Elohim Bijbel

2 Samuël 20

123456789101112131415161718192021222324

De opstand van Sjeba en de dood van Amasa

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Sjeba zet Israël aan tot opstand

1Daar bevond zich toevallig een man van Belial, Sjeba genaamd, de zoon van Bichri, een Benjaminiet. Hij blies op de ramshoorn en zei: „Wij hebben geen deel aan David, geen erfdeel aan de zoon van Isaï. Ieder naar zijn tenten, Israël!”
וְשָׁ֨ם
(vesham)
en daar
נִקְרָ֜א
(niqra)
werd toevallig genoemd
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
בְּלִיַּ֗עַל
(beliyaal)
Belial
וּשְׁמ֛וֹ
(ushemo)
en zijn naam
שֶׁ֥בַע
(sheva)
Sjeba
בֶּן
(ben)
zoon van
בִּכְרִ֖י
(bikhri)
Bichri
אִ֣ישׁ
(ish)
man
יְמִינִ֑י
(yemini)
Benjaminiet
וַיִּתְקַ֣ע
(vayitqa)
en hij blies
בַּשֹּׁפָ֗ר
(bashofar)
op de ramshoorn
וַ֠יֹּאמֶר
(vayomer)
en zei
אֵֽין
(ein)
niet is
לָ֨נוּ
(lanu)
voor ons
חֵ֜לֶק
(cheleq)
deel
בְּדָוִ֗ד
(bedavid)
in David
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
נַֽחֲלָה
(nachala)
erfdeel
לָ֨נוּ֙
(lanu)
voor ons
בְּבֶן
(beven)
in de zoon van
יִשַׁ֔י
(yishay)
Isaï
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לְאֹהָלָ֖יו
(leohalav)
naar zijn tenten
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

Uitleg

בְּלִיַּעַל (beliyya’al), ‘Belial’: ‘waardeloos’ of ‘slecht’.

‘Man van Belial’ is een man die zich van elke vaste regel heeft losgemaakt.

Zo ook in Richt. 19:22.

וְשָׁם נִקְרָא (vesjam niqra), ‘daar bevond zich toevallig’: letterlijk ‘en daar werd genoemd’. De schrijver stelt de man even voor.

אִישׁ לְאֹהָלָיו (ish le’ohalav), ‘ieder naar zijn tenten’: een oude kreet voor het uiteengaan van het volk. Zie ook 1 Kon. 12:16.

2Heel Israël trok weg van David, achter Sjeba, de zoon van Bichri, aan. Maar de mannen van Juda bleven hun koning trouw, van de Jordaan tot Jeruzalem.
וַיַּ֜עַל
(vayaal)
en trok weg
כָּל
(kal)
alle
אִ֤ישׁ
(ish)
man van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מֵאַחֲרֵ֣י
(meacharei)
van achter
דָוִ֔ד
(david)
David
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
שֶׁ֣בַע
(sheva)
Sjeba
בֶּן
(ben)
zoon van
בִּכְרִ֑י
(bikhri)
Bichri
וְאִ֤ישׁ
(veish)
en man van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
דָּבְק֣וּ
(davequ)
bleven trouw
בְמַלְכָּ֔ם
(bemalkam)
aan hun koning
מִן
(min)
van
הַיַּרְדֵּ֖ן
(hayarden)
de Jordaan
וְעַד
(vead)
en tot
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

דָּבְקוּ (davqu), ‘trouw blijven’: letterlijk ‘kleven aan’.

Zie ook Gen. 2:24.

David en de tien bijvrouwen

3David kwam in zijn huis in Jeruzalem. De koning nam de tien bijvrouwen die hij had achtergelaten om het huis te bewaken. Hij zette hen in een huis onder bewaking en onderhield hen. Maar hij ging niet bij hen in. Zij bleven opgesloten tot de dag van hun dood, weduwen bij leven.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en kwam
דָוִ֣ד
(david)
David
אֶל
(el)
naar
בֵּיתוֹ֮
(beito)
zijn huis
יְרֽוּשָׁלִַם֒
(yerushaliam)
Jeruzalem
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
הַמֶּ֡לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
עֶֽשֶׂר
(eser)
tien
נָשִׁ֣ים
(nashim)
vrouwen
פִּלַגְשִׁ֡ים
(pilagshim)
bijvrouwen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הִנִּיחַ֩
(hiniach)
had achtergelaten
לִשְׁמֹ֨ר
(lishmor)
om te bewaken
הַבַּ֜יִת
(habayit)
het huis
וַֽיִּתְּנֵ֤ם
(vayitenem)
en zette hen
בֵּית
(beit)
in een huis van
מִשְׁמֶ֨רֶת֙
(mishmeret)
bewaking
וַֽיְכַלְכְּלֵ֔ם
(vaykhalkelem)
en onderhield hen
וַאֲלֵיהֶ֖ם
(vaaleihem)
en tot hen
לֹא
(lo)
niet
בָ֑א
(ba)
ging hij in
וַתִּהְיֶ֧ינָה
(vatihyeina)
en zij waren
צְרֻר֛וֹת
(tserurot)
opgesloten
עַד
(ad)
tot
י֥וֹם
(yom)
de dag van
מֻתָ֖ן
(mutan)
hun dood
אַלְמְנ֥וּת
(almenut)
weduwen
חַיּֽוּת
(chayut)
levend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

David had deze tien bijvrouwen achtergelaten toen hij vluchtte (2 Sam. 15:16).

Absalom ging voor de ogen van heel Israël naar hen toe (2 Sam. 16:21–22).

אַלְמָנוֹת חַיּוּת (almanot chayyut), ‘weduwen bij leven’: zij leven verder, maar zonder man.

Amasa wordt te laat

4De koning zei tegen Amasa: „Roep de mannen van Juda voor mij op, binnen drie dagen. En wees jij dan hier aanwezig.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
עֲמָשָׂ֔א
(amasa)
Amasa
הַזְעֶק
(hazeq)
roep op
לִ֥י
(li)
voor mij
אֶת
(et)
(obj.)
אִישׁ
(ish)
man van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
פֹּ֥ה
(po)
hier
עֲמֹֽד
(amod)
sta
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Amasa ging Juda oproepen. Maar hij bleef langer weg dan de tijd die hem was gesteld.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
עֲמָשָׂ֖א
(amasa)
Amasa
לְהַזְעִ֣יק
(lehaziq)
om op te roepen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיּ֕וֹחֶר
(vayocher)
en bleef te lang weg
מִן
(min)
van
הַמּוֹעֵ֖ד
(hamoed)
de tijd
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יְעָדֽוֹ
(yeado)
hij hem had gesteld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De tekst schrijft (ketiv) וַיֵּחַר, maar leest (qere) וַיּוֹחֶר.

Beide vormen betekenen ‘hij bleef achter’.

Wij vertalen ‘hij bleef langer weg’.

David stuurt Abisai en Joab achter Sjeba aan

6David zei tegen Abisai: „Nu zal Sjeba, de zoon van Bichri, ons meer kwaad doen dan Absalom. Neem jij de dienaren van je heer en zet hem na. Anders vindt hij versterkte steden en onttrekt hij zich aan ons oog.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִד֙
(david)
David
אֶל
(el)
tot
אֲבִישַׁ֔י
(avishay)
Abisai
עַתָּ֗ה
(ata)
nu
יֵ֧רַֽע
(yera)
zal kwaad doen
לָ֛נוּ
(lanu)
aan ons
שֶׁ֥בַע
(sheva)
Sjeba
בֶּן
(ben)
zoon van
בִּכְרִ֖י
(bikhri)
Bichri
מִן
(min)
meer dan
אַבְשָׁל֑וֹם
(avshalom)
Absalom
אַ֠תָּה
(ata)
jij
קַ֞ח
(qach)
neem
אֶת
(et)
(obj.)
עַבְדֵ֤י
(avdei)
dienaren van
אֲדֹנֶ֨יךָ֙
(adoneikha)
je heer
וּרְדֹ֣ף
(uredof)
en zet na
אַחֲרָ֔יו
(acharav)
hem
פֶּן
(pen)
opdat niet
מָ֥צָא
(matsa)
hij vindt
ל֛וֹ
(lo)
voor zich
עָרִ֥ים
(arim)
steden
בְּצֻר֖וֹת
(betsurot)
versterkte
וְהִצִּ֥יל
(vehitsil)
en zich onttrekt aan
עֵינֵֽנוּ
(einenu)
ons oog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

Uitleg

‘De dienaren van je heer’: David noemt zichzelf ‘je heer’.

Het zijn zijn eigen mannen.

7Achter hem aan trokken de mannen van Joab uit, met de Kerethieten, de Pelethieten en alle helden. Zij trokken uit Jeruzalem om Sjeba, de zoon van Bichri, na te zetten.
וַיֵּצְא֤וּ
(vayetseu)
en trokken uit
אַֽחֲרָיו֙
(acharav)
achter hem
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
וְהַכְּרֵתִ֥י
(vehakereti)
en de Kerethieten
וְהַפְּלֵתִ֖י
(vehapeleti)
en de Pelethieten
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַגִּבֹּרִ֑ים
(hagiborim)
de helden
וַיֵּֽצְאוּ֙
(vayetseu)
en zij trokken uit
מִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(mirushaliam)
uit Jeruzalem
לִרְדֹּ֕ף
(lirdof)
om na te zetten
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
שֶׁ֥בַע
(sheva)
Sjeba
בֶּן
(ben)
zoon van
בִּכְרִֽי
(bikhri)
Bichri
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

Uitleg

הַכְּרֵתִי וְהַפְּלֵתִי (hakkerethi vehappelethi), ‘de Kerethieten en de Pelethieten’: de lijfwacht van David (2 Sam. 8:18).

De herkomst van de namen is onzeker.

Joab doodt Amasa

8Zij waren bij de grote steen die in Gibeon staat. Amasa kwam hun tegemoet. Joab was gekleed in zijn eigen kleed, en daaroverheen had hij een zwaard omgord, vastgemaakt aan zijn heupen, in zijn schede. Toen hij naar voren kwam, viel het eruit.
הֵ֗ם
(hem)
zij
עִם
(im)
bij
הָאֶ֤בֶן
(haeven)
de steen
הַגְּדוֹלָה֙
(hagedola)
de grote
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּגִבְע֔וֹן
(begivon)
in Gibeon
וַעֲמָשָׂ֖א
(vaamasa)
en Amasa
בָּ֣א
(ba)
kwam
לִפְנֵיהֶ֑ם
(lifneihem)
voor hen uit
וְיוֹאָ֞ב
(veyoav)
en Joab
חָג֣וּר
(chagur)
omgord
מִדּ֣וֹ
(mido)
zijn kleed
לְבֻשׁ֗וּ
(levushu)
zijn kleding
וְעָלָ֞יו
(vealav)
en daarover
חֲג֥וֹר
(chagor)
omgord
חֶ֨רֶב֙
(cherev)
zwaard
מְצֻמֶּ֤דֶת
(metsumedet)
vastgemaakt
עַל
(al)
aan
מָתְנָיו֙
(matenav)
zijn heupen
בְּתַעְרָ֔הּ
(betarah)
in zijn schede
וְה֥וּא
(vehu)
en dit
יָצָ֖א
(yatsa)
kwam naar voren
וַתִּפֹּֽל
(vatipol)
en viel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gibeon ligt bij het huidige el-Jib, ten noorden van Jeruzalem, op de Westelijke Jordaanoever (Joz. 9:3).

Uitleg

מִדּוֹ לְבֻשׁוֹ (maddo levusjo), ‘zijn kleed, zijn kleding’: het Hebreeuws noemt het kleed en de kleding naast elkaar.

Wij vertalen ‘gekleed in zijn eigen kleed’.

תַּעַר (ta’ar), ‘schede’: de huls van het zwaard.

Lezing

Het slot (‘en dit kwam naar voren en viel’) is onduidelijk.

Wij vertalen: toen Joab naar voren kwam, viel het zwaard uit de schede.

In vers 10 heeft Joab het zwaard in zijn hand.

9Joab zei tegen Amasa: „Is het goed met je, mijn broer?” Met zijn rechterhand greep Joab Amasa bij de baard om hem te kussen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
לַעֲמָשָׂ֔א
(laamasa)
tegen Amasa
הֲשָׁל֥וֹם
(hashalom)
is het goed
אַתָּ֖ה
(ata)
met jou
אָחִ֑י
(achi)
mijn broer
וַתֹּ֜חֶז
(vatochez)
en greep
יַד
(yad)
hand
יְמִ֥ין
(yemin)
rechter
יוֹאָ֛ב
(yoav)
Joab
בִּזְקַ֥ן
(bizqan)
de baard van
עֲמָשָׂ֖א
(amasa)
Amasa
לִנְשָׁק
(linshaq)
om te kussen
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֲשָׁלוֹם אַתָּה (hasjalom attah), ‘Is het goed met je?’: letterlijk ‘Is het vrede, jij?’

Een kus op de wang of de baard was een groet.

10Amasa had niet gelet op het zwaard dat in Joabs hand was. Joab stootte hem daarmee in de buik, zodat zijn ingewanden op de grond uitstroomden. Hij hoefde hem niet een tweede keer te slaan. Zo stierf hij. Joab en zijn broer Abisai zetten Sjeba, de zoon van Bichri, na.
וַעֲמָשָׂ֨א
(vaamasa)
en Amasa
לֹֽא
(lo)
niet
נִשְׁמַ֜ר
(nishmar)
had gelet
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
op het zwaard
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
יוֹאָ֗ב
(yoav)
Joab
וַיַּכֵּהוּ֩
(vayakehu)
en hij stootte hem
בָ֨הּ
(bah)
daarmee
אֶל
(el)
in
הַחֹ֜מֶשׁ
(hachomesh)
de vijfde
וַיִּשְׁפֹּ֨ךְ
(vayishpokh)
en stortte uit
מֵעָ֥יו
(meav)
zijn ingewanden
אַ֛רְצָה
(artsa)
ter aarde
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁ֥נָה
(shana)
herhaalde hij
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
וַיָּמֹ֑ת
(vayamot)
en hij stierf
וְיוֹאָב֙
(veyoav)
en Joab
וַאֲבִישַׁ֣י
(vaavishay)
en Abisai
אָחִ֔יו
(achiv)
zijn broer
רָדַ֕ף
(radaf)
zetten na
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
שֶׁ֥בַע
(sheva)
Sjeba
בֶּן
(ben)
zoon van
בִּכְרִֽי
(bikhri)
Bichri
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

Uitleg

הַחֹמֶשׁ (hachomesh), ‘de buik’: letterlijk ‘de vijfde’, waarschijnlijk de vijfde rib.

Zie ook 2 Sam. 2:23 en 3:27.

11Een van de jongens van Joab bleef bij Amasa staan en zei: „Wie Joab goedgezind is en wie bij David hoort, volge Joab!”
וְאִישׁ֙
(veish)
en een man
עָמַ֣ד
(amad)
bleef staan
עָלָ֔יו
(alav)
bij hem
מִֽנַּעֲרֵ֖י
(minaarei)
van de jongens van
יוֹאָ֑ב
(yoav)
Joab
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
מִי֩
(mi)
wie
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
חָפֵ֧ץ
(chafets)
gunstig gezind is
בְּיוֹאָ֛ב
(beyoav)
tegenover Joab
וּמִ֥י
(umi)
en wie
אֲשֶׁר
(asher)
die
לְדָוִ֖ד
(ledavid)
voor David is
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
יוֹאָֽב
(yoav)
Joab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַעַר (na’ar), ‘jongen’: hier een jonge krijger van Joab.

12Amasa lag te baden in zijn bloed, midden op de weg. De man zag dat heel het volk bleef staan. Hij sleepte Amasa van de weg het veld in en wierp er een kleed overheen. Want hij zag dat ieder die bij hem kwam, bleef staan.
וַעֲמָשָׂ֛א
(vaamasa)
en Amasa
מִתְגֹּלֵ֥ל
(mitgolel)
zich wentelend
בַּדָּ֖ם
(badam)
in bloed
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden op
הַֽמְסִּלָּ֑ה
(hamsila)
de weg
וַיַּ֨רְא
(vayar)
en zag
הָאִ֜ישׁ
(haish)
de man
כִּֽי
(ki)
dat
עָמַ֣ד
(amad)
bleef staan
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
וַיַּסֵּב֩
(vayasev)
en hij sleepte weg
אֶת
(et)
(obj.)
עֲמָשָׂ֨א
(amasa)
Amasa
מִן
(min)
van
הַֽמְסִלָּ֤ה
(hamsila)
de weg
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld in
וַיַּשְׁלֵ֤ךְ
(vayashlekh)
en wierp
עָלָיו֙
(alav)
over hem
בֶּ֔גֶד
(beged)
een kleed
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
toen
רָאָ֔ה
(raa)
hij zag
כָּל
(kal)
ieder
הַבָּ֥א
(haba)
die kwam
עָלָ֖יו
(alav)
bij hem
וְעָמָֽד
(veamad)
en bleef staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Zodra Amasa van de weg was weggehaald, ging ieder verder achter Joab aan, om Sjeba, de zoon van Bichri, na te zetten.
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zodra
הֹגָ֖ה
(hoga)
hij was weggehaald
מִן
(min)
van
הַֽמְסִלָּ֑ה
(hamsila)
de weg
עָבַ֤ר
(avar)
ging verder
כָּל
(kal)
ieder
אִישׁ֙
(ish)
man
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
לִרְדֹּ֕ף
(lirdof)
om na te zetten
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
שֶׁ֥בַע
(sheva)
Sjeba
בֶּן
(ben)
zoon van
בִּכְרִֽי
(bikhri)
Bichri
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

Het beleg van Abel-Bet-Maäka

14Sjeba trok door alle stammen van Israël tot Abel en Bet-Maäka. Ook alle Berieten verzamelden zich en volgden hem.
וַֽיַּעֲבֹ֞ר
(vayaavor)
en hij trok door
בְּכָל
(bekhal)
alle
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אָבֵ֛לָה
(avela)
naar Abel
וּבֵ֥ית
(uveit)
en Bet
מַעֲכָ֖ה
(maakha)
Maäka
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַבֵּרִ֑ים
(haberim)
Berieten
וַיִּקָּ֣הֲל֔וּ
(vayiqahalu)
en zij verzamelden zich
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en kwamen
אַף
(af)
ook
אַחֲרָֽיו
(acharav)
achter hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Abel-Bet-Maäka lag in het uiterste noorden van Israël, bij het huidige Tell Abil el-Qamh bij Metoella, nabij de grens met Libanon.

De ligging is waarschijnlijk.

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

Lezing

Het Hebreeuws zegt ‘tot Abel en Bet-Maäka’.

Uit de verzen 15 en 18 blijkt dat het één stad is: Abel-Bet-Maäka.

De tekst schrijft (ketiv) ‘zij verzamelden zich’ als ויקלהו, maar leest (qere) ויקהלו. Wij volgen de qere.

הַבֵּרִים (haberim), ‘de Berieten’: een volk of een stam waar wij verder niets over weten. De betekenis is onzeker; sommigen lezen hier een andere naam.

15Zij kwamen en belegerden hem in Abel-Bet-Maäka. Zij wierpen een belegeringswal tegen de stad op, die tegen de buitenmuur kwam te staan. Heel het volk dat bij Joab was, probeerde de muur ten val te brengen.
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
וַיָּצֻ֣רוּ
(vayatsuru)
en belegerden
עָלָ֗יו
(alav)
hem
בְּאָבֵ֨לָה֙
(beavela)
in Abel
בֵּ֣ית
(beit)
Bet
הַֽמַּעֲכָ֔ה
(hamaakha)
de Maäka
וַיִּשְׁפְּכ֤וּ
(vayishpekhu)
en wierpen op
סֹֽלְלָה֙
(solela)
een wal
אֶל
(el)
tegen
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וַֽתַּעֲמֹ֖ד
(vataamod)
en zij stond
בַּחֵ֑ל
(bachel)
tegen de buitenmuur
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אֶת
(et)
met
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
מַשְׁחִיתִ֖ם
(mashchitim)
richtte te gronde
לְהַפִּ֥יל
(lehapil)
om ten val te brengen
הַחוֹמָֽה
(hachoma)
de muur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Abel-Bet-Maäka: Abel-Bet-Maäka (Tell Abil el-Qamh) lag in het noorden, bij Metoella, niet ver van Dan.

Uitleg

סֹלְלָה (solelah), ‘belegeringswal’: een opgeworpen helling van aarde tegen de muur.

חֵל (chel), ‘buitenmuur’: de lage muur voor de stadsmuur.

De wijze vrouw spreekt met Joab

16Een wijze vrouw riep uit de stad: „Luister, luister! Zeg toch tegen Joab: ‘Kom hier, dan kan ik met je spreken.’”
וַתִּקְרָ֛א
(vatiqra)
en riep
אִשָּׁ֥ה
(isha)
een vrouw
חֲכָמָ֖ה
(chakhama)
wijze
מִן
(min)
uit
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
שִׁמְע֤וּ
(shimu)
luister
שִׁמְעוּ֙
(shimu)
luister
אִמְרוּ
(imru)
zeg
נָ֣א
(na)
toch
אֶל
(el)
tot
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
קְרַ֣ב
(qerav)
kom dichterbij
עַד
(ad)
tot
הֵ֔נָּה
(hena)
hier
וַאֲדַבְּרָ֖ה
(vaadabera)
zodat ik zal spreken
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
tot jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִשָּׁה חֲכָמָה (ishshah chakamah), ‘wijze vrouw’: een vrouw die raad weet, zoals de vrouw van Tekoa (2 Sam. 14:2).

17Hij kwam dichterbij. De vrouw zei: „Bent u Joab?” Hij zei: „Ja, ik ben het.” Zij zei tegen hem: „Luister naar de woorden van uw dienares.” Hij zei: „Ik luister.”
וַיִּקְרַ֣ב
(vayiqrav)
en hij kwam dichterbij
אֵלֶ֔יהָ
(eleiha)
tot haar
וַתֹּ֧אמֶר
(vatomer)
en zei
הָאִשָּׁ֛ה
(haisha)
de vrouw
הַאַתָּ֥ה
(haata)
bent u
יוֹאָ֖ב
(yoav)
Joab
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אָ֑נִי
(ani)
ik
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zij zei
ל֗וֹ
(lo)
tot hem
שְׁמַע֙
(shema)
luister
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
woorden van
אֲמָתֶ֔ךָ
(amatekha)
uw dienares
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שֹׁמֵ֥עַ
(shomea)
luister
אָנֹֽכִי
(anokhi)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De vrouw spreekt Joab aan met ‘u’.

18Zij zei: „Vanouds zei men: ‘Men moet het maar vragen in Abel.’ En zo maakte men er een einde aan.
וַתֹּ֖אמֶר
(vatomer)
en zij zei
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
דַּבֵּ֨ר
(daber)
woord
יְדַבְּר֤וּ
(yedaberu)
men zei
בָרִֽאשֹׁנָה֙
(barishona)
vanouds
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
שָׁאֹ֧ל
(shaol)
vragen
יְשָׁאֲל֛וּ
(yeshaalu)
men moet vragen
בְּאָבֵ֖ל
(beavel)
in Abel
וְכֵ֥ן
(vekhen)
en zo
הֵתַֽמּוּ
(hetamu)
maakte men een einde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Abel-Bet-Maäka: Abel-Bet-Maäka (Tell Abil el-Qamh) lag in het noorden, bij Metoella, niet ver van Dan.

Lezing

De Hebreeuwse tekst van vers 18 is moeilijk.

Letterlijk: ‘Een woord spraken zij vroeger, zeggende: men zal zeker vragen in Abel, en zo hebben zij het voltooid.’

Het lijkt een spreekwoord: wie een geschil heeft, vraagt raad in Abel.

Wij vertalen dicht bij de tekst.

19Ik behoor tot de vredelievenden en getrouwen van Israël. U zoekt een stad te doden, een moeder in Israël. Waarom wilt u het erfdeel van Yahweh verslinden?”
אָנֹכִ֕י
(anokhi)
ik
שְׁלֻמֵ֖י
(shelumei)
vredelievenden van
אֱמוּנֵ֣י
(emunei)
getrouwen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אַתָּ֣ה
(ata)
u
מְבַקֵּ֗שׁ
(mevaqesh)
zoekt
לְהָמִ֨ית
(lehamit)
om te doden
עִ֤יר
(ir)
een stad
וְאֵם֙
(veem)
en een moeder
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
in Israël
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
תְבַלַּ֖ע
(tevala)
wilt u verslinden
נַחֲלַ֥ת
(nachalat)
erfdeel van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵם בְּיִשְׂרָאֵל (em beyisra’el), ‘moeder in Israël’: een stad met de dorpen eromheen.

Het beeld is een moeder met haar kinderen.

נַחֲלַת יהוה (nachalat YHWH), ‘erfdeel van Yahweh’: het land en het volk dat van Yahweh is.

20Joab antwoordde: „Ver zij het, ver zij het van mij! Ik wil niet verslinden of verwoesten.
וַיַּ֥עַן
(vayaan)
en antwoordde
יוֹאָ֖ב
(yoav)
Joab
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
חָלִ֤ילָה
(chalila)
ver zij het
חָלִ֨ילָה֙
(chalila)
ver zij het
לִ֔י
(li)
van mij
אִם
(im)
als
אֲבַלַּ֖ע
(avala)
ik zal verslinden
וְאִם
(veim)
en als
אַשְׁחִֽית
(ashchit)
ik zal verwoesten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָלִילָה (chalilah), ‘ver zij het’: een sterke afwijzing.

Zie ook Joz. 22:29.

21Zo is het niet. Maar een man uit het bergland van Efraïm, Sjeba, de zoon van Bichri, heeft zijn hand opgeheven tegen de koning, tegen David. Geef hem alleen uit, dan trek ik van de stad weg.” De vrouw zei tegen Joab: „Zie, zijn hoofd wordt over de muur naar u toe geworpen.”
לֹא
(lo)
niet
כֵ֣ן
(ken)
zo
הַדָּבָ֗ר
(hadavar)
de zaak
כִּ֡י
(ki)
maar
אִישׁ֩
(ish)
een man
מֵהַ֨ר
(mehar)
van het bergland van
אֶפְרַ֜יִם
(efrayim)
Efraïm
שֶׁ֧בַע
(sheva)
Sjeba
בֶּן
(ben)
zoon van
בִּכְרִ֣י
(bikhri)
Bichri
שְׁמ֗וֹ
(shemo)
zijn naam
נָשָׂ֤א
(nasa)
heeft opgeheven
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
בַּמֶּ֣לֶךְ
(bamelekh)
tegen de koning
בְּדָוִ֔ד
(bedavid)
tegen David
תְּנֽוּ
(tenu)
geef
אֹת֣וֹ
(oto)
hem
לְבַדּ֔וֹ
(levado)
alleen
וְאֵלְכָ֖ה
(veelekha)
en ik zal weggaan
מֵעַ֣ל
(meal)
van
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en zei
הָֽאִשָּׁה֙
(haisha)
de vrouw
אֶל
(el)
tot
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
רֹאשׁ֛וֹ
(rosho)
zijn hoofd
מֻשְׁלָ֥ךְ
(mushlakh)
wordt geworpen
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
naar u
בְּעַ֥ד
(bead)
over
הַחוֹמָֽה
(hachoma)
de muur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het bergland van Efraïm is het middengebied van Israël, ten noorden van Jeruzalem.

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

Sjeba's hoofd wordt over de muur geworpen

22De vrouw ging met haar wijsheid naar heel het volk. Zij hieuwen het hoofd van Sjeba, de zoon van Bichri, af en wierpen het naar Joab. Hij blies op de ramshoorn. Zij verspreidden zich, weg van de stad, ieder naar zijn tent. Joab keerde terug naar Jeruzalem, naar de koning.
וַתָּבוֹא֩
(vatavo)
en kwam
הָאִשָּׁ֨ה
(haisha)
de vrouw
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
בְּחָכְמָתָ֗הּ
(bechakhematah)
met haar wijsheid
וַֽיִּכְרְת֞וּ
(vayikhretu)
en zij hieuwen af
אֶת
(et)
(obj.)
רֹ֨אשׁ
(rosh)
hoofd van
שֶׁ֤בַע
(sheva)
Sjeba
בֶּן
(ben)
zoon van
בִּכְרִי֙
(bikhri)
Bichri
וַיַּשְׁלִ֣כוּ
(vayashlikhu)
en wierpen
אֶל
(el)
naar
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
וַיִּתְקַע֙
(vayitqa)
en hij blies
בַּשּׁוֹפָ֔ר
(bashofar)
op de ramshoorn
וַיָּפֻ֥צוּ
(vayafutsu)
en zij verspreidden zich
מֵֽעַל
(meal)
van
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
לְאֹהָלָ֑יו
(leohalav)
naar zijn tenten
וְיוֹאָ֛ב
(veyoav)
en Joab
שָׁ֥ב
(shav)
keerde terug
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
אֶל
(el)
tot
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

De ambtenaren van David

23Joab was over heel het leger van Israël. Benaja, de zoon van Jojada, was over de Kerethieten en de Pelethieten.
וְיוֹאָ֕ב
(veyoav)
en Joab
אֶ֥ל
(el)
over
כָּל
(kal)
heel
הַצָּבָ֖א
(hatsava)
het leger
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
van Israël
וּבְנָיָה֙
(uvenaya)
en Benaja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְה֣וֹיָדָ֔ע
(yehoyada)
Jojada
עַל
(al)
over
הַכְּרֵתִ֖י
(hakereti)
de Kerethieten
וְעַל
(veal)
en over
הַפְּלֵתִֽי
(hapeleti)
de Pelethieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook 2 Sam. 8:16–18, waar een bijna gelijke lijst staat.

Lezing

De tekst schrijft (ketiv) הכרי, maar leest (qere) ‘de Kerethieten’ (הכרתי).

Wij volgen de qere.

24Adoram was over de dwangarbeid. Josafat, de zoon van Achilud, was de archivaris.
וַאֲדֹרָ֖ם
(vaadoram)
en Adoram
עַל
(al)
over
הַמַּ֑ס
(hamas)
de dwangarbeid
וִיהוֹשָׁפָ֥ט
(vihoshafat)
en Josafat
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיל֖וּד
(achilud)
Achilud
הַמַּזְכִּֽיר
(hamazkir)
de archivaris
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמַּס (hammas), ‘dwangarbeid’: arbeid die het volk voor de koning moest doen.

הַמַּזְכִּיר (hamazkir), ‘archivaris’: letterlijk ‘degene die doet gedenken’. Hij hield de zaken van de koning bij en adviseerde hem.

25Sjewa was schrijver. Zadok en Abjatar waren priesters.
וּשְׁוָ֖א
(usheva)
en Sjewa
סֹפֵ֑ר
(sofer)
schrijver
וְצָד֥וֹק
(vetsadoq)
en Zadok
וְאֶבְיָתָ֖ר
(veevyatar)
en Abjatar
כֹּהֲנִֽים
(kohanim)
priesters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De tekst schrijft (ketiv) ושיא, maar leest (qere) ‘Sjewa’ (שְׁוָא).

In 2 Sam. 8:17 staat de schrijver als ‘Seraja’.

Wij schrijven de naam zoals hij hier gelezen wordt.

26Ook Ira de Jairiet was priester van David.
וְגַ֗ם
(vegam)
en ook
עִירָא֙
(ira)
Ira
הַיָּ֣אִרִ֔י
(hayairi)
de Jairiet
הָיָ֥ה
(haya)
was
כֹהֵ֖ן
(kohen)
priester
לְדָוִֽד
(ledavid)
voor David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ira de Jairiet komt alleen hier voor.

Hij wordt priester van David genoemd.