Elohim Bijbel

Lucas 19

123456789101112131415161718192021222324

Zacheüs, de gelijkenis van de minas en de intocht in Jeruzalem

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua en Zacheüs in Jericho

1Hij ging Jericho binnen en trok erdoorheen.
Καὶ
(Kai)
en
εἰσελθὼν
(eiselthon)
binnengegaan
διήρχετο
(diercheto)
trok door
τὴν
(ten)
de
Ἰεριχώ
(Iericho)
Jericho
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

2En zie, er was een man die Zacheüs genoemd werd. Hij was hoofdtollenaar en hij was rijk.
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἀνὴρ
(aner)
man
ὀνόματι
(onomati)
bij naam
καλούμενος
(kaloumenos)
genoemd
Ζακχαῖος
(Zakchaios)
Zacheüs
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
hij
ἦν
(en)
was
ἀρχιτελώνης
(architelones)
hoofdtollenaar
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
hij
πλούσιος
(plousios)
rijk
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀρχιτελώνης (architelones), ‘hoofdtollenaar’: iemand die boven andere tollenaars staat.

Dit woord staat alleen bij Lucas.

Zacheüs komt alleen in dit evangelie voor.

3Hij probeerde te zien wie Yeshua was, maar vanwege de menigte lukte het hem niet, want hij was klein van gestalte.
καὶ
(kai)
en
ἐζήτει
(ezetei)
probeerde
ἰδεῖν
(idein)
te zien
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
τίς
(tis)
wie
ἐστιν
(estin)
Hij is
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἠδύνατο
(edynato)
kon
ἀπὸ
(apo)
vanwege
τοῦ
(tou)
de
ὄχλου
(ochlou)
menigte
ὅτι
(hoti)
omdat
τῇ
(te)
in de
ἡλικίᾳ
(helikia)
gestalte
μικρὸς
(mikros)
klein
ἦν
(en)
hij was
Bron: SBLGNT
4Hij rende naar voren en klom in een sycomoor om Hem te zien, want Hij stond op het punt daarlangs te komen.
καὶ
(kai)
en
προδραμὼν
(prodramon)
vooruitgerend
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
het
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voorste
ἀνέβη
(anebe)
klom
ἐπὶ
(epi)
in
συκομορέαν
(sykomorean)
sycomoor
ἵνα
(hina)
opdat
ἴδῃ
(ide)
hij zou zien
αὐτόν
(auton)
Hem
ὅτι
(hoti)
want
ἐκείνης
(ekeines)
daarlangs
ἤμελλεν
(emellen)
stond op het punt
διέρχεσθαι
(dierchesthai)
langs te komen
Bron: SBLGNT
Uitleg

συκομορέα (sykomorea), ‘sycomoor’: een boom met brede takken en vruchten als vijgen.

Vergelijk de ‘wilde vijgenbomen’ in 1 Kon. 10:27.

Het Grieks zegt ἐκείνης (ekeines), letterlijk ‘van die’; er staat geen zelfstandig naamwoord bij. Wij vertalen ‘daarlangs’.

5Toen Yeshua bij die plaats kwam, keek Hij omhoog. Hij zei tegen hem: „Zacheüs, kom snel naar beneden, want vandaag moet Ik in jouw huis blijven.”
καὶ
(kai)
en
ὡς
(hos)
toen
ἦλθεν
(elthen)
Hij kwam
ἐπὶ
(epi)
bij
τὸν
(ton)
de
τόπον
(topon)
plaats
ἀναβλέψας
(anablepsas)
omhoogkijkend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτόν
(auton)
hem
Ζακχαῖε
(Zakchaie)
Zacheüs
σπεύσας
(speusas)
haast je
κατάβηθι
(katabethi)
kom naar beneden
σήμερον
(semeron)
vandaag
γὰρ
(gar)
want
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
οἴκῳ
(oiko)
huis
σου
(sou)
jouw
δεῖ
(dei)
het is nodig
με
(me)
Mij
μεῖναι
(meinai)
te blijven
Bron: SBLGNT
6Zacheüs haastte zich naar beneden en ontving Hem verheugd.
καὶ
(kai)
en
σπεύσας
(speusas)
haastend
κατέβη
(katebe)
kwam naar beneden
καὶ
(kai)
en
ὑπεδέξατο
(hypedexato)
ontving
αὐτὸν
(auton)
Hem
χαίρων
(chairon)
verheugd
Bron: SBLGNT
7Toen allen dat zagen, begonnen zij te mopperen. Zij zeiden: „Bij een zondige man is Hij binnengegaan om te logeren.”
καὶ
(kai)
en
ἰδόντες
(idontes)
gezien hebbend
πάντες
(pantes)
allen
διεγόγγυζον
(diegongyzon)
mopperden
λέγοντες
(legontes)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
Παρὰ
(Para)
bij
ἁμαρτωλῷ
(hamartolo)
zondige
ἀνδρὶ
(andri)
man
εἰσῆλθεν
(eiselthen)
is binnengegaan
καταλῦσαι
(katalysai)
te logeren
Bron: SBLGNT
Uitleg

διαγογγύζω (diagongyzo), ‘mopperen’: zacht en boos praten met elkaar. καταλῦσαι (katalysai), ‘logeren’: een nacht onderdak krijgen.

