Elohim Bijbel

Markus 2

12345678910111213141516

Een verlamde, Levi en de sabbat

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua vergeeft en geneest een verlamde

1Hij ging na enkele dagen weer Kapernaüm binnen. Men hoorde dat Hij thuis was.
Καὶ
(Kai)
en
εἰσελθὼν
(eiselthon)
binnengaand
πάλιν
(palin)
weer
εἰς
(eis)
naar
Καφαρναοὺμ
(Kapharnaoum)
Kapernaüm
δι’
(di’)
na
ἡμερῶν
(hemeron)
dagen
ἠκούσθη
(ekousthe)
werd gehoord
ὅτι
(hoti)
dat
ἐν
(en)
in
οἴκῳ
(oiko)
huis
ἐστίν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël.

Uitleg

ἐν οἴκῳ (en oiko), ‘thuis’, eigenlijk ‘in huis’: waarschijnlijk het huis van Simon (Mark. 1:29).

Zie ookMar 1:29
2Er kwamen zoveel mensen bijeen dat er geen ruimte meer was, ook niet bij de deur. Hij sprak het woord tot hen.
καὶ
(kai)
en
συνήχθησαν
(synechthesan)
kwamen samen
πολλοὶ
(polloi)
velen
ὥστε
(hoste)
zodat
μηκέτι
(meketi)
niet meer
χωρεῖν
(chorein)
ruimte te zijn
μηδὲ
(mede)
ook niet
τὰ
(ta)
het
πρὸς
(pros)
bij
τὴν
(ten)
de
θύραν
(thyran)
deur
καὶ
(kai)
en
ἐλάλει
(elalei)
sprak Hij
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
Bron: SBLGNT
3Zij kwamen bij Hem en brachten een verlamde, die door vier mensen gedragen werd.
καὶ
(kai)
en
ἔρχονται
(erchontai)
komen
φέροντες
(pherontes)
brengend
πρὸς
(pros)
naar
αὐτὸν
(auton)
Hem
παραλυτικὸν
(paralytikon)
verlamde
αἰρόμενον
(airomenon)
gedragen
ὑπὸ
(hypo)
door
τεσσάρων
(tessaron)
vier
Bron: SBLGNT
Uitleg

παραλυτικός (paralytikos), ‘verlamde’: iemand die zijn ledematen niet kan gebruiken.

Zie ook Matt. 9:1–8; Luc. 5:17–26.

4Omdat zij hem door de menigte niet bij Hem konden brengen, braken zij het dak open boven de plek waar Hij was. Zij maakten een opening en lieten het bed zakken waarop de verlamde lag.
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
δυνάμενοι
(dynamenoi)
kunnende
προσενέγκαι
(prosenenkai)
dichtbij te brengen
αὐτῷ
(auto)
Hem
διὰ
(dia)
vanwege
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
ἀπεστέγασαν
(apestegasan)
braken open
τὴν
(ten)
het
στέγην
(stegen)
dak
ὅπου
(hopou)
waar
ἦν
(en)
was
καὶ
(kai)
en
ἐξορύξαντες
(exoryxantes)
doorgravend
χαλῶσι
(chalosi)
laten zakken
τὸν
(ton)
het
κράβαττον
(krabatton)
bed
ὅπου
(hopou)
waar
ὁ
(ho)
de
παραλυτικὸς
(paralytikos)
verlamde
κατέκειτο
(katekeito)
lag
Bron: SBLGNT
Uitleg

κράβαττος (krabattos), ‘bed’: een eenvoudig bed of mat, dat men kon dragen.

5Toen Yeshua hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde: „Kind, je zonden worden vergeven.”
καὶ
(kai)
en
ἰδὼν
(idon)
ziend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τὴν
(ten)
het
πίστιν
(pistin)
geloof
αὐτῶν
(auton)
hun
λέγει
(legei)
zegt
τῷ
(to)
tegen de
παραλυτικῷ
(paralytiko)
verlamde
Τέκνον
(Teknon)
kind
ἀφίενταί
(aphientai)
worden vergeven
σου
(sou)
je
αἱ
(hai)
de
ἁμαρτίαι
(hamartiai)
zonden
Bron: SBLGNT
Uitleg

τέκνον (teknon), ‘kind’: een vriendelijke aanspreking. ἀφίενται (aphientai), ‘worden vergeven’, staat in de lijdende vorm: wie vergeeft, wordt niet genoemd.

6Daar zaten enkele schriftgeleerden, en zij overlegden in hun hart:
ἦσαν
(esan)
waren
δέ
(de)
maar
τινες
(tines)
enkelen
τῶν
(ton)
van de
γραμματέων
(grammateon)
schriftgeleerden
ἐκεῖ
(ekei)
daar
καθήμενοι
(kathemenoi)
zittend
καὶ
(kai)
en
διαλογιζόμενοι
(dialogizomenoi)
overleggend
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
καρδίαις
(kardiais)
harten
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
7„Waarom spreekt Hij zo? Hij lastert! Wie kan zonden vergeven, behalve één: Elohim?”
Τί
(Ti)
waarom
οὗτος
(houtos)
deze
οὕτως
(houtos)
zo
λαλεῖ
(lalei)
spreekt
βλασφημεῖ
(blasphemei)
lastert
τίς
(tis)
wie
δύναται
(dynatai)
kan
ἀφιέναι
(aphienai)
vergeven
ἁμαρτίας
(hamartias)
zonden
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
εἷς
(heis)
één
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

βλασφημέω (blasphemeo), ‘lasteren’: Elohim oneer aandoen of zich Zijn rechten toe-eigenen. εἷς ὁ θεός (heis ho theos), ‘één, Elohim’: dit doet denken aan Deut. 6:4, ‘Yahweh is één’.

Zie ookDeut 6:4
8Meteen merkte Yeshua in Zijn geest dat zij zo bij zichzelf overlegden. Hij zei tegen hen: „Waarom overleggen jullie dit in jullie harten?
καὶ
(kai)
en
εὐθὺς
(euthys)
meteen
ἐπιγνοὺς
(epignous)
merkend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τῷ
(to)
in de
πνεύματι
(pneumati)
geest
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ὅτι
(hoti)
dat
οὕτως
(houtos)
zo
διαλογίζονται
(dialogizontai)
overleggen
ἐν
(en)
bij
ἑαυτοῖς
(heautois)
zichzelf
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Τί
(Ti)
waarom
ταῦτα
(tauta)
dit
διαλογίζεσθε
(dialogizesthe)
overleggen jullie
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
καρδίαις
(kardiais)
harten
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
9Wat is gemakkelijker: tegen de verlamde zeggen: ‘Je zonden worden vergeven’, of zeggen: ‘Sta op, neem je bed op en loop’?
τί
(ti)
wat
ἐστιν
(estin)
is
εὐκοπώτερον
(eukopoteron)
gemakkelijker
εἰπεῖν
(eipein)
te zeggen
τῷ
(to)
aan de
παραλυτικῷ
(paralytiko)
verlamde
Ἀφίενταί
(Aphientai)
worden vergeven
σου
(sou)
je
αἱ
(hai)
de
ἁμαρτίαι
(hamartiai)
zonden
ἢ
(e)
of
εἰπεῖν
(eipein)
te zeggen
Ἔγειρε
(Egeire)
sta op
καὶ
(kai)
en
ἆρον
(aron)
neem
τὸν
(ton)
het
κράβαττόν
(krabatton)
bed
σου
(sou)
je
καὶ
(kai)
en
περιπάτει
(peripatei)
loop
Bron: SBLGNT
10Maar opdat jullie weten dat de Mensenzoon gezag heeft om op de aarde zonden te vergeven —” Hij zei tegen de verlamde:
ἵνα
(hina)
opdat
δὲ
(de)
maar
εἰδῆτε
(eidete)
jullie weten
ὅτι
(hoti)
dat
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
ἔχει
(echei)
heeft
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
aarde
ἀφιέναι
(aphienai)
te vergeven
ἁμαρτίας
(hamartias)
zonden
λέγει
(legei)
zegt
τῷ
(to)
tegen de
παραλυτικῷ
(paralytiko)
verlamde
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: vergelijk Dan. 7:13, ‘iemand als een mensenzoon’ (Aramees bar enash).

Yeshua gebruikt deze titel voor Zichzelf.

De zin is afgebroken: de schrijver onderbreekt Yeshua’s woorden om te zeggen dat Hij zich tot de verlamde richt.

Zie ookDan 7:13
11„Ik zeg tegen jou: sta op, neem je bed op en ga naar huis.”
Σοὶ
(Soi)
aan jou
λέγω
(lego)
zeg Ik
ἔγειρε
(egeire)
sta op
ἆρον
(aron)
neem
τὸν
(ton)
het
κράβαττόν
(krabatton)
bed
σου
(sou)
je
καὶ
(kai)
en
ὕπαγε
(hypage)
ga heen
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
het
οἶκόν
(oikon)
huis
σου
(sou)
je
Bron: SBLGNT
12Hij stond op, nam meteen het bed op en ging voor ieders ogen naar buiten. Allen stonden versteld en verheerlijkten Elohim. Zij zeiden: „Zoiets hebben wij nog nooit gezien.”
καὶ
(kai)
en
ἠγέρθη
(egerthe)
stond op
καὶ
(kai)
en
εὐθὺς
(euthys)
meteen
ἄρας
(aras)
opgenomen hebbend
τὸν
(ton)
het
κράβαττον
(krabatton)
bed
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voor
πάντων
(panton)
allen
ὥστε
(hoste)
zodat
ἐξίστασθαι
(existasthai)
versteld te staan
πάντας
(pantas)
allen
καὶ
(kai)
en
δοξάζειν
(doxazein)
te verheerlijken
τὸν
(ton)
de
θεὸν
(theon)
Elohim
λέγοντας
(legontas)
zeggenden
ὅτι
(hoti)
dat
Οὕτως
(Houtos)
zo
οὐδέποτε
(oudepote)
nooit
εἴδομεν
(eidomen)
zagen wij
Bron: SBLGNT

De roeping van Levi

13Hij ging weer naar buiten, langs de zee. De hele menigte kwam naar Hem toe en Hij onderwees hen.
Καὶ
(Kai)
en
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
πάλιν
(palin)
weer
παρὰ
(para)
langs
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
καὶ
(kai)
en
πᾶς
(pas)
heel
ὁ
(ho)
de
ὄχλος
(ochlos)
menigte
ἤρχετο
(ercheto)
kwam
πρὸς
(pros)
naar
αὐτόν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
ἐδίδασκεν
(edidasken)
onderwees Hij
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.

14Terwijl Hij verder liep, zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs, zitten bij het tolkantoor. Hij zei tegen hem: „Volg Mij.” Levi stond op en volgde Hem.
καὶ
(kai)
en
παράγων
(paragon)
voorbijgaand
εἶδεν
(eiden)
zag Hij
Λευὶν
(Leuin)
Levi
τὸν
(ton)
de
τοῦ
(tou)
van
Ἁλφαίου
(Halphaiou)
Alfeüs
καθήμενον
(kathemenon)
zittend
ἐπὶ
(epi)
bij
τὸ
(to)
het
τελώνιον
(telonion)
tolkantoor
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
Ἀκολούθει
(Akolouthei)
volg
μοι
(moi)
Mij
καὶ
(kai)
en
ἀναστὰς
(anastas)
opgestaan
ἠκολούθησεν
(ekolouthesen)
volgde
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Λευίς (Levi): in Matt. 9:9 heet de tollenaar Matteüs. τελώνιον (telonion), ‘tolkantoor’: de plaats waar belasting werd geïnd. τελώνης (telones), ‘tollenaar’: wie voor de overheid belasting inde.

Zie ook Matt. 9:9–13; Luc. 5:27–32.

Yeshua eet met tollenaars en zondaars

15Het gebeurde dat Hij in zijn huis aan tafel zat. Veel tollenaars en zondaars zaten met Yeshua en Zijn leerlingen aan tafel, want het waren er velen die Hem volgden.
Καὶ
(Kai)
en
γίνεται
(ginetai)
gebeurde
κατακεῖσθαι
(katakeisthai)
aan tafel te zitten
αὐτὸν
(auton)
Hij
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
οἰκίᾳ
(oikia)
huis
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
πολλοὶ
(polloi)
velen
τελῶναι
(telonai)
tollenaars
καὶ
(kai)
en
ἁμαρτωλοὶ
(hamartoloi)
zondaars
συνανέκειντο
(synanekeinto)
zaten aan tafel
τῷ
(to)
met de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
τοῖς
(tois)
de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἦσαν
(esan)
waren
γὰρ
(gar)
want
πολλοὶ
(polloi)
velen
καὶ
(kai)
en
ἠκολούθουν
(ekolouthoun)
volgden
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks zegt ‘in zijn huis’.

Wij lezen: het huis van Levi; het kan ook het huis van vers 1 zijn. κατακεῖσθαι (katakeisthai), ‘aan tafel liggen’: men at liggend aan tafel; wij vertalen ‘aan tafel zitten’.

Zie ookMar 2:1
16De schriftgeleerden van de Farizeeën zagen dat Hij met de zondaars en tollenaars at. Zij zeiden tegen Zijn leerlingen: „Eet Hij met de tollenaars en zondaars?”
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
τῶν
(ton)
van de
Φαρισαίων
(Pharisaion)
Farizeeën
ἰδόντες
(idontes)
ziende
ὅτι
(hoti)
dat
ἐσθίει
(esthiei)
eet
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
ἁμαρτωλῶν
(hamartolon)
zondaars
καὶ
(kai)
en
τελωνῶν
(telonon)
tollenaars
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
τοῖς
(tois)
tegen de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Ὅτι
(Hoti)
dat
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
τελωνῶν
(telonon)
tollenaars
καὶ
(kai)
en
ἁμαρτωλῶν
(hamartolon)
zondaars
ἐσθίει
(esthiei)
eet
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἁμαρτωλός (hamartolos), ‘zondaar’: iemand die de wet openlijk niet houdt.

Het Grieks heeft aan het begin van de vraag ὅτι (hoti), dat ‘waarom’ of ‘dat’ kan betekenen; wij lezen een vraag.

17Toen Yeshua dat hoorde, zei Hij tegen hen: „Wie gezond zijn, hebben geen arts nodig, maar wie ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.”
καὶ
(kai)
en
ἀκούσας
(akousas)
horend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ὅτι
(hoti)
dat
Οὐ
(Ou)
niet
χρείαν
(chreian)
behoefte
ἔχουσιν
(echousin)
hebben
οἱ
(hoi)
de
ἰσχύοντες
(ischyontes)
gezonde
ἰατροῦ
(iatrou)
arts
ἀλλ’
(all’)
maar
οἱ
(hoi)
de
κακῶς
(kakos)
ziek
ἔχοντες
(echontes)
verkerenden
οὐκ
(ouk)
niet
ἦλθον
(elthon)
kwam Ik
καλέσαι
(kalesai)
te roepen
δικαίους
(dikaious)
rechtvaardigen
ἀλλὰ
(alla)
maar
ἁμαρτωλούς
(hamartolous)
zondaars
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἰσχύοντες (ischuontes), ‘wie gezond zijn’: eigenlijk ‘de sterken’.

Zie ook Matt. 9:12–13; Luc. 5:31–32.

De vraag over het vasten

18De leerlingen van Johannes en de Farizeeën waren aan het vasten. Er kwamen mensen die tegen Hem zeiden: „Waarom vasten de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de Farizeeën wel, maar Uw leerlingen niet?”
Καὶ
(Kai)
en
ἦσαν
(esan)
waren
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
Ἰωάννου
(Ioannou)
van Johannes
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
νηστεύοντες
(nesteuontes)
vastend
καὶ
(kai)
en
ἔρχονται
(erchontai)
komen
καὶ
(kai)
en
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῷ
(auto)
Hem
Διὰ
(Dia)
door
τί
(ti)
wat
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
Ἰωάννου
(Ioannou)
van Johannes
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
τῶν
(ton)
van de
Φαρισαίων
(Pharisaion)
Farizeeën
νηστεύουσιν
(nesteuousin)
vasten
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
σοὶ
(soi)
Uw
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
οὐ
(ou)
niet
νηστεύουσιν
(nesteuousin)
vasten
Bron: SBLGNT
Uitleg

νηστεύω (nesteuo), ‘vasten’: een tijd niet eten, uit boete of rouw.

Zie ook Matt. 9:14–17; Luc. 5:33–39.

19Yeshua zei tegen hen: „Kunnen de bruiloftsgasten vasten terwijl de bruidegom bij hen is? Zolang zij de bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Μὴ
(Me)
toch niet
δύνανται
(dynantai)
kunnen
οἱ
(hoi)
de
υἱοὶ
(huioi)
zonen
τοῦ
(tou)
van de
νυμφῶνος
(nymphonos)
bruidskamer
ἐν
(en)
in
ᾧ
(ho)
terwijl
ὁ
(ho)
de
νυμφίος
(nymphios)
bruidegom
μετ’
(met’)
bij
αὐτῶν
(auton)
hen
ἐστιν
(estin)
is
νηστεύειν
(nesteuein)
te vasten
ὅσον
(hoson)
zolang
χρόνον
(chronon)
tijd
ἔχουσιν
(echousin)
hebben zij
τὸν
(ton)
de
νυμφίον
(nymphion)
bruidegom
μετ’
(met’)
bij
αὐτῶν
(auton)
hen
οὐ
(ou)
niet
δύνανται
(dynantai)
kunnen
νηστεύειν
(nesteuein)
vasten
Bron: SBLGNT
Uitleg

οἱ υἱοὶ τοῦ νυμφῶνος (hoi huioi tou nymphonos), letterlijk ‘de zonen van de bruidskamer’: de bruiloftsgasten. νυμφίος (nymphios), ‘bruidegom’.

In de Schrift wordt Elohim met een bruidegom vergeleken (Jes. 62:5).

Zie ookJes 62:5
20Er zullen dagen komen waarin de bruidegom van hen weggenomen wordt. Dan, op die dag, zullen zij vasten.
ἐλεύσονται
(eleusontai)
zullen komen
δὲ
(de)
maar
ἡμέραι
(hemerai)
dagen
ὅταν
(hotan)
waarin
ἀπαρθῇ
(aparthe)
weggenomen wordt
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
ὁ
(ho)
de
νυμφίος
(nymphios)
bruidegom
καὶ
(kai)
en
τότε
(tote)
dan
νηστεύσουσιν
(nesteusousin)
zullen vasten
ἐν
(en)
op
ἐκείνῃ
(ekeine)
die
τῇ
(te)
de
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
Bron: SBLGNT
21Niemand naait een lap stof die nog niet gekrompen is op een oude mantel. Anders trekt het nieuwe stuk iets los van de oude mantel, en de scheur wordt erger.
Οὐδεὶς
(Oudeis)
niemand
ἐπίβλημα
(epiblema)
lap
ῥάκους
(rhakous)
van stof
ἀγνάφου
(agnaphou)
ongekrompen
ἐπιράπτει
(epiraptei)
naait
ἐπὶ
(epi)
op
ἱμάτιον
(himation)
mantel
παλαιόν
(palaion)
oud
εἰ
(ei)
als
δὲ
(de)
maar
μή
(me)
niet
αἴρει
(airei)
trekt weg
τὸ
(to)
het
πλήρωμα
(pleroma)
stuk
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτοῦ
(autou)
het
τὸ
(to)
het
καινὸν
(kainon)
nieuwe
τοῦ
(tou)
van het
παλαιοῦ
(palaiou)
oude
καὶ
(kai)
en
χεῖρον
(cheiron)
erger
σχίσμα
(schisma)
scheur
γίνεται
(ginetai)
wordt
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄγναφος (agnaphos), ‘ongekrompen’: stof die nog niet gewalkt is, dus nog kan krimpen.

De Griekse zin is kort en moeilijk; wij lezen: het nieuwe stuk trekt aan het oude kleed.

22En niemand doet nieuwe wijn in oude wijnzakken. Anders scheurt de wijn de zakken, en de wijn gaat verloren, en de zakken ook. Maar nieuwe wijn doet men in nieuwe wijnzakken.”
καὶ
(kai)
en
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
βάλλει
(ballei)
doet
οἶνον
(oinon)
wijn
νέον
(neon)
nieuwe
εἰς
(eis)
in
ἀσκοὺς
(askous)
zakken
παλαιούς
(palaious)
oude
εἰ
(ei)
als
δὲ
(de)
maar
μή
(me)
niet
ῥήξει
(rhexei)
scheurt
ὁ
(ho)
de
οἶνος
(oinos)
wijn
τοὺς
(tous)
de
ἀσκούς
(askous)
zakken
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
οἶνος
(oinos)
wijn
ἀπόλλυται
(apollytai)
gaat verloren
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀσκοί
(askoi)
zakken
ἀλλὰ
(alla)
maar
οἶνον
(oinon)
wijn
νέον
(neon)
nieuwe
εἰς
(eis)
in
ἀσκοὺς
(askous)
zakken
καινούς
(kainous)
nieuwe
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀσκοί (askoi), ‘wijnzakken’: zakken van dierenhuid waarin wijn werd bewaard.

Oude zakken zijn stijf en barsten als nieuwe wijn gist.

De aren op de sabbat

23Het gebeurde dat Hij op de sabbat door de korenvelden liep. Terwijl zij liepen, begonnen Zijn leerlingen aren te plukken.
Καὶ
(Kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
gebeurde
αὐτὸν
(auton)
Hij
ἐν
(en)
op
τοῖς
(tois)
de
σάββασιν
(sabbasin)
sabbatten
παραπορεύεσθαι
(paraporeuesthai)
doorgaan
διὰ
(dia)
door
τῶν
(ton)
de
σπορίμων
(sporimon)
korenvelden
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἤρξαντο
(erxanto)
begonnen
ὁδὸν
(hodon)
weg
ποιεῖν
(poiein)
te maken
τίλλοντες
(tillontes)
plukkend
τοὺς
(tous)
de
στάχυας
(stachyas)
aren
Bron: SBLGNT
Uitleg

Voorbijgangers mochten met de hand aren plukken (Deut. 23:26; in de Nederlandse telling 23:25). ὁδὸν ποιεῖν (hodon poiein), ‘weg maken’: zij baanden zich een weg door het koren.

Zie ook Matt. 12:1–8; Luc. 6:1–5.

24De Farizeeën zeiden tegen Hem: „Kijk, waarom doen zij op de sabbat wat niet geoorloofd is?”
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
Hem
Ἴδε
(Ide)
kijk
τί
(ti)
waarom
ποιοῦσιν
(poiousin)
doen zij
τοῖς
(tois)
op de
σάββασιν
(sabbasin)
sabbatten
ὃ
(ho)
wat
οὐκ
(ouk)
niet
ἔξεστιν
(exestin)
geoorloofd is
Bron: SBLGNT
Uitleg

De Farizeeën rekenen het plukken tot het werk dat op sabbat verboden is (Exod. 20:10).

Zie ookEx 20:10
25Hij zei tegen hen: „Hebben jullie nooit gelezen wat David deed toen hij gebrek had en honger kreeg, hij en wie bij hem waren?
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Οὐδέποτε
(Oudepote)
nooit
ἀνέγνωτε
(anegnote)
lazen jullie
τί
(ti)
wat
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
Δαυὶδ
(Dauid)
David
ὅτε
(hote)
toen
χρείαν
(chreian)
gebrek
ἔσχεν
(eschen)
had
καὶ
(kai)
en
ἐπείνασεν
(epeinasen)
honger had
αὐτὸς
(autos)
hij zelf
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
die
μετ’
(met’)
bij
αὐτοῦ
(autou)
hem
Bron: SBLGNT
26Hoe ging hij in het huis van Elohim, in de tijd van Abjatar, de hogepriester? Hij at het toonbrood, dat niemand mag eten behalve de priesters. Hij gaf er ook aan wie bij hem waren.”
πῶς
(pos)
hoe
εἰσῆλθεν
(eiselthen)
ging binnen
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
het
οἶκον
(oikon)
huis
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἐπὶ
(epi)
onder
Ἀβιαθὰρ
(Abiathar)
Abjatar
ἀρχιερέως
(archiereos)
hogepriester
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
ἄρτους
(artous)
broden
τῆς
(tes)
van de
προθέσεως
(protheseos)
uitstalling
ἔφαγεν
(ephagen)
at
οὓς
(hous)
die
οὐκ
(ouk)
niet
ἔξεστιν
(exestin)
geoorloofd is
φαγεῖν
(phagein)
te eten
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
τοὺς
(tous)
de
ἱερεῖς
(hiereis)
priesters
καὶ
(kai)
en
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
καὶ
(kai)
ook
τοῖς
(tois)
aan de
σὺν
(syn)
met
αὐτῷ
(auto)
hem
οὖσιν
(ousin)
zijnden
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het verhaal staat in 1 Sam. 21:2–7.

Daar heet de priester Achimelech; Abjatar was zijn zoon en later hogepriester (1 Sam. 22:20).

Het Grieks heeft ἐπὶ Ἀβιαθάρ (epi Abiathar), ‘onder Abjatar’; ἐπί met deze naamval kan ook ‘in het verhaal over’ betekenen, zoals in Mark. 12:26.

τοὺς ἄρτους τῆς προθέσεως (tous artous tes protheseos), ‘de broden van het voorleggen’: het toonbrood (Lev. 24:5–9). Alleen de priesters mochten het eten (Lev. 24:9).

27Hij zei tegen hen: „De sabbat is er gekomen voor de mens, en niet de mens voor de sabbat.
καὶ
(kai)
en
ἔλεγεν
(elegen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Τὸ
(To)
de
σάββατον
(sabbaton)
sabbat
διὰ
(dia)
om
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
ἐγένετο
(egeneto)
is gekomen
καὶ
(kai)
en
οὐχ
(ouch)
niet
ὁ
(ho)
de
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
διὰ
(dia)
om
τὸ
(to)
de
σάββατον
(sabbaton)
sabbat
Bron: SBLGNT
Uitleg

De sabbat is een gave van Elohim aan de mens (Exod. 20:8–11; Deut. 5:12–15).

Dit vers staat alleen bij Markus.

28Zo is de Mensenzoon Heer, ook van de sabbat.”
ὥστε
(hoste)
zodat
κύριός
(kyrios)
Heer
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
καὶ
(kai)
ook
τοῦ
(tou)
van de
σαββάτου
(sabbatou)
sabbat
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριος (kyrios), ‘Heer’: hier als titel van Yeshua, niet als vertaling van Yahweh.

Zie ook Matt. 12:8; Luc. 6:5.