Elohim Bijbel

Jeremia 51

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Het oordeel over Babel en de boekrol in de Eufraat

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Een verwoestende wind tegen Babel

1Zo zegt Yahweh: „Zie, Ik wek tegen Babel en tegen de bewoners van Leb-Kamai een verwoestende wind op.
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִי֙
(hinni)
zie Ik
מֵעִ֣יר
(meir)
die opwekt
עַל
(al)
tegen
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
וְאֶל
(veel)
en tegen
יֹשְׁבֵ֖י
(yoshevei)
bewoners van
לֵ֣ב
(lev)
Leb
קָמָ֑י
(qamay)
Kamai
ר֖וּחַ
(ruach)
wind
מַשְׁחִֽית
(mashchit)
verwoestende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

לֵב קָמָי (lev qamai), ‘Leb-Kamai’: een verhulde naam voor ‘Chaldeeën’ (כשדים, kasdim).

Als men de letters van het Hebreeuwse alfabet omkeert (de eerste letter voor de laatste, de tweede voor de voorlaatste enzovoort), wordt כשדים tot לב קמי.

Zo’n omkering heet atbasj.

Letterlijk betekent de naam waarschijnlijk ‘hart van hen die tegen Mij opstaan’.

רוּחַ מַשְׁחִית (ruach mashchit), ‘verwoestende wind’: ruach kan ook ‘geest’ betekenen.

De hoofdstukken 50 en 51 vormen samen het woord tegen Babel. Vergelijk Jes. 13:1–14:23, Jes. 21:1–10 en Jes. 47.

2Ik zal naar Babel vreemden zenden. Zij zullen haar wannen en haar land leegmaken. Want zij zullen rondom tegen haar zijn op de dag van onheil.
וְשִׁלַּחְתִּ֨י
(veshilachti)
en Ik zal zenden
לְבָבֶ֤ל
(levavel)
naar Babel
זָרִים֙
(zarim)
vreemden
וְזֵר֔וּהָ
(vezeruha)
en zij zullen haar wannen
וִיבֹקְק֖וּ
(vivoqequ)
en zij zullen leegmaken
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצָ֑הּ
(artsah)
haar land
כִּֽי
(ki)
want
הָי֥וּ
(hayu)
zij zullen zijn
עָלֶ֛יהָ
(aleiha)
tegen haar
מִסָּבִ֖יב
(misaviv)
rondom
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
רָעָֽה
(raa)
onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Het Hebreeuws speelt met klanken: זָרִים (zarim), ‘vreemden’, en וְזֵרוּהָ (vezeruha), ‘en zij zullen haar wannen’.

Wannen is het scheiden van graan en kaf, waarbij het kaf wegwaait.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

וִיבֹקְקוּ (yevoqequ), ‘zij zullen leegmaken’: het werkwoord klinkt als het leegschenken van een vat.

3Laat de boogschutter zijn boog spannen tegen wie spant, en tegen wie zich in zijn pantser verheft. Spaar haar jonge mannen niet. Bant heel haar leger.
אֶֽל
(el)
tegen
יִדְרֹ֤ךְ
(yidrokh)
wie spant
ידרך
(ydrkh)
(niet gelezen)
הַדֹּרֵךְ֙
(hadorekh)
de boogschutter
קַשְׁתּ֔וֹ
(qashto)
zijn boog
וְאֶל
(veel)
en tegen
יִתְעַ֖ל
(yital)
wie zich verheft
בְּסִרְיֹנ֑וֹ
(besiryono)
in zijn pantser
וְאַֽל
(veal)
en niet
תַּחְמְלוּ֙
(tachmelu)
spaar
אֶל
(el)
over
בַּ֣חֻרֶ֔יהָ
(bachureiha)
haar jonge mannen
הַחֲרִ֖ימוּ
(hacharimu)
wijd aan de ban
כָּל
(kal)
heel
צְבָאָֽהּ
(tsevaah)
haar leger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is in het Hebreeuws moeilijk.

Het eerste woord אֶל (el) betekent ‘tegen’; wij vertalen ‘laat de boogschutter zijn boog spannen tegen wie spant’.

Het kan ook als ‘niet’ worden gelezen: ‘laat de boogschutter zijn boog niet spannen’.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

הַחֲרִימוּ (hacharimu), ‘bant’: wijd aan de ban, aan volledige verwoesting; zie Deut. 20:17.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft het woord ידרך (yidrokh), ‘hij spant’, twee keer; het gelezen woord (qere) leest het één keer.

Wij volgen het qere.

In de glosse staat het tweede woord als ‘niet gelezen’.

4Gesneuvelden zullen vallen in het land van de Chaldeeën, en doorstoken mannen in haar straten.”
וְנָפְל֥וּ
(venafelu)
en zij zullen vallen
חֲלָלִ֖ים
(chalalim)
gesneuvelden
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
כַּשְׂדִּ֑ים
(kasdim)
de Chaldeeën
וּמְדֻקָּרִ֖ים
(umeduqarim)
en doorstokenen
בְּחוּצוֹתֶֽיהָ
(bechutsoteiha)
in haar straten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.

5Want Israël en Juda zijn door hun Elohim, door Yahweh van de legermachten, niet als weduwen achtergelaten. Want hun land is vol schuld tegenover de Heilige van Israël.
כִּ֠י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
אַלְמָ֨ן
(alman)
weduwe
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
וִֽיהוּדָה֙
(vihuda)
en Juda
מֵֽאֱלֹהָ֔יו
(meelohav)
van zijn Elohim
מֵֽיְהוָ֖ה
(meYahweh)
van Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
כִּ֤י
(ki)
want
אַרְצָם֙
(artsam)
hun land
מָלְאָ֣ה
(malea)
is vol
אָשָׁ֔ם
(asham)
schuld
מִקְּד֖וֹשׁ
(miqedosh)
tegenover de Heilige van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19.

מִקְּדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (miqqedosh Yisra’el), ‘tegenover de Heilige van Israël’: het voorzetsel מִן (min) betekent hier ‘ten aanzien van’, en kan ook ‘van’ zijn. ‘Hun land’ kan het land van Israël en Juda zijn, maar ook het land van de Chaldeeën. Wij laten ‘hun land’ staan.

Vlucht uit Babel

6Vlucht uit het midden van Babel en red ieder zijn leven. Word niet weggevaagd door haar schuld, want het is de tijd van wraak voor Yahweh. Hij betaalt haar een vergelding.
נֻ֣סוּ
(nusu)
vlucht
מִתּ֣וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
בָּבֶ֗ל
(bavel)
Babel
וּמַלְּטוּ֙
(umaletu)
en red
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
נַפְשׁ֔וֹ
(nafsho)
zijn leven
אַל
(al)
niet
תִּדַּ֖מּוּ
(tidamu)
word weggevaagd
בַּעֲוֺנָ֑הּ
(baavonah)
in haar schuld
כִּי֩
(ki)
want
עֵ֨ת
(et)
tijd van
נְקָמָ֥ה
(neqama)
wraak
הִיא֙
(hi)
het is
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
גְּמ֕וּל
(gemul)
vergelding
ה֥וּא
(hu)
Hij
מְשַׁלֵּ֖ם
(meshalem)
betaalt
לָֽהּ
(lah)
haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

תִּדַּמּוּ (tiddammu), ‘word weggevaagd’: het werkwoord betekent ‘tot zwijgen gebracht worden’ en dus ‘omkomen’.

גְּמוּל (gemul), ‘vergelding’: wat iemand verdiend heeft, goed of slecht.

7Babel was een gouden beker in de hand van Yahweh. Zij maakte heel de aarde dronken. De volken dronken van haar wijn. Daarom werden de volken razend.
כּוֹס
(kos)
beker van
זָהָ֤ב
(zahav)
goud
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מְשַׁכֶּ֖רֶת
(meshakeret)
die dronken maakt
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
מִיֵּינָהּ֙
(miyeinah)
van haar wijn
שָׁת֣וּ
(shatu)
dronken
גוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
עַל
(al)
om
כֵּ֖ן
(ken)
dit
יִתְהֹלְל֥וּ
(yitholelu)
werden razend
גוֹיִֽם
(goyim)
volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Babel als gouden beker in de hand van Yahweh: zie ook Jer. 25:15–17, waar de volken uit de beker van Yahweh’s grimmigheid drinken.

8Plotseling is Babel gevallen en gebroken. Jammer over haar! Neem balsem voor haar pijn; misschien kan zij genezen worden.
פִּתְאֹ֛ם
(pitom)
plotseling
נָפְלָ֥ה
(nafela)
is gevallen
בָבֶ֖ל
(bavel)
Babel
וַתִּשָּׁבֵ֑ר
(vatishaver)
en zij is gebroken
הֵילִ֣ילוּ
(heililu)
jammer
עָלֶ֗יהָ
(aleiha)
over haar
קְח֤וּ
(qechu)
neem
צֳרִי֙
(tsori)
balsem
לְמַכְאוֹבָ֔הּ
(lemakhovah)
voor haar pijn
אוּלַ֖י
(ulay)
misschien
תֵּרָפֵֽא
(terafe)
kan zij genezen worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

צֳרִי (tsori), ‘balsem’: een geneeskrachtige hars.

