
μου
(mou)
Mijn
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτόν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
κρίσιν
(krisin)
recht
τοῖς
(tois)
aan de
ἔθνεσιν
(ethnesin)
volken
ἀπαγγελεῖ
(apangelei)
zal verkondigen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Jes. 42:1–4.

Het Hebreeuws heeft in Jes. 42:1 ‘Zie, Mijn Knecht, die Ik steun, Mijn uitverkorene’; de Griekse tekst heeft ‘Mijn Knecht, die Ik heb uitgekozen, Mijn Geliefde’.

In het Hebreeuws ‘brengt Hij het recht uit naar de volken’, in het Grieks ‘zal Hij de volken het recht verkondigen’. παῖς (pais), ‘knecht’: ook ‘kind’; wij kiezen ‘Knecht’ zoals in Jesaja.

De woorden ‘in wie Mijn ziel behagen heeft’ klinken als Matt. 3:17 en 17:5.

Wij zetten het citaat rood, omdat Yahweh er in de eerste persoon in spreekt.

19Hij zal niet twisten en niet schreeuwen, en niemand zal Zijn stem op de pleinen horen.
οὐκ
(ouk)
niet
ἐρίσει
(erisei)
zal twisten
οὐδὲ
(oude)
noch
κραυγάσει
(kraugasei)
zal schreeuwen
οὐδὲ
(oude)
noch
ἀκούσει
(akousei)
zal horen
τις
(tis)
iemand
ἐν
(en)
op
ταῖς
(tais)
de
πλατείαις
(plateiais)
pleinen
τὴν
(ten)
de
φωνὴν
(phonen)
stem
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Hebreeuws heeft in Jes. 42:2 ‘Hij roept niet en verheft zijn stem niet’; de Griekse tekst heeft ‘Hij zal niet twisten en niet schreeuwen’ en ‘op de pleinen’ in plaats van ‘op straat’.

Zie ookJes 42:2
20Een geknakt riet zal Hij niet breken en een rokende vlaspit zal Hij niet doven, totdat Hij het recht tot overwinning brengt.
κάλαμον
(kalamon)
riet
συντετριμμένον
(syntetrimmenon)
geknakt
οὐ
(ou)
niet
κατεάξει
(kateaxei)
zal breken
καὶ
(kai)
en
λίνον
(linon)
vlaspit
τυφόμενον
(typhomenon)
rokende
οὐ
(ou)
niet
σβέσει
(sbesei)
zal doven
ἕως
(heos)
totdat
ἂν
(an)
zou
ἐκβάλῃ
(ekbale)
uitbrengt
εἰς
(eis)
tot
νῖκος
(nikos)
overwinning
τὴν
(ten)
het
κρίσιν
(krisin)
recht
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Hebreeuws heeft in Jes. 42:3 ‘een zwak brandende vlaspit’ en ‘naar waarheid brengt Hij het recht uit’; de Griekse tekst heeft ‘een rokende vlaspit’ en ‘totdat Hij het recht tot overwinning brengt’.

Zie ookJes 42:3
21En op Zijn naam zullen volken hopen.”
καὶ
(kai)
en
τῷ
(to)
op de
ὀνόματι
(onomati)
naam
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἔθνη
(ethne)
volken
ἐλπιοῦσιν
(elpiousin)
zullen hopen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Hebreeuws heeft in Jes. 42:4 ‘De eilanden wachten op zijn wet’; de Griekse tekst heeft ‘op Zijn naam zullen volken hopen’.

Zie ookJes 42:4

Genezing en beschuldiging: Beëlzebul

22Toen werd een bezeten man bij Hem gebracht, blind en stom. Hij genas hem, zodat de stomme sprak en zag.
Τότε
(Tote)
toen
προσηνέχθη
(prosenechthe)
werd gebracht
αὐτῷ
(auto)
aan Hem
δαιμονιζόμενος
(daimonizomenos)
bezeten
τυφλὸς
(typhlos)
blind
καὶ
(kai)
en
κωφός
(kophos)
stom
καὶ
(kai)
en
ἐθεράπευσεν
(etherapeusen)
genas
αὐτόν
(auton)
hem
ὥστε
(hoste)
zodat
τὸν
(ton)
de
κωφὸν
(kophon)
stomme
λαλεῖν
(lalein)
sprak
καὶ
(kai)
en
βλέπειν
(blepein)
zag
Bron: SBLGNT
Uitleg

κωφός (kophos) betekent ‘doof’ of ‘stom’, of beide.

