De gevangenneming in de tuin, Yeshua voor de hogepriester, Petrus en Yeshua voor Pilatus
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De gevangenneming in de tuin
1Nadat Yeshua dit gezegd had, ging Hij met Zijn leerlingen naar buiten, naar de overkant van de beek Kidron. Daar was een tuin, en daarin ging Hij binnen, Hij en Zijn leerlingen.
Ταῦτα
(Tauta)
dit
εἰπὼν
(eipon)
gezegd hebbend
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
σὺν
(syn)
met
τοῖς
(tois)
de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
πέραν
(peran)
aan de overkant van
τοῦ
(tou)
de
χειμάρρου
(cheimarrou)
beek
τοῦ
(tou)
de
Κεδρὼν
(Kedron)
Kidron
ὅπου
(hopou)
waar
ἦν
(en)
was
κῆπος
(kepos)
tuin
εἰς
(eis)
in
ὃν
(hon)
die
εἰσῆλθεν
(eiselthen)
ging binnen
αὐτὸς
(autos)
Hij zelf
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg.
Zie Tuin over het Kidrondal (Getsemane?; ligging onzeker): Johannes noemt de tuin niet bij naam.
De traditie verbindt hem met Getsemane, aan de voet van de Olijfberg, over het Kidrondal.
Dit is niet zeker.
Uitleg
χείμαρρος (cheimarros), ‘beek’: een beek die vooral in de regentijd water voert.
De beek Kidron lag tussen Jeruzalem en de Olijfberg; vergelijk 2 Sam. 15:23.
κῆπος (kepos), ‘tuin’: Johannes noemt de naam Getsemane niet. Zie ook Matt. 26:36–46; Mark. 14:32–42; Luc. 22:39–46.
4Yeshua wist dus alles wat over Hem zou komen. Hij ging naar buiten en zei tegen hen: „Wie zoeken jullie?”
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
οὖν
(oun)
dus
εἰδὼς
(eidos)
wetend
πάντα
(panta)
alles
τὰ
(ta)
wat
ἐρχόμενα
(erchomena)
komt
ἐπ’
(ep’)
over
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Τίνα
(Tina)
wie
ζητεῖτε
(zeteite)
jullie zoeken
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft ἐξῆλθεν (exelthen), ‘ging uit’; hier vanuit de tuin naar hen toe.
5Zij antwoordden Hem: „Yeshua de Nazoreeër.” Hij zei tegen hen: „Ik ben het.” Ook Judas, die Hem overleverde, stond bij hen.
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
zij antwoordden
αὐτῷ
(auto)
Hem
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
τὸν
(ton)
de
Ναζωραῖον
(Nazoraion)
Nazoreeër
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Ἐγώ
(Ego)
Ik
εἰμι
(eimi)
ben
εἱστήκει
(heistekei)
stond
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
Ἰούδας
(Ioudas)
Judas
ὁ
(ho)
die
παραδιδοὺς
(paradidous)
overleverde
αὐτὸν
(auton)
Hem
μετ’
(met’)
met
αὐτῶν
(auton)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg
Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: uit Nazaret; zie ook Matt. 2:23 en 26:71.
Ἐγώ εἰμι (Ego eimi), ‘Ik ben het’: letterlijk ‘Ik ben’. In het Grieks is dit een gewone manier om te zeggen ‘Ik ben het’, maar het klinkt ook als de woorden van Elohim in Exod. 3:14 (‘Ik ben die Ik ben’) en Jes. 43:10 (‘dat Ik Hij ben’); vergelijk Joh. 8:24, 8:28 en 8:58.
15Simon Petrus volgde Yeshua, en ook een andere leerling. Die leerling was bekend bij de hogepriester en ging met Yeshua mee naar de binnenplaats van de hogepriester.
Ἠκολούθει
(Ekolouthei)
volgde
δὲ
(de)
maar
τῷ
(to)
aan de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
Σίμων
(Simon)
Simon
Πέτρος
(Petros)
Petrus
καὶ
(kai)
en
ἄλλος
(allos)
een andere
μαθητής
(mathetes)
leerling
ὁ
(ho)
die
δὲ
(de)
maar
μαθητὴς
(mathetes)
leerling
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
ἦν
(en)
was
γνωστὸς
(gnostos)
bekend
τῷ
(to)
aan de
ἀρχιερεῖ
(archierei)
hogepriester
καὶ
(kai)
en
συνεισῆλθεν
(syneiselthen)
ging mee binnen
τῷ
(to)
met de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
αὐλὴν
(aulen)
binnenplaats
τοῦ
(tou)
van de
ἀρχιερέως
(archiereos)
hogepriester
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Huis van de hogepriester (Annas en Kajafas; Jeruzalem; ligging onzeker): Het huis van Annas en Kajafas, de hogepriesters, stond in Jeruzalem.
De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel.
Uitleg
αὐλή (aule), ‘binnenplaats’: de open ruimte binnen het huis.
Wie de andere leerling is, zegt de tekst niet. γνωστός (gnostos), ‘bekend’: een bekende van de hogepriester.
16Petrus stond buiten bij de deur. De andere leerling, die bij de hogepriester bekend was, ging dus naar buiten, sprak met de deurwachtster en bracht Petrus binnen.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Πέτρος
(Petros)
Petrus
εἱστήκει
(heistekei)
stond
πρὸς
(pros)
bij
τῇ
(te)
de
θύρᾳ
(thyra)
deur
ἔξω
(exo)
buiten
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
οὖν
(oun)
dus
ὁ
(ho)
de
μαθητὴς
(mathetes)
leerling
ὁ
(ho)
de
ἄλλος
(allos)
andere
ὁ
(ho)
de
γνωστὸς
(gnostos)
bekende
τοῦ
(tou)
van de
ἀρχιερέως
(archiereos)
hogepriester
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
sprak
τῇ
(te)
tot de
θυρωρῷ
(thyroro)
deurwachtster
καὶ
(kai)
en
εἰσήγαγεν
(eisegagen)
bracht binnen
τὸν
(ton)
de
Πέτρον
(Petron)
Petrus
Bron: SBLGNT
Uitleg
θυρωρός (thyroros), ‘deurwachtster’: wie de deur bewaakt.
Het Grieks heeft εἶπεν (eipen), ‘zei’, zonder voorwerp; wij schrijven ‘sprak met’.
17Het dienstmeisje, de deurwachtster, zei toen tegen Petrus: „Ben jij soms ook een van de leerlingen van deze man?” Hij zei: „Dat ben ik niet.”
λέγει
(legei)
zegt
οὖν
(oun)
dus
τῷ
(to)
aan de
Πέτρῳ
(Petro)
Petrus
ἡ
(he)
het
παιδίσκη
(paidiske)
dienstmeisje
ἡ
(he)
de
θυρωρός
(thyroros)
deurwachtster
Μὴ
(Me)
toch niet
καὶ
(kai)
ook
σὺ
(sy)
jij
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
εἶ
(ei)
ben
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
man
τούτου
(toutou)
deze
λέγει
(legei)
zegt
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
Οὐκ
(Ouk)
niet
εἰμί
(eimi)
ben ik
Bron: SBLGNT
Uitleg
Μὴ καὶ σύ (Me kai sy), ‘Ben jij soms ook …?’: de vraag verwacht een ontkennend antwoord.
Zie ook Matt. 26:69–70; Mark. 14:66–68; Luc. 22:56–57.
18De knechten en de bedienden hadden een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was. Zij stonden daar en warmden zich. Ook Petrus stond bij hen en warmde zich.
εἱστήκεισαν
(heistekeisan)
stonden
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
δοῦλοι
(douloi)
knechten
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ὑπηρέται
(hyperetai)
bedienden
ἀνθρακιὰν
(anthrakian)
kolenvuur
πεποιηκότες
(pepoiekotes)
gemaakt hebbend
ὅτι
(hoti)
omdat
ψῦχος
(psychos)
koud
ἦν
(en)
was
καὶ
(kai)
en
ἐθερμαίνοντο
(ethermainonto)
zij warmden zich
ἦν
(en)
was
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
μετ’
(met’)
met
αὐτῶν
(auton)
hen
ἑστὼς
(hestos)
staand
καὶ
(kai)
en
θερμαινόμενος
(thermainomenos)
zich warmend
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀνθρακιά (anthrakia), ‘kolenvuur’: een vuur van gloeiende kolen.
Het woord komt ook voor in Joh. 21:9.
δοῦλοι (douloi), ‘knechten’, en ὑπηρέται (hyperetai), ‘bedienden’: zie ook 18:3 en 18:10.
20Yeshua antwoordde hem: „Ik heb openlijk tot de wereld gesproken. Ik heb altijd onderwezen in de synagoge en in de tempel, waar alle Joden samenkomen. In het verborgen heb Ik niets gesproken.
23Yeshua antwoordde hem: „Als Ik kwaad gesproken heb, getuig dan van het kwaad. Maar als Ik goed gesproken heb, waarom sla je Mij?”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
αὐτῷ
(auto)
hem
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Εἰ
(Ei)
als
κακῶς
(kakos)
kwaad
ἐλάλησα
(elalesa)
Ik sprak
μαρτύρησον
(martyreson)
getuig
περὶ
(peri)
over
τοῦ
(tou)
het
κακοῦ
(kakou)
kwaad
εἰ
(ei)
als
δὲ
(de)
maar
καλῶς
(kalos)
goed
τί
(ti)
waarom
με
(me)
Mij
δέρεις
(dereis)
sla je
Bron: SBLGNT
Uitleg
δέρω (dero), ‘slaan’: iemand met geweld treffen. τί (ti), ‘waarom’: letterlijk ‘wat’, zoals in 18:21.
24Annas zond Hem dus gebonden naar Kajafas, de hogepriester.
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
οὖν
(oun)
dus
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὁ
(ho)
de
Ἅννας
(Hannas)
Annas
δεδεμένον
(dedemenon)
gebonden
πρὸς
(pros)
naar
Καϊάφαν
(Kaiaphan)
Kajafas
τὸν
(ton)
de
ἀρχιερέα
(archierea)
hogepriester
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Huis van de hogepriester (Annas en Kajafas; Jeruzalem; ligging onzeker): Het huis van Annas en Kajafas, de hogepriesters, stond in Jeruzalem.
De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel.
Uitleg
Het Grieks heeft de verleden tijd ἀπέστειλεν (apesteilen), ‘zond’.
Het kan ook ‘had gezonden’ betekenen, als dit vers terugkijkt: dan was Yeshua al bij Kajafas, terwijl Petrus Hem nog ontkende.
Petrus ontkent opnieuw
25Simon Petrus stond daar en warmde zich. Zij zeiden dus tegen hem: „Ben jij soms ook een van Zijn leerlingen?” Hij ontkende het en zei: „Dat ben ik niet.”
Ἦν
(En)
was
δὲ
(de)
maar
Σίμων
(Simon)
Simon
Πέτρος
(Petros)
Petrus
ἑστὼς
(hestos)
staand
καὶ
(kai)
en
θερμαινόμενος
(thermainomenos)
zich warmend
εἶπον
(eipon)
zij zeiden
οὖν
(oun)
dus
αὐτῷ
(auto)
tot hem
Μὴ
(Me)
toch niet
καὶ
(kai)
ook
σὺ
(sy)
jij
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εἶ
(ei)
ben
ἠρνήσατο
(ernesato)
hij ontkende
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
Οὐκ
(Ouk)
niet
εἰμί
(eimi)
ben ik
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀρνέομαι (arneomai), ‘ontkennen’: zeggen dat je iets niet bent of niet kent.
Zie ook Matt. 26:71–75; Mark. 14:69–72; Luc. 22:58–62.
26Een van de knechten van de hogepriester was een familielid van degene wiens oor Petrus had afgehouwen. Die knecht zei: „Heb ik jou niet in de tuin bij Hem gezien?”
λέγει
(legei)
zegt
εἷς
(heis)
een
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
δούλων
(doulon)
knechten
τοῦ
(tou)
van de
ἀρχιερέως
(archiereos)
hogepriester
συγγενὴς
(syngenes)
familielid
ὢν
(on)
zijnde
οὗ
(hou)
van wie
ἀπέκοψεν
(apekopsen)
afhieuw
Πέτρος
(Petros)
Petrus
τὸ
(to)
het
ὠτίον
(otion)
oor
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἐγώ
(ego)
ik
σε
(se)
jou
εἶδον
(eidon)
zag
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
κήπῳ
(kepo)
tuin
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
Hem
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Tuin over het Kidrondal (Getsemane?; ligging onzeker): Johannes noemt de tuin niet bij naam.
De traditie verbindt hem met Getsemane, aan de voet van de Olijfberg, over het Kidrondal.
Dit is niet zeker.
Uitleg
συγγενής (syngenes), ‘familielid’: een bloedverwant.
27Petrus ontkende het opnieuw, en meteen kraaide een haan.
πάλιν
(palin)
opnieuw
οὖν
(oun)
dus
ἠρνήσατο
(ernesato)
ontkende
Πέτρος
(Petros)
Petrus
καὶ
(kai)
en
εὐθέως
(eutheos)
meteen
ἀλέκτωρ
(alektor)
haan
ἐφώνησεν
(ephonesen)
kraaide
Bron: SBLGNT
Yeshua voor Pilatus
28Zij brachten Yeshua van Kajafas naar het pretorium. Het was vroeg in de ochtend. Zelf gingen zij het pretorium niet binnen, om niet onrein te worden, maar het Pesach te kunnen eten.
Ἄγουσιν
(Agousin)
zij leiden
οὖν
(oun)
dus
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
Καϊάφα
(Kaiapha)
Kajafas
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
het
πραιτώριον
(praitorion)
pretorium
ἦν
(en)
was
δὲ
(de)
maar
πρωΐ
(proi)
vroeg
καὶ
(kai)
en
αὐτοὶ
(autoi)
zijzelf
οὐκ
(ouk)
niet
εἰσῆλθον
(eiselthon)
gingen binnen
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
het
πραιτώριον
(praitorion)
pretorium
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
μιανθῶσιν
(mianthosin)
zij onrein werden
ἀλλὰ
(alla)
maar
φάγωσιν
(phagosin)
zij konden eten
τὸ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Pretorium (Jeruzalem; ligging onzeker): Het pretorium was het verblijf van de Romeinse stadhouder in Jeruzalem.
Of dat het paleis van Herodes (westkant van de stad) of de Antonia-burcht (bij de tempel) was, is niet zeker.
Uitleg
πραιτώριον (praitorion), ‘pretorium’: het verblijf van de Romeinse stadhouder; zie ook Matt. 27:27. πρωΐ (proi), ‘vroeg in de ochtend’.
μιαίνω (miaino), ‘onrein worden’: wie het huis van een heiden binnenging, werd onrein.
τὸ πάσχα φάγωσιν (to pascha phagosin), ‘het Pesach eten’: dat kan het Pesachmaal zelf zijn, of de maaltijden van het feest in de dagen daarna. Hoe dit past bij de maaltijd van Yeshua met Zijn leerlingen in Matt. 26:17–20 en Mark. 14:12–17, is een open vraag; zie ook de voetnoot bij Joh. 19:14.
30Zij antwoordden hem: „Als deze man geen kwaad deed, zouden wij Hem niet aan u hebben overgeleverd.”
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
zij antwoordden
καὶ
(kai)
en
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
hem
Εἰ
(Ei)
als
μὴ
(me)
niet
ἦν
(en)
was
οὗτος
(houtos)
deze
κακὸν
(kakon)
kwaad
ποιῶν
(poion)
doend
οὐκ
(ouk)
niet
ἄν
(an)
zeker
σοι
(soi)
aan u
παρεδώκαμεν
(paredokamen)
wij leverden over
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
κακὸν ποιῶν (kakon poion), ‘kwaad doend’: een boosdoener.
31Pilatus zei dus tegen hen: „Neem Hem zelf mee en oordeel over Hem volgens jullie wet.” De Joden zeiden tegen hem: „Het is ons niet toegestaan iemand te doden.”
εἶπεν
(eipen)
zei
οὖν
(oun)
dus
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
Λάβετε
(Labete)
neem
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie zelf
καὶ
(kai)
en
κατὰ
(kata)
volgens
τὸν
(ton)
de
νόμον
(nomon)
wet
ὑμῶν
(hymon)
jullie
κρίνατε
(krinate)
oordeel
αὐτόν
(auton)
Hem
εἶπον
(eipon)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tot hem
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
Ἡμῖν
(Hemin)
ons
οὐκ
(ouk)
niet
ἔξεστιν
(exestin)
is toegestaan
ἀποκτεῖναι
(apokteinai)
te doden
οὐδένα
(oudena)
niemand
Bron: SBLGNT
Uitleg
Waarom het de Joodse leiders niet is toegestaan iemand te doden, zegt de tekst niet.
Zij bedoelen waarschijnlijk dat alleen de Romeinse stadhouder een doodvonnis kon uitspreken; vergelijk Joh. 19:10, waar Pilatus zegt dat hij gezag heeft om Yeshua te kruisigen.
32Dit gebeurde opdat het woord van Yeshua vervuld zou worden, dat Hij gezegd had om aan te duiden met wat voor dood Hij zou sterven.
ἵνα
(hina)
opdat
ὁ
(ho)
het
λόγος
(logos)
woord
τοῦ
(tou)
van de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
πληρωθῇ
(plerothe)
vervuld werd
ὃν
(hon)
dat
εἶπεν
(eipen)
Hij zei
σημαίνων
(semainon)
aanduidend
ποίῳ
(poio)
met wat voor
θανάτῳ
(thanato)
dood
ἤμελλεν
(emellen)
Hij zou
ἀποθνῄσκειν
(apothneskein)
sterven
Bron: SBLGNT
Uitleg
Welk woord van Yeshua bedoeld wordt, zegt de tekst niet: vergelijk Joh. 3:14, 8:28 en 12:32–33, waar ‘verhoogd worden’ een aanduiding is van de wijze van sterven. σημαίνω (semaino), ‘aanduiden’.
34Yeshua antwoordde: „Zeg jij dit uit jezelf, of hebben anderen het jou over Mij gezegd?”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἀπὸ
(Apo)
van
σεαυτοῦ
(seautou)
jezelf
σὺ
(sy)
jij
τοῦτο
(touto)
dit
λέγεις
(legeis)
zegt
ἢ
(e)
of
ἄλλοι
(alloi)
anderen
εἶπόν
(eipon)
zeiden
σοι
(soi)
jou
περὶ
(peri)
over
ἐμοῦ
(emou)
Mij
Bron: SBLGNT
35Pilatus antwoordde: „Ben ik soms een Jood? Uw volk en de hogepriesters hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt U gedaan?”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
Μήτι
(Meti)
toch niet
ἐγὼ
(ego)
ik
Ἰουδαῖός
(Ioudaios)
Jood
εἰμι
(eimi)
ben
τὸ
(to)
het
ἔθνος
(ethnos)
volk
τὸ
(to)
het
σὸν
(son)
Uwe
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
παρέδωκάν
(paredokan)
leverden over
σε
(se)
U
ἐμοί
(emoi)
aan mij
τί
(ti)
wat
ἐποίησας
(epoiesas)
hebt U gedaan
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἔθνος (ethnos), ‘volk’: hier het volk van de Joden.
Pilatus spreekt Yeshua aan met ‘U’.
36Yeshua antwoordde: „Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn koninkrijk van deze wereld was, zouden Mijn bedienden strijden, zodat Ik niet aan de Joden overgeleverd zou worden. Maar nu is Mijn koninkrijk niet van hier.”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἡ
(He)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
ἡ
(he)
het
ἐμὴ
(eme)
Mijne
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
κόσμου
(kosmou)
wereld
τούτου
(toutou)
deze
εἰ
(ei)
als
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
κόσμου
(kosmou)
wereld
τούτου
(toutou)
deze
ἦν
(en)
was
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
ἡ
(he)
het
ἐμή
(eme)
Mijne
οἱ
(hoi)
de
ὑπηρέται
(hyperetai)
bedienden
οἱ
(hoi)
de
ἐμοὶ
(emoi)
Mijne
ἠγωνίζοντο
(egonizonto)
zouden strijden
ἄν
(an)
zeker
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
παραδοθῶ
(paradotho)
Ik werd overgeleverd
τοῖς
(tois)
aan de
Ἰουδαίοις
(Ioudaiois)
Joden
νῦν
(nyn)
nu
δὲ
(de)
maar
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
ἡ
(he)
het
ἐμὴ
(eme)
Mijne
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
ἐντεῦθεν
(enteuthen)
van hier
Bron: SBLGNT
Uitleg
βασιλεία (basileia), ‘koninkrijk’: hier het koninkrijk dat Yeshua toekomt. ὑπηρέται (hyperetai), ‘bedienden’: zie 18:3. ἀγωνίζομαι (agonizomai), ‘strijden’.
37Pilatus zei dus tegen Hem: „U bent dus een koning?” Yeshua antwoordde: „Jij zegt dat Ik een koning ben. Hiervoor ben Ik geboren en hiervoor ben Ik in de wereld gekomen: om te getuigen van de waarheid. Ieder die uit de waarheid is, luistert naar Mijn stem.”
εἶπεν
(eipen)
zei
οὖν
(oun)
dus
αὐτῷ
(auto)
hem
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
Οὐκοῦν
(Oukoun)
dus
βασιλεὺς
(basileus)
koning
εἶ
(ei)
ben
σύ
(sy)
U
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Σὺ
(Sy)
jij
λέγεις
(legeis)
zegt
ὅτι
(hoti)
dat
βασιλεύς
(basileus)
koning
εἰμι
(eimi)
Ik ben
ἐγὼ
(ego)
Ik
εἰς
(eis)
tot
τοῦτο
(touto)
dit
γεγέννημαι
(gegennemai)
ben geboren
καὶ
(kai)
en
εἰς
(eis)
tot
τοῦτο
(touto)
dit
ἐλήλυθα
(elelytha)
Ik ben gekomen
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
κόσμον
(kosmon)
wereld
ἵνα
(hina)
opdat
μαρτυρήσω
(martyreso)
Ik getuig
τῇ
(te)
aan de
ἀληθείᾳ
(aletheia)
waarheid
πᾶς
(pas)
ieder
ὁ
(ho)
die
ὢν
(on)
zijnde
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
ἀληθείας
(aletheias)
waarheid
ἀκούει
(akouei)
hoort
μου
(mou)
Mijn
τῆς
(tes)
de
φωνῆς
(phones)
stem
Bron: SBLGNT
Uitleg
Σὺ λέγεις ὅτι βασιλεύς εἰμι (Sy legeis hoti basileus eimi): ‘Jij zegt dat Ik een koning ben’.
Het Grieks kan ook zijn: ‘Jij zegt het, want Ik ben koning’.
Het antwoord is bevestigend maar terughoudend, zoals in Matt. 27:11.
Vergelijk Joh. 10:27 voor ‘luisteren naar Mijn stem’.
38Pilatus zei tegen Hem: „Wat is waarheid?” Nadat hij dit gezegd had, ging hij weer naar buiten, naar de Joden, en zei tegen hen: „Ik vind geen enkele aanklacht tegen Hem.
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
Τί
(Ti)
wat
ἐστιν
(estin)
is
ἀλήθεια
(aletheia)
waarheid
Καὶ
(Kai)
en
τοῦτο
(touto)
dit
εἰπὼν
(eipon)
gezegd hebbend
πάλιν
(palin)
weer
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
πρὸς
(pros)
naar
τοὺς
(tous)
de
Ἰουδαίους
(Ioudaious)
Joden
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Ἐγὼ
(Ego)
Ik
οὐδεμίαν
(oudemian)
geen enkele
εὑρίσκω
(heurisko)
vind
ἐν
(en)
in
αὐτῷ
(auto)
Hem
αἰτίαν
(aitian)
aanklacht
Bron: SBLGNT
Uitleg
αἰτία (aitia), ‘aanklacht’: een grond om iemand te beschuldigen.
Pilatus zegt het ook in 19:4 en 19:6.
Het Grieks heeft ‘in Hem’; wij schrijven ‘tegen Hem’, zoals in 19:4 en 19:6.
Op Pilatus’ vraag ‘Wat is waarheid?’ staat geen antwoord; vergelijk Joh. 14:6.