Zie Gen. 37:25, waar dezelfde balsem wordt vervoerd.

9Wij hebben Babel genezen, maar zij is niet genezen. Laat haar achter, en laten wij ieder naar zijn eigen land gaan. Want haar vonnis reikt tot aan de hemel en is opgeheven tot de wolken.
רִפִּ֣ינוּ
(ripinu)
wij hebben genezen
אֶת
(et)
(obj.)
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
וְלֹ֣א
(velo)
maar niet
נִרְפָּ֔תָה
(nirpata)
is zij genezen
עִזְב֕וּהָ
(izvuha)
laat haar achter
וְנֵלֵ֖ךְ
(venelekh)
en laten wij gaan
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
לְאַרְצ֑וֹ
(leartso)
naar zijn land
כִּֽי
(ki)
want
נָגַ֤ע
(naga)
reikt
אֶל
(el)
tot
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
מִשְׁפָּטָ֔הּ
(mishpatah)
haar vonnis
וְנִשָּׂ֖א
(venisa)
en het is opgeheven
עַד
(ad)
tot
שְׁחָקִֽים
(shechaqim)
de wolken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Hier spreken waarschijnlijk de vreemdelingen die in Babel verbleven (‘ieder naar zijn eigen land’).

Het Hebreeuws noemt niet wie spreekt.

מִשְׁפָּטָהּ (mishpatah), ‘haar vonnis’: het oordeel dat over haar uitgesproken is.

10Yahweh heeft onze gerechtigheid tevoorschijn gebracht. Kom, laten wij in Sion het werk van Yahweh, onze Elohim, vertellen.
הוֹצִ֥יא
(hotsi)
heeft tevoorschijn gebracht
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
צִדְקֹתֵ֑ינוּ
(tsidqoteinu)
onze gerechtigheid
בֹּ֚אוּ
(bou)
kom
וּנְסַפְּרָ֣ה
(unesapera)
en laten wij vertellen
בְצִיּ֔וֹן
(betsiyon)
in Sion
אֶֽת
(et)
(obj.)
מַעֲשֵׂ֖ה
(maase)
het werk van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

צִדְקֹתֵינוּ (tsidqoteinu), ‘onze gerechtigheid’: een meervoud, letterlijk ‘onze gerechtigheden’.

Yahweh heeft het recht van Zijn volk aan het licht gebracht.

11Scherp de pijlen, neem de schilden op! Yahweh heeft de geest van de koningen van de Meden opgewekt. Want Zijn plan is tegen Babel gericht, om haar te verwoesten. Want het is de wraak van Yahweh, de wraak voor Zijn tempel.
הָבֵ֣רוּ
(haveru)
scherp
הַחִצִּים֮
(hachitsim)
de pijlen
מִלְא֣וּ
(milu)
neem op
הַשְּׁלָטִים֒
(hashelatim)
de schilden
הֵעִ֣יר
(heir)
heeft opgewekt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
ר֨וּחַ֙
(ruach)
geest van
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
מָדַ֔י
(maday)
de Meden
כִּֽי
(ki)
want
עַל
(al)
tegen
בָּבֶ֥ל
(bavel)
Babel
מְזִמָּת֖וֹ
(mezimato)
Zijn plan
לְהַשְׁחִיתָ֑הּ
(lehashchitah)
om haar te verwoesten
כִּֽי
(ki)
want
נִקְמַ֤ת
(niqmat)
wraak van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הִ֔יא
(hi)
het is
נִקְמַ֖ת
(niqmat)
wraak voor
הֵיכָלֽוֹ
(heikhalo)
Zijn tempel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

הָבֵרוּ (haberu), ‘scherp’: het werkwoord komt alleen hier voor.

De betekenis is onzeker; het kan ook ‘poets’ betekenen.

הַשְּׁלָטִים (hashelatim), ‘de schilden’: het woord kan ook ‘de kokers’ betekenen. מִלְאוּ (mil’u), ‘neem op’: letterlijk ‘vul’.

מָדַי (Maday), ‘de Meden’: zie ook Jes. 13:17.

הֵיכָלוֹ (heikhalo), ‘Zijn tempel’: de tempel in Jeruzalem die de Babyloniërs verwoestten (2 Kon. 25:9).

12Heft tegen de muren van Babel een banier op! Versterk de wacht, stel wachters op en maak de belagers gereed. Want Yahweh heeft zowel gepland als gedaan wat Hij tegen de bewoners van Babel gesproken heeft.
אֶל
(el)
tegen
חוֹמֹ֨ת
(chomot)
muren van
בָּבֶ֜ל
(bavel)
Babel
שְׂאוּ
(seu)
heft op
נֵ֗ס
(nes)
een banier
הַחֲזִ֨יקוּ֙
(hachaziqu)
versterk
הַמִּשְׁמָ֔ר
(hamishmar)
de wacht
הָקִ֨ימוּ֙
(haqimu)
stel op
שֹֽׁמְרִ֔ים
(shomerim)
wachters
הָכִ֖ינוּ
(hakhinu)
maak gereed
הָאֹֽרְבִ֑ים
(haorevim)
de belagers
כִּ֚י
(ki)
want
גַּם
(gam)
zowel
זָמַ֣ם
(zamam)
heeft gepland
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
גַּם
(gam)
als
עָשָׂ֕ה
(asa)
heeft gedaan
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
דִּבֶּ֖ר
(diber)
Hij heeft gesproken
אֶל
(el)
tegen
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
bewoners van
בָבֶֽל
(bavel)
Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

13Jij die aan vele wateren woont, rijk aan schatten: je einde is gekomen, de maat van je winstbejag.
שֹׁכַנְתְּ֙
(shokhant)
jij die woont
עַל
(al)
aan
מַ֣יִם
(mayim)
wateren
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
רַבַּ֖ת
(rabat)
rijk aan
אֽוֹצָרֹ֑ת
(otsarot)
schatten
בָּ֥א
(ba)
is gekomen
קִצֵּ֖ךְ
(qitsekh)
je einde
אַמַּ֥ת
(amat)
de maat van
בִּצְעֵֽךְ
(bitsekh)
je winstbejag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַמָּה (amah) is gewoonlijk een ‘el’, een lengtemaat.

אַמַּת בִּצְעֵךְ (ammat bitsekh), ‘de maat van je winstbejag’: de maat is vol, het einde van je winst is bereikt.

De betekenis is niet zeker.

בֶּצַע (betsa) is winst die ten koste van anderen is behaald.

14Yahweh van de legermachten heeft bij Zichzelf gezworen: „Zeker, Ik zal je vullen met mensen als met vreters, en zij zullen een strijdkreet over je aanheffen.”
נִשְׁבַּ֛ע
(nishba)
heeft gezworen
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
בְּנַפְשׁ֑וֹ
(benafsho)
bij Zichzelf
כִּ֣י
(ki)
zeker
אִם
(im)
(eed)
מִלֵּאתִ֤יךְ
(miletikh)
Ik zal je vullen
אָדָם֙
(adam)
met mensen
כַּיֶּ֔לֶק
(kayeleq)
als met vreters
וְעָנ֥וּ
(veanu)
en zij zullen aanheffen
עָלַ֖יִךְ
(alayikh)
over je
הֵידָֽד
(heidad)
een strijdkreet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְנַפְשׁוֹ (benafsho), ‘bij Zichzelf’: letterlijk ‘bij Zijn ziel’.

Zie ook Amos 6:8.

כַּיֶּלֶק (kayyaleq), ‘als met vreters’: yeleq is een van de sprinkhanen uit Joël 1:4 (‘vreter’); zie ook Nah. 3:15–16.

הֵידָד (heidad), ‘strijdkreet’: een luide kreet, zoals bij de druivenpers of in de strijd.

Hij die de aarde gemaakt heeft

15Hij is de Maker van de aarde door Zijn kracht, de Grondvester van de wereld door Zijn wijsheid. Door Zijn inzicht heeft Hij de hemel uitgespannen.
עֹשֵׂ֥ה
(ose)
maker van
אֶ֨רֶץ֙
(erets)
aarde
בְּכֹח֔וֹ
(bekhocho)
door Zijn kracht
מֵכִ֥ין
(mekhin)
grondvester van
תֵּבֵ֖ל
(tevel)
wereld
בְּחָכְמָת֑וֹ
(bechakhemato)
door Zijn wijsheid
וּבִתְבוּנָת֖וֹ
(uvitvunato)
en door Zijn inzicht
נָטָ֥ה
(nata)
heeft uitgespannen
שָׁמָֽיִם
(shamayim)
hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De verzen 15–19 staan ook in Jer. 10:12–16.

De Hebreeuwse tekst is bijna gelijk; de Nederlandse tekst is gelijk aan Jer. 10, behalve in vers 19.

De verschillen in het Hebreeuws: in vers 16 heeft Jer. 10:13 ויעלה (vaya’aleh) tegenover ויעל (vaya’al) hier, ‘de aarde’ met lidwoord (הארץ) tegenover ארץ hier, en ויוציא tegenover ויצא; in vers 17 heeft Jer. 10:14 צורף (tsoref, met een extra letter) tegenover צרף hier; in vers 19 heeft Jer. 10:16 יעקב (Ya’aqov) tegenover יעקוב hier, en ‘en Israël is de stam van Zijn erfdeel’ tegenover ‘en van de stam van Zijn erfdeel’.

De betekenis is hetzelfde.

16Als Hij Zijn stem laat klinken, is er een gedruis van water in de hemel. Hij laat wolken opstijgen van het einde van de aarde. Hij maakt bliksemflitsen voor de regen. Hij brengt de wind uit Zijn voorraadkamers.
לְק֨וֹל
(leqol)
bij het geluid
תִּתּ֜וֹ
(tito)
Zijn geven
הֲמ֥וֹן
(hamon)
gedruis van
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
בַּשָּׁמַ֔יִם
(bashamayim)
in de hemel
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en Hij doet opstijgen
נְשִׂאִ֖ים
(nesiim)
wolken
מִקְצֵה
(miqtse)
van het einde van
אָ֑רֶץ
(arets)
de aarde
בְּרָקִ֤ים
(beraqim)
bliksemflitsen
לַמָּטָר֙
(lamatar)
voor de regen
עָשָׂ֔ה
(asa)
heeft gemaakt
וַיֹּ֥צֵא
(vayotse)
en Hij brengt uit
ר֖וּחַ
(ruach)
wind
מֵאֹצְרֹתָֽיו
(meotserotav)
uit Zijn voorraadkamers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְקוֹל תִּתּוֹ (leqol titto), ‘als Hij Zijn stem laat klinken’: letterlijk ‘bij het geven van Zijn stem’.

נְשִׂאִים (nesi’im), ‘wolken’: letterlijk ‘wat opstijgt’.

Zie ook Ps. 135:7.

17Ieder mens is dom geworden, zonder kennis. Iedere smelter is beschaamd door het beeld, want zijn gegoten beeld is leugen en er is geen adem in hen.
נִבְעַ֤ר
(nivar)
is dom geworden
כָּל
(kal)
ieder
אָדָם֙
(adam)
mens
מִדַּ֔עַת
(midaat)
zonder kennis
הֹבִ֥ישׁ
(hovish)
is beschaamd
כָּל
(kal)
ieder
צֹרֵ֖ף
(tsoref)
smelter
מִפָּ֑סֶל
(mipasel)
door het beeld
כִּ֛י
(ki)
want
שֶׁ֥קֶר
(sheqer)
leugen
נִסְכּ֖וֹ
(nisko)
zijn gegoten beeld
וְלֹא
(velo)
en niet
ר֥וּחַ
(ruach)
adem
בָּֽם
(bam)
in hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶסֶךְ (nesekh), ‘gegoten beeld’: een beeld van gesmolten metaal.

רוּחַ (ruach), ‘adem’: ook ‘geest’.

Een beeld heeft geen adem: het leeft niet.

18Zij zijn een nietigheid, een werk van bespotting. In de tijd van hun straf zullen zij omkomen.
הֶ֣בֶל
(hevel)
nietigheid
הֵ֔מָּה
(hema)
zij
מַעֲשֵׂ֖ה
(maase)
werk van
תַּעְתֻּעִ֑ים
(tatuim)
bespotting
בְּעֵ֥ת
(beet)
in de tijd van
פְּקֻדָּתָ֖ם
(pequdatam)
hun straf
יֹאבֵֽדוּ
(yovedu)
zullen zij omkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶבֶל (hevel), ‘nietigheid’: letterlijk ‘damp’, wat verdwijnt en niet vast te grijpen is, zoals in Pred. 1:2.

Hier wordt het gezegd van de beelden.

תַּעְתֻּעִים (ta’tu’im), ‘bespotting’: het woord komt alleen hier en in Jer. 10:15 voor. De betekenis is niet helemaal zeker; het kan ook ‘misleiding’ zijn.

19Het deel van Jakob is niet zoals deze, want Hij is de Vormer van alles, ook van de stam van Zijn erfdeel. Yahweh van de legermachten is Zijn naam.
לֹֽא
(lo)
niet
כְאֵ֜לֶּה
(keele)
zoals deze
חֵ֣לֶק
(cheleq)
deel van
יַעֲק֗וֹב
(yaaqov)
Jakob
כִּֽי
(ki)
want
יוֹצֵ֤ר
(yotser)
vormer van
הַכֹּל֙
(hakol)
alles
ה֔וּא
(hu)
Hij
וְשֵׁ֖בֶט
(veshevet)
en van de stam van
נַחֲלָת֑וֹ
(nachalato)
Zijn erfdeel
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
שְׁמֽוֹ
(shemo)
Zijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵלֶק יַעֲקוֹב (cheleq Ya’aqov), ‘het deel van Jakob’: Yahweh zelf is het deel van Zijn volk; vergelijk Ps. 16:5 en Ps. 73:26.

Hier is het een naam voor Hem.

וְשֵׁבֶט נַחֲלָתוֹ (veshevet nachalato), ‘ook van de stam van Zijn erfdeel’: Jer. 10:16 heeft hier ‘en Israël is de stam van Zijn erfdeel’. Het woord ‘Israël’ staat hier niet.

Een moker in Yahweh’s hand

20„Een moker ben jij voor Mij, een oorlogswapen. Met jou verbrijzel Ik volken en met jou verwoest Ik koninkrijken.
מַפֵּץ
(mapets)
een moker
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
לִ֔י
(li)
voor Mij
כְּלֵ֖י
(kelei)
wapens van
מִלְחָמָ֑ה
(milchama)
oorlog
וְנִפַּצְתִּ֤י
(venipatsti)
en Ik verbrijzel
בְךָ֙
(bekha)
met jou
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
וְהִשְׁחַתִּ֥י
(vehishchati)
en Ik verwoest
בְךָ֖
(bekha)
met jou
מַמְלָכֽוֹת
(mamlakhot)
koninkrijken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַפֵּץ (mappets), ‘moker’: een zware knots om stukken te slaan.

De tekst noemt niet wie met ‘jij’ wordt aangesproken.

Sommigen denken aan Babel zelf, dat Yahweh eerder als werktuig gebruikte (vergelijk Jer. 50:23, ‘de hamer van heel de aarde’), anderen aan Kores of de Meden, weer anderen aan Israël.

Wij laten het open.

21Met jou verbrijzel Ik het paard en zijn ruiter. Met jou verbrijzel Ik de wagen en zijn menner.
וְנִפַּצְתִּ֣י
(venipatsti)
en Ik verbrijzel
בְךָ֔
(bekha)
met jou
ס֖וּס
(sus)
paard
וְרֹֽכְב֑וֹ
(verokhevo)
en zijn ruiter
וְנִפַּצְתִּ֣י
(venipatsti)
en Ik verbrijzel
בְךָ֔
(bekha)
met jou
רֶ֖כֶב
(rekhev)
wagen
וְרֹכְבֽוֹ
(verokhevo)
en zijn menner
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Met jou verbrijzel Ik man en vrouw. Met jou verbrijzel Ik grijsaard en jongen. Met jou verbrijzel Ik jongeman en maagd.
וְנִפַּצְתִּ֤י
(venipatsti)
en Ik verbrijzel
בְךָ֙
(bekha)
met jou
אִ֣ישׁ
(ish)
man
וְאִשָּׁ֔ה
(veisha)
en vrouw
וְנִפַּצְתִּ֥י
(venipatsti)
en Ik verbrijzel
בְךָ֖
(bekha)
met jou
זָקֵ֣ן
(zaqen)
grijsaard
וָנָ֑עַר
(vanaar)
en jongen
וְנִפַּצְתִּ֣י
(venipatsti)
en Ik verbrijzel
בְךָ֔
(bekha)
met jou
בָּח֖וּר
(bachur)
jongeman
וּבְתוּלָֽה
(uvetula)
en maagd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Met jou verbrijzel Ik herder en kudde. Met jou verbrijzel Ik landbouwer en span runderen. Met jou verbrijzel Ik stadhouders en bestuurders.
וְנִפַּצְתִּ֤י
(venipatsti)
en Ik verbrijzel
בְךָ֙
(bekha)
met jou
רֹעֶ֣ה
(roe)
herder
וְעֶדְר֔וֹ
(veedro)
en zijn kudde
וְנִפַּצְתִּ֥י
(venipatsti)
en Ik verbrijzel
בְךָ֖
(bekha)
met jou
אִכָּ֣ר
(ikar)
landbouwer
וְצִמְדּ֑וֹ
(vetsimdo)
en zijn span
וְנִפַּצְתִּ֣י
(venipatsti)
en Ik verbrijzel
בְךָ֔
(bekha)
met jou
פַּח֖וֹת
(pachot)
stadhouders
וּסְגָנִֽים
(useganim)
en bestuurders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צֶמֶד (tsemed), ‘span’: twee runderen onder één juk.

פַּחוֹת (pachot), ‘stadhouders’, en סְגָנִים (seganim), ‘bestuurders’: zie 1 Kon. 20:24 en Jes. 41:25.

