Over Egypte: de nederlaag bij Karkemis en de komst van Nebukadnezar
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Over Egypte
1Het woord van Yahweh dat tot Jeremia, de profeet, kwam over de volken.
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
הָיָ֧ה
(haya)
was
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
יִרְמְיָ֥הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִ֖יא
(hanavi)
de profeet
עַל
(al)
over
הַגּוֹיִֽם
(hagoyim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Jer. 46–51 bevatten de woorden van Yahweh over de volken.
Dit hoofdstuk gaat over Egypte; Jer. 47 over de Filistijnen en Jer. 48 over Moab.
2Over Egypte. Dit gaat over het leger van farao Necho, de koning van Egypte, dat aan de rivier de Eufraat bij Karkemis stond. Nebukadnezar, de koning van Babel, versloeg het in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda.
לְמִצְרַ֗יִם
(lemitsrayim)
over Egypte
עַל
(al)
over
חֵ֨יל
(cheil)
het leger van
פַּרְעֹ֤ה
(paro)
farao
נְכוֹ֙
(nekho)
Necho
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הָיָ֥ה
(haya)
stond
עַל
(al)
bij
נְהַר
(nehar)
de rivier
פְּרָ֖ת
(perat)
de Eufraat
בְּכַרְכְּמִ֑שׁ
(bekharkemish)
bij Karkemis
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הִכָּ֗ה
(hika)
versloeg
נְבֽוּכַדְרֶאצַּר֙
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
בִּשְׁנַת֙
(bishnat)
in het jaar
הָֽרְבִיעִ֔ית
(hareviit)
vierde
לִיהוֹיָקִ֥ים
(lihoyaqim)
van Jojakim
בֶּן
(ben)
zoon van
יֹאשִׁיָּ֖הוּ
(yoshiyahu)
Josia
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.
Zie Karkemis (Jerablus): Karkemis lag aan de Eufraat, bij het huidige Jerablus, op de grens van Syrië en Turkije.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
פַּרְעֹה נְכֹה (Par’oh Nekoh), ‘farao Necho’: Necho II van Egypte; zie 2 Kon. 23:29 en 2 Kron. 35:20–24.
De slag bij Karkemis werd in het vierde jaar van Jojakim geleverd.
Dat is ongeveer 605 voor Chr.
כַּרְכְּמִישׁ (Karkemish), ‘Karkemis’: een stad aan de Eufraat, in het noorden van Syrië.
נְבוּכַדְרֶאצַּר (Nevukhadre’tsar): de Hebreeuwse spelling in Jeremia. Het is dezelfde koning als Nebukadnezar in 2 Kon. 24:1. Wij schrijven overal ‘Nebukadnezar’.
5Waarom zie ik het? Zij zijn verschrikt en deinzen achteruit. Hun helden worden verslagen en vluchten halsoverkop, zonder om te kijken. Schrik rondom, godsspraak van Yahweh.
מַדּ֣וּעַ
(madua)
waarom
רָאִ֗יתִי
(raiti)
heb ik gezien
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
חַתִּים֮
(chatim)
verschrikt
נְסֹגִ֣ים
(nesogim)
wijkend
אָחוֹר֒
(achor)
achteruit
וְגִבּוֹרֵיהֶ֣ם
(vegiboreihem)
en hun helden
יֻכַּ֔תּוּ
(yukatu)
worden verslagen
וּמָנ֥וֹס
(umanos)
en op de vlucht
נָ֖סוּ
(nasu)
zij vluchten
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
הִפְנ֑וּ
(hifnu)
zij kijken om
מָג֥וֹר
(magor)
schrik
מִסָּבִ֖יב
(misaviv)
rondom
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָגוֹר מִסָּבִיב (magor missaviv), ‘schrik rondom’: een uitdrukking die in Jeremia vaker voorkomt, bijvoorbeeld in 6:25 en 49:29.
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Hier is de beschrijving van de profeet; alleen de formule staat rood.
8Egypte stijgt op als de Nijl; als rivieren woelen de wateren. Hij zegt: „Ik zal opstijgen en het land bedekken. Ik zal de stad en haar bewoners vernietigen.”
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
כַּיְאֹ֣ר
(kayor)
als de Nijl
יַֽעֲלֶ֔ה
(yaale)
stijgt op
וְכַנְּהָר֖וֹת
(vekhaneharot)
en als rivieren
יִתְגֹּ֣עֲשׁוּ
(yitgoashu)
woelen
מָ֑יִם
(mayim)
wateren
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zegt
אַֽעֲלֶה֙
(aale)
ik zal opstijgen
אֲכַסֶּה
(akhase)
ik zal bedekken
אֶ֔רֶץ
(erets)
het land
אֹבִ֥ידָה
(ovida)
ik zal vernietigen
עִ֖יר
(ir)
stad
וְיֹ֥שְׁבֵי
(veyoshevei)
en haar bewoners
בָֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.
Uitleg
De woorden tussen aanhalingstekens zijn de woorden van Egypte zelf.
9Stijg op, paarden, en raas, wagens. Laat de helden uittrekken: Kush en Put, die het schild vasthouden, en de Ludim, die de boog vasthouden en spannen.
עֲל֤וּ
(alu)
stijg op
הַסּוּסִים֙
(hasusim)
de paarden
וְהִתְהֹלְל֣וּ
(vehitholelu)
en raas
הָרֶ֔כֶב
(harekhev)
de wagens
וְיֵצְא֖וּ
(veyetseu)
en laat uittrekken
הַגִּבּוֹרִ֑ים
(hagiborim)
de helden
כּ֤וּשׁ
(kush)
Kush
וּפוּט֙
(ufut)
en Put
תֹּפְשֵׂ֣י
(tofesei)
die vasthouden
מָגֵ֔ן
(magen)
schild
וְלוּדִ֕ים
(veludim)
en de Ludim
תֹּפְשֵׂ֖י
(tofesei)
die vasthouden
דֹּ֥רְכֵי
(dorekhei)
spannen van
קָֽשֶׁת
(qashet)
boog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan.
Uitleg
כּוּשׁ (Kush) lag ten zuiden van Egypte.
פּוּט (Put) is een land of volk in Noordoost-Afrika; de ligging is onzeker.
לוּדִים (Ludim), ‘de Ludim’: een volk uit de nakomelingen van Misraïm (Gen. 10:13).
De ligging is onzeker.
De drie volken zijn huurlingen en bondgenoten van Egypte.
10Die dag is voor Heer Yahweh van de legermachten een dag van wraak, om Zich te wreken op Zijn tegenstanders. Het zwaard zal eten, verzadigd worden en zich laven aan hun bloed. Want Heer Yahweh van de legermachten heeft een slachtoffer in het land van het noorden, aan de rivier de Eufraat.
וְֽהַיּ֨וֹם
(vehayom)
en die dag
הַה֜וּא
(hahu)
die
לַאדֹנָ֧י
(ladonay)
voor Heer
יְהוִ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֗וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
י֤וֹם
(yom)
dag van
נְקָמָה֙
(neqama)
wraak
לְהִנָּקֵ֣ם
(lehinaqem)
om zich te wreken
מִצָּרָ֔יו
(mitsarav)
op Zijn tegenstanders
וְאָכְלָ֥ה
(veakhela)
en zal eten
חֶ֨רֶב֙
(cherev)
zwaard
וְשָׂ֣בְעָ֔ה
(vesavea)
en zal verzadigd worden
וְרָוְתָ֖ה
(veraveta)
en zal gelaafd worden
מִדָּמָ֑ם
(midamam)
van hun bloed
כִּ֣י
(ki)
want
זֶ֠בַח
(zevach)
slachtoffer
לַאדֹנָ֨י
(ladonay)
voor Heer
יְהוִ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֛וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
צָפ֖וֹן
(tsafon)
het noorden
אֶל
(el)
aan
נְהַר
(nehar)
de rivier
פְּרָֽת
(perat)
de Eufraat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.
Uitleg
אֲדֹנָי יְהוִה צְבָאוֹת (Adonai Yahweh Tsevaot), ‘Heer Yahweh van de legermachten’: zie Jer. 1:6 en 2:19.
זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’: een offerslachting. Hier is het beeld dat Egypte het offer is van Yahweh; vergelijk Jes. 34:6. De woorden zijn van de profeet in de derde persoon, dus zwart.
12De volken hebben je schande gehoord, en de aarde is vol van je geschreeuw. Want de ene held is over de andere gestruikeld; samen zijn zij beiden gevallen.
שָׁמְע֤וּ
(shameu)
hebben gehoord
גוֹיִם֙
(goyim)
volken
קְלוֹנֵ֔ךְ
(qelonekh)
je schande
וְצִוְחָתֵ֖ךְ
(vetsivchatekh)
en je geschreeuw
מָלְאָ֣ה
(malea)
is vol
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
כִּֽי
(ki)
want
גִבּ֤וֹר
(gibor)
held
בְּגִבּוֹר֙
(begibor)
tegen held
כָּשָׁ֔לוּ
(kashalu)
zijn gestruikeld
יַחְדָּ֖יו
(yachdav)
samen
נָפְל֥וּ
(nafelu)
zijn gevallen
שְׁנֵיהֶֽם
(sheneihem)
beiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קְלוֹנֵךְ (qelonekh), ‘je schande’: wat je onteert, je beschaamdheid.
14Maak het bekend in Egypte, laat het horen in Migdol, laat het horen in Nof en in Tachpanches. Zeg: „Stel je op en maak je gereed, want het zwaard heeft rondom je alles verteerd.”
הַגִּ֤ידוּ
(hagidu)
maak bekend
בְמִצְרַ֨יִם֙
(bemitsrayim)
in Egypte
וְהַשְׁמִ֣יעוּ
(vehashmiu)
en laat horen
בְמִגְדּ֔וֹל
(bemigdol)
in Migdol
וְהַשְׁמִ֥יעוּ
(vehashmiu)
en laat horen
בְנֹ֖ף
(benof)
in Nof
וּבְתַחְפַּנְחֵ֑ס
(uvetachpanches)
en in Tachpanches
אִמְר֗וּ
(imru)
zeg
הִתְיַצֵּב֙
(hityatsev)
stel je op
וְהָכֵ֣ן
(vehakhen)
en maak gereed
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jezelf
כִּֽי
(ki)
want
אָכְלָ֥ה
(akhela)
heeft verteerd
חֶ֖רֶב
(cherev)
zwaard
סְבִיבֶֽיךָ
(seviveikha)
rondom je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Zie Migdol: Migdol (‘toren, fort’) was een grensfort in het oosten van de Nijldelta.
De precieze plaats is niet bekend.
Zie Nof (Memfis): Memfis (Mof) was een oude hoofdstad van Egypte, bij Mit Rahina, ten zuiden van het huidige Caïro, aan de Nijl.
Zie Tachpanches (Tell Defenneh): Tachpanches (Tafnes, Daphne) was een grensvesting in het oostelijke Nijldelta, bij het huidige Tell Defenneh, waar Judese vluchtelingen zich vestigden.
Uitleg
מִגְדֹּל (Migdol), נֹף (Nof) en תַּחְפַּנְחֵס (Tachpanches): steden in Egypte.
Migdol was een grensfort in het oosten van de Nijldelta.
16Velen struikelden. Ook viel de een tegen de ander. Zij zeiden: „Sta op, laten wij terugkeren naar ons volk en naar het land van onze geboorte, weg van het zwaard van de verdrukker.”
הִרְבָּ֖ה
(hirba)
velen
כּוֹשֵׁ֑ל
(koshel)
struikelden
גַּם
(gam)
ook
נָפַ֞ל
(nafal)
viel
אִ֣ישׁ
(ish)
de een
אֶל
(el)
tegen
רֵעֵ֗הוּ
(reehu)
zijn naaste
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zij zeiden
ק֣וּמָה
(quma)
sta op
וְנָשֻׁ֣בָה
(venashuva)
en laten wij terugkeren
אֶל
(el)
naar
עַמֵּ֗נוּ
(amenu)
ons volk
וְאֶל
(veel)
en naar
אֶ֨רֶץ֙
(erets)
het land van
מֽוֹלַדְתֵּ֔נוּ
(moladtenu)
onze geboorte
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor het aangezicht van
חֶ֥רֶב
(cherev)
zwaard van
הַיּוֹנָֽה
(hayona)
de verdrukker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִרְבָּה כּוֹשֵׁל (hirbah koshel): letterlijk ‘hij heeft de struikelaar talrijk gemaakt’.
Het onderwerp staat er niet bij.
Wij schrijven: ‘Velen struikelden’.
הַיּוֹנָה (hayyonah), ‘de verdrukker’: van het werkwoord yanah, ‘onderdrukken’. Het woord kan ook als ‘de duif’ worden gelezen. De betekenis is onzeker.
17Daar roepen zij: „Farao, de koning van Egypte, is slechts geraas. Hij heeft het bestemde ogenblik laten voorbijgaan.”
קָרְא֖וּ
(qareu)
zij roepen
שָׁ֑ם
(sham)
daar
פַּרְעֹ֤ה
(paro)
farao
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
שָׁא֔וֹן
(shaon)
geraas
הֶעֱבִ֖יר
(heevir)
hij heeft laten voorbijgaan
הַמּוֹעֵֽד
(hamoed)
het bestemde ogenblik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
שָׁאוֹן (sha’on), ‘geraas’: veel lawaai en weinig daden.
הֶעֱבִיר הַמּוֹעֵד (he’evir hammo’ed), ‘hij heeft het bestemde ogenblik laten voorbijgaan’: hij heeft zijn kans laten liggen. De betekenis is niet helemaal zeker.
18„Zo waar Ik leef, godsspraak van de Koning, Yahweh van de legermachten is Zijn naam. Voorwaar, als de Tabor onder de bergen en als de Karmel aan de zee, zo zal hij komen.”
חַי
(chay)
leef
אָ֨נִי֙
(ani)
ik
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de Koning
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
שְׁמ֑וֹ
(shemo)
Zijn naam
כִּ֚י
(ki)
voorwaar
כְּתָב֣וֹר
(ketavor)
als de Tabor
בֶּֽהָרִ֔ים
(beharim)
onder de bergen
וּכְכַרְמֶ֖ל
(ukhekharmel)
en als de Karmel
בַּיָּ֥ם
(bayam)
aan de zee
יָבֽוֹא
(yavo)
zal hij komen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַי אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: een eed van Yahweh; zie Num. 14:21 en 14:28.
נְאֻם הַמֶּלֶךְ (ne’um hammelekh), ‘godsspraak van de Koning’: de Koning is Yahweh van de legermachten, zoals de rest van het vers zegt. ‘Yahweh van de legermachten is Zijn naam’ is een opmerking over Hem in de derde persoon en staat zwart (zoals in Amos 5:27 en Jer. 51:57).
De Tabor en de Karmel zijn bergen. Het beeld is: de vijand komt zo zeker en zo groot als deze bergen.
21Ook haar huurlingen in haar midden zijn als gemeste kalveren. Want ook zij keren om en vluchten samen. Zij houden geen stand. Want de dag van hun ramp komt over hen, de tijd van hun straf.
גַּם
(gam)
ook
שְׂכִרֶ֤יהָ
(sekhireiha)
haar huurlingen
בְקִרְבָּהּ֙
(beqirbah)
in haar midden
כְּעֶגְלֵ֣י
(keeglei)
als kalveren van
מַרְבֵּ֔ק
(marbeq)
de mesterij
כִּֽי
(ki)
want
גַם
(gam)
ook
הֵ֧מָּה
(hema)
zij
הִפְנ֛וּ
(hifnu)
keren om
נָ֥סוּ
(nasu)
zij vluchten
יַחְדָּ֖יו
(yachdav)
samen
לֹ֣א
(lo)
niet
עָמָ֑דוּ
(amadu)
houden stand
כִּ֣י
(ki)
want
י֥וֹם
(yom)
dag van
אֵידָ֛ם
(eidam)
hun ramp
בָּ֥א
(ba)
komt
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
over hen
עֵ֥ת
(et)
tijd van
פְּקֻדָּתָֽם
(pequdatam)
hun straf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֵידָם (eidam), ‘hun ramp’: zie ook 48:16.
שְׂכִרֶיהָ (sekhireha), ‘haar huurlingen’: buitenlandse soldaten in dienst van Egypte.
פְּקֻדָּתָם (peqoddatam), ‘hun straf’: van het werkwoord paqad, ‘bezoeken’, hier ‘straffen’; zie vers 25.
25Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël, heeft gezegd: „Zie, Ik ga Amon van No straffen, en farao, en Egypte met zijn goden en zijn koningen. Ook farao en wie op hem vertrouwen straf Ik.
אָמַר֩
(amar)
heeft gezegd
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֜וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie, Ik
פוֹקֵד֙
(poqed)
ga straffen
אֶל
(el)
over
אָמ֣וֹן
(amon)
Amon
מִנֹּ֔א
(mino)
van No
וְעַל
(veal)
en over
פַּרְעֹה֙
(paro)
farao
וְעַל
(veal)
en over
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְעַל
(veal)
en over
אֱלֹהֶ֖יהָ
(eloheiha)
zijn goden
וְעַל
(veal)
en over
מְלָכֶ֑יהָ
(melakheiha)
zijn koningen
וְעַ֨ל
(veal)
en over
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
farao
וְעַ֥ל
(veal)
en over
הַבֹּטְחִ֖ים
(habotechim)
wie vertrouwen
בּֽוֹ
(bo)
op hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie No (Thebe): No (No-Amon) is Thebe, de oude hoofdstad van Opper-Egypte, bij het huidige Luxor, aan de Nijl.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
אָמוֹן מִנֹּא (Amon mi-No), ‘Amon van No’: No is Thebe in Opper-Egypte en Amon was de god van die stad; zie Nah. 3:8 (‘No-Amon’).
26Ik lever hen over in de hand van wie hun leven zoeken, in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en in de hand van zijn dienaren. Daarna zal zij bewoond worden zoals in de dagen van vroeger, godsspraak van Yahweh.
וּנְתַתִּ֗ים
(unetatim)
en Ik zal hen overleveren
בְּיַד֙
(beyad)
in de hand van
מְבַקְשֵׁ֣י
(mevaqshei)
wie zoeken
נַפְשָׁ֔ם
(nafsham)
hun leven
וּבְיַ֛ד
(uveyad)
en in de hand van
נְבֽוּכַדְרֶאצַּ֥ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
וּבְיַד
(uveyad)
en in de hand van
עֲבָדָ֑יו
(avadav)
zijn dienaren
וְאַחֲרֵי
(veacharei)
en na
כֵ֛ן
(ken)
dit
תִּשְׁכֹּ֥ן
(tishkon)
zal zij bewoond worden
כִּֽימֵי
(kimei)
zoals in de dagen van
קֶ֖דֶם
(qedem)
vroeger
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
עֲבָדָיו (avadav), ‘zijn dienaren’: de hovelingen en bevelhebbers van Nebukadnezar.
Wij schrijven ‘dienaren’ voor mensen van een koning en ‘knecht’ voor de knecht van Yahweh (vers 27).
Wat Yahweh na de val van Egypte belooft, is een herstel van het land ‘zoals in de dagen van vroeger’.
27Jij dan, wees niet bang, Mijn knecht Jakob, en wees niet ontzet, Israël. Want zie, Ik red je uit de verte en je nageslacht uit het land van hun gevangenschap. Jakob zal terugkeren, rust hebben en onbezorgd zijn. Niemand zal hem doen schrikken.
וְ֠אַתָּה
(veata)
en jij
אַל
(al)
niet
תִּירָ֞א
(tira)
wees bang
עַבְדִּ֤י
(avdi)
Mijn knecht
יַֽעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
וְאַל
(veal)
en niet
תֵּחַ֣ת
(techat)
wees ontzet
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כִּ֠י
(ki)
want
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie, Ik
מוֹשִֽׁעֲךָ֙
(moshiakha)
die je redt
מֵֽרָח֔וֹק
(merachoq)
uit de verte
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
זַרְעֲךָ֖
(zarakha)
je nageslacht
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
שִׁבְיָ֑ם
(shivyam)
hun gevangenschap
וְשָׁ֧ב
(veshav)
en zal terugkeren
יַעֲק֛וֹב
(yaaqov)
Jakob
וְשָׁקַ֥ט
(veshaqat)
en zal rustig zijn
וְשַׁאֲנַ֖ן
(veshaanan)
en onbezorgd
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
מַחֲרִֽיד
(macharid)
die doet schrikken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: Jakob, het volk.
Dit vers en het volgende staan ook in Jer. 30:10–11; wij houden de woorden gelijk waar het Hebreeuws gelijk is.
Hier ontbreekt in vers 27 de formule ‘godsspraak van Yahweh’, die in 30:10 wel staat.
מוֹשִׁיעֲךָ (moshi’akha), ‘die je redt’: van het werkwoord hoshia, ‘redden’.
אֶרֶץ שִׁבְיָם (erets shivyam), ‘het land van hun gevangenschap’.
28Jij, wees niet bang, Mijn knecht Jakob, godsspraak van Yahweh, want Ik ben met je. Want Ik zal een volledig einde maken aan alle volken waarheen Ik je verdreven heb. Maar aan jou zal Ik geen volledig einde maken. Ik zal je tuchtigen naar recht, maar Ik zal je zeker niet ongestraft laten.”
אַ֠תָּה
(ata)
jij
אַל
(al)
niet
תִּירָ֞א
(tira)
wees bang
עַבְדִּ֤י
(avdi)
Mijn knecht
יַֽעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֥י
(ki)
want
אִתְּךָ֖
(itekha)
met jou
אָ֑נִי
(ani)
Ik
כִּי֩
(ki)
want
אֶעֱשֶׂ֨ה
(eese)
Ik zal maken
כָלָ֜ה
(kala)
een volledig einde
בְּכָֽל
(bekhal)
onder alle
הַגּוֹיִ֣ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
waarheen
הִדַּחְתִּ֣יךָ
(hidachtikha)
Ik je verdreven heb
שָׁ֗מָּה
(shama)
daarheen
וְאֹֽתְךָ֙
(veotekha)
maar met jou
לֹא
(lo)
niet
אֶעֱשֶׂ֣ה
(eese)
Ik zal maken
כָלָ֔ה
(kala)
een volledig einde
וְיִסַּרְתִּ֨יךָ֙
(veyisartikha)
en Ik zal je tuchtigen
לַמִּשְׁפָּ֔ט
(lamishpat)
naar recht
וְנַקֵּ֖ה
(venaqe)
en ongestraft
לֹ֥א
(lo)
niet
אֲנַקֶּֽךָּ
(anaqeka)
Ik laat je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers komt grotendeels overeen met Jer. 30:11.
Daar staat ‘godsspraak van Yahweh’ na ‘Want Ik ben met je’ en ‘om je te redden’; hier staat de formule na ‘Mijn knecht Jakob’.
Ook staat daar ‘verspreid’ waar hier ‘verdreven’ staat.
כָּלָה (kalah), ‘volledig einde’: een algehele vernietiging.
לַמִּשְׁפָּט (lammishpat), ‘naar recht’: het kan ook ‘met mate’ betekenen. Het gaat om een tuchtiging, geen vernietiging.