Elohim Bijbel

Genesis 24

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Een vrouw voor Isaak

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Abraham zendt zijn dienaar

1Abraham was oud geworden, hoogbejaard. Yahweh had Abraham in alles gezegend.
וְאַבְרָהָ֣ם
(veavraham)
en Abraham
זָקֵ֔ן
(zaqen)
oud
בָּ֖א
(ba)
gekomen
בַּיָּמִ֑ים
(bayamim)
in dagen
וַֽיהוָ֛ה
(vaYahweh)
en Yahweh
בֵּרַ֥ךְ
(berakh)
Hij zegende
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
בַּכֹּֽל
(bakol)
in alles
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בא בימים (ba bayamim), ‘gekomen in dagen’: een vaste uitdrukking voor hoge leeftijd (zie 18:11).

Abraham was nu ongeveer 140 jaar: hij was 100 bij Isaaks geboorte (zie 21:5) en Isaak was 40 bij zijn huwelijk (zie 25:20).

2Abraham zei tegen zijn dienaar, de oudste van zijn huis, die over alles heerste wat hij had: „Leg toch je hand onder mijn heup.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַבְרָהָ֗ם
(avraham)
Abraham
אֶל
(el)
tot
עַבְדּוֹ֙
(avdo)
zijn dienaar
זְקַ֣ן
(zeqan)
oudste van
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
הַמֹּשֵׁ֖ל
(hamoshel)
die heerst
בְּכָל
(bekhal)
over alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
ל֑וֹ
(lo)
van hem
שִֽׂים
(sim)
leg
נָ֥א
(na)
toch
יָדְךָ֖
(yadekha)
je hand
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
יְרֵכִֽי
(yerekhi)
mijn heup
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עבדו זקן ביתו (avdo zeqen beto), ‘zijn dienaar, de oudste van zijn huis’: de man die over alles van Abraham heerst.

ידך תחת ירכי (sim na yadkha tachat yereki), ‘leg toch je hand onder mijn heup’: een plechtig gebaar bij een eed.

Jakob vraagt Jozef hetzelfde (zie 47:29).

Aanvullend

Jasher 24:29 noemt hem Eliëzer (zie ook 15:2).

3Dan laat ik je zweren bij Yahweh, de Elohim van de hemel en de Elohim van de aarde: je zult voor mijn zoon geen vrouw nemen uit de dochters van de Kanaänieten, te midden van wie ik woon,
וְאַשְׁבִּ֣יעֲךָ֔
(veashbiakha)
en laat mij je zweren
בַּֽיהוָה֙
(baYahweh)
bij Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וֵֽאלֹהֵ֖י
(velohei)
en Elohim van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
תִקַּ֤ח
(tiqach)
je zult nemen
אִשָּׁה֙
(isha)
een vrouw
לִבְנִ֔י
(livni)
voor mijn zoon
מִבְּנוֹת֙
(mibenot)
van de dochters van
הַֽכְּנַעֲנִ֔י
(hakenaani)
de Kanaänieten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
bij wie
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
יוֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
woon
בְּקִרְבּֽוֹ
(beqirbo)
in hun midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ביהוה אלהי השׁמים ואלהי הארץ (beYHWH Elohei hashamayim ve’Elohei ha’arets), ‘bij Yahweh, de Elohim van de hemel en de Elohim van de aarde’: Abraham laat zweren bij de Elohim die over alles heerst, ook over het land van de Kanaänieten (zie 10:15–19).

4maar je zult naar mijn land en naar mijn geboorteland gaan en daar een vrouw nemen voor mijn zoon Isaak.”
כִּ֧י
(ki)
maar
אֶל
(el)
naar
אַרְצִ֛י
(artsi)
mijn land
וְאֶל
(veel)
en naar
מוֹלַדְתִּ֖י
(moladti)
mijn geboorteland
תֵּלֵ֑ךְ
(telekh)
je zult gaan
וְלָקַחְתָּ֥
(velaqachta)
en je zult nemen
אִשָּׁ֖ה
(isha)
een vrouw
לִבְנִ֥י
(livni)
voor mijn zoon
לְיִצְחָֽק
(leyitschaq)
voor Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ארצי ואל מולדתי (el artsi ve’el moladeti), ‘naar mijn land en naar mijn geboorteland’: het land van Abrahams familie, Aram-Naharaim (zie vers 10; 11:31; 12:1).

5De dienaar zei tegen hem: „Misschien wil de vrouw mij niet volgen naar dit land. Moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land waaruit u bent weggegaan?”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
הָעֶ֔בֶד
(haeved)
de dienaar
אוּלַי֙
(ulay)
misschien
לֹא
(lo)
niet
תֹאבֶ֣ה
(tove)
wil
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
לָלֶ֥כֶת
(lalekhet)
om te gaan
אַחֲרַ֖י
(acharay)
achter mij
אֶל
(el)
naar
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
הֶֽהָשֵׁ֤ב
(hehashev)
terugbrengen
אָשִׁיב֙
(ashiv)
zal ik terugbrengen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בִּנְךָ֔
(binkha)
uw zoon
אֶל
(el)
naar
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
waaruit
יָצָ֥אתָ
(yatsata)
u bent uitgegaan
מִשָּֽׁם
(misham)
vandaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Abraham zei tegen hem: „Pas op dat je mijn zoon niet daarheen terugbrengt.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
הִשָּׁ֣מֶר
(hishamer)
pas op
לְךָ֔
(lekha)
voor jou
פֶּן
(pen)
dat niet
תָּשִׁ֥יב
(tashiv)
je terugbrengt
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּנִ֖י
(beni)
mijn zoon
שָֽׁמָּה
(shama)
daarheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Yahweh, de Elohim van de hemel, heeft mij uit het huis van mijn vader en uit het land waar ik geboren ben weggehaald. Hij heeft tot mij gesproken en mij gezworen: ‘Aan jouw nageslacht zal Ik dit land geven.’ Hij zal Zijn engel voor je uit sturen, en je zult daar een vrouw nemen voor mijn zoon.
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
הַשָּׁמַ֗יִם
(hashamayim)
de hemel
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
לְקָחַ֜נִי
(leqachani)
Hij nam mij
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
אָבִי֮
(avi)
mijn vader
וּמֵאֶ֣רֶץ
(umeerets)
en uit het land van
מֽוֹלַדְתִּי֒
(moladti)
mijn geboorte
וַאֲשֶׁ֨ר
(vaasher)
en die
דִּבֶּר
(diber)
Hij sprak
לִ֜י
(li)
tot mij
וַאֲשֶׁ֤ר
(vaasher)
en die
נִֽשְׁבַּֽע
(nishba)
Hij zwoer
לִי֙
(li)
aan mij
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
לְזַ֨רְעֲךָ֔
(lezarakha)
aan je nageslacht
אֶתֵּ֖ן
(eten)
zal ik geven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
ה֗וּא
(hu)
Hij
יִשְׁלַ֤ח
(yishlach)
zal sturen
מַלְאָכוֹ֙
(malakho)
Zijn engel
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor je uit
וְלָקַחְתָּ֥
(velaqachta)
en je zult nemen
אִשָּׁ֛ה
(isha)
een vrouw
לִבְנִ֖י
(livni)
voor mijn zoon
מִשָּֽׁם
(misham)
vandaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מלאכו (mal’akho), ‘zijn engel’: Yahweh zendt Zijn boodschapper voor de dienaar uit (zie vers 40; 16:7).

Abraham haalt Yahwehs belofte aan uit 12:7 (zie ook 15:18).

8Als de vrouw je niet wil volgen, dan ben je vrij van deze eed aan mij. Alleen mijn zoon mag je niet daarheen terugbrengen.”
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֨א
(lo)
niet
תֹאבֶ֤ה
(tove)
wil
הָֽאִשָּׁה֙
(haisha)
de vrouw
לָלֶ֣כֶת
(lalekhet)
om te gaan
אַחֲרֶ֔יךָ
(achareikha)
achter je
וְנִקִּ֕יתָ
(veniqita)
dan ben je vrij
מִשְּׁבֻעָתִ֖י
(mishevuati)
van mijn eed
זֹ֑את
(zot)
deze
רַ֣ק
(raq)
alleen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּנִ֔י
(beni)
mijn zoon
לֹ֥א
(lo)
niet
תָשֵׁ֖ב
(tashev)
zul je terugbrengen
שָֽׁמָּה
(shama)
daarheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ונקית משׁבעתי זאת (venikita mishvu’ati zot), ‘dan ben je vrij van deze eed’: Abraham maakt één uitzondering: Isaak mag niet terug naar het land van de familie (zie vers 6), want het beloofde land is voor Isaak en zijn nageslacht (zie 12:1; 26:2–3).

9De dienaar legde zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en zwoer hem over deze zaak.
וַיָּ֤שֶׂם
(vayasem)
en hij legde
הָעֶ֨בֶד֙
(haeved)
de dienaar
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יָד֔וֹ
(yado)
zijn hand
תַּ֛חַת
(tachat)
onder
יֶ֥רֶךְ
(yerekh)
heup van
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
אֲדֹנָ֑יו
(adonav)
zijn heer
וַיִּשָּׁ֣בַֽע
(vayishava)
en hij zwoer
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
עַל
(al)
over
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookGen 24:2

De dienaar bij de bron

10De dienaar nam tien kamelen van de kamelen van zijn heer en vertrok, met allerlei kostbaarheden van zijn heer in zijn hand. Hij stond op en ging naar Aram-Naharaim, naar de stad van Nachor.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en hij nam
הָ֠עֶבֶד
(haeved)
de dienaar
עֲשָׂרָ֨ה
(asara)
tien
גְמַלִּ֜ים
(gemalim)
kamelen
מִגְּמַלֵּ֤י
(migemalei)
van de kamelen van
אֲדֹנָיו֙
(adonav)
zijn heer
וַיֵּ֔לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
וְכָל
(vekhal)
en alles
ט֥וּב
(tuv)
goeds van
אֲדֹנָ֖יו
(adonav)
zijn heer
בְּיָד֑וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַיָּ֗קָם
(vayaqam)
en hij stond op
וַיֵּ֛לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
אֶל
(el)
naar
אֲרַ֥ם
(aram)
Aram
נַֽהֲרַ֖יִם
(naharayim)
Naharaim
אֶל
(el)
naar
עִ֥יר
(ir)
stad van
נָחֽוֹר
(nachor)
Nachor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

ארם נהרים (Aram Naharayim), ‘Aram-Naharaim’: ‘Aram van de twee rivieren’, het gebied rond de bovenloop van de Eufraat, in het noorden van Mesopotamië (zie Richteren 3:8).

עיר נחור (ir Nachor), ‘de stad van Nachor’: waarschijnlijk Charan (zie 11:31; 27:43), in het zuidoosten van het huidige Turkije, ongeveer 700 km van Hebron.

Aanvullend

Jasher 24:34 zegt dat Eliëzer tien kamelen en tien mannen van Abrahams dienaren meenam, en dat Abraham intussen Isaak liet halen uit het huis van Sem en Eber.

11Buiten de stad liet hij de kamelen knielen bij de waterbron, tegen de avond, het tijdstip waarop de vrouwen water komen putten.
וַיַּבְרֵ֧ךְ
(vayavrekh)
en hij liet knielen
הַגְּמַלִּ֛ים
(hagemalim)
de kamelen
מִח֥וּץ
(michuts)
buiten
לָעִ֖יר
(lair)
de stad
אֶל
(el)
bij
בְּאֵ֣ר
(beer)
bron van
הַמָּ֑יִם
(hamayim)
het water
לְעֵ֣ת
(leet)
tegen de tijd van
עֶ֔רֶב
(erev)
avond
לְעֵ֖ת
(leet)
tegen de tijd van
צֵ֥את
(tset)
uitgaan van
הַשֹּׁאֲבֹֽת
(hashoavot)
de waterputsters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Hij zei: „Yahweh, Elohim van mijn heer Abraham, laat het mij vandaag goed treffen en bewijs trouw aan mijn heer Abraham.
וַיֹּאמַ֓ר
(vayomar)
en Hij zei
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
Elohim van
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
הַקְרֵה
(haqre)
laat treffen
נָ֥א
(na)
toch
לְפָנַ֖י
(lefanay)
voor mij
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
וַעֲשֵׂה
(vaase)
en doe
חֶ֕סֶד
(chesed)
trouw
עִ֖ם
(im)
met
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
אַבְרָהָֽם
(avraham)
Abraham
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הקרה (haqreh), ‘laat treffen’: van de wortel qarah, ‘gebeuren, tegenkomen’.

De dienaar vraagt dat hij vandaag de juiste vrouw tegenkomt.

חסד (chesed), ‘trouw’: trouw aan Abraham en aan Yahwehs belofte aan hem.

13Zie, ik sta bij de waterbron, en de dochters van de mannen van de stad komen naar buiten om water te putten.
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
נִצָּ֖ב
(nitsav)
staand
עַל
(al)
bij
עֵ֣ין
(ein)
bron van
הַמָּ֑יִם
(hamayim)
het water
וּבְנוֹת֙
(uvenot)
en de dochters van
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
יֹצְאֹ֖ת
(yotseot)
komend uit
לִשְׁאֹ֥ב
(lishov)
om te putten
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Laat het zo zijn: het meisje tegen wie ik zeg: ‘Laat toch je kruik zakken, dan drink ik’, en dat zegt: ‘Drink, en ook uw kamelen zal ik te drinken geven’ — laat haar degene zijn die U voor Uw dienaar Isaak bestemd hebt. Hieraan zal ik weten dat U trouw hebt bewezen aan mijn heer.”
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
הַֽנַּעֲרָ֗
(hanaara)
het meisje
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
אֹמַ֤ר
(omar)
ik zal zeggen
אֵלֶ֨יהָ֙
(eleiha)
tot haar
הַטִּי
(hati)
laat zakken
נָ֤א
(na)
toch
כַדֵּךְ֙
(kadekh)
je kruik
וְאֶשְׁתֶּ֔ה
(veeshte)
dat ik drink
וְאָמְרָ֣ה
(veamera)
en ze zal zeggen
שְׁתֵ֔ה
(shete)
drink
וְגַם
(vegam)
en ook
גְּמַלֶּ֖יךָ
(gemaleikha)
uw kamelen
אַשְׁקֶ֑ה
(ashqe)
zal ik laten drinken
אֹתָ֤הּ
(otah)
haar
הֹכַ֨חְתָּ֙
(hokhachta)
U hebt bestemd
לְעַבְדְּךָ֣
(leavdekha)
voor Uw dienaar
לְיִצְחָ֔ק
(leyitschaq)
voor Isaak
וּבָ֣הּ
(uvah)
en daardoor
אֵדַ֔ע
(eda)
zal ik weten
כִּי
(ki)
dat
עָשִׂ֥יתָ
(asita)
U hebt gedaan
חֶ֖סֶד
(chesed)
trouw
עִם
(im)
met
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הנער (hanna’ar), ‘het meisje’: na’ar betekent meestal ‘jongen’, maar staat in dit hoofdstuk ook voor een meisje (zie vers 28; 55; 57).

De dienaar vraagt een teken en laat Yahweh zelf de vrouw aanwijzen.

Een dorstige kameel kan in één keer tientallen liters drinken, dus tien kamelen water geven is veel werk.

הכחת (hokhachta), ‘U hebt bestemd’: letterlijk ‘U hebt vastgesteld’.

Rebekka

15Hij had nog niet uitgesproken, of zie, Rebekka kwam naar buiten. Zij was een dochter van Betuël, de zoon van Milka, de vrouw van Nachor, de broer van Abraham. Haar kruik droeg ze op haar schouder.
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het was
ה֗וּא
(hu)
hij
טֶרֶם֮
(terem)
nog niet
כִּלָּ֣ה
(kila)
hij had geëindigd
לְדַבֵּר֒
(ledaber)
met spreken
וְהִנֵּ֧ה
(vehine)
en zie
רִבְקָ֣ה
(rivqa)
Rebekka
יֹצֵ֗את
(yotset)
komend uit
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יֻלְּדָה֙
(yuleda)
geboren was
לִבְתוּאֵ֣ל
(livtuel)
aan Betuël
בֶּן
(ben)
zoon van
מִלְכָּ֔ה
(milka)
Milka
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
vrouw van
נָח֖וֹר
(nachor)
Nachor
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וְכַדָּ֖הּ
(vekhadah)
en haar kruik
עַל
(al)
op
שִׁכְמָֽהּ
(shikhmah)
haar schouder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רבקה (Rivqah), ‘Rebekka’: de kleindochter van Nachor en Milka (zie 22:20–23), dus een achternicht van Isaak.

16Het meisje was zeer mooi om te zien, een maagd, geen man had haar gekend. Ze daalde af naar de bron, vulde haar kruik en kwam weer omhoog.
וְהַֽנַּעֲרָ֗
(vehanaara)
en het meisje
טֹבַ֤ת
(tovat)
goed
מַרְאֶה֙
(mare)
van uiterlijk
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
בְּתוּלָ֕ה
(betula)
maagd
וְאִ֖ישׁ
(veish)
en man
לֹ֣א
(lo)
niet
יְדָעָ֑הּ
(yedaah)
had haar gekend
וַתֵּ֣רֶד
(vatered)
en ze daalde af
הָעַ֔יְנָה
(haayna)
naar de bron
וַתְּמַלֵּ֥א
(vatemale)
en ze vulde
כַדָּ֖הּ
(kadah)
haar kruik
וַתָּֽעַל
(vataal)
en ze kwam omhoog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בתולה (betulah), ‘maagd’: een jonge vrouw die nog geen gemeenschap heeft gehad; de tekst zegt het nog eens: ‘geen man had haar gekend’.

Aanvullend

Jasher 24:40 zegt dat Rebekka toen tien jaar oud was.

17De dienaar rende haar tegemoet en zei: „Laat mij toch een slokje water drinken uit je kruik.”
וַיָּ֥רָץ
(vayarats)
en hij rende
הָעֶ֖בֶד
(haeved)
de dienaar
לִקְרָאתָ֑הּ
(liqratah)
haar tegemoet
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הַגְמִיאִ֥ינִי
(hagmiini)
laat mij drinken
נָ֛א
(na)
toch
מְעַט
(meat)
een beetje
מַ֖יִם
(mayim)
water
מִכַּדֵּֽךְ
(mikadekh)
uit je kruik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Ze zei: „Drink, mijn heer.” Snel liet ze haar kruik op haar hand zakken en gaf hem te drinken.
וַתֹּ֖אמֶר
(vatomer)
en ze zei
שְׁתֵ֣ה
(shete)
drink
אֲדֹנִ֑י
(adoni)
mijn heer
וַתְּמַהֵ֗ר
(vatemaher)
en ze haastte zich
וַתֹּ֧רֶד
(vatored)
en ze liet zakken
כַּדָּ֛הּ
(kadah)
haar kruik
עַל
(al)
op
יָדָ֖הּ
(yadah)
haar hand
וַתַּשְׁקֵֽהוּ
(vatashqehu)
en ze gaf hem te drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Toen ze hem genoeg te drinken had gegeven, zei ze: „Ook voor uw kamelen zal ik water putten, tot ze genoeg gedronken hebben.”
וַתְּכַ֖ל
(vatekhal)
en ze had voltooid
לְהַשְׁקֹת֑וֹ
(lehashqoto)
hem te drinken geven
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en ze zei
גַּ֤ם
(gam)
ook
לִגְמַלֶּ֨יךָ֙
(ligmaleikha)
voor uw kamelen
אֶשְׁאָ֔ב
(eshav)
zal ik putten
עַ֥ד
(ad)
tot
אִם
(im)
dat
כִּלּ֖וּ
(kilu)
ze klaar zijn
לִשְׁתֹּֽת
(lishtot)
met drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Snel goot ze haar kruik leeg in de drinkbak, rende weer naar de put om te putten en putte voor al zijn kamelen.
וַתְּמַהֵ֗ר
(vatemaher)
en ze haastte zich
וַתְּעַ֤ר
(vatear)
en ze leegde
כַּדָּהּ֙
(kadah)
haar kruik
אֶל
(el)
in
הַשֹּׁ֔קֶת
(hashoqet)
de drinkbak
וַתָּ֥רָץ
(vatarats)
en ze rende
ע֛וֹד
(od)
weer
אֶֽל
(el)
naar
הַבְּאֵ֖ר
(habeer)
de put
לִשְׁאֹ֑ב
(lishov)
om te putten
וַתִּשְׁאַ֖ב
(vatishav)
en ze putte
לְכָל
(lekhal)
voor alle
גְּמַלָּֽיו
(gemalav)
zijn kamelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21De man keek haar verbaasd en zwijgend aan. Hij wilde weten of Yahweh zijn reis had laten slagen of niet.
וְהָאִ֥ישׁ
(vehaish)
en de man
מִשְׁתָּאֵ֖ה
(mishtae)
starend
לָ֑הּ
(lah)
naar haar
מַחֲרִ֕ישׁ
(macharish)
zwijgend
לָדַ֗עַת
(ladaat)
om te weten
הַֽהִצְלִ֧יחַ
(hahitsliach)
of Hij had laten slagen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
דַּרְכּ֖וֹ
(darko)
zijn weg
אִם
(im)
of
לֹֽא
(lo)
niet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Toen de kamelen genoeg gedronken hadden, nam de man een gouden neusring van een halve sjekel en twee armbanden voor haar armen, van tien sjekel goud.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
toen
כִּלּ֤וּ
(kilu)
ze klaar waren
הַגְּמַלִּים֙
(hagemalim)
de kamelen
לִשְׁתּ֔וֹת
(lishtot)
met drinken
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en hij nam
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
נֶ֣זֶם
(nezem)
ring van
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
בֶּ֖קַע
(beqa)
een halve sjekel
מִשְׁקָל֑וֹ
(mishqalo)
zijn gewicht
וּשְׁנֵ֤י
(ushenei)
en twee
צְמִידִים֙
(tsemidim)
armbanden
עַל
(al)
op
יָדֶ֔יהָ
(yadeiha)
haar handen
עֲשָׂרָ֥ה
(asara)
tien
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
מִשְׁקָלָֽם
(mishqalam)
hun gewicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נזם (nezem), ‘neusring’: een ring voor de neus (zie vers 47) of voor het oor (zie 35:4).

בקע משׁקלו (beqa mishqalo), ‘een beqa is zijn gewicht’: een beqa is een halve sjekel (zie Ex. 38:26), ongeveer 6 gram.

De twee armbanden wegen samen tien sjekel, ongeveer 115 gram (zie 23:15).

23Hij zei: „Wiens dochter ben je? Zeg het mij toch. Is er in het huis van je vader plaats voor ons om te overnachten?”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
בַּת
(bat)
dochter van
מִ֣י
(mi)
wie
אַ֔תְּ
(at)
ben jij
הַגִּ֥ידִי
(hagidi)
vertel
נָ֖א
(na)
toch
לִ֑י
(li)
mij
הֲיֵ֧שׁ
(hayesh)
is er
בֵּית
(beit)
huis van
אָבִ֛יךְ
(avikh)
je vader
מָק֥וֹם
(maqom)
plaats
לָ֖נוּ
(lanu)
voor ons
לָלִֽין
(lalin)
om te overnachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Ze zei tegen hem: „Ik ben de dochter van Betuël, de zoon van Milka, die zij aan Nachor heeft gebaard.”
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
בַּת
(bat)
dochter van
בְּתוּאֵ֖ל
(betuel)
Betuël
אָנֹ֑כִי
(anokhi)
ik
בֶּן
(ben)
zoon van
מִלְכָּ֕ה
(milka)
Milka
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָלְדָ֖ה
(yaleda)
ze baarde
לְנָחֽוֹר
(lenachor)
aan Nachor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Ze zei ook tegen hem: „Er is bij ons stro en veel voer, en ook plaats om te overnachten.”
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
גַּם
(gam)
ook
תֶּ֥בֶן
(teven)
stro
גַּם
(gam)
ook
מִסְפּ֖וֹא
(mispo)
voer
רַ֣ב
(rav)
veel
עִמָּ֑נוּ
(imanu)
bij ons
גַּם
(gam)
ook
מָק֖וֹם
(maqom)
plaats
לָלֽוּן
(lalun)
om te overnachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26De man boog zijn hoofd en wierp zich neer voor Yahweh.
וַיִּקֹּ֣ד
(vayiqod)
en hij boog
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
וַיִּשְׁתַּ֖חוּ
(vayishtachu)
en hij wierp zich neer
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Hij zei: „Gezegend is Yahweh, de Elohim van mijn heer Abraham, die Zijn trouw en Zijn betrouwbaarheid niet van mijn heer heeft laten varen. Yahweh heeft mij op de weg geleid naar het huis van de broers van mijn heer.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
בָּר֤וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
Elohim van
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
אֲ֠שֶׁר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
עָזַ֥ב
(azav)
Hij liet varen
חַסְדּ֛וֹ
(chasdo)
Zijn trouw
וַאֲמִתּ֖וֹ
(vaamito)
en Zijn betrouwbaarheid
מֵעִ֣ם
(meim)
van bij
אֲדֹנִ֑י
(adoni)
mijn heer
אָנֹכִ֗י
(anokhi)
ik
בַּדֶּ֨רֶךְ֙
(baderekh)
op de weg
נָחַ֣נִי
(nachani)
heeft geleid mij
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בֵּ֖ית
(beit)
naar het huis van
אֲחֵ֥י
(achei)
broers van
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חסדו ואמתו (chasdo ve’amito), ‘Zijn trouw en Zijn betrouwbaarheid’: chesed is trouw aan een verbond (zie vers 12).

Emet komt van een woord voor ‘vast en betrouwbaar zijn’ (zie vers 48; 49).

Bij Rebekka's familie

28Het meisje liep weg en vertelde in het huis van haar moeder over deze dingen.
וַתָּ֨רָץ֙
(vatarats)
en ze rende
הַֽנַּעֲרָ֔
(hanaara)
het meisje
וַתַּגֵּ֖ד
(vataged)
en ze vertelde
לְבֵ֣ית
(leveit)
aan het huis van
אִמָּ֑הּ
(imah)
haar moeder
כַּדְּבָרִ֖ים
(kadevarim)
zoals deze
הָאֵֽלֶּה
(haele)
woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Rebekka had een broer, die Laban heette. Laban rende naar buiten, naar de man bij de bron.
וּלְרִבְקָ֥ה
(ulerivqa)
en aan Rebekka
אָ֖ח
(ach)
een broer
וּשְׁמ֣וֹ
(ushemo)
en zijn naam
לָבָ֑ן
(lavan)
Laban
וַיָּ֨רָץ
(vayarats)
en hij rende
לָבָ֧ן
(lavan)
Laban
אֶל
(el)
naar
הָאִ֛ישׁ
(haish)
de man
הַח֖וּצָה
(hachutsa)
naar buiten
אֶל
(el)
naar
הָעָֽיִן
(haayin)
de bron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לבן (Lavan), ‘Laban’: Rebekka's broer, later de vader van Lea en Rachel (zie 29:16).

30Hij had de neusring en de armbanden aan de armen van zijn zus gezien. Hij had Rebekka, zijn zus, ook horen zeggen: „Zo heeft de man tot mij gesproken.” Hij ging naar de man. Zie, die stond nog bij de kamelen, bij de bron.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
כִּרְאֹ֣ת
(kirot)
toen hij zag
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַנֶּ֗זֶם
(hanezem)
de ring
וְֽאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַצְּמִדִים֮
(hatsemidim)
de armbanden
עַל
(al)
op
יְדֵ֣י
(yedei)
handen van
אֲחֹתוֹ֒
(achoto)
zijn zus
וּכְשָׁמְע֗וֹ
(ukheshameo)
en toen hij hoorde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דִּבְרֵ֞י
(divrei)
woorden van
רִבְקָ֤ה
(rivqa)
Rebekka
אֲחֹתוֹ֙
(achoto)
zijn zus
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
כֹּֽה
(ko)
zo
דִבֶּ֥ר
(diber)
heeft gesproken
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
הָאִ֑ישׁ
(haish)
de man
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en hij kwam
אֶל
(el)
naar
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
עֹמֵ֥ד
(omed)
staand
עַל
(al)
bij
הַגְּמַלִּ֖ים
(hagemalim)
de kamelen
עַל
(al)
bij
הָעָֽיִן
(haayin)
de bron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Hij zei: „Kom binnen, gezegende van Yahweh. Waarom blijft u buiten staan? Ik heb het huis klaargemaakt, en er is plaats voor de kamelen.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
בּ֖וֹא
(bo)
kom
בְּר֣וּךְ
(berukh)
gezegende van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
תַעֲמֹד֙
(taamod)
sta je
בַּח֔וּץ
(bachuts)
buiten
וְאָנֹכִי֙
(veanokhi)
terwijl ik
פִּנִּ֣יתִי
(piniti)
ik heb vrijgemaakt
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
וּמָק֖וֹם
(umaqom)
en plaats
לַגְּמַלִּֽים
(lagemalim)
voor de kamelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32De man ging het huis in. Laban maakte de kamelen los, gaf stro en voer aan de kamelen en gaf water om zijn voeten te wassen en de voeten van de mannen die bij hem waren.
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en hij kwam
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
הַבַּ֔יְתָה
(habayta)
naar huis
וַיְפַתַּ֖ח
(vayfatach)
en hij maakte los
הַגְּמַלִּ֑ים
(hagemalim)
de kamelen
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en hij gaf
תֶּ֤בֶן
(teven)
stro
וּמִסְפּוֹא֙
(umispo)
en voer
לַגְּמַלִּ֔ים
(lagemalim)
aan de kamelen
וּמַ֨יִם֙
(umayim)
en water
לִרְחֹ֣ץ
(lirchots)
om te wassen
רַגְלָ֔יו
(raglav)
zijn voeten
וְרַגְלֵ֥י
(veraglei)
en voeten van
הָאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויפתח (vayefatach), ‘en hij maakte los’: letterlijk ‘en hij opende’; de kamelen worden van hun last bevrijd.

Het onderwerp is Laban.

33Er werd hem eten voorgezet, maar hij zei: „Ik eet niet, voordat ik mijn boodschap gesproken heb.” Laban zei: „Spreek.”
ויישם
(vyyshm)
en hij zette voor (geschreven)
וַיּוּשַׂ֤ם
(vayusam)
en er werd voorgezet (gelezen)
לְפָנָיו֙
(lefanav)
voor hem
לֶאֱכֹ֔ל
(leekhol)
om te eten
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
אֹכַ֔ל
(okhal)
zal ik eten
עַ֥ד
(ad)
tot
אִם
(im)
dat
דִּבַּ֖רְתִּי
(dibarti)
ik gesproken heb
דְּבָרָ֑י
(devaray)
mijn woorden
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דַּבֵּֽר
(daber)
spreek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויישם (vayisem) en ויושׂם (vayusam): Lezing: geschreven staat ‘en hij zette voor’, gelezen wordt ‘en er werd voorgezet’, hier gelezen als ‘er werd voorgezet’.

34Hij zei: „Ik ben de dienaar van Abraham.
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en hij zei
עֶ֥בֶד
(eved)
dienaar van
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
אָנֹֽכִי
(anokhi)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Yahweh heeft mijn heer zeer gezegend, en hij is groot geworden. Hij heeft hem schapen en runderen gegeven, zilver en goud, dienaren en dienaressen, kamelen en ezels.
וַיהוָ֞ה
(vaYahweh)
en Yahweh
בֵּרַ֧ךְ
(berakh)
Hij zegende
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲדֹנִ֛י
(adoni)
mijn heer
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
וַיִּגְדָּ֑ל
(vayigdal)
en hij werd groot
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en Hij gaf
ל֞וֹ
(lo)
aan hem
צֹ֤אן
(tson)
kleinvee
וּבָקָר֙
(uvaqar)
en runderen
וְכֶ֣סֶף
(vekhesef)
en zilver
וְזָהָ֔ב
(vezahav)
en goud
וַעֲבָדִם֙
(vaavadim)
en dienaren
וּשְׁפָחֹ֔ת
(ushefachot)
en dienaressen
וּגְמַלִּ֖ים
(ugemalim)
en kamelen
וַחֲמֹרִֽים
(vachamorim)
en ezels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Sarah, de vrouw van mijn heer, heeft aan mijn heer een zoon gebaard toen zij oud was. Aan hem heeft hij alles gegeven wat hij heeft.
וַתֵּ֡לֶד
(vateled)
en ze baarde
שָׂרָה֩
(sara)
Sarah
אֵ֨שֶׁת
(eshet)
vrouw van
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
בֵן֙
(ben)
een zoon
לַֽאדֹנִ֔י
(ladoni)
aan mijn heer
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
na
זִקְנָתָ֑הּ
(ziqnatah)
haar ouderdom
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij gaf
לּ֖וֹ
(lo)
aan hem
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לֽוֹ
(lo)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37Mijn heer heeft mij laten zweren: ‘Je zult voor mijn zoon geen vrouw nemen uit de dochters van de Kanaänieten, in wier land ik woon,
וַיַּשְׁבִּעֵ֥נִי
(vayashbieni)
en hij liet mij zweren
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
לֹא
(lo)
niet
תִקַּ֤ח
(tiqach)
zul je nemen
אִשָּׁה֙
(isha)
een vrouw
לִבְנִ֔י
(livni)
voor mijn zoon
מִבְּנוֹת֙
(mibenot)
van de dochters van
הַֽכְּנַעֲנִ֔י
(hakenaani)
de Kanaänieten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
bij wie
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
woon
בְּאַרְצֽוֹ
(beartso)
in hun land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38maar je zult naar het huis van mijn vader en naar mijn familie gaan en een vrouw nemen voor mijn zoon.’
אִם
(im)
als
לֹ֧א
(lo)
niet
אֶל
(el)
naar
בֵּית
(beit)
huis van
אָבִ֛י
(avi)
mijn vader
תֵּלֵ֖ךְ
(telekh)
zul je gaan
וְאֶל
(veel)
en naar
מִשְׁפַּחְתִּ֑י
(mishpachti)
mijn familie
וְלָקַחְתָּ֥
(velaqachta)
en je zult nemen
אִשָּׁ֖ה
(isha)
een vrouw
לִבְנִֽי
(livni)
voor mijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Ik zei tegen mijn heer: ‘Misschien wil de vrouw mij niet volgen.’
וָאֹמַ֖ר
(vaomar)
en ik zei
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנִ֑י
(adoni)
mijn heer
אֻלַ֛י
(ulay)
misschien
לֹא
(lo)
niet
תֵלֵ֥ךְ
(telekh)
zal gaan
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
אַחֲרָֽי
(acharay)
achter mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אלי (ali), ‘misschien’: een korte spelling van ulay (zie vers 5).

Zie ookGen 24:5
40Hij zei tegen mij: ‘Yahweh, voor wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn engel met je meesturen en je reis laten slagen. Dan zul je voor mijn zoon een vrouw nemen uit mijn familie en uit het huis van mijn vader.
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר
(asher)
voor wie
הִתְהַלַּ֣כְתִּי
(hithalakhti)
ik heb gewandeld
לְפָנָ֗יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
יִשְׁלַ֨ח
(yishlach)
Hij zal sturen
מַלְאָכ֤וֹ
(malakho)
Zijn engel
אִתָּךְ֙
(itakh)
met je
וְהִצְלִ֣יחַ
(vehitsliach)
en Hij zal laten slagen
דַּרְכֶּ֔ךָ
(darkekha)
je weg
וְלָקַחְתָּ֤
(velaqachta)
en je zult nemen
אִשָּׁה֙
(isha)
een vrouw
לִבְנִ֔י
(livni)
voor mijn zoon
מִמִּשְׁפַּחְתִּ֖י
(mimishpachti)
uit mijn familie
וּמִבֵּ֥ית
(umibeit)
en uit het huis van
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

התהלכתי לפניו (hithalakhti lefanav), ‘voor wiens aangezicht ik gewandeld heb’: leven in Yahwehs nabijheid en gehoorzaamheid (zie 5:22; 6:9; 17:1).

41Dan ben je vrij van mijn eed, wanneer je bij mijn familie komt. Als zij haar niet aan je geven, ben je vrij van mijn eed.’
אָ֤ז
(az)
dan
תִּנָּקֶה֙
(tinaqe)
zul je vrij zijn
מֵאָ֣לָתִ֔י
(mealati)
van mijn eed
כִּ֥י
(ki)
want
תָב֖וֹא
(tavo)
je zult komen
אֶל
(el)
naar
מִשְׁפַּחְתִּ֑י
(mishpachti)
mijn familie
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֤א
(lo)
niet
יִתְּנוּ֙
(yitenu)
zij zullen geven
לָ֔ךְ
(lakh)
aan je
וְהָיִ֥יתָ
(vehayita)
dan zul je zijn
נָקִ֖י
(naqi)
vrij
מֵאָלָתִֽי
(mealati)
van mijn eed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42Vandaag kwam ik bij de bron en zei: ‘Yahweh, Elohim van mijn heer Abraham, als U mijn reis toch wilt laten slagen, de reis die ik nu maak —
וָאָבֹ֥א
(vaavo)
en ik kwam
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
אֶל
(el)
naar
הָעָ֑יִן
(haayin)
de bron
וָאֹמַ֗ר
(vaomar)
en ik zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
Elohim van
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
אִם
(im)
als
יֶשְׁךָ
(yeshkha)
U bent
נָּא֙
(na)
toch
מַצְלִ֣יחַ
(matsliach)
die laat slagen
דַּרְכִּ֔י
(darki)
mijn weg
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarop
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
הֹלֵ֥ךְ
(holekh)
gaande
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
daarop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43zie, ik sta bij de waterbron. Laat het zo zijn: het jonge meisje dat naar buiten komt om te putten en tegen wie ik zeg: „Geef mij toch een slokje water uit je kruik”,
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
נִצָּ֖ב
(nitsav)
staand
עַל
(al)
bij
עֵ֣ין
(ein)
bron van
הַמָּ֑יִם
(hamayim)
het water
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het zal zijn
הָֽעַלְמָה֙
(haalma)
het jonge meisje
הַיֹּצֵ֣את
(hayotset)
degene die uitgaat
לִשְׁאֹ֔ב
(lishov)
om te putten
וְאָמַרְתִּ֣י
(veamarti)
en ik zal zeggen
אֵלֶ֔יהָ
(eleiha)
tot haar
הַשְׁקִֽינִי
(hashqini)
geef mij te drinken
נָ֥א
(na)
toch
מְעַט
(meat)
een beetje
מַ֖יִם
(mayim)
water
מִכַּדֵּֽךְ
(mikadekh)
uit je kruik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

העלמה (ha’almah), ‘het jonge meisje’: een jonge vrouw van huwbare leeftijd.

In vers 16 staat betulah, ‘maagd’.

44en dat tegen mij zegt: „Drink zelf ook, en ook voor uw kamelen zal ik putten” — laat dat de vrouw zijn die Yahweh voor de zoon van mijn heer bestemd heeft.’
וְאָמְרָ֤ה
(veamera)
en ze zal zeggen
אֵלַי֙
(elay)
tot mij
גַּם
(gam)
ook
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
שְׁתֵ֔ה
(shete)
drink
וְגַ֥ם
(vegam)
en ook
לִגְמַלֶּ֖יךָ
(ligmaleikha)
voor uw kamelen
אֶשְׁאָ֑ב
(eshav)
zal ik putten
הִ֣וא
(hi)
zij
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֹכִ֥יחַ
(hokhiach)
Hij heeft bestemd
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְבֶן
(leven)
voor de zoon van
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
45Ik had nog niet uitgesproken in mijn hart, of zie, Rebekka kwam naar buiten, met haar kruik op haar schouder. Ze daalde af naar de bron en putte. Ik zei tegen haar: ‘Geef mij toch te drinken.’
אֲנִי֩
(ani)
ik
טֶ֨רֶם
(terem)
nog niet
אֲכַלֶּ֜ה
(akhale)
had geëindigd
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
te spreken
אֶל
(el)
tot
לִבִּ֗י
(libi)
mijn hart
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
רִבְקָ֤ה
(rivqa)
Rebekka
יֹצֵאת֙
(yotset)
komend uit
וְכַדָּ֣הּ
(vekhadah)
met haar kruik
עַל
(al)
op
שִׁכְמָ֔הּ
(shikhmah)
haar schouder
וַתֵּ֥רֶד
(vatered)
en ze daalde af
הָעַ֖יְנָה
(haayna)
naar de bron
וַתִּשְׁאָ֑ב
(vatishav)
en ze putte
וָאֹמַ֥ר
(vaomar)
en ik zei
אֵלֶ֖יהָ
(eleiha)
tot haar
הַשְׁקִ֥ינִי
(hashqini)
geef mij te drinken
נָֽא
(na)
toch
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לדבר אל לבי (ledabber el libbi), ‘spreken tot mijn hart’: in stilte bidden, in gedachten (zie 1 Samuël 1:13).

46Snel liet ze haar kruik van zich af zakken en zei: ‘Drink, en ook uw kamelen zal ik te drinken geven.’ Ik dronk, en ze gaf ook de kamelen te drinken.
וַתְּמַהֵ֗ר
(vatemaher)
en ze haastte zich
וַתּ֤וֹרֶד
(vatored)
en ze liet zakken
כַּדָּהּ֙
(kadah)
haar kruik
מֵֽעָלֶ֔יהָ
(mealeiha)
van zich af
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
שְׁתֵ֔ה
(shete)
drink
וְגַם
(vegam)
en ook
גְּמַלֶּ֖יךָ
(gemaleikha)
uw kamelen
אַשְׁקֶ֑ה
(ashqe)
zal ik laten drinken
וָאֵ֕שְׁתְּ
(vaesht)
en ik dronk
וְגַ֥ם
(vegam)
en ook
הַגְּמַלִּ֖ים
(hagemalim)
de kamelen
הִשְׁקָֽתָה
(hishqata)
ze liet drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
47Ik vroeg haar: ‘Wiens dochter ben je?’ Ze zei: ‘De dochter van Betuël, de zoon van Nachor, die Milka aan hem heeft gebaard.’ Toen deed ik de neusring aan haar neus en de armbanden om haar armen.
וָאֶשְׁאַ֣ל
(vaeshal)
en ik vroeg
אֹתָ֗הּ
(otah)
haar
וָאֹמַר֮
(vaomar)
en ik zei
בַּת
(bat)
dochter van
מִ֣י
(mi)
wie
אַתְּ֒
(at)
ben jij
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en ze zei
בַּת
(bat)
dochter van
בְּתוּאֵל֙
(betuel)
Betuël
בֶּן
(ben)
zoon van
נָח֔וֹר
(nachor)
Nachor
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָֽלְדָה
(yaleda)
ze baarde
לּ֖וֹ
(lo)
aan hem
מִלְכָּ֑ה
(milka)
Milka
וָאָשִׂ֤ם
(vaasim)
en ik legde
הַנֶּ֨זֶם֙
(hanezem)
de ring
עַל
(al)
op
אַפָּ֔הּ
(apah)
haar neus
וְהַצְּמִידִ֖ים
(vehatsemidim)
en de armbanden
עַל
(al)
op
יָדֶֽיהָ
(yadeiha)
haar handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
48Ik boog mijn hoofd, wierp me neer voor Yahweh en zegende Yahweh, de Elohim van mijn heer Abraham, die mij op een betrouwbare weg heeft geleid om de dochter van de broer van mijn heer voor zijn zoon te nemen.
וָאֶקֹּ֥ד
(vaeqod)
en ik boog
וָֽאֶשְׁתַּחֲוֶ֖ה
(vaeshtachave)
en ik wierp me neer
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וָאֲבָרֵ֗ךְ
(vaavarekh)
en ik zegende
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
Elohim van
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הִנְחַ֨נִי֙
(hinchani)
heeft geleid mij
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op een weg van
אֱמֶ֔ת
(emet)
waarheid
לָקַ֛חַת
(laqachat)
om te nemen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בַּת
(bat)
dochter van
אֲחִ֥י
(achi)
broer van
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
לִבְנֽוֹ
(livno)
voor zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
49Vertel mij nu: als u trouw en betrouwbaarheid aan mijn heer wilt bewijzen, vertel het mij. En zo niet, vertel het mij ook, dan kan ik mij naar rechts of naar links wenden.”
וְ֠עַתָּה
(veata)
en nu
אִם
(im)
als
יֶשְׁכֶ֨ם
(yeshkhem)
bent u
עֹשִׂ֜ים
(osim)
doende
חֶ֧סֶד
(chesed)
trouw
וֶֽאֱמֶ֛ת
(veemet)
en betrouwbaarheid
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
הַגִּ֣ידוּ
(hagidu)
vertel
לִ֑י
(li)
mij
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֕א
(lo)
niet
הַגִּ֣ידוּ
(hagidu)
vertel
לִ֔י
(li)
mij
וְאֶפְנֶ֥ה
(veefne)
en ik zal me wenden
עַל
(al)
naar
יָמִ֖ין
(yamin)
rechts
א֥וֹ
(o)
of
עַל
(al)
naar
שְׂמֹֽאל
(semol)
links
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ואפנה על ימין או על שׂמאל (ve’ifneh al yamin o al semol), ‘dan kan ik mij naar rechts of naar links wenden’: dan zoek ik elders verder.

Rebekka's toestemming

50Laban en Betuël antwoordden: „Van Yahweh is deze zaak uitgegaan. Wij kunnen u niets zeggen, geen kwaad en geen goed.
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
לָבָ֤ן
(lavan)
Laban
וּבְתוּאֵל֙
(uvetuel)
en Betuël
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en ze zeiden
מֵיְהוָ֖ה
(meYahweh)
van Yahweh
יָצָ֣א
(yatsa)
is uitgegaan
הַדָּבָ֑ר
(hadavar)
de zaak
לֹ֥א
(lo)
niet
נוּכַ֛ל
(nukhal)
kunnen wij
דַּבֵּ֥ר
(daber)
spreken
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot u
רַ֥ע
(ra)
kwaad
אוֹ
(o)
of
טֽוֹב
(tov)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מיהוה יצא הדבר (meYHWH yatsa hadavar), ‘van Yahweh is deze zaak uitgegaan’: Laban en Betuël erkennen Yahwehs leiding.

51Zie, Rebekka staat voor u. Neem haar mee en ga. Laat haar de vrouw worden van de zoon van uw heer, zoals Yahweh gesproken heeft.”
הִנֵּֽה
(hine)
zie
רִבְקָ֥ה
(rivqa)
Rebekka
לְפָנֶ֖יךָ
(lefaneikha)
voor u
קַ֣ח
(qach)
neem
וָלֵ֑ךְ
(valekh)
en ga
וּתְהִ֤י
(utehi)
en laat zijn
אִשָּׁה֙
(isha)
vrouw
לְבֶן
(leven)
voor de zoon van
אֲדֹנֶ֔יךָ
(adoneikha)
uw heer
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
52Toen de dienaar van Abraham hun woorden hoorde, wierp hij zich op de grond neer voor Yahweh.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
toen
שָׁמַ֛ע
(shama)
hoorde
עֶ֥בֶד
(eved)
dienaar van
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דִּבְרֵיהֶ֑ם
(divreihem)
hun woorden
וַיִּשְׁתַּ֥חוּ
(vayishtachu)
en hij wierp zich neer
אַ֖רְצָה
(artsa)
naar de grond
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
53De dienaar haalde zilveren en gouden voorwerpen en kleren tevoorschijn en gaf ze aan Rebekka. Ook aan haar broer en haar moeder gaf hij kostbare geschenken.
וַיּוֹצֵ֨א
(vayotse)
en hij bracht tevoorschijn
הָעֶ֜בֶד
(haeved)
de dienaar
כְּלֵי
(kelei)
voorwerpen van
כֶ֨סֶף
(kesef)
zilver
וּכְלֵ֤י
(ukhelei)
en voorwerpen van
זָהָב֙
(zahav)
goud
וּבְגָדִ֔ים
(uvegadim)
en kleren
וַיִּתֵּ֖ן
(vayiten)
en hij gaf
לְרִבְקָ֑ה
(lerivqa)
aan Rebekka
וּמִ֨גְדָּנֹ֔ת
(umigdanot)
en kostbaarheden
נָתַ֥ן
(natan)
hij gaf
לְאָחִ֖יהָ
(leachiha)
aan haar broer
וּלְאִמָּֽהּ
(uleimah)
en aan haar moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ומגדנת (migdanot), ‘kostbare geschenken’: dure gaven voor de broer en de moeder, de bruidsgave.

54Hij en de mannen die bij hem waren, aten en dronken en bleven daar de nacht over. 's Morgens stonden ze op, en hij zei: „Laat mij gaan naar mijn heer.”
וַיֹּאכְל֣וּ
(vayokhlu)
en ze aten
וַיִּשְׁתּ֗וּ
(vayishtu)
en ze dronken
ה֛וּא
(hu)
hij
וְהָאֲנָשִׁ֥ים
(vehaanashim)
en de mannen
אֲשֶׁר
(asher)
die
עִמּ֖וֹ
(imo)
met hem
וַיָּלִ֑ינוּ
(vayalinu)
en ze overnachtten
וַיָּק֣וּמוּ
(vayaqumu)
en ze stonden op
בַבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שַׁלְּחֻ֥נִי
(shalechuni)
laat mij gaan
לַֽאדֹנִֽי
(ladoni)
naar mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
55Haar broer en haar moeder zeiden: „Laat het meisje nog enige tijd bij ons blijven, een dag of tien. Daarna kan ze gaan.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אָחִ֨יהָ֙
(achiha)
haar broer
וְאִמָּ֔הּ
(veimah)
en haar moeder
תֵּשֵׁ֨ב
(teshev)
laat blijven
הַנַּעֲרָ֥
(hanaara)
het meisje
אִתָּ֛נוּ
(itanu)
bij ons
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
א֣וֹ
(o)
of
עָשׂ֑וֹר
(asor)
tien
אַחַ֖ר
(achar)
daarna
תֵּלֵֽךְ
(telekh)
zal ze gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ימים או עשׂור (yamim o asor), ‘dagen of tien’: de uitdrukking is onduidelijk.

Yamim kan ‘enkele dagen’ zijn, maar ook ‘een jaar’ (zie Lev. 25:29), en asor kan ‘tien dagen’ of ‘tien maanden’ bedoelen.

Lezing

Lezing: hier gelezen als ‘een dag of tien’.

56Hij zei tegen hen: „Houd mij niet op, nu Yahweh mijn reis heeft laten slagen. Laat mij gaan, zodat ik naar mijn heer kan.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tot hen
אַל
(al)
niet
תְּאַחֲר֣וּ
(teacharu)
houd op
אֹתִ֔י
(oti)
mij
וַֽיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
הִצְלִ֣יחַ
(hitsliach)
heeft laten slagen
דַּרְכִּ֑י
(darki)
mijn weg
שַׁלְּח֕וּנִי
(shalechuni)
laat mij gaan
וְאֵלְכָ֖ה
(veelekha)
dat ik ga
לַֽאדֹנִֽי
(ladoni)
naar mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
57Ze zeiden: „Laten we het meisje roepen en haar zelf vragen.”
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en ze zeiden
נִקְרָ֣א
(niqra)
laten we roepen
לַֽנַּעֲרָ֑
(lanaara)
het meisje
וְנִשְׁאֲלָ֖ה
(venishala)
en laten we vragen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פִּֽיהָ
(piha)
haar mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
58Ze riepen Rebekka en zeiden tegen haar: „Ga je met deze man mee?” Ze zei: „Ik ga.”
וַיִּקְרְא֤וּ
(vayiqreu)
en ze riepen
לְרִבְקָה֙
(lerivqa)
Rebekka
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en ze zeiden
אֵלֶ֔יהָ
(eleiha)
tot haar
הֲתֵלְכִ֖י
(hatelekhi)
ga je
עִם
(im)
met
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַתֹּ֖אמֶר
(vatomer)
en ze zei
אֵלֵֽךְ
(elekh)
ik ga
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
59Zo lieten ze hun zus Rebekka gaan, met haar min, met de dienaar van Abraham en met zijn mannen.
וַֽיְשַׁלְּח֛וּ
(vayshalechu)
en ze lieten gaan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רִבְקָ֥ה
(rivqa)
Rebekka
אֲחֹתָ֖ם
(achotam)
hun zus
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
מֵנִקְתָּ֑הּ
(meniqtah)
haar min
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
עֶ֥בֶד
(eved)
dienaar van
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אֲנָשָֽׁיו
(anashav)
zijn mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מנקתה (menigtah), ‘haar min’: de verzorgster van Rebekka, Debora (zie 35:8).

Aanvullend

Jasher 24:42 noemt Debora, de dochter van Us, en zegt dat Rebekka zilver, goud en dienaren meekreeg.

60Ze zegenden Rebekka en zeiden tegen haar: „Onze zus, word duizenden maal tienduizend. Moge je nageslacht de poort van zijn haters in bezit nemen.”
וַיְבָרֲכ֤וּ
(vayvarakhu)
en ze zegenden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רִבְקָה֙
(rivqa)
Rebekka
וַיֹּ֣אמְרוּ
(vayomru)
en ze zeiden
לָ֔הּ
(lah)
tot haar
אֲחֹתֵ֕נוּ
(achotenu)
onze zus
אַ֥תְּ
(at)
jij
הֲיִ֖י
(hayi)
word
לְאַלְפֵ֣י
(lealfei)
tot duizenden van
רְבָבָ֑ה
(revava)
tienduizendtallen
וְיִירַ֣שׁ
(veyirash)
en laat in bezit nemen
זַרְעֵ֔ךְ
(zarekh)
je nageslacht
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
שַׁ֥עַר
(shaar)
poort van
שֹׂנְאָֽיו
(soneav)
zijn haters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לאלפי רבבה (le’alfe revavah), ‘duizenden van tienduizendtallen’: een zegen met veel nakomelingen (zie 22:17; 15:5).

את שׁער שׂנאיו (shaar sone’av), ‘de poort van zijn haters’: dezelfde woorden als in 22:17.

61Rebekka stond op met haar meisjes. Ze stegen op de kamelen en volgden de man. De dienaar nam Rebekka mee en vertrok.
וַתָּ֨קָם
(vataqam)
en ze stond op
רִבְקָ֜ה
(rivqa)
Rebekka
וְנַעֲרֹתֶ֗יהָ
(venaaroteiha)
en haar meisjes
וַתִּרְכַּ֨בְנָה֙
(vatirkavna)
en ze besteeg
עַל
(al)
op
הַגְּמַלִּ֔ים
(hagemalim)
de kamelen
וַתֵּלַ֖כְנָה
(vatelakhna)
en ze gingen
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
הָאִ֑ישׁ
(haish)
de man
וַיִּקַּ֥ח
(vayiqach)
en hij nam
הָעֶ֛בֶד
(haeved)
de dienaar
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רִבְקָ֖ה
(rivqa)
Rebekka
וַיֵּלַֽךְ
(vayelakh)
en hij ging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Isaak en Rebekka

62Isaak kwam uit de richting van Beër-Lachai-Roï. Hij woonde namelijk in het land van de Negev.
וְיִצְחָק֙
(veyitschaq)
en Isaak
בָּ֣א
(ba)
hij was gekomen
מִבּ֔וֹא
(mibo)
van de komst naar
בְּאֵ֥ר
(beer)
bron van
לַחַ֖י
(lachay)
Lachai
רֹאִ֑י
(roi)
Roï
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
wonend
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
הַנֶּֽגֶב
(hanegev)
de Negev
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

באר לחי ראי (be’er lachay ro’i), ‘Beër-Lachai-Roï’: de bron waar Hagar Yahweh zag (zie 16:14; 25:11).

De bron lag in de Negev, bij Kades, maar de precieze ligging is onzeker (zie 16:14).

Uitleg

מבוא (mevo), ‘van het komen naar’: de woorden kunnen ook ‘uit de richting van’ betekenen.

De Negev is het dorre zuiden van Kanaän (zie 12:9; 20:1).

63Tegen de avond was Isaak naar buiten gegaan om in het veld te mediteren. Hij keek op en zag kamelen naderen.
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en hij ging uit
יִצְחָ֛ק
(yitschaq)
Isaak
לָשׂ֥וּחַ
(lasuach)
om te mediteren
בַּשָּׂדֶ֖ה
(basade)
in het veld
לִפְנ֣וֹת
(lifnot)
tegen het keren van
עָ֑רֶב
(arev)
avond
וַיִּשָּׂ֤א
(vayisa)
en hij sloeg op
עֵינָיו֙
(einav)
zijn ogen
וַיַּ֔רְא
(vayar)
en hij zag
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
גְמַלִּ֖ים
(gemalim)
kamelen
בָּאִֽים
(baim)
komend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לשׂוח (lasuach), ‘mediteren’: een woord dat alleen hier voorkomt; de betekenis is onzeker.

Vertalingen kiezen ‘mediteren, nadenken’ of ‘wandelen’.

Lezing

Lezing: hier gelezen als ‘mediteren’.

64Rebekka keek op en zag Isaak. Ze liet zich van de kameel glijden.
וַתִּשָּׂ֤א
(vatisa)
en ze sloeg op
רִבְקָה֙
(rivqa)
Rebekka
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֵינֶ֔יהָ
(eineiha)
haar ogen
וַתֵּ֖רֶא
(vatere)
en ze zag
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יִצְחָ֑ק
(yitschaq)
Isaak
וַתִּפֹּ֖ל
(vatipol)
en ze viel
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
הַגָּמָֽל
(hagamal)
de kameel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ותפל (vatipol), ‘ze viel’: het werkwoord betekent ‘vallen’; Rebekka stijgt haastig en uit eerbied af.

65Ze zei tegen de dienaar: „Wie is die man die ons in het veld tegemoet loopt?” De dienaar zei: „Dat is mijn heer.” Toen nam ze haar sluier en bedekte zich.
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
אֶל
(el)
tot
הָעֶ֗בֶד
(haeved)
de dienaar
מִֽי
(mi)
wie
הָאִ֤ישׁ
(haish)
de man
הַלָּזֶה֙
(halaze)
die daar
הַהֹלֵ֤ךְ
(haholekh)
die wandelt
בַּשָּׂדֶה֙
(basade)
in het veld
לִקְרָאתֵ֔נוּ
(liqratenu)
ons tegemoet
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הָעֶ֖בֶד
(haeved)
de dienaar
ה֣וּא
(hu)
hij
אֲדֹנִ֑י
(adoni)
mijn heer
וַתִּקַּ֥ח
(vatiqach)
en ze nam
הַצָּעִ֖יף
(hatsaif)
de sluier
וַתִּתְכָּֽס
(vatitkas)
en ze bedekte zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הצעיף (hatsa’if), ‘de sluier’: Rebekka bedekt zich bij de eerste ontmoeting met haar bruidegom (zie 38:14).

66De dienaar vertelde Isaak alles wat hij gedaan had.
וַיְסַפֵּ֥ר
(vaysaper)
en hij vertelde
הָעֶ֖בֶד
(haeved)
de dienaar
לְיִצְחָ֑ק
(leyitschaq)
aan Isaak
אֵ֥ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de dingen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשָֽׂה
(asa)
hij had gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookMar 6:30
67Isaak bracht haar in de tent van zijn moeder Sarah. Hij nam Rebekka, zij werd zijn vrouw, en hij hield van haar. Zo vond Isaak troost na de dood van zijn moeder.
וַיְבִאֶ֣הָ
(vayvieha)
en hij bracht haar
יִצְחָ֗ק
(yitschaq)
Isaak
הָאֹ֨הֱלָה֙
(haohela)
naar de tent
שָׂרָ֣ה
(sara)
Sarah
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
וַיִּקַּ֧ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רִבְקָ֛ה
(rivqa)
Rebekka
וַתְּהִי
(vatehi)
en ze werd
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
לְאִשָּׁ֖ה
(leisha)
tot vrouw
וַיֶּאֱהָבֶ֑הָ
(vayeehaveha)
en hij hield van haar
וַיִּנָּחֵ֥ם
(vayinachem)
en hij werd getroost
יִצְחָ֖ק
(yitschaq)
Isaak
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
na
אִמּֽוֹ
(imo)
zijn moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׂרה אמו (Sarah immo), ‘Sarah, zijn moeder’: Rebekka neemt Sarahs plaats in de tent in.

Isaak was 37 toen Sarah stierf (zie 23:1) en 40 toen hij trouwde (zie 25:20).

Aanvullend

Jasher 24:44–45 zegt dat Isaak haar in de tent bracht en veertig jaar oud was.

Jubileeën 19:10 noemt het huwelijk kort.