24Ik zal Babel en alle bewoners van Chaldea vergelden voor al het kwaad dat zij Sion hebben aangedaan, voor jullie ogen, godsspraak van Yahweh.
וְשִׁלַּמְתִּ֨י
(veshilamti)
en Ik zal vergelden
לְבָבֶ֜ל
(levavel)
aan Babel
וּלְכֹ֣ל
(ulekhol)
en aan alle
יוֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
bewoners van
כַשְׂדִּ֗ים
(kasdim)
Chaldea
אֵ֧ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
רָעָתָ֛ם
(raatam)
hun kwaad
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עָשׂ֥וּ
(asu)
zij deden
בְצִיּ֖וֹן
(betsiyon)
in Sion
לְעֵֽינֵיכֶ֑ם
(leeineikhem)
voor jullie ogen
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8.

יֹשְׁבֵי כַשְׂדִּים (yoshvei Kasdim), ‘bewoners van Chaldea’: Chaldea is het land van de Chaldeeën, met Babel als hoofdstad.

25Zie, Ik ben tegen je, verwoestende berg, godsspraak van Yahweh, jij die heel de aarde verwoest. Ik strek Mijn hand over je uit, rol je van de rotsen af en maak je tot een verbrande berg.
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
אֵלֶ֜יךָ
(eleikha)
tegen je
הַ֤ר
(har)
berg van
הַמַּשְׁחִית֙
(hamashchit)
de verwoester
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הַמַּשְׁחִ֖ית
(hamashchit)
die verwoest
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְנָטִ֨יתִי
(venatiti)
en Ik zal uitstrekken
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִ֜י
(yadi)
Mijn hand
עָלֶ֗יךָ
(aleikha)
over je
וְגִלְגַּלְתִּ֨יךָ֙
(vegilgaltikha)
en Ik zal je afrollen
מִן
(min)
van
הַסְּלָעִ֔ים
(haselaim)
de rotsen
וּנְתַתִּ֖יךָ
(unetatikha)
en Ik zal je maken
לְהַ֥ר
(lehar)
tot een berg van
שְׂרֵפָֽה
(serefa)
brand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַר הַמַּשְׁחִית (har hamashchit), ‘verwoestende berg’: Babel als een machtige berg die de aarde verwoest.

Yahweh maakt hem tot הַר שְׂרֵפָה (har serefah), ‘een verbrande berg’.

Sommigen denken aan een uitgebrande vulkaan; de tekst zegt het niet.

26Zij zullen van jou geen steen nemen als hoeksteen en geen steen als fundament. Want je zult voor eeuwig een woestenij zijn, godsspraak van Yahweh.”
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִקְח֤וּ
(yiqchu)
zij zullen nemen
מִמְּךָ֙
(mimekha)
van jou
אֶ֣בֶן
(even)
steen
לְפִנָּ֔ה
(lefina)
voor een hoek
וְאֶ֖בֶן
(veeven)
en steen
לְמֽוֹסָד֑וֹת
(lemosadot)
voor fundamenten
כִּֽי
(ki)
want
שִׁמְמ֥וֹת
(shimmot)
woestenijen
עוֹלָ֛ם
(olam)
voor eeuwig
תִּֽהְיֶ֖ה
(tihye)
je zult zijn
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een hoeksteen en een fundamentsteen van Babel worden niet hergebruikt: zo volledig is de verwoesting.

שִׁמְמוֹת עוֹלָם (shimmemot olam), ‘voor eeuwig een woestenij’: letterlijk ‘eeuwige woestenijen’ (meervoud).

De volken worden tegen Babel opgeroepen

27Heft een banier op in het land, blaas de ramshoorn onder de volken. Wijd volken tegen haar toe. Roep tegen haar de koninkrijken op: Ararat, Minni en Askenaz. Stel tegen haar een aanvoerder aan. Laat paarden optrekken als borstelige vreters.
שְׂאוּ
(seu)
heft op
נֵ֣ס
(nes)
een banier
בָּאָ֗רֶץ
(baarets)
in het land
תִּקְע֨וּ
(tiqu)
blaas
שׁוֹפָ֤ר
(shofar)
ramshoorn
בַּגּוֹיִם֙
(bagoyim)
onder de volken
קַדְּשׁ֤וּ
(qadeshu)
wijd
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
tegen haar
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
הַשְׁמִ֧יעוּ
(hashmiu)
laat horen
עָלֶ֛יהָ
(aleiha)
tegen haar
מַמְלְכ֥וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken
אֲרָרַ֖ט
(ararat)
Ararat
מִנִּ֣י
(mini)
Minni
וְאַשְׁכְּנָ֑ז
(veashkenaz)
en Askenaz
פִּקְד֤וּ
(piqdu)
stel aan
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
tegen haar
טִפְסָ֔ר
(tifsar)
een aanvoerder
הַֽעֲלוּ
(haalu)
laat optrekken
ס֖וּס
(sus)
paarden
כְּיֶ֥לֶק
(keyeleq)
als vreters
סָמָֽר
(samar)
borstelige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ararat: Ararat is Urartu, het bergland rond het Vanmeer in het oosten van het huidige Turkije.

Uitleg

שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’.

אֲרָרַט (Ararat), מִנִּי (Minni) en אַשְׁכְּנָז (Ashkenaz) zijn koninkrijken ten noorden van Babel. Ararat is Urartu, het bergland rond het Vanmeer (Gen. 8:4). Askenaz staat in Gen. 10:3. De ligging van Minni is niet zeker.

קַדְּשׁוּ (qaddeshu), ‘wijd’: een oorlog werd met een heilige handeling begonnen.

טִפְסָר (tifsar), ‘aanvoerder’: een leenwoord voor een hoge ambtenaar of legeroverste; het staat ook in Nah. 3:17.

כְּיֶלֶק סָמָר (keyeleq samar), ‘als borstelige vreters’: samar betekent ‘borstelig’ of ‘ruw’. De betekenis is niet zeker.

28Wijd volken tegen haar toe: de koningen van de Meden, haar stadhouders en al haar bestuurders, en heel het land van zijn heerschappij.
קַדְּשׁ֨וּ
(qadeshu)
wijd
עָלֶ֤יהָ
(aleiha)
tegen haar
גוֹיִם֙
(goyim)
volken
אֶת
(et)
(obj.)
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
מָדַ֔י
(maday)
de Meden
אֶת
(et)
(obj.)
פַּחוֹתֶ֖יהָ
(pachoteiha)
haar stadhouders
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
סְגָנֶ֑יהָ
(seganeiha)
haar bestuurders
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מֶמְשַׁלְתּֽוֹ
(memshalto)
zijn heerschappij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פַּחוֹת (pachot), ‘stadhouders’, en סְגָנִים (seganim), ‘bestuurders’: zoals in vers 23.

מֶמְשַׁלְתּוֹ (memshalto), ‘zijn heerschappij’: het land waarover de koning van de Meden regeert. Sommige oude vertalingen lezen anders.

29De aarde beeft en siddert, want de plannen van Yahweh tegen Babel staan vast: Hij maakt het land van Babel tot een verwoesting, zonder bewoner.
וַתִּרְעַ֥שׁ
(vatirash)
en zal beven
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
וַתָּחֹ֑ל
(vatachol)
en zal sidderen
כִּ֣י
(ki)
want
קָ֤מָה
(qama)
staat vast
עַל
(al)
tegen
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
מַחְשְׁב֣וֹת
(machshevot)
plannen van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לָשׂ֞וּם
(lasum)
om te maken
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֧רֶץ
(erets)
land van
בָּבֶ֛ל
(bavel)
Babel
לְשַׁמָּ֖ה
(leshama)
tot een verwoesting
מֵאֵ֥ין
(meein)
zonder
יוֹשֵֽׁב
(yoshev)
bewoner
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

מַחְשְׁבוֹת (machshevot), ‘plannen’: wat Yahweh heeft bedacht.

30De helden van Babel hebben opgehouden te strijden; zij blijven in de burchten zitten. Hun kracht is opgedroogd en zij zijn vrouwen geworden. Men heeft haar woningen in brand gestoken. Haar grendels zijn gebroken.
חָדְלוּ֩
(chadelu)
zij hebben opgehouden
גִבּוֹרֵ֨י
(giborei)
helden van
בָבֶ֜ל
(bavel)
Babel
לְהִלָּחֵ֗ם
(lehilachem)
te strijden
יָֽשְׁבוּ֙
(yashevu)
zij blijven zitten
בַּמְּצָד֔וֹת
(bametsadot)
in de burchten
נָשְׁתָ֥ה
(nasheta)
is opgedroogd
גְבוּרָתָ֖ם
(gevuratam)
hun kracht
הָי֣וּ
(hayu)
zij zijn geworden
לְנָשִׁ֑ים
(lenashim)
vrouwen
הִצִּ֥יתוּ
(hitsitu)
men heeft in brand gestoken
מִשְׁכְּנֹתֶ֖יהָ
(mishkenoteiha)
haar woningen
נִשְׁבְּר֥וּ
(nishberu)
zijn gebroken
בְרִיחֶֽיהָ
(bericheiha)
haar grendels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

נָשְׁתָה (nashtah), ‘is opgedroogd’: het werkwoord betekent ‘droog worden’ en dus ‘uitgeput raken’.

Dat de helden ‘vrouwen’ zijn geworden, is een beeld van zwakte; zie ook Nah. 3:13.

31De ene loper rent de andere loper tegemoet, en de ene boodschapper de andere boodschapper. Zij komen om de koning van Babel te melden dat zijn stad tot in de uiterste hoek is ingenomen.
רָ֤ץ
(rats)
een loper
לִקְרַאת
(liqrat)
tegemoet
רָץ֙
(rats)
een loper
יָר֔וּץ
(yaruts)
rent
וּמַגִּ֖יד
(umagid)
en een boodschapper
לִקְרַ֣את
(liqrat)
tegemoet
מַגִּ֑יד
(magid)
een boodschapper
לְהַגִּיד֙
(lehagid)
om te melden
לְמֶ֣לֶךְ
(lemelekh)
aan de koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
כִּֽי
(ki)
dat
נִלְכְּדָ֥ה
(nilkeda)
is ingenomen
עִיר֖וֹ
(iro)
zijn stad
מִקָּצֶֽה
(miqatse)
tot in de uiterste hoek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

מִקָּצֶה (miqqatseh), ‘tot in de uiterste hoek’: letterlijk ‘van het einde’.

Het kan ook ‘volledig’ betekenen, of ‘aan het uiteinde [van de stad]’.

32De doorwaadbare plaatsen zijn bezet, de poelen hebben zij met vuur verbrand en de krijgsmannen zijn ontsteld.
וְהַמַּעְבָּר֣וֹת
(vehamabarot)
en de doorwaadbare plaatsen
נִתְפָּ֔שׂוּ
(nitpasu)
zijn bezet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאֲגַמִּ֖ים
(haagamim)
de poelen
שָׂרְפ֣וּ
(sarefu)
zij hebben verbrand
בָאֵ֑שׁ
(baesh)
met vuur
וְאַנְשֵׁ֥י
(veanshei)
en de mannen van
הַמִּלְחָמָ֖ה
(hamilchama)
de oorlog
נִבְהָֽלוּ
(nivhalu)
zijn ontsteld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעְבָּרוֹת (ma’barot), ‘doorwaadbare plaatsen’: plaatsen waar men de rivier kan oversteken; zie Joz. 2:7.

אֲגַמִּים (agammim), ‘poelen’: waterplassen met riet, moerassen.

De betekenis is niet helemaal zeker.

De oogsttijd van Babel

33Want zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: „De Dochter van Babel is als een dorsvloer in de tijd dat men haar vasttrapt. Nog even, en de tijd van de oogst komt voor haar.”
כִּי֩
(ki)
want
כֹ֨ה
(ko)
zo
אָמַ֜ר
(amar)
zegt
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בַּת
(bat)
dochter van
בָּבֶ֕ל
(bavel)
Babel
כְּגֹ֖רֶן
(kegoren)
als een dorsvloer
עֵ֣ת
(et)
tijd van
הִדְרִיכָ֑הּ
(hidrikhah)
haar vasttrappen
ע֣וֹד
(od)
nog
מְעַ֔ט
(meat)
even
וּבָ֥אָה
(uvaa)
en zal komen
עֵֽת
(et)
tijd van
הַקָּצִ֖יר
(haqatsir)
de oogst
לָֽהּ
(lah)
voor haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

גֹּרֶן (goren), ‘dorsvloer’: een platgestampte plek waar graan wordt gedorst.

הִדְרִיכָהּ (hidrikhah), ‘haar vasttrappen’: de dorsvloer werd met de voeten plat getrapt.

Het beeld zegt dat het oordeel nabij is: eerst het dorsen, dan de oogst.

Sion klaagt Nebukadnezar aan

34Nebukadnezar, de koning van Babel, heeft mij opgegeten en in verwarring gebracht. Hij heeft mij neergezet als een leeg vat. Hij heeft mij ingeslikt als een draak. Hij heeft zijn buik gevuld met mijn lekkernijen. Hij heeft mij verdreven.
אֲכָלַ֣נִי
(akhalani)
heeft mij opgegeten
הֲמָמַ֗נִי
(hamamani)
heeft mij in verwarring gebracht
נְבוּכַדְרֶאצַּר֮
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶל֒
(bavel)
Babel
הִצִּיגַ֨נִי֙
(hitsigani)
heeft mij neergezet
כְּלִ֣י
(keli)
als een vat
רִ֔יק
(riq)
leeg
בְּלָעַ֨נִי֙
(belaani)
heeft mij ingeslikt
כַּתַּנִּ֔ין
(katanin)
als een draak
מִלָּ֥א
(mila)
heeft gevuld
כְרֵשׂ֖וֹ
(kereso)
zijn buik
מֵֽעֲדָנָ֑י
(meadanay)
met mijn lekkernijen
הֱדִיחָֽנִי
(hedichani)
heeft mij verdreven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Hier spreekt Sion (zie vers 35).

תַּנִּין (tannin), ‘draak’: een groot zeemonster; zie Jes. 51:9.

מַעֲדַנַּי (ma’adannai), ‘mijn lekkernijen’: wat kostbaar en heerlijk was in Jeruzalem.

Lezing

Bij alle vijf de werkwoorden (‘heeft mij opgegeten’, ‘in verwarring gebracht’, ‘neergezet’, ‘ingeslikt’, ‘verdreven’) heeft het geschreven woord (ketiv) de uitgang ‘ons’ (-נו, -nu); het gelezen woord (qere) heeft ‘mij’ (-ני, -ni).

Wij volgen het qere.

35Laat het geweld dat mij en mijn vlees is aangedaan, over Babel komen, zegt de inwoonster van Sion. Laat mijn bloed over de bewoners van Chaldea komen, zegt Jeruzalem.
חֲמָסִ֤י
(chamasi)
het geweld tegen mij
וּשְׁאֵרִי֙
(usheeri)
en mijn vlees
עַל
(al)
over
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
תֹּאמַ֖ר
(tomar)
zegt
יֹשֶׁ֣בֶת
(yoshevet)
de inwoonster van
צִיּ֑וֹן
(tsiyon)
Sion
וְדָמִי֙
(vedami)
en mijn bloed
אֶל
(el)
over
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
bewoners van
כַשְׂדִּ֔ים
(kasdim)
Chaldea
תֹּאמַ֖ר
(tomar)
zegt
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

שְׁאֵרִי (she’eri), ‘mijn vlees’: het woord שְׁאֵר (she’er) betekent ‘vlees’ of ‘bloedverwant’.

Het is een ander woord dan שְׁאָר (she’ar), ‘de overgeblevenen’.

יֹשֶׁבֶת צִיּוֹן (yoshevet Tsiyyon), ‘de inwoonster van Sion’: Sion als een vrouw, zoals in ‘Dochter Sion’.

Yahweh voert de zaak van Sion

36Daarom, zo zegt Yahweh: „Zie, Ik voer jouw rechtszaak en neem wraak voor jou. Ik leg haar zee droog en laat haar bron opdrogen.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִי
(hinni)
zie Ik
רָב֙
(rav)
die voert
אֶת
(et)
(obj.)
רִיבֵ֔ךְ
(rivekh)
jouw rechtszaak
וְנִקַּמְתִּ֖י
(veniqamti)
en Ik zal wraak nemen
אֶת
(et)
(obj.)
נִקְמָתֵ֑ךְ
(niqmatekh)
voor jouw wraak
וְהַחֲרַבְתִּי֙
(vehacharavti)
en Ik zal droogleggen
אֶת
(et)
(obj.)
יַמָּ֔הּ
(yamah)
haar zee
וְהֹבַשְׁתִּ֖י
(vehovashti)
en Ik zal laten opdrogen
אֶת
(et)
(obj.)
מְקוֹרָֽהּ
(meqorah)
haar bron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יַמָּהּ (yammah), ‘haar zee’, en מְקוֹרָהּ (meqorah), ‘haar bron’: waarschijnlijk de wateren van Babel, zoals de Eufraat en de kanalen.

Vergelijk vers 42, waar de zee over Babel opkomt.

37Babel wordt tot steenhopen, een woonplaats van jakhalzen, een verwoesting en een gesis, zonder bewoner.
וְהָיְתָה֩
(vehayeta)
en zal worden
בָבֶ֨ל
(bavel)
Babel
לְגַלִּ֧ים
(legalim)
tot steenhopen
מְעוֹן
(meon)
woonplaats van
תַּנִּ֛ים
(tanim)
jakhalzen
שַׁמָּ֥ה
(shama)
tot verwoesting
וּשְׁרֵקָ֖ה
(ushereqa)
en tot gesis
מֵאֵ֥ין
(meein)
zonder
יוֹשֵֽׁב
(yoshev)
bewoner
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

גַּלִּים (gallim), ‘steenhopen’: hopen puin.

תַּנִּים (tannim), ‘jakhalzen’: zoals in Jes. 34:13.

שְׁרֵקָה (sheriqah), ‘gesis’: het fluiten of sissen van verbazing en spot.

38Samen brullen zij als jonge leeuwen. Zij grommen als welpen van leeuwen.
יַחְדָּ֖ו
(yachdav)
samen
כַּכְּפִרִ֣ים
(kakefirim)
als jonge leeuwen
יִשְׁאָ֑גוּ
(yishagu)
brullen zij
נָעֲר֖וּ
(naaru)
zij grommen
כְּגוֹרֵ֥י
(kegorei)
als welpen van
אֲרָיֽוֹת
(arayot)
leeuwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Terwijl zij verhit zijn, zet Ik hun drinkgelag klaar. Ik maak hen dronken, opdat zij uitgelaten worden en een slaap voor eeuwig slapen en niet meer wakker worden, godsspraak van Yahweh.
בְּחֻמָּ֞ם
(bechumam)
terwijl zij verhit zijn
אָשִׁ֣ית
(ashit)
zal Ik zetten
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁתֵּיהֶ֗ם
(mishteihem)
hun drinkgelagen
וְהִשְׁכַּרְתִּים֙
(vehishkartim)
en Ik zal hen dronken maken
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
יַעֲלֹ֔זוּ
(yaalozu)
zij uitgelaten worden
וְיָשְׁנ֥וּ
(veyashenu)
en zij slapen
שְׁנַת
(shenat)
slaap van
עוֹלָ֖ם
(olam)
voor eeuwig
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָקִ֑יצוּ
(yaqitsu)
worden zij wakker
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּחֻמָּם (bechummam), ‘terwijl zij verhit zijn’: het kan ook ‘in hun hitte’ betekenen, de hitte van de drank of van de strijd.

מִשְׁתֵּיהֶם (mishteihem), ‘hun drinkgelagen’: hun maaltijden met drank.

40Ik laat hen afdalen als lammeren om geslacht te worden, als rammen samen met bokken.”
אֽוֹרִידֵ֖ם
(oridem)
Ik laat hen afdalen
כְּכָרִ֣ים
(kekharim)
als lammeren
לִטְב֑וֹחַ
(litvoach)
om te slachten
כְּאֵילִ֖ים
(keeilim)
als rammen
עִם
(im)
met
עַתּוּדִֽים
(atudim)
bokken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Hoe is Sjesjak ingenomen en de lof van heel de aarde gegrepen! Hoe is Babel een verwoesting geworden onder de volken!
אֵ֚יךְ
(eikh)
hoe
נִלְכְּדָ֣ה
(nilkeda)
is ingenomen
שֵׁשַׁ֔ךְ
(sheshakh)
Sjesjak
וַתִּתָּפֵ֖שׂ
(vatitafes)
en is gegrepen
תְּהִלַּ֣ת
(tehilat)
lof van
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
אֵ֣יךְ
(eikh)
hoe
הָיְתָ֧ה
(hayeta)
is geworden
לְשַׁמָּ֛ה
(leshama)
tot verwoesting
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
בַּגּוֹיִֽם
(bagoyim)
onder de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

שֵׁשַׁךְ (Sheshakh), ‘Sjesjak’: een verhulde naam voor Babel.

Ook hier is het alfabet omgekeerd (atbasj), zoals bij ‘Leb-Kamai’ in vers 1: בבל (Babel) wordt ששך.

De naam staat ook in Jer. 25:26.

42De zee is over Babel opgekomen. Zij is bedekt door het gedruis van haar golven.
עָלָ֥ה
(ala)
is opgekomen
עַל
(al)
over
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
הַיָּ֑ם
(hayam)
de zee
בַּהֲמ֥וֹן
(bahamon)
door het gedruis van
גַּלָּ֖יו
(galav)
zijn golven
נִכְסָֽתָה
(nikhsata)
is zij bedekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

‘De zee’ is hier een beeld: een vloed van golven die over Babel komt.

De tekst zegt niet of het de vijand is of een overstroming.

43Haar steden zijn een verwoesting geworden, een dor land en een steppe, een land waar niemand woont en waar geen mensenkind doorheen trekt.
הָי֤וּ
(hayu)
zijn geworden
עָרֶ֨יהָ֙
(areiha)
haar steden
לְשַׁמָּ֔ה
(leshama)
tot verwoesting
אֶ֖רֶץ
(erets)
land van
צִיָּ֣ה
(tsiya)
dorheid
וַעֲרָבָ֑ה
(vaarava)
en steppe
אֶ֗רֶץ
(erets)
land
לֹֽא
(lo)
niet
יֵשֵׁ֤ב
(yeshev)
woont
בָּהֵן֙
(bahen)
in hen
כָּל
(kal)
enig
אִ֔ישׁ
(ish)
man
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַעֲבֹ֥ר
(yaavor)
trekt
בָּהֵ֖ן
(bahen)
door hen
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָֽם
(adam)
een mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּן אָדָם (ben adam), ‘mensenkind’: letterlijk ‘zoon van een mens’.

Hier betekent het ‘een mens’: niemand.

44„Ik zal Bel in Babel straffen en uit zijn mond halen wat hij heeft ingeslikt. Volken zullen niet meer naar hem toe stromen. Ook de muur van Babel is gevallen.
וּפָקַדְתִּ֨י
(ufaqadti)
en Ik zal straffen
עַל
(al)
over
בֵּ֜ל
(bel)
Bel
בְּבָבֶ֗ל
(bevavel)
in Babel
וְהֹצֵאתִ֤י
(vehotseti)
en Ik zal doen uitgaan
אֶת
(et)
(obj.)
בִּלְעוֹ֙
(bilo)
wat hij heeft ingeslikt
מִפִּ֔יו
(mipiv)
uit zijn mond
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִנְהֲר֥וּ
(yinharu)
zullen stromen
אֵלָ֛יו
(elav)
naar hem
ע֖וֹד
(od)
meer
גּוֹיִ֑ם
(goyim)
volken
גַּם
(gam)
ook
חוֹמַ֥ת
(chomat)
muur van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
נָפָֽלָה
(nafala)
is gevallen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

בֵּל (Bel), ‘Bel’: de naam van de Babylonische hoofdgod (Marduk).

Zie Jes. 46:1.

בִּלְעוֹ (bil’o), ‘wat hij heeft ingeslikt’: wat Bel verslonden had. De tekst noemt niet wat; het kan de buit zijn.

יִנְהֲרוּ (yinharu), ‘zullen stromen’: zoals in Jes. 2:2.

Ga uit haar midden, Mijn volk

45Ga uit haar midden, Mijn volk, en red ieder zijn leven voor de brandende toorn van Yahweh.
צְא֤וּ
(tseu)
ga uit
מִתּוֹכָהּ֙
(mitokhah)
uit haar midden
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
וּמַלְּט֖וּ
(umaletu)
en red
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשׁ֑וֹ
(nafsho)
zijn leven
מֵחֲר֖וֹן
(mecharon)
voor de gloed van
אַף
(af)
toorn van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de oproep aan Yahweh’s volk om Babel te verlaten, zoals in vers 6.

Zie ook Jes. 48:20 en 52:11.

46Laat jullie hart niet bezwijken en wees niet bang voor het gerucht dat in het land gehoord wordt. In het ene jaar komt het gerucht en daarna, in het andere jaar, weer een gerucht. Er is geweld in het land: heerser tegen heerser.
וּפֶן
(ufen)
en opdat niet
יֵרַ֤ךְ
(yerakh)
bezwijkt
לְבַבְכֶם֙
(levavkhem)
jullie hart
וְתִֽירְא֔וּ
(vetireu)
en jullie bang worden
בַּשְּׁמוּעָ֖ה
(bashemua)
voor het gerucht
הַנִּשְׁמַ֣עַת
(hanishmaat)
dat gehoord wordt
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
in het land
וּבָ֧א
(uva)
en zal komen
בַשָּׁנָ֣ה
(bashana)
in het jaar
הַשְּׁמוּעָ֗ה
(hashemua)
het gerucht
וְאַחֲרָ֤יו
(veacharav)
en daarna
בַּשָּׁנָה֙
(bashana)
in het jaar
הַשְּׁמוּעָ֔ה
(hashemua)
het gerucht
וְחָמָ֣ס
(vechamas)
en geweld
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
וּמֹשֵׁ֖ל
(umoshel)
en heerser
עַל
(al)
tegen
מֹשֵֽׁל
(moshel)
heerser
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּמֹשֵׁל עַל מֹשֵׁל (umoshel al moshel), ‘heerser tegen heerser’: heersers strijden tegen elkaar.

Het gerucht komt jaar na jaar.

47Daarom, zie, er komen dagen dat Ik de gesneden beelden van Babel zal straffen. Heel haar land zal beschaamd worden en al haar gesneuvelden zullen in haar midden vallen.
לָכֵן֙
(lakhen)
daarom
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
יָמִ֣ים
(yamim)
dagen
בָּאִ֔ים
(baim)
komen
וּפָקַדְתִּי֙
(ufaqadti)
en Ik zal straffen
עַל
(al)
over
פְּסִילֵ֣י
(pesilei)
gesneden beelden van
בָבֶ֔ל
(bavel)
Babel
וְכָל
(vekhal)
en heel
אַרְצָ֖הּ
(artsah)
haar land
תֵּב֑וֹשׁ
(tevosh)
zal beschaamd worden
וְכָל
(vekhal)
en al
חֲלָלֶ֖יהָ
(chalaleiha)
haar gesneuvelden
יִפְּל֥וּ
(yipelu)
zullen vallen
בְתוֹכָֽהּ
(betokhah)
in haar midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

פְּסִילֵי (pesilei), ‘gesneden beelden’: beelden van hout of steen.

Het werkwoord פָּקַד (paqad), ‘straffen’, is hetzelfde als in vers 44.

48Hemel en aarde en alles wat daarin is, zullen over Babel juichen. Want uit het noorden komen de verwoesters tegen haar, godsspraak van Yahweh.”
וְרִנְּנ֤וּ
(verinenu)
en zullen juichen
עַל
(al)
over
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
שָׁמַ֣יִם
(shamayim)
hemel
וָאָ֔רֶץ
(vaarets)
en aarde
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
בָּהֶ֑ם
(bahem)
in hen
כִּ֧י
(ki)
want
מִצָּפ֛וֹן
(mitsafon)
uit het noorden
יָבוֹא
(yavo)
zullen komen
לָ֥הּ
(lah)
tegen haar
הַשּׁוֹדְדִ֖ים
(hashodedim)
de verwoesters
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

מִצָּפוֹן (mitsafon), ‘uit het noorden’: de vijand komt uit het noorden of noordoosten; vergelijk vers 27–28, waar de koningen van de Meden worden opgeroepen.

49Ook Babel moet vallen vanwege de gesneuvelden van Israël. Ook door Babel zijn de gesneuvelden van heel de aarde gevallen.
גַּם
(gam)
ook
בָּבֶ֕ל
(bavel)
Babel
לִנְפֹּ֖ל
(linpol)
moet vallen
חַֽלְלֵ֣י
(challei)
gesneuvelden van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
גַּם
(gam)
ook
לְבָבֶ֥ל
(levavel)
door Babel
נָפְל֖וּ
(nafelu)
zijn gevallen
חַֽלְלֵ֥י
(challei)
gesneuvelden van
כָל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Het vers kan op twee manieren worden gelezen: ‘Ook Babel moet vallen vanwege de gesneuvelden van Israël’, of ‘Ook Babel moet vallen, gesneuvelden van Israël’ (als aanspreking).

De tweede helft is ook moeilijk.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

50Jullie die aan het zwaard ontkomen zijn, ga! Blijf niet staan! Gedenk Yahweh van ver weg en laat Jeruzalem opkomen in jullie hart.
פְּלֵטִ֣ים
(peletim)
ontkomenen
מֵחֶ֔רֶב
(mecherev)
aan het zwaard
הִלְכ֖וּ
(hilkhu)
gaat
אַֽל
(al)
niet
תַּעֲמֹ֑דוּ
(taamodu)
blijf staan
זִכְר֤וּ
(zikhru)
gedenk
מֵֽרָחוֹק֙
(merachoq)
van ver weg
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וִירֽוּשָׁלִַ֖ם
(virushaliam)
en Jeruzalem
תַּעֲלֶ֥ה
(taale)
laat opkomen
עַל
(al)
in
לְבַבְכֶֽם
(levavkhem)
jullie hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

51Wij zijn beschaamd, want wij hebben smaad gehoord. Schande bedekt ons gezicht, want vreemden zijn gekomen over de heiligdommen van het huis van Yahweh.
בֹּ֚שְׁנוּ
(boshenu)
wij zijn beschaamd
כִּֽי
(ki)
want
שָׁמַ֣עְנוּ
(shamanu)
wij hebben gehoord
חֶרְפָּ֔ה
(cherpa)
smaad
כִּסְּתָ֥ה
(kiseta)
bedekt
כְלִמָּ֖ה
(kelima)
schande
פָּנֵ֑ינוּ
(paneinu)
ons gezicht
כִּ֚י
(ki)
want
בָּ֣אוּ
(bau)
zijn gekomen
זָרִ֔ים
(zarim)
vreemden
עַֽל
(al)
over
מִקְדְּשֵׁ֖י
(miqdeshei)
heiligdommen van
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִקְדְּשֵׁי (miqdeshei), ‘heiligdommen van’: een meervoud, de heilige plaatsen van het huis van Yahweh.

52„Daarom, zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat Ik haar gesneden beelden zal straffen. In heel haar land zal een gewonde kreunen.
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
הִנֵּֽה
(hine)
zie
יָמִ֤ים
(yamim)
dagen
בָּאִים֙
(baim)
komen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּפָקַדְתִּ֖י
(ufaqadti)
en Ik zal straffen
עַל
(al)
over
פְּסִילֶ֑יהָ
(pesileiha)
haar gesneden beelden
וּבְכָל
(uvekhal)
en in heel
אַרְצָ֖הּ
(artsah)
haar land
יֶאֱנֹ֥ק
(yeenoq)
zal kreunen
חָלָֽל
(chalal)
een gewonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
53Al zou Babel de hemel beklimmen en de hoogte van haar sterkte versterken: van Mij uit zullen verwoesters tegen haar komen, godsspraak van Yahweh.”
כִּֽי
(ki)
al
תַעֲלֶ֤ה
(taale)
zou opklimmen
בָבֶל֙
(bavel)
Babel
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
naar de hemel
וְכִ֥י
(vekhi)
en al
תְבַצֵּ֖ר
(tevatser)
zou zij versterken
מְר֣וֹם
(merom)
de hoogte van
עֻזָּ֑הּ
(uzah)
haar sterkte
מֵאִתִּ֗י
(meiti)
van Mij
יָבֹ֧אוּ
(yavou)
zullen komen
שֹׁדְדִ֛ים
(shodedim)
verwoesters
לָ֖הּ
(lah)
tegen haar
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

מְרוֹם עֻזָּהּ (merom uzzah), ‘de hoogte van haar sterkte’: een hoge, onneembare vesting.

Tegen wat van Yahweh komt, helpt geen muur.

Een noodkreet uit Babel

54Het geluid van een noodkreet klinkt uit Babel, en van een grote verwoesting uit het land van de Chaldeeën.
ק֥וֹל
(qol)
geluid van
זְעָקָ֖ה
(zeaqa)
een noodkreet
מִבָּבֶ֑ל
(mibavel)
uit Babel
וְשֶׁ֥בֶר
(veshever)
en breuk
גָּד֖וֹל
(gadol)
grote
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
כַּשְׂדִּֽים
(kasdim)
de Chaldeeën
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.

55Want Yahweh verwoest Babel en doet de grote stem uit haar verdwijnen. Hun golven bruisen als vele wateren; het gedruis van hun stem klinkt.
כִּֽי
(ki)
want
שֹׁדֵ֤ד
(shoded)
verwoest
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
וְאִבַּ֥ד
(veibad)
en Hij doet verdwijnen
מִמֶּ֖נָּה
(mimena)
uit haar
ק֣וֹל
(qol)
stem
גָּד֑וֹל
(gadol)
grote
וְהָמ֤וּ
(vehamu)
en zij bruisen
גַלֵּיהֶם֙
(galeihem)
hun golven
כְּמַ֣יִם
(kemayim)
als wateren
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
נִתַּ֥ן
(nitan)
is gegeven
שְׁא֖וֹן
(sheon)
gedruis van
קוֹלָֽם
(qolam)
hun stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

גַלֵּיהֶם (galleihem), ‘hun golven’: de golven van de aanvallers, die als water bruisen.

56Want een verwoester is over haar gekomen, over Babel. Haar helden zijn gevangen en hun bogen zijn gebroken. Want Yahweh is een El van vergeldingen; Hij betaalt ten volle terug.
כִּי֩
(ki)
want
בָ֨א
(ba)
is gekomen
עָלֶ֤יהָ
(aleiha)
over haar
עַל
(al)
over
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
שׁוֹדֵ֔ד
(shoded)
een verwoester
וְנִלְכְּדוּ֙
(venilkedu)
en zijn gevangen
גִּבּוֹרֶ֔יהָ
(giboreiha)
haar helden
חִתְּתָ֖ה
(chiteta)
zijn gebroken
קַשְּׁתוֹתָ֑ם
(qashetotam)
hun bogen
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֧ל
(el)
El van
גְּמֻל֛וֹת
(gemulot)
vergeldingen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
שַׁלֵּ֥ם
(shalem)
ten volle
יְשַׁלֵּֽם
(yeshalem)
betaalt Hij terug
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

אֵל גְּמֻלוֹת (El gemulot), ‘een El van vergeldingen’: een naam voor Yahweh die vergeldt wat verdiend is; zie ook Jes. 59:18.

57„Ik maak haar oversten en haar wijzen dronken, haar stadhouders, haar bestuurders en haar helden. Zij zullen een slaap voor eeuwig slapen en niet meer wakker worden, godsspraak van de Koning.” Yahweh van de legermachten is Zijn naam.
וְ֠הִשְׁכַּרְתִּי
(vehishkarti)
en Ik zal dronken maken
שָׂרֶ֨יהָ
(sareiha)
haar oversten
וַחֲכָמֶ֜יהָ
(vachakhameiha)
en haar wijzen
פַּחוֹתֶ֤יהָ
(pachoteiha)
haar stadhouders
וּסְגָנֶ֨יהָ֙
(useganeiha)
en haar bestuurders
וְגִבּוֹרֶ֔יהָ
(vegiboreiha)
en haar helden
וְיָשְׁנ֥וּ
(veyashenu)
en zij zullen slapen
שְׁנַת
(shenat)
slaap van
עוֹלָ֖ם
(olam)
voor eeuwig
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָקִ֑יצוּ
(yaqitsu)
worden zij wakker
נְאֻ֨ם
(neum)
godsspraak van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de Koning
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
שְׁמֽוֹ
(shemo)
is Zijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם הַמֶּלֶךְ (ne’um hammelekh), ‘godsspraak van de Koning’: de Koning is hier Yahweh.

De woorden ‘Yahweh van de legermachten is Zijn naam’ vormen de lofformule, zoals in vers 19.

58Zo zegt Yahweh van de legermachten: „De brede muren van Babel worden helemaal gesloopt, en haar hoge poorten worden met vuur in brand gestoken. Volken sloven zich af voor niets, natiën voor het vuur, en zij raken uitgeput.”
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֗וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
חֹ֠מוֹת
(chomot)
muren van
בָּבֶ֤ל
(bavel)
Babel
הָֽרְחָבָה֙
(harechava)
de brede
עַרְעֵ֣ר
(arer)
geheel
תִּתְעַרְעָ֔ר
(titarar)
worden afgebroken
וּשְׁעָרֶ֥יהָ
(usheareiha)
en haar poorten
הַגְּבֹהִ֖ים
(hagevohim)
de hoge
בָּאֵ֣שׁ
(baesh)
met vuur
יִצַּ֑תּוּ
(yitsatu)
worden in brand gestoken
וְיִֽגְע֨וּ
(veyigu)
en zij sloven zich af
עַמִּ֧ים
(amim)
volken
בְּדֵי
(bedei)
voor
רִ֛יק
(riq)
niets
וּלְאֻמִּ֥ים
(uleumim)
en natiën
בְּדֵי
(bedei)
voor
אֵ֖שׁ
(esh)
vuur
וְיָעֵֽפוּ
(veyaefu)
en zij raken uitgeput
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

עַרְעֵר תִּתְעַרְעָר (ar’er tit’ar’ar), ‘geheel worden afgebroken’: het werkwoord is verdubbeld en betekent ‘helemaal met de grond gelijk gemaakt worden’.

De woorden over volken die zich afsloven voor niets staan, met een andere volgorde, ook in Hab. 2:13.

De boekrol voor Babel

59Dit is het woord dat de profeet Jeremia opdroeg aan Seraja, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja. Seraja ging met Zedekia, de koning van Juda, naar Babel, in het vierde jaar van zijn regering. Seraja was overste van de rustplaats.
הַדָּבָ֞ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
צִוָּ֣ה
(tsiva)
opdroeg
יִרְמְיָ֣הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִ֗יא
(hanavi)
de profeet
אֶת
(et)
(obj.)
שְׂרָיָ֣ה
(seraya)
Seraja
בֶן
(ben)
zoon van
נֵרִיָּה֮
(neriya)
Nerija
בֶּן
(ben)
zoon van
מַחְסֵיָה֒
(machseya)
Machseja
בְּלֶכְתּ֞וֹ
(belekhto)
toen hij ging
אֶת
(et)
met
צִדְקִיָּ֤הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
בָּבֶ֔ל
(bavel)
naar Babel
בִּשְׁנַ֥ת
(bishnat)
in het jaar
הָרְבִעִ֖ית
(hareviit)
het vierde
לְמָלְכ֑וֹ
(lemalekho)
van zijn regering
וּשְׂרָיָ֖ה
(useraya)
en Seraja
שַׂ֥ר
(sar)
overste van
מְנוּחָֽה
(menucha)
de rustplaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Baruch is ook ‘de zoon van Nerija, de zoon van Machseja’ (Jer. 32:12).

Seraja was dus waarschijnlijk zijn broer.

שַׂר מְנוּחָה (sar menuchah), ‘overste van de rustplaats’: de betekenis is onzeker. Sommigen vertalen ‘kwartiermeester’, iemand die de rustplaatsen onderweg regelt; anderen ‘rustige vorst’.

בְּלֶכְתּוֹ אֶת (belekhto et), ‘toen hij ging met’: Seraja reisde met Zedekia naar Babel. De tekst zegt niet waarom.

60Jeremia schreef in één boekrol al het onheil op dat over Babel zou komen, al deze woorden die tegen Babel geschreven zijn.
וַיִּכְתֹּ֣ב
(vayikhtov)
en schreef
יִרְמְיָ֗הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אֵ֧ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָרָעָ֛ה
(haraa)
het onheil
אֲשֶׁר
(asher)
dat
תָּב֥וֹא
(tavo)
zou komen
אֶל
(el)
over
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
אֶל
(el)
in
סֵ֣פֶר
(sefer)
een boekrol
אֶחָ֑ד
(echad)
één
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
הַכְּתֻבִ֖ים
(haketuvim)
die geschreven zijn
אֶל
(el)
tegen
בָּבֶֽל
(bavel)
Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

סֵפֶר (sefer), ‘boekrol’: een rol waarop geschreven werd.

61Jeremia zei tegen Seraja: „Wanneer je in Babel komt, zie dan toe dat je al deze woorden voorleest.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אֶל
(el)
tegen
שְׂרָיָ֑ה
(seraya)
Seraja
כְּבֹאֲךָ֣
(kevoakha)
wanneer je komt
בָבֶ֔ל
(bavel)
in Babel
וְֽרָאִ֔יתָ
(veraita)
dan zul je zien
וְֽקָרָ֔אתָ
(veqarata)
en lees voor
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

62Zeg dan: ‘Yahweh, U hebt over deze plaats gesproken dat U haar zult uitroeien, zodat er niemand meer in woont, van mens tot dier. Want zij zal voor eeuwig een woestenij zijn.’
וְאָמַרְתָּ֗
(veamarta)
en zeg
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אַתָּ֨ה
(ata)
U
דִבַּ֜רְתָּ
(dibarta)
hebt gesproken
אֶל
(el)
over
הַמָּק֤וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּה֙
(haze)
deze
לְהַכְרִית֔וֹ
(lehakhrito)
om haar uit te roeien
לְבִלְתִּ֤י
(levilti)
zodat niet
הֱיֽוֹת
(heyot)
is
בּוֹ֙
(bo)
in haar
יוֹשֵׁ֔ב
(yoshev)
een bewoner
לְמֵאָדָ֖ם
(lemeadam)
van mens
וְעַד
(vead)
en tot
בְּהֵמָ֑ה
(behema)
dier
כִּֽי
(ki)
want
שִׁמְמ֥וֹת
(shimmot)
woestenijen
עוֹלָ֖ם
(olam)
voor eeuwig
תִּֽהְיֶֽה
(tihye)
zij zal zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
63Wanneer je klaar bent met het voorlezen van deze boekrol, bind er dan een steen aan en werp haar midden in de Eufraat.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
כְּכַלֹּ֣תְךָ֔
(kekhalotekha)
wanneer je klaar bent
לִקְרֹ֖א
(liqro)
met voorlezen
אֶת
(et)
(obj.)
הַסֵּ֣פֶר
(hasefer)
de boekrol
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
תִּקְשֹׁ֤ר
(tiqshor)
bind
עָלָיו֙
(alav)
eraan
אֶ֔בֶן
(even)
een steen
וְהִשְׁלַכְתּ֖וֹ
(vehishlakhto)
en werp haar
אֶל
(el)
in
תּ֥וֹךְ
(tokh)
het midden van
פְּרָֽת
(perat)
de Eufraat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.

Uitleg

פְּרָת (Perat), ‘Eufraat’: de rivier die door Babel stroomt.

Een steen laat de boekrol zinken, een beeld van het zinken van Babel (vers 64).

64Zeg dan: ‘Zo zal Babel zinken en niet meer opstaan vanwege het onheil dat Ik over haar breng. Zij zullen uitgeput raken.’” Tot hier gaan de woorden van Jeremia.
וְאָמַרְתָּ֗
(veamarta)
en zeg
כָּ֠כָה
(kakha)
zo
תִּשְׁקַ֨ע
(tishqa)
zal zinken
בָּבֶ֤ל
(bavel)
Babel
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תָקוּם֙
(taqum)
zal opstaan
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
vanwege
הָרָעָ֗ה
(haraa)
het onheil
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
dat
אָנֹכִ֛י
(anokhi)
Ik
מֵבִ֥יא
(mevi)
breng
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
over haar
וְיָעֵ֑פוּ
(veyaefu)
en zij zullen uitgeput raken
עַד
(ad)
tot
הֵ֖נָּה
(hena)
hier
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
יִרְמְיָֽהוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

De woorden ‘Zij zullen uitgeput raken’ (וְיָעֵפוּ, veyaefu) staan ook aan het slot van vers 58.

De woorden ‘het onheil dat Ik over haar breng’ zijn woorden van Yahweh binnen de opdracht van Jeremia aan Seraja; Seraja moet ze uitspreken.

‘Tot hier gaan de woorden van Jeremia’ sluit de profetieën af. Hoofdstuk 52 is een aanhangsel dat, op enkele verzen na, ook in 2 Kon. 24:18–25:30 staat.