Hier spreekt de man na zijn genezing, daarom schrijven wij ‘stom’; in Matt. 11:5 gaat het om horen en schrijven wij ‘doven’.

Zie ookMat 11:5
23Alle menigten stonden versteld en zeiden: „Zou dit soms de zoon van David zijn?”
καὶ
(kai)
en
ἐξίσταντο
(existanto)
stonden versteld
πάντες
(pantes)
alle
οἱ
(hoi)
de
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
καὶ
(kai)
en
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Μήτι
(Meti)
soms
οὗτός
(houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
zoon
Δαυίδ
(Dauid)
David
Bron: SBLGNT
24Toen de Farizeeën het hoorden, zeiden zij: „Deze drijft de demonen alleen uit door Beëlzebul, de leider van de demonen.”
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
ἀκούσαντες
(akousantes)
horend
εἶπον
(eipon)
zeiden
Οὗτος
(Houtos)
deze
οὐκ
(ouk)
niet
ἐκβάλλει
(ekballei)
drijft uit
τὰ
(ta)
de
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
ἐν
(en)
door
τῷ
(to)
de
Βεελζεβοὺλ
(Beelzeboul)
Beëlzebul
ἄρχοντι
(archonti)
leider
τῶν
(ton)
van de
δαιμονίων
(daimonion)
demonen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Βεελζεβούλ (Beëlzebul): de naam van de leider van de demonen.

De betekenis is onzeker; vergelijk Baäl-Zebub, de god van Ekron (2 Kon. 1:2).

Zie ook Mark. 3:22–27; Luc. 11:14–23.

25Maar Hij kende hun gedachten en zei tegen hen: „Elk koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest. En elke stad of elk huis dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet standhouden.
εἰδὼς
(eidos)
wetend
δὲ
(de)
maar
τὰς
(tas)
de
ἐνθυμήσεις
(enthymeseis)
gedachten
αὐτῶν
(auton)
hun
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Πᾶσα
(Pasa)
elk
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
μερισθεῖσα
(meristheisa)
verdeeld
καθ’
(kath’)
tegen
ἑαυτῆς
(heautes)
zichzelf
ἐρημοῦται
(eremoutai)
wordt verwoest
καὶ
(kai)
en
πᾶσα
(pasa)
elke
πόλις
(polis)
stad
ἢ
(e)
of
οἰκία
(oikia)
huis
μερισθεῖσα
(meristheisa)
verdeeld
καθ’
(kath’)
tegen
ἑαυτῆς
(heautes)
zichzelf
οὐ
(ou)
niet
σταθήσεται
(stathesetai)
zal standhouden
Bron: SBLGNT
26En als Satan Satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld. Hoe zal dan zijn koninkrijk standhouden?
καὶ
(kai)
en
εἰ
(ei)
als
ὁ
(ho)
de
Σατανᾶς
(Satanas)
Satan
τὸν
(ton)
de
Σατανᾶν
(Satanan)
Satan
ἐκβάλλει
(ekballei)
uitdrijft
ἐφ’
(eph’)
tegen
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
ἐμερίσθη
(emeristhe)
was verdeeld
πῶς
(pos)
hoe
οὖν
(oun)
dan
σταθήσεται
(stathesetai)
zal standhouden
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
27En als Ik de demonen uitdrijf door Beëlzebul, door wie drijven jullie zonen ze dan uit? Daarom zullen zij jullie rechters zijn.
καὶ
(kai)
en
εἰ
(ei)
als
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἐν
(en)
door
Βεελζεβοὺλ
(Beelzeboul)
Beëlzebul
ἐκβάλλω
(ekballo)
uitdrijf
τὰ
(ta)
de
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
οἱ
(hoi)
de
υἱοὶ
(huioi)
zonen
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἐν
(en)
door
τίνι
(tini)
wie
ἐκβάλλουσιν
(ekballousin)
drijven uit
διὰ
(dia)
door
τοῦτο
(touto)
dit
αὐτοὶ
(autoi)
zij
κριταὶ
(kritai)
rechters
ἔσονται
(esontai)
zullen zijn
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

υἱοὶ ὑμῶν (huioi hymon), ‘jullie zonen’: de eigen mensen of leerlingen van de Farizeeën.