8Zacheüs ging staan en zei tegen de Heer: „Zie, de helft van mijn bezittingen, Heer, geef ik aan de armen. En als ik van iemand iets heb afgeperst, geef ik het viervoudig terug.”
σταθεὶς
(statheis)
ging staan
δὲ
(de)
maar
Ζακχαῖος
(Zakchaios)
Zacheüs
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tegen
τὸν
(ton)
de
κύριον
(kyrion)
Heer
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
τὰ
(ta)
de
ἡμίσιά
(hemisia)
helft
μου
(mou)
mijn
τῶν
(ton)
van de
ὑπαρχόντων
(hyparchonton)
bezittingen
κύριε
(kyrie)
Heer
τοῖς
(tois)
aan de
πτωχοῖς
(ptochois)
armen
δίδωμι
(didomi)
geef ik
καὶ
(kai)
en
εἴ
(ei)
als
τινός
(tinos)
van iemand
τι
(ti)
iets
ἐσυκοφάντησα
(esykophantesa)
heb afgeperst
ἀποδίδωμι
(apodidomi)
geef ik terug
τετραπλοῦν
(tetraploun)
viervoudig
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐσυκοφάντησα (esykofantesa), ‘afpersen’: iemand door een valse beschuldiging of dreiging geld afhandig maken.

Zacheüs geeft viervoudig terug; vergelijk 2 Sam. 12:6 (‘viervoudig vergoeden’) en Exod. 21:37 (vier stuks kleinvee voor een schaap).

Het Grieks noemt Yeshua hier ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’, en Zacheüs spreekt Hem zo aan.

9Yeshua zei tegen hem: „Vandaag is er redding gekomen voor dit huis, omdat ook hij een zoon van Abraham is.
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτὸν
(auton)
hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ὅτι
(hoti)
dat
Σήμερον
(Semeron)
vandaag
σωτηρία
(soteria)
redding
τῷ
(to)
aan het
οἴκῳ
(oiko)
huis
τούτῳ
(touto)
dit
ἐγένετο
(egeneto)
is gekomen
καθότι
(kathoti)
omdat
καὶ
(kai)
ook
αὐτὸς
(autos)
hij
υἱὸς
(huios)
zoon
Ἀβραάμ
(Abraam)
van Abraham
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

σωτηρία (soteria), ‘redding’: het woord is verwant aan σῴζω (sozo), ‘redden’, in vers 10.

Zie ookLuc 19:10
10Want de Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren is.”
ἦλθεν
(elthen)
kwam
γὰρ
(gar)
want
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
ζητῆσαι
(zetesai)
te zoeken
καὶ
(kai)
en
σῶσαι
(sosai)
te redden
τὸ
(to)
het
ἀπολωλός
(apololos)
verlorene
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Ezech. 34:16 (‘Wat verloren is, zal Ik zoeken’).

Gelijkenis van de minas

11Terwijl zij dit hoorden, voegde Hij eraan toe en vertelde een gelijkenis. Hij was namelijk dicht bij Jeruzalem, en zij meenden dat het koninkrijk van Elohim meteen zou verschijnen.
Ἀκουόντων
(Akouonton)
terwijl horend
δὲ
(de)
maar
αὐτῶν
(auton)
zij
ταῦτα
(tauta)
dit
προσθεὶς
(prostheis)
toevoegend
εἶπεν
(eipen)
zei
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
διὰ
(dia)
omdat
τὸ
(to)
het
ἐγγὺς
(engys)
dichtbij
εἶναι
(einai)
te zijn
Ἰερουσαλὴμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
αὐτὸν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
δοκεῖν
(dokein)
te menen
αὐτοὺς
(autous)
zij
ὅτι
(hoti)
dat
παραχρῆμα
(parachrema)
meteen
μέλλει
(mellei)
op het punt staat
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἀναφαίνεσθαι
(anaphainesthai)
te verschijnen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Zie ook Matt. 25:14–30.

