Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Abraham zendt zijn dienaar
1Abraham was oud geworden, hoogbejaard. Yahweh had Abraham in alles gezegend.
וְאַבְרָהָ֣ם
(veavraham)
en Abraham
זָקֵ֔ן
(zaqen)
oud
בָּ֖א
(ba)
gekomen
בַּיָּמִ֑ים
(bayamim)
in dagen
וַֽיהוָ֛ה
(vaYahweh)
en Yahweh
בֵּרַ֥ךְ
(berakh)
Hij zegende
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
בַּכֹּֽל
(bakol)
in alles
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בא בימים (ba bayamim), ‘gekomen in dagen’: een vaste uitdrukking voor hoge leeftijd (zie 18:11).
Abraham was nu ongeveer 140 jaar: hij was 100 bij Isaaks geboorte (zie 21:5) en Isaak was 40 bij zijn huwelijk (zie 25:20).
3Dan laat ik je zweren bij Yahweh, de Elohim van de hemel en de Elohim van de aarde: je zult voor mijn zoon geen vrouw nemen uit de dochters van de Kanaänieten, te midden van wie ik woon,
וְאַשְׁבִּ֣יעֲךָ֔
(veashbiakha)
en laat mij je zweren
בַּֽיהוָה֙
(baYahweh)
bij Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וֵֽאלֹהֵ֖י
(velohei)
en Elohim van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
תִקַּ֤ח
(tiqach)
je zult nemen
אִשָּׁה֙
(isha)
een vrouw
לִבְנִ֔י
(livni)
voor mijn zoon
מִבְּנוֹת֙
(mibenot)
van de dochters van
הַֽכְּנַעֲנִ֔י
(hakenaani)
de Kanaänieten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
bij wie
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
יוֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
woon
בְּקִרְבּֽוֹ
(beqirbo)
in hun midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ביהוה אלהי השׁמים ואלהי הארץ (beYHWH Elohei hashamayim ve’Elohei ha’arets), ‘bij Yahweh, de Elohim van de hemel en de Elohim van de aarde’: Abraham laat zweren bij de Elohim die over alles heerst, ook over het land van de Kanaänieten (zie 10:15–19).
4maar je zult naar mijn land en naar mijn geboorteland gaan en daar een vrouw nemen voor mijn zoon Isaak.”
כִּ֧י
(ki)
maar
אֶל
(el)
naar
אַרְצִ֛י
(artsi)
mijn land
וְאֶל
(veel)
en naar
מוֹלַדְתִּ֖י
(moladti)
mijn geboorteland
תֵּלֵ֑ךְ
(telekh)
je zult gaan
וְלָקַחְתָּ֥
(velaqachta)
en je zult nemen
אִשָּׁ֖ה
(isha)
een vrouw
לִבְנִ֥י
(livni)
voor mijn zoon
לְיִצְחָֽק
(leyitschaq)
voor Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ארצי ואל מולדתי (el artsi ve’el moladeti), ‘naar mijn land en naar mijn geboorteland’: het land van Abrahams familie, Aram-Naharaim (zie vers 10; 11:31; 12:1).
5De dienaar zei tegen hem: „Misschien wil de vrouw mij niet volgen naar dit land. Moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land waaruit u bent weggegaan?”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
הָעֶ֔בֶד
(haeved)
de dienaar
אוּלַי֙
(ulay)
misschien
לֹא
(lo)
niet
תֹאבֶ֣ה
(tove)
wil
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
לָלֶ֥כֶת
(lalekhet)
om te gaan
אַחֲרַ֖י
(acharay)
achter mij
אֶל
(el)
naar
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
הֶֽהָשֵׁ֤ב
(hehashev)
terugbrengen
אָשִׁיב֙
(ashiv)
zal ik terugbrengen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בִּנְךָ֔
(binkha)
uw zoon
אֶל
(el)
naar
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
waaruit
יָצָ֥אתָ
(yatsata)
u bent uitgegaan
מִשָּֽׁם
(misham)
vandaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Yahweh, de Elohim van de hemel, heeft mij uit het huis van mijn vader en uit het land waar ik geboren ben weggehaald. Hij heeft tot mij gesproken en mij gezworen: ‘Aan jouw nageslacht zal Ik dit land geven.’ Hij zal Zijn engel voor je uit sturen, en je zult daar een vrouw nemen voor mijn zoon.
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
הַשָּׁמַ֗יִם
(hashamayim)
de hemel
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
לְקָחַ֜נִי
(leqachani)
Hij nam mij
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
אָבִי֮
(avi)
mijn vader
וּמֵאֶ֣רֶץ
(umeerets)
en uit het land van
מֽוֹלַדְתִּי֒
(moladti)
mijn geboorte
וַאֲשֶׁ֨ר
(vaasher)
en die
דִּבֶּר
(diber)
Hij sprak
לִ֜י
(li)
tot mij
וַאֲשֶׁ֤ר
(vaasher)
en die
נִֽשְׁבַּֽע
(nishba)
Hij zwoer
לִי֙
(li)
aan mij
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
לְזַ֨רְעֲךָ֔
(lezarakha)
aan je nageslacht
אֶתֵּ֖ן
(eten)
zal ik geven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
ה֗וּא
(hu)
Hij
יִשְׁלַ֤ח
(yishlach)
zal sturen
מַלְאָכוֹ֙
(malakho)
Zijn engel
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor je uit
וְלָקַחְתָּ֥
(velaqachta)
en je zult nemen
אִשָּׁ֛ה
(isha)
een vrouw
לִבְנִ֖י
(livni)
voor mijn zoon
מִשָּֽׁם
(misham)
vandaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מלאכו (mal’akho), ‘zijn engel’: Yahweh zendt Zijn boodschapper voor de dienaar uit (zie vers 40; 16:7).
Abraham haalt Yahwehs belofte aan uit 12:7 (zie ook 15:18).
8Als de vrouw je niet wil volgen, dan ben je vrij van deze eed aan mij. Alleen mijn zoon mag je niet daarheen terugbrengen.”
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֨א
(lo)
niet
תֹאבֶ֤ה
(tove)
wil
הָֽאִשָּׁה֙
(haisha)
de vrouw
לָלֶ֣כֶת
(lalekhet)
om te gaan
אַחֲרֶ֔יךָ
(achareikha)
achter je
וְנִקִּ֕יתָ
(veniqita)
dan ben je vrij
מִשְּׁבֻעָתִ֖י
(mishevuati)
van mijn eed
זֹ֑את
(zot)
deze
רַ֣ק
(raq)
alleen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּנִ֔י
(beni)
mijn zoon
לֹ֥א
(lo)
niet
תָשֵׁ֖ב
(tashev)
zul je terugbrengen
שָֽׁמָּה
(shama)
daarheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ונקית משׁבעתי זאת (venikita mishvu’ati zot), ‘dan ben je vrij van deze eed’: Abraham maakt één uitzondering: Isaak mag niet terug naar het land van de familie (zie vers 6), want het beloofde land is voor Isaak en zijn nageslacht (zie 12:1; 26:2–3).
10De dienaar nam tien kamelen van de kamelen van zijn heer en vertrok, met allerlei kostbaarheden van zijn heer in zijn hand. Hij stond op en ging naar Aram-Naharaim, naar de stad van Nachor.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en hij nam
הָ֠עֶבֶד
(haeved)
de dienaar
עֲשָׂרָ֨ה
(asara)
tien
גְמַלִּ֜ים
(gemalim)
kamelen
מִגְּמַלֵּ֤י
(migemalei)
van de kamelen van
אֲדֹנָיו֙
(adonav)
zijn heer
וַיֵּ֔לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
וְכָל
(vekhal)
en alles
ט֥וּב
(tuv)
goeds van
אֲדֹנָ֖יו
(adonav)
zijn heer
בְּיָד֑וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַיָּ֗קָם
(vayaqam)
en hij stond op
וַיֵּ֛לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
אֶל
(el)
naar
אֲרַ֥ם
(aram)
Aram
נַֽהֲרַ֖יִם
(naharayim)
Naharaim
אֶל
(el)
naar
עִ֥יר
(ir)
stad van
נָחֽוֹר
(nachor)
Nachor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
ארם נהרים (Aram Naharayim), ‘Aram-Naharaim’: ‘Aram van de twee rivieren’, het gebied rond de bovenloop van de Eufraat, in het noorden van Mesopotamië (zie Richteren 3:8).
עיר נחור (ir Nachor), ‘de stad van Nachor’: waarschijnlijk Charan (zie 11:31; 27:43), in het zuidoosten van het huidige Turkije, ongeveer 700 km van Hebron.
Aanvullend
Jasher 24:34 zegt dat Eliëzer tien kamelen en tien mannen van Abrahams dienaren meenam, en dat Abraham intussen Isaak liet halen uit het huis van Sem en Eber.
14Laat het zo zijn: het meisje tegen wie ik zeg: ‘Laat toch je kruik zakken, dan drink ik’, en dat zegt: ‘Drink, en ook uw kamelen zal ik te drinken geven’ — laat haar degene zijn die U voor Uw dienaar Isaak bestemd hebt. Hieraan zal ik weten dat U trouw hebt bewezen aan mijn heer.”
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
הַֽנַּעֲרָ֗
(hanaara)
het meisje
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
אֹמַ֤ר
(omar)
ik zal zeggen
אֵלֶ֨יהָ֙
(eleiha)
tot haar
הַטִּי
(hati)
laat zakken
נָ֤א
(na)
toch
כַדֵּךְ֙
(kadekh)
je kruik
וְאֶשְׁתֶּ֔ה
(veeshte)
dat ik drink
וְאָמְרָ֣ה
(veamera)
en ze zal zeggen
שְׁתֵ֔ה
(shete)
drink
וְגַם
(vegam)
en ook
גְּמַלֶּ֖יךָ
(gemaleikha)
uw kamelen
אַשְׁקֶ֑ה
(ashqe)
zal ik laten drinken
אֹתָ֤הּ
(otah)
haar
הֹכַ֨חְתָּ֙
(hokhachta)
U hebt bestemd
לְעַבְדְּךָ֣
(leavdekha)
voor Uw dienaar
לְיִצְחָ֔ק
(leyitschaq)
voor Isaak
וּבָ֣הּ
(uvah)
en daardoor
אֵדַ֔ע
(eda)
zal ik weten
כִּי
(ki)
dat
עָשִׂ֥יתָ
(asita)
U hebt gedaan
חֶ֖סֶד
(chesed)
trouw
עִם
(im)
met
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הנער (hanna’ar), ‘het meisje’: na’ar betekent meestal ‘jongen’, maar staat in dit hoofdstuk ook voor een meisje (zie vers 28; 55; 57).
De dienaar vraagt een teken en laat Yahweh zelf de vrouw aanwijzen.
Een dorstige kameel kan in één keer tientallen liters drinken, dus tien kamelen water geven is veel werk.
15Hij had nog niet uitgesproken, of zie, Rebekka kwam naar buiten. Zij was een dochter van Betuël, de zoon van Milka, de vrouw van Nachor, de broer van Abraham. Haar kruik droeg ze op haar schouder.
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het was
ה֗וּא
(hu)
hij
טֶרֶם֮
(terem)
nog niet
כִּלָּ֣ה
(kila)
hij had geëindigd
לְדַבֵּר֒
(ledaber)
met spreken
וְהִנֵּ֧ה
(vehine)
en zie
רִבְקָ֣ה
(rivqa)
Rebekka
יֹצֵ֗את
(yotset)
komend uit
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יֻלְּדָה֙
(yuleda)
geboren was
לִבְתוּאֵ֣ל
(livtuel)
aan Betuël
בֶּן
(ben)
zoon van
מִלְכָּ֔ה
(milka)
Milka
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
vrouw van
נָח֖וֹר
(nachor)
Nachor
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וְכַדָּ֖הּ
(vekhadah)
en haar kruik
עַל
(al)
op
שִׁכְמָֽהּ
(shikhmah)
haar schouder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רבקה (Rivqah), ‘Rebekka’: de kleindochter van Nachor en Milka (zie 22:20–23), dus een achternicht van Isaak.
22Toen de kamelen genoeg gedronken hadden, nam de man een gouden neusring van een halve sjekel en twee armbanden voor haar armen, van tien sjekel goud.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
toen
כִּלּ֤וּ
(kilu)
ze klaar waren
הַגְּמַלִּים֙
(hagemalim)
de kamelen
לִשְׁתּ֔וֹת
(lishtot)
met drinken
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en hij nam
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
נֶ֣זֶם
(nezem)
ring van
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
בֶּ֖קַע
(beqa)
een halve sjekel
מִשְׁקָל֑וֹ
(mishqalo)
zijn gewicht
וּשְׁנֵ֤י
(ushenei)
en twee
צְמִידִים֙
(tsemidim)
armbanden
עַל
(al)
op
יָדֶ֔יהָ
(yadeiha)
haar handen
עֲשָׂרָ֥ה
(asara)
tien
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
מִשְׁקָלָֽם
(mishqalam)
hun gewicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נזם (nezem), ‘neusring’: een ring voor de neus (zie vers 47) of voor het oor (zie 35:4).
בקע משׁקלו (beqa mishqalo), ‘een beqa is zijn gewicht’: een beqa is een halve sjekel (zie Ex. 38:26), ongeveer 6 gram.
De twee armbanden wegen samen tien sjekel, ongeveer 115 gram (zie 23:15).
27Hij zei: „Gezegend is Yahweh, de Elohim van mijn heer Abraham, die Zijn trouw en Zijn betrouwbaarheid niet van mijn heer heeft laten varen. Yahweh heeft mij op de weg geleid naar het huis van de broers van mijn heer.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
בָּר֤וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
Elohim van
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
אֲ֠שֶׁר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
עָזַ֥ב
(azav)
Hij liet varen
חַסְדּ֛וֹ
(chasdo)
Zijn trouw
וַאֲמִתּ֖וֹ
(vaamito)
en Zijn betrouwbaarheid
מֵעִ֣ם
(meim)
van bij
אֲדֹנִ֑י
(adoni)
mijn heer
אָנֹכִ֗י
(anokhi)
ik
בַּדֶּ֨רֶךְ֙
(baderekh)
op de weg
נָחַ֣נִי
(nachani)
heeft geleid mij
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בֵּ֖ית
(beit)
naar het huis van
אֲחֵ֥י
(achei)
broers van
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חסדו ואמתו (chasdo ve’amito), ‘Zijn trouw en Zijn betrouwbaarheid’: chesed is trouw aan een verbond (zie vers 12).
Emet komt van een woord voor ‘vast en betrouwbaar zijn’ (zie vers 48; 49).
30Hij had de neusring en de armbanden aan de armen van zijn zus gezien. Hij had Rebekka, zijn zus, ook horen zeggen: „Zo heeft de man tot mij gesproken.” Hij ging naar de man. Zie, die stond nog bij de kamelen, bij de bron.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
כִּרְאֹ֣ת
(kirot)
toen hij zag
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַנֶּ֗זֶם
(hanezem)
de ring
וְֽאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַצְּמִדִים֮
(hatsemidim)
de armbanden
עַל
(al)
op
יְדֵ֣י
(yedei)
handen van
אֲחֹתוֹ֒
(achoto)
zijn zus
וּכְשָׁמְע֗וֹ
(ukheshameo)
en toen hij hoorde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דִּבְרֵ֞י
(divrei)
woorden van
רִבְקָ֤ה
(rivqa)
Rebekka
אֲחֹתוֹ֙
(achoto)
zijn zus
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
כֹּֽה
(ko)
zo
דִבֶּ֥ר
(diber)
heeft gesproken
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
הָאִ֑ישׁ
(haish)
de man
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en hij kwam
אֶל
(el)
naar
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
עֹמֵ֥ד
(omed)
staand
עַל
(al)
bij
הַגְּמַלִּ֖ים
(hagemalim)
de kamelen
עַל
(al)
bij
הָעָֽיִן
(haayin)
de bron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Hij zei: „Kom binnen, gezegende van Yahweh. Waarom blijft u buiten staan? Ik heb het huis klaargemaakt, en er is plaats voor de kamelen.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
בּ֖וֹא
(bo)
kom
בְּר֣וּךְ
(berukh)
gezegende van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
תַעֲמֹד֙
(taamod)
sta je
בַּח֔וּץ
(bachuts)
buiten
וְאָנֹכִי֙
(veanokhi)
terwijl ik
פִּנִּ֣יתִי
(piniti)
ik heb vrijgemaakt
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
וּמָק֖וֹם
(umaqom)
en plaats
לַגְּמַלִּֽים
(lagemalim)
voor de kamelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32De man ging het huis in. Laban maakte de kamelen los, gaf stro en voer aan de kamelen en gaf water om zijn voeten te wassen en de voeten van de mannen die bij hem waren.
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en hij kwam
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
הַבַּ֔יְתָה
(habayta)
naar huis
וַיְפַתַּ֖ח
(vayfatach)
en hij maakte los
הַגְּמַלִּ֑ים
(hagemalim)
de kamelen
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en hij gaf
תֶּ֤בֶן
(teven)
stro
וּמִסְפּוֹא֙
(umispo)
en voer
לַגְּמַלִּ֔ים
(lagemalim)
aan de kamelen
וּמַ֨יִם֙
(umayim)
en water
לִרְחֹ֣ץ
(lirchots)
om te wassen
רַגְלָ֔יו
(raglav)
zijn voeten
וְרַגְלֵ֥י
(veraglei)
en voeten van
הָאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ויפתח (vayefatach), ‘en hij maakte los’: letterlijk ‘en hij opende’; de kamelen worden van hun last bevrijd.
33Er werd hem eten voorgezet, maar hij zei: „Ik eet niet, voordat ik mijn boodschap gesproken heb.” Laban zei: „Spreek.”
ויישם
(vyyshm)
en hij zette voor (geschreven)
וַיּוּשַׂ֤ם
(vayusam)
en er werd voorgezet (gelezen)
לְפָנָיו֙
(lefanav)
voor hem
לֶאֱכֹ֔ל
(leekhol)
om te eten
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
אֹכַ֔ל
(okhal)
zal ik eten
עַ֥ד
(ad)
tot
אִם
(im)
dat
דִּבַּ֖רְתִּי
(dibarti)
ik gesproken heb
דְּבָרָ֑י
(devaray)
mijn woorden
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דַּבֵּֽר
(daber)
spreek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ויישם (vayisem) en ויושׂם (vayusam): Lezing: geschreven staat ‘en hij zette voor’, gelezen wordt ‘en er werd voorgezet’, hier gelezen als ‘er werd voorgezet’.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Yahweh heeft mijn heer zeer gezegend, en hij is groot geworden. Hij heeft hem schapen en runderen gegeven, zilver en goud, dienaren en dienaressen, kamelen en ezels.
וַיהוָ֞ה
(vaYahweh)
en Yahweh
בֵּרַ֧ךְ
(berakh)
Hij zegende
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲדֹנִ֛י
(adoni)
mijn heer
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
וַיִּגְדָּ֑ל
(vayigdal)
en hij werd groot
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en Hij gaf
ל֞וֹ
(lo)
aan hem
צֹ֤אן
(tson)
kleinvee
וּבָקָר֙
(uvaqar)
en runderen
וְכֶ֣סֶף
(vekhesef)
en zilver
וְזָהָ֔ב
(vezahav)
en goud
וַעֲבָדִם֙
(vaavadim)
en dienaren
וּשְׁפָחֹ֔ת
(ushefachot)
en dienaressen
וּגְמַלִּ֖ים
(ugemalim)
en kamelen
וַחֲמֹרִֽים
(vachamorim)
en ezels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40Hij zei tegen mij: ‘Yahweh, voor wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn engel met je meesturen en je reis laten slagen. Dan zul je voor mijn zoon een vrouw nemen uit mijn familie en uit het huis van mijn vader.
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר
(asher)
voor wie
הִתְהַלַּ֣כְתִּי
(hithalakhti)
ik heb gewandeld
לְפָנָ֗יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
יִשְׁלַ֨ח
(yishlach)
Hij zal sturen
מַלְאָכ֤וֹ
(malakho)
Zijn engel
אִתָּךְ֙
(itakh)
met je
וְהִצְלִ֣יחַ
(vehitsliach)
en Hij zal laten slagen
דַּרְכֶּ֔ךָ
(darkekha)
je weg
וְלָקַחְתָּ֤
(velaqachta)
en je zult nemen
אִשָּׁה֙
(isha)
een vrouw
לִבְנִ֔י
(livni)
voor mijn zoon
מִמִּשְׁפַּחְתִּ֖י
(mimishpachti)
uit mijn familie
וּמִבֵּ֥ית
(umibeit)
en uit het huis van
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
התהלכתי לפניו (hithalakhti lefanav), ‘voor wiens aangezicht ik gewandeld heb’: leven in Yahwehs nabijheid en gehoorzaamheid (zie 5:22; 6:9; 17:1).
43zie, ik sta bij de waterbron. Laat het zo zijn: het jonge meisje dat naar buiten komt om te putten en tegen wie ik zeg: „Geef mij toch een slokje water uit je kruik”,
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
נִצָּ֖ב
(nitsav)
staand
עַל
(al)
bij
עֵ֣ין
(ein)
bron van
הַמָּ֑יִם
(hamayim)
het water
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het zal zijn
הָֽעַלְמָה֙
(haalma)
het jonge meisje
הַיֹּצֵ֣את
(hayotset)
degene die uitgaat
לִשְׁאֹ֔ב
(lishov)
om te putten
וְאָמַרְתִּ֣י
(veamarti)
en ik zal zeggen
אֵלֶ֔יהָ
(eleiha)
tot haar
הַשְׁקִֽינִי
(hashqini)
geef mij te drinken
נָ֥א
(na)
toch
מְעַט
(meat)
een beetje
מַ֖יִם
(mayim)
water
מִכַּדֵּֽךְ
(mikadekh)
uit je kruik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
העלמה (ha’almah), ‘het jonge meisje’: een jonge vrouw van huwbare leeftijd.
44en dat tegen mij zegt: „Drink zelf ook, en ook voor uw kamelen zal ik putten” — laat dat de vrouw zijn die Yahweh voor de zoon van mijn heer bestemd heeft.’
וְאָמְרָ֤ה
(veamera)
en ze zal zeggen
אֵלַי֙
(elay)
tot mij
גַּם
(gam)
ook
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
שְׁתֵ֔ה
(shete)
drink
וְגַ֥ם
(vegam)
en ook
לִגְמַלֶּ֖יךָ
(ligmaleikha)
voor uw kamelen
אֶשְׁאָ֑ב
(eshav)
zal ik putten
הִ֣וא
(hi)
zij
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֹכִ֥יחַ
(hokhiach)
Hij heeft bestemd
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְבֶן
(leven)
voor de zoon van
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
45Ik had nog niet uitgesproken in mijn hart, of zie, Rebekka kwam naar buiten, met haar kruik op haar schouder. Ze daalde af naar de bron en putte. Ik zei tegen haar: ‘Geef mij toch te drinken.’
אֲנִי֩
(ani)
ik
טֶ֨רֶם
(terem)
nog niet
אֲכַלֶּ֜ה
(akhale)
had geëindigd
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
te spreken
אֶל
(el)
tot
לִבִּ֗י
(libi)
mijn hart
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
רִבְקָ֤ה
(rivqa)
Rebekka
יֹצֵאת֙
(yotset)
komend uit
וְכַדָּ֣הּ
(vekhadah)
met haar kruik
עַל
(al)
op
שִׁכְמָ֔הּ
(shikhmah)
haar schouder
וַתֵּ֥רֶד
(vatered)
en ze daalde af
הָעַ֖יְנָה
(haayna)
naar de bron
וַתִּשְׁאָ֑ב
(vatishav)
en ze putte
וָאֹמַ֥ר
(vaomar)
en ik zei
אֵלֶ֖יהָ
(eleiha)
tot haar
הַשְׁקִ֥ינִי
(hashqini)
geef mij te drinken
נָֽא
(na)
toch
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לדבר אל לבי (ledabber el libbi), ‘spreken tot mijn hart’: in stilte bidden, in gedachten (zie 1 Samuël 1:13).
46Snel liet ze haar kruik van zich af zakken en zei: ‘Drink, en ook uw kamelen zal ik te drinken geven.’ Ik dronk, en ze gaf ook de kamelen te drinken.
וַתְּמַהֵ֗ר
(vatemaher)
en ze haastte zich
וַתּ֤וֹרֶד
(vatored)
en ze liet zakken
כַּדָּהּ֙
(kadah)
haar kruik
מֵֽעָלֶ֔יהָ
(mealeiha)
van zich af
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
שְׁתֵ֔ה
(shete)
drink
וְגַם
(vegam)
en ook
גְּמַלֶּ֖יךָ
(gemaleikha)
uw kamelen
אַשְׁקֶ֑ה
(ashqe)
zal ik laten drinken
וָאֵ֕שְׁתְּ
(vaesht)
en ik dronk
וְגַ֥ם
(vegam)
en ook
הַגְּמַלִּ֖ים
(hagemalim)
de kamelen
הִשְׁקָֽתָה
(hishqata)
ze liet drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
47Ik vroeg haar: ‘Wiens dochter ben je?’ Ze zei: ‘De dochter van Betuël, de zoon van Nachor, die Milka aan hem heeft gebaard.’ Toen deed ik de neusring aan haar neus en de armbanden om haar armen.
וָאֶשְׁאַ֣ל
(vaeshal)
en ik vroeg
אֹתָ֗הּ
(otah)
haar
וָאֹמַר֮
(vaomar)
en ik zei
בַּת
(bat)
dochter van
מִ֣י
(mi)
wie
אַתְּ֒
(at)
ben jij
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en ze zei
בַּת
(bat)
dochter van
בְּתוּאֵל֙
(betuel)
Betuël
בֶּן
(ben)
zoon van
נָח֔וֹר
(nachor)
Nachor
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָֽלְדָה
(yaleda)
ze baarde
לּ֖וֹ
(lo)
aan hem
מִלְכָּ֑ה
(milka)
Milka
וָאָשִׂ֤ם
(vaasim)
en ik legde
הַנֶּ֨זֶם֙
(hanezem)
de ring
עַל
(al)
op
אַפָּ֔הּ
(apah)
haar neus
וְהַצְּמִידִ֖ים
(vehatsemidim)
en de armbanden
עַל
(al)
op
יָדֶֽיהָ
(yadeiha)
haar handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
48Ik boog mijn hoofd, wierp me neer voor Yahweh en zegende Yahweh, de Elohim van mijn heer Abraham, die mij op een betrouwbare weg heeft geleid om de dochter van de broer van mijn heer voor zijn zoon te nemen.
וָאֶקֹּ֥ד
(vaeqod)
en ik boog
וָֽאֶשְׁתַּחֲוֶ֖ה
(vaeshtachave)
en ik wierp me neer
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וָאֲבָרֵ֗ךְ
(vaavarekh)
en ik zegende
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
Elohim van
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הִנְחַ֨נִי֙
(hinchani)
heeft geleid mij
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op een weg van
אֱמֶ֔ת
(emet)
waarheid
לָקַ֛חַת
(laqachat)
om te nemen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בַּת
(bat)
dochter van
אֲחִ֥י
(achi)
broer van
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
לִבְנֽוֹ
(livno)
voor zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
49Vertel mij nu: als u trouw en betrouwbaarheid aan mijn heer wilt bewijzen, vertel het mij. En zo niet, vertel het mij ook, dan kan ik mij naar rechts of naar links wenden.”
וְ֠עַתָּה
(veata)
en nu
אִם
(im)
als
יֶשְׁכֶ֨ם
(yeshkhem)
bent u
עֹשִׂ֜ים
(osim)
doende
חֶ֧סֶד
(chesed)
trouw
וֶֽאֱמֶ֛ת
(veemet)
en betrouwbaarheid
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
הַגִּ֣ידוּ
(hagidu)
vertel
לִ֑י
(li)
mij
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֕א
(lo)
niet
הַגִּ֣ידוּ
(hagidu)
vertel
לִ֔י
(li)
mij
וְאֶפְנֶ֥ה
(veefne)
en ik zal me wenden
עַל
(al)
naar
יָמִ֖ין
(yamin)
rechts
א֥וֹ
(o)
of
עַל
(al)
naar
שְׂמֹֽאל
(semol)
links
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ואפנה על ימין או על שׂמאל (ve’ifneh al yamin o al semol), ‘dan kan ik mij naar rechts of naar links wenden’: dan zoek ik elders verder.
53De dienaar haalde zilveren en gouden voorwerpen en kleren tevoorschijn en gaf ze aan Rebekka. Ook aan haar broer en haar moeder gaf hij kostbare geschenken.
וַיּוֹצֵ֨א
(vayotse)
en hij bracht tevoorschijn
הָעֶ֜בֶד
(haeved)
de dienaar
כְּלֵי
(kelei)
voorwerpen van
כֶ֨סֶף
(kesef)
zilver
וּכְלֵ֤י
(ukhelei)
en voorwerpen van
זָהָב֙
(zahav)
goud
וּבְגָדִ֔ים
(uvegadim)
en kleren
וַיִּתֵּ֖ן
(vayiten)
en hij gaf
לְרִבְקָ֑ה
(lerivqa)
aan Rebekka
וּמִ֨גְדָּנֹ֔ת
(umigdanot)
en kostbaarheden
נָתַ֥ן
(natan)
hij gaf
לְאָחִ֖יהָ
(leachiha)
aan haar broer
וּלְאִמָּֽהּ
(uleimah)
en aan haar moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ומגדנת (migdanot), ‘kostbare geschenken’: dure gaven voor de broer en de moeder, de bruidsgave.
54Hij en de mannen die bij hem waren, aten en dronken en bleven daar de nacht over. 's Morgens stonden ze op, en hij zei: „Laat mij gaan naar mijn heer.”
וַיֹּאכְל֣וּ
(vayokhlu)
en ze aten
וַיִּשְׁתּ֗וּ
(vayishtu)
en ze dronken
ה֛וּא
(hu)
hij
וְהָאֲנָשִׁ֥ים
(vehaanashim)
en de mannen
אֲשֶׁר
(asher)
die
עִמּ֖וֹ
(imo)
met hem
וַיָּלִ֑ינוּ
(vayalinu)
en ze overnachtten
וַיָּק֣וּמוּ
(vayaqumu)
en ze stonden op
בַבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שַׁלְּחֻ֥נִי
(shalechuni)
laat mij gaan
לַֽאדֹנִֽי
(ladoni)
naar mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
65Ze zei tegen de dienaar: „Wie is die man die ons in het veld tegemoet loopt?” De dienaar zei: „Dat is mijn heer.” Toen nam ze haar sluier en bedekte zich.
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
אֶל
(el)
tot
הָעֶ֗בֶד
(haeved)
de dienaar
מִֽי
(mi)
wie
הָאִ֤ישׁ
(haish)
de man
הַלָּזֶה֙
(halaze)
die daar
הַהֹלֵ֤ךְ
(haholekh)
die wandelt
בַּשָּׂדֶה֙
(basade)
in het veld
לִקְרָאתֵ֔נוּ
(liqratenu)
ons tegemoet
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הָעֶ֖בֶד
(haeved)
de dienaar
ה֣וּא
(hu)
hij
אֲדֹנִ֑י
(adoni)
mijn heer
וַתִּקַּ֥ח
(vatiqach)
en ze nam
הַצָּעִ֖יף
(hatsaif)
de sluier
וַתִּתְכָּֽס
(vatitkas)
en ze bedekte zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הצעיף (hatsa’if), ‘de sluier’: Rebekka bedekt zich bij de eerste ontmoeting met haar bruidegom (zie 38:14).
67Isaak bracht haar in de tent van zijn moeder Sarah. Hij nam Rebekka, zij werd zijn vrouw, en hij hield van haar. Zo vond Isaak troost na de dood van zijn moeder.
וַיְבִאֶ֣הָ
(vayvieha)
en hij bracht haar
יִצְחָ֗ק
(yitschaq)
Isaak
הָאֹ֨הֱלָה֙
(haohela)
naar de tent
שָׂרָ֣ה
(sara)
Sarah
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
וַיִּקַּ֧ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רִבְקָ֛ה
(rivqa)
Rebekka
וַתְּהִי
(vatehi)
en ze werd
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
לְאִשָּׁ֖ה
(leisha)
tot vrouw
וַיֶּאֱהָבֶ֑הָ
(vayeehaveha)
en hij hield van haar
וַיִּנָּחֵ֥ם
(vayinachem)
en hij werd getroost
יִצְחָ֖ק
(yitschaq)
Isaak
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
na
אִמּֽוֹ
(imo)
zijn moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׂרה אמו (Sarah immo), ‘Sarah, zijn moeder’: Rebekka neemt Sarahs plaats in de tent in.
Isaak was 37 toen Sarah stierf (zie 23:1) en 40 toen hij trouwde (zie 25:20).
Aanvullend
Jasher 24:44–45 zegt dat Isaak haar in de tent bracht en veertig jaar oud was.