28Maar als Ik de demonen uitdrijf door de Geest van Elohim, dan is het koninkrijk van Elohim bij jullie gekomen.
εἰ
(ei)
als
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
door
πνεύματι
(pneumati)
Geest
θεοῦ
(theou)
van Elohim
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἐκβάλλω
(ekballo)
uitdrijf
τὰ
(ta)
de
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
ἄρα
(ara)
dan
ἔφθασεν
(ephthasen)
is gekomen
ἐφ’
(eph’)
tot
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

Matteüs schrijft meestal ‘het koninkrijk van de hemelen’ (Matt. 3:2); hier staat ‘het koninkrijk van Elohim’. ἔφθασεν (ephthasen), ‘is gekomen’: het is aangekomen, het heeft jullie bereikt.

Zie ookMat 3:2
29Of hoe kan iemand het huis van de sterke binnengaan en zijn spullen roven, als hij de sterke niet eerst bindt? Pas dan zal hij zijn huis leegroven.
ἢ
(e)
of
πῶς
(pos)
hoe
δύναταί
(dynatai)
kan
τις
(tis)
iemand
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnengaan
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
οἰκίαν
(oikian)
huis
τοῦ
(tou)
van de
ἰσχυροῦ
(ischyrou)
sterke
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
σκεύη
(skeue)
spullen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἁρπάσαι
(harpasai)
roven
ἐὰν
(ean)
als
μὴ
(me)
niet
πρῶτον
(proton)
eerst
δήσῃ
(dese)
bindt
τὸν
(ton)
de
ἰσχυρόν
(ischyron)
sterke
καὶ
(kai)
en
τότε
(tote)
dan
τὴν
(ten)
het
οἰκίαν
(oikian)
huis
αὐτοῦ
(autou)
zijn
διαρπάσει
(diarpasei)
zal leegroven
Bron: SBLGNT
30Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij verzamelt, verstrooit.
ὁ
(ho)
die
μὴ
(me)
niet
ὢν
(on)
zijnde
μετ’
(met’)
met
ἐμοῦ
(emou)
Mij
κατ’
(kat’)
tegen
ἐμοῦ
(emou)
Mij
ἐστιν
(estin)
is
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
die
μὴ
(me)
niet
συνάγων
(synagon)
verzamelend
μετ’
(met’)
met
ἐμοῦ
(emou)
Mij
σκορπίζει
(skorpizei)
verstrooit
Bron: SBLGNT
31Daarom zeg Ik jullie: elke zonde en lastering zal de mensen vergeven worden, maar de lastering tegen de Geest zal niet vergeven worden.
διὰ
(dia)
door
τοῦτο
(touto)
dit
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
πᾶσα
(pasa)
elke
ἁμαρτία
(hamartia)
zonde
καὶ
(kai)
en
βλασφημία
(blasphemia)
lastering
ἀφεθήσεται
(aphethesetai)
zal vergeven worden
τοῖς
(tois)
aan de
ἀνθρώποις
(anthropois)
mensen
ἡ
(he)
de
δὲ
(de)
maar
τοῦ
(tou)
van de
πνεύματος
(pneumatos)
Geest
βλασφημία
(blasphemia)
lastering
οὐκ
(ouk)
niet
ἀφεθήσεται
(aphethesetai)
zal vergeven worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

βλασφημία (blasphemia), ‘lastering’: kwaadspreken, vooral over Elohim.

Het Grieks heeft ‘de lastering van de Geest’; wij vertalen ‘lastering tegen de Geest’.

Zie ook Mark. 3:28–30; Luc. 12:10.

32En wie een woord spreekt tegen de Mensenzoon, hem zal het vergeven worden. Maar wie spreekt tegen de Heilige Geest, hem zal het niet vergeven worden, niet in deze eeuw en niet in de komende.
καὶ
(kai)
en
ὃς
(hos)
wie
ἐὰν
(ean)
indien
εἴπῃ
(eipe)
spreekt
λόγον
(logon)
woord
κατὰ
(kata)
tegen
τοῦ
(tou)
de
υἱοῦ
(huiou)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
ἀφεθήσεται
(aphethesetai)
zal vergeven worden
αὐτῷ
(auto)
aan hem
ὃς
(hos)
wie
δ’
(d’)
maar
ἂν
(an)
zou
εἴπῃ
(eipe)
spreekt
κατὰ
(kata)
tegen
τοῦ
(tou)
de
πνεύματος
(pneumatos)
Geest
τοῦ
(tou)
de
ἁγίου
(hagiou)
heilige
οὐκ
(ouk)
niet
ἀφεθήσεται
(aphethesetai)
zal vergeven worden
αὐτῷ
(auto)
aan hem
οὔτε
(oute)
noch
ἐν
(en)
in
τούτῳ
(touto)
deze
τῷ
(to)
de
αἰῶνι
(aioni)
eeuw
οὔτε
(oute)
noch
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
μέλλοντι
(mellonti)
komende
Bron: SBLGNT
Uitleg

αἰών (aion), ‘eeuw’: een tijdperk.

‘Deze eeuw’ is de tegenwoordige tijd, ‘de komende’ de tijd die komt.

Een boom wordt gekend aan zijn vrucht

33Maak de boom goed en zijn vrucht goed, of maak de boom slecht en zijn vrucht slecht. Want aan de vrucht wordt de boom gekend.
Ἢ
(E)
of
ποιήσατε
(poiesate)
maakt
τὸ
(to)
de
δένδρον
(dendron)
boom
καλὸν
(kalon)
goed
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
de
καρπὸν
(karpon)
vrucht
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καλόν
(kalon)
goed
ἢ
(e)
of
ποιήσατε
(poiesate)
maakt
τὸ
(to)
de
δένδρον
(dendron)
boom
σαπρὸν
(sapron)
slecht
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
de
καρπὸν
(karpon)
vrucht
αὐτοῦ
(autou)
zijn
σαπρόν
(sapron)
slecht
ἐκ
(ek)
uit
γὰρ
(gar)
want
τοῦ
(tou)
de
καρποῦ
(karpou)
vrucht
τὸ
(to)
de
δένδρον
(dendron)
boom
γινώσκεται
(ginosketai)
wordt gekend
Bron: SBLGNT
Uitleg

σαπρός (sapros), ‘slecht’: eigenlijk ‘rot, bedorven’.

Zie ook Matt. 7:16–20; Luc. 6:43–45.

34Nageslacht van adders, hoe kunnen jullie goede dingen spreken, terwijl jullie slecht zijn? Want de mond spreekt uit de overvloed van het hart.
γεννήματα
(gennemata)
nageslacht
ἐχιδνῶν
(echidnon)
van adders
πῶς
(pos)
hoe
δύνασθε
(dynasthe)
kunnen jullie
ἀγαθὰ
(agatha)
goede dingen
λαλεῖν
(lalein)
spreken
πονηροὶ
(poneroi)
slecht
ὄντες
(ontes)
zijnde
ἐκ
(ek)
uit
γὰρ
(gar)
want
τοῦ
(tou)
de
περισσεύματος
(perisseumatos)
overvloed
τῆς
(tes)
van het
καρδίας
(kardias)
hart
τὸ
(to)
de
στόμα
(stoma)
mond
λαλεῖ
(lalei)
spreekt
Bron: SBLGNT
35De goede mens brengt uit de goede schat goede dingen voort, en de slechte mens brengt uit de slechte schat slechte dingen voort.
ὁ
(ho)
de
ἀγαθὸς
(agathos)
goede
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
ἀγαθοῦ
(agathou)
goede
θησαυροῦ
(thesaurou)
schat
ἐκβάλλει
(ekballei)
brengt voort
ἀγαθά
(agatha)
goede dingen
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
πονηρὸς
(poneros)
slechte
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
πονηροῦ
(ponerou)
slechte
θησαυροῦ
(thesaurou)
schat
ἐκβάλλει
(ekballei)
brengt voort
πονηρά
(ponera)
slechte dingen
Bron: SBLGNT
36Maar Ik zeg jullie: van elk nutteloos woord dat de mensen spreken, zullen zij rekenschap afleggen op de dag van het oordeel.
λέγω
(lego)
Ik zeg
δὲ
(de)
maar
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
ὅτι
(hoti)
dat
πᾶν
(pan)
elk
ῥῆμα
(rhema)
woord
ἀργὸν
(argon)
nutteloos
ὃ
(ho)
dat
λαλήσουσιν
(lalesousin)
zullen spreken
οἱ
(hoi)
de
ἄνθρωποι
(anthropoi)
mensen
ἀποδώσουσιν
(apodosousin)
zullen afleggen
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
het
λόγον
(logon)
rekenschap
ἐν
(en)
op
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
κρίσεως
(kriseos)
van oordeel
Bron: SBLGNT
37Want op grond van je woorden word je rechtvaardig verklaard, en op grond van je woorden word je veroordeeld.”
ἐκ
(ek)
uit
γὰρ
(gar)
want
τῶν
(ton)
de
λόγων
(logon)
woorden
σου
(sou)
je
δικαιωθήσῃ
(dikaiothese)
zul worden gerechtvaardigd
καὶ
(kai)
en
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
λόγων
(logon)
woorden
σου
(sou)
je
καταδικασθήσῃ
(katadikasthese)
zul worden veroordeeld
Bron: SBLGNT

Het teken van Jona

38Toen antwoordden enkele schriftgeleerden en Farizeeën Hem: „Leraar, wij willen een teken van U zien.”
Τότε
(Tote)
toen
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
αὐτῷ
(auto)
Hem
τινες
(tines)
enkelen
τῶν
(ton)
van de
γραμματέων
(grammateon)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
Φαρισαίων
(Pharisaion)
Farizeeën
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Διδάσκαλε
(Didaskale)
leraar
θέλομεν
(thelomen)
wij willen
ἀπὸ
(apo)
van
σοῦ
(sou)
U
σημεῖον
(semeion)
teken
ἰδεῖν
(idein)
zien
Bron: SBLGNT
Uitleg

σημεῖον (semeion), ‘teken’: een wonder dat iets bewijst.

39Hij antwoordde en zei tegen hen: „Een slechte en overspelige generatie vraagt om een teken. Maar er zal haar geen teken gegeven worden, behalve het teken van de profeet Jona.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Γενεὰ
(Genea)
generatie
πονηρὰ
(ponera)
slechte
καὶ
(kai)
en
μοιχαλὶς
(moichalis)
overspelige
σημεῖον
(semeion)
teken
ἐπιζητεῖ
(epizetei)
zoekt
καὶ
(kai)
en
σημεῖον
(semeion)
teken
οὐ
(ou)
niet
δοθήσεται
(dothesetai)
zal gegeven worden
αὐτῇ
(aute)
aan haar
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
τὸ
(to)
het
σημεῖον
(semeion)
teken
Ἰωνᾶ
(Iona)
van Jona
τοῦ
(tou)
de
προφήτου
(prophetou)
profeet
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 16:1–4; Luc. 11:29–32. μοιχαλίς (moichalis), ‘overspelig’: een beeld voor ontrouw aan Elohim, zoals in de profetenboeken.

40Want zoals Jona 3 dagen en 3 nachten in de buik van de grote vis was, zo zal de Mensenzoon 3 dagen en 3 nachten in het hart van de aarde zijn.
ὥσπερ
(hosper)
zoals
γὰρ
(gar)
want
ἦν
(en)
was
Ἰωνᾶς
(Ionas)
Jona
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
κοιλίᾳ
(koilia)
buik
τοῦ
(tou)
van de
κήτους
(ketous)
grote vis
τρεῖς
(treis)
3
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
καὶ
(kai)
en
τρεῖς
(treis)
3
νύκτας
(nyktas)
nachten
οὕτως
(houtos)
zo
ἔσται
(estai)
zal zijn
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
καρδίᾳ
(kardia)
hart
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
τρεῖς
(treis)
3
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
καὶ
(kai)
en
τρεῖς
(treis)
3
νύκτας
(nyktas)
nachten
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie Jona 2:1 (NL 1:17): ‘Jona was drie dagen en drie nachten in de buik van de vis.’ κῆτος (ketos), ‘grote vis’: een groot zeedier.

Zie ookJona 2:1
41Mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel, samen met deze generatie, en zullen haar veroordelen. Want zij bekeerden zich op de verkondiging van Jona. En zie: hier is meer dan Jona.
ἄνδρες
(andres)
mannen
Νινευῖται
(Nineuitai)
van Nineve
ἀναστήσονται
(anastesontai)
zullen opstaan
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
κρίσει
(krisei)
oordeel
μετὰ
(meta)
met
τῆς
(tes)
de
γενεᾶς
(geneas)
generatie
ταύτης
(tautes)
deze
καὶ
(kai)
en
κατακρινοῦσιν
(katakrinousin)
zullen veroordelen
αὐτήν
(auten)
haar
ὅτι
(hoti)
omdat
μετενόησαν
(metenoesan)
zij bekeerden zich
εἰς
(eis)
tot
τὸ
(to)
de
κήρυγμα
(kerygma)
verkondiging
Ἰωνᾶ
(Iona)
van Jona
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
πλεῖον
(pleion)
meer
Ἰωνᾶ
(Iona)
dan Jona
ὧδε
(hode)
hier
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak.

Uitleg

Zie Jona 3:5: de mannen van Nineve geloofden in Elohim en bekeerden zich.

Zie ookJona 3:5
42De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel, samen met deze generatie, en zal haar veroordelen. Want zij kwam van de uiteinden van de aarde om de wijsheid van Salomo te horen. En zie: hier is meer dan Salomo.
βασίλισσα
(basilissa)
koningin
νότου
(notou)
van het zuiden
ἐγερθήσεται
(egerthesetai)
zal opgewekt worden
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
κρίσει
(krisei)
oordeel
μετὰ
(meta)
met
τῆς
(tes)
de
γενεᾶς
(geneas)
generatie
ταύτης
(tautes)
deze
καὶ
(kai)
en
κατακρινεῖ
(katakrinei)
zal veroordelen
αὐτήν
(auten)
haar
ὅτι
(hoti)
omdat
ἦλθεν
(elthen)
kwam
ἐκ
(ek)
van
τῶν
(ton)
de
περάτων
(peraton)
uiteinden
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
ἀκοῦσαι
(akousai)
om te horen
τὴν
(ten)
de
σοφίαν
(sophian)
wijsheid
Σολομῶνος
(Solomonos)
van Salomo
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
πλεῖον
(pleion)
meer
Σολομῶνος
(Solomonos)
dan Salomo
ὧδε
(hode)
hier
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie 1 Kon. 10:1–10: de koningin van Sjeba kwam om de wijsheid van Salomo te horen.

‘Het zuiden’: het Grieks heeft νότος (notos), ‘zuiden’.

De terugkeer van de onreine geest

43Wanneer de onreine geest uit de mens is weggegaan, gaat hij door dorre plaatsen, op zoek naar rust, maar hij vindt die niet.
Ὅταν
(Hotan)
wanneer
δὲ
(de)
maar
τὸ
(to)
de
ἀκάθαρτον
(akatharton)
onreine
πνεῦμα
(pneuma)
geest
ἐξέλθῃ
(exelthe)
uitgaat
ἀπὸ
(apo)
uit
τοῦ
(tou)
de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
διέρχεται
(dierchetai)
gaat
δι’
(di’)
door
ἀνύδρων
(anydron)
waterloze
τόπων
(topon)
plaatsen
ζητοῦν
(zetoun)
zoekend
ἀνάπαυσιν
(anapausin)
rust
καὶ
(kai)
en
οὐχ
(ouch)
niet
εὑρίσκει
(heuriskei)
vindt
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Luc. 11:24–26. ἀκάθαρτον πνεῦμα (akatharton pneuma), ‘onreine geest’: een demon.

44Dan zegt hij: ‘Ik zal terugkeren naar mijn huis, vanwaar ik ben weggegaan.’ En als hij komt, vindt hij het leeg, aangeveegd en versierd.
τότε
(tote)
dan
λέγει
(legei)
zegt
Εἰς
(Eis)
naar
τὸν
(ton)
het
οἶκόν
(oikon)
huis
μου
(mou)
mijn
ἐπιστρέψω
(epistrepso)
zal terugkeren
ὅθεν
(hothen)
vanwaar
ἐξῆλθον
(exelthon)
ging uit
καὶ
(kai)
en
ἐλθὸν
(elthon)
gekomen
εὑρίσκει
(heuriskei)
vindt
σχολάζοντα
(scholazonta)
leegstaand
σεσαρωμένον
(sesaromenon)
aangeveegd
καὶ
(kai)
en
κεκοσμημένον
(kekosmemenon)
versierd
Bron: SBLGNT
45Dan gaat hij en neemt zeven andere geesten mee die slechter zijn dan hijzelf. Zij gaan naar binnen en wonen daar. Dan wordt het einde van die mens erger dan het begin. Zo zal het ook gaan met deze slechte generatie.”
τότε
(tote)
dan
πορεύεται
(poreuetai)
gaat
καὶ
(kai)
en
παραλαμβάνει
(paralambanei)
neemt mee
μεθ’
(meth’)
met
ἑαυτοῦ
(heautou)
zichzelf
ἑπτὰ
(hepta)
zeven
ἕτερα
(hetera)
andere
πνεύματα
(pneumata)
geesten
πονηρότερα
(ponerotera)
slechter
ἑαυτοῦ
(heautou)
dan zichzelf
καὶ
(kai)
en
εἰσελθόντα
(eiselthonta)
binnengegaan
κατοικεῖ
(katoikei)
wonen
ἐκεῖ
(ekei)
daar
καὶ
(kai)
en
γίνεται
(ginetai)
wordt
τὰ
(ta)
de
ἔσχατα
(eschata)
laatste dingen
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
ἐκείνου
(ekeinou)
die
χείρονα
(cheirona)
erger
τῶν
(ton)
dan de
πρώτων
(proton)
eerste
οὕτως
(houtos)
zo
ἔσται
(estai)
zal zijn
καὶ
(kai)
ook
τῇ
(te)
aan de
γενεᾷ
(genea)
generatie
ταύτῃ
(taute)
deze
τῇ
(te)
de
πονηρᾷ
(ponera)
slechte
Bron: SBLGNT

Yeshua’s moeder en broers

46Terwijl Hij nog tot de menigten sprak, zie: Zijn moeder en Zijn broers stonden buiten en wilden met Hem spreken.
Ἔτι
(Eti)
nog
δὲ
(de)
maar
αὐτοῦ
(autou)
Hem
λαλοῦντος
(lalountos)
sprekend
τοῖς
(tois)
tot de
ὄχλοις
(ochlois)
menigten
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἡ
(he)
de
μήτηρ
(meter)
moeder
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀδελφοὶ
(adelphoi)
broers
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εἱστήκεισαν
(heistekeisan)
stonden
ἔξω
(exo)
buiten
ζητοῦντες
(zetountes)
zoekend
αὐτῷ
(auto)
met Hem
λαλῆσαι
(lalesai)
te spreken
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: ook ‘broers en zussen’; zie ook Matt. 13:55–56.

Zie ook Mark. 3:31–35; Luc. 8:19–21.

47Iemand zei tegen Hem: „Zie, Uw moeder en Uw broers staan buiten en willen met U spreken.”
εἶπεν
(eipen)
zei
δέ
(de)
maar
τις
(tis)
iemand
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ἡ
(he)
de
μήτηρ
(meter)
moeder
σου
(sou)
Uw
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
σου
(sou)
Uw
ἔξω
(exo)
buiten
ἑστήκασιν
(hestekasin)
staan
ζητοῦντές
(zetountes)
zoekend
σοι
(soi)
met U
λαλῆσαι
(lalesai)
te spreken
Bron: SBLGNT
48Hij antwoordde degene die het zei: „Wie is Mijn moeder, en wie zijn Mijn broers?”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
τῷ
(to)
aan degene
λέγοντι
(legonti)
zeggend
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Τίς
(Tis)
wie
ἐστιν
(estin)
is
ἡ
(he)
de
μήτηρ
(meter)
moeder
μου
(mou)
Mijn
καὶ
(kai)
en
τίνες
(tines)
wie
εἰσὶν
(eisin)
zijn
οἱ
(hoi)
de
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
μου
(mou)
Mijn
Bron: SBLGNT
49En Hij stak Zijn hand uit naar Zijn leerlingen en zei: „Zie, Mijn moeder en Mijn broers!
καὶ
(kai)
en
ἐκτείνας
(ekteinas)
uitstrekkend
τὴν
(ten)
de
χεῖρα
(cheira)
hand
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἐπὶ
(epi)
naar
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ἡ
(he)
de
μήτηρ
(meter)
moeder
μου
(mou)
Mijn
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
μου
(mou)
Mijn
Bron: SBLGNT
50Want wie de wil doet van Mijn Vader in de hemelen, die is Mijn broer en zus en moeder.”
ὅστις
(hostis)
wie
γὰρ
(gar)
want
ἂν
(an)
indien
ποιήσῃ
(poiese)
doet
τὸ
(to)
de
θέλημα
(thelema)
wil
τοῦ
(tou)
van de
πατρός
(patros)
Vader
μου
(mou)
Mijn
τοῦ
(tou)
die
ἐν
(en)
in
οὐρανοῖς
(ouranois)
hemelen
αὐτός
(autos)
hij
μου
(mou)
Mijn
ἀδελφὸς
(adelphos)
broer
καὶ
(kai)
en
ἀδελφὴ
(adelphe)
zus
καὶ
(kai)
en
μήτηρ
(meter)
moeder
ἐστίν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft ‘de wil van Mijn Vader die in de hemelen is’.