Die gelijkenis van de talenten heeft verwante beelden, maar is een andere gelijkenis.

12Hij zei dus: „Een man van hoge afkomst ging naar een ver land om voor zichzelf een koninkrijk te ontvangen en terug te keren.
εἶπεν
(eipen)
zei
οὖν
(oun)
dus
Ἄνθρωπός
(Anthropos)
man
τις
(tis)
een
εὐγενὴς
(eugenes)
van hoge afkomst
ἐπορεύθη
(eporeuthe)
ging
εἰς
(eis)
naar
χώραν
(choran)
land
μακρὰν
(makran)
ver
λαβεῖν
(labein)
te ontvangen
ἑαυτῷ
(heauto)
voor zichzelf
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
καὶ
(kai)
en
ὑποστρέψαι
(hypostrepsai)
terug te keren
Bron: SBLGNT
Uitleg

βασιλεία (basileia) betekent hier de koninklijke macht over een gebied; wij vertalen het ‘koninkrijk’, zoals overal.

In vers 14 en 27 staat het werkwoord βασιλεύω (basileuo), ‘koning worden’.

13Hij riep 10 van zijn knechten, gaf hun 10 minas en zei tegen hen: ‘Drijf handel hiermee totdat ik kom.’
καλέσας
(kalesas)
roepend
δὲ
(de)
maar
δέκα
(deka)
10
δούλους
(doulous)
knechten
ἑαυτοῦ
(heautou)
van zichzelf
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
αὐτοῖς
(autois)
hun
δέκα
(deka)
10
μνᾶς
(mnas)
minas
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
Πραγματεύσασθε
(Pragmateusasthe)
drijf handel
ἐν
(en)
tot
ᾧ
(ho)
dat
ἔρχομαι
(erchomai)
ik kom
Bron: SBLGNT
Uitleg

δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’; wij schrijven overal ‘knecht’, zoals in Matt. 25:14.

μνᾶ (mna), ‘mina’: een bedrag in zilver. Een mina was ongeveer 100 denariën, dus ongeveer honderd dagen werk van een arbeider (zie Matt. 20:2). Elke knecht krijgt dus een groot bedrag.

πραγματεύομαι (pragmateuomai), ‘handel drijven’: zaken doen om winst te maken.

14Maar zijn landgenoten haatten hem. Zij zonden een delegatie achter hem aan en lieten zeggen: ‘Wij willen niet dat deze over ons koning wordt.’
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
πολῖται
(politai)
landgenoten
αὐτοῦ
(autou)
van hem
ἐμίσουν
(emisoun)
haatten
αὐτόν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
ἀπέστειλαν
(apesteilan)
zonden
πρεσβείαν
(presbeian)
delegatie
ὀπίσω
(opiso)
achter
αὐτοῦ
(autou)
hem
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Οὐ
(Ou)
niet
θέλομεν
(thelomen)
wij willen
τοῦτον
(touton)
deze
βασιλεῦσαι
(basileusai)
koning te worden
ἐφ’
(eph’)
over
ἡμᾶς
(hemas)
ons
Bron: SBLGNT
Uitleg

πολίτης (polites), ‘landgenoot’: letterlijk ‘burger’. πρεσβεία (presbeia), ‘delegatie’: afgezanten die namens een groep spreken.

15Toen hij terugkwam, nadat hij het koninkrijk had ontvangen, liet hij die knechten bij zich roepen aan wie hij het zilver had gegeven. Hij wilde weten wat zij met handel bereikt hadden.
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
het gebeurde
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
ἐπανελθεῖν
(epanelthein)
terugkomen
αὐτὸν
(auton)
hij
λαβόντα
(labonta)
ontvangen hebbend
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
φωνηθῆναι
(phonethenai)
geroepen te worden
αὐτῷ
(auto)
bij hem
τοὺς
(tous)
de
δούλους
(doulous)
knechten
τούτους
(toutous)
deze
οἷς
(hois)
aan wie
δεδώκει
(dedokei)
had gegeven
τὸ
(to)
het
ἀργύριον
(argyrion)
zilver
ἵνα
(hina)
opdat
γνοῖ
(gnoi)
hij zou weten
τί
(ti)
wat
διεπραγματεύσαντο
(diepragmateusanto)
zij hadden bereikt met handel
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀργύριον (argyrion), ‘zilver’: geld, zoals in Matt. 25:18.

Zie ookMat 25:18
16De eerste kwam en zei: ‘Heer, uw mina heeft er 10 minas bij verdiend.’
παρεγένετο
(paregeneto)
kwam
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
πρῶτος
(protos)
eerste
λέγων
(legon)
zeggend
Κύριε
(Kyrie)
heer
ἡ
(he)
de
μνᾶ
(mna)
mina
σου
(sou)
uw
δέκα
(deka)
10
προσηργάσατο
(prosergasato)
heeft erbij verdiend
μνᾶς
(mnas)
minas
Bron: SBLGNT
17Hij zei tegen hem: ‘Goed zo, goede knecht! Omdat je in het kleinste trouw bent geweest, heb gezag over 10 steden.’
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Εὖγε
(Euge)
goed zo
ἀγαθὲ
(agathe)
goede
δοῦλε
(doule)
knecht
ὅτι
(hoti)
omdat
ἐν
(en)
in
ἐλαχίστῳ
(elachisto)
het kleinste
πιστὸς
(pistos)
trouw
ἐγένου
(egenou)
je bent geweest
ἴσθι
(isthi)
wees
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
ἔχων
(echon)
hebbend
ἐπάνω
(epano)
over
δέκα
(deka)
10
πόλεων
(poleon)
steden
Bron: SBLGNT
Uitleg

Εὖγε (euge), ‘goed zo’; πιστός (pistos), ‘trouw’.

Vergelijk Matt. 25:21, 25:23.

18De tweede kwam en zei: ‘Heer, uw mina heeft 5 minas opgebracht.’
καὶ
(kai)
en
ἦλθεν
(elthen)
kwam
ὁ
(ho)
de
δεύτερος
(deuteros)
tweede
λέγων
(legon)
zeggend
Ἡ
(He)
de
μνᾶ
(mna)
mina
σου
(sou)
uw
κύριε
(kyrie)
heer
ἐποίησεν
(epoiesen)
heeft gemaakt
πέντε
(pente)
5
μνᾶς
(mnas)
minas
Bron: SBLGNT
19Ook tegen deze zei hij: ‘Ook jij, heb gezag over 5 steden.’
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
τούτῳ
(touto)
tegen deze
Καὶ
(Kai)
ook
σὺ
(sy)
jij
ἐπάνω
(epano)
over
γίνου
(ginou)
wees
πέντε
(pente)
5
πόλεων
(poleon)
steden
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft hier alleen ἐπάνω γίνου (epano ginou), letterlijk ‘wees boven’ (5 steden).

Wij vullen ‘heb gezag’ aan uit vers 17 (ἐξουσίαν ἔχων, ‘gezag hebbend’).

Zie ookLuc 19:17
20De andere kwam en zei: ‘Heer, zie, hier is uw mina, die ik in een zweetdoek bewaard heb.
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
ἕτερος
(heteros)
andere
ἦλθεν
(elthen)
kwam
λέγων
(legon)
zeggend
Κύριε
(Kyrie)
heer
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἡ
(he)
de
μνᾶ
(mna)
mina
σου
(sou)
uw
ἣν
(hen)
die
εἶχον
(eichon)
ik had
ἀποκειμένην
(apokeimenen)
weggelegd
ἐν
(en)
in
σουδαρίῳ
(soudario)
zweetdoek
Bron: SBLGNT
Uitleg

σουδάριον (soudarion), ‘zweetdoek’: een doek om het zweet af te vegen.

Zo ook in Joh. 11:44 en 20:7.

21Want ik was bang voor u, omdat u een strenge man bent. U neemt wat u niet hebt neergelegd en u oogst wat u niet hebt gezaaid.’
ἐφοβούμην
(ephoboumen)
ik was bang
γάρ
(gar)
want
σε
(se)
voor u
ὅτι
(hoti)
omdat
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
αὐστηρὸς
(austeros)
streng
εἶ
(ei)
u bent
αἴρεις
(aireis)
u neemt
ὃ
(ho)
wat
οὐκ
(ouk)
niet
ἔθηκας
(ethekas)
u hebt neergelegd
καὶ
(kai)
en
θερίζεις
(therizeis)
u oogst
ὃ
(ho)
wat
οὐκ
(ouk)
niet
ἔσπειρας
(espeiras)
u hebt gezaaid
Bron: SBLGNT
Uitleg

αὐστηρός (austeros), ‘streng’: een ander woord dan σκληρός (skleros), ‘hard’, in Matt. 25:24.

Zie ookMat 25:24
22Hij zei tegen hem: ‘Uit jouw mond oordeel ik je, slechte knecht. Je wist dat ik een strenge man ben, die neemt wat ik niet heb neergelegd en oogst wat ik niet heb gezaaid.
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ἐκ
(Ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
στόματός
(stomatos)
mond
σου
(sou)
jouw
κρίνω
(krino)
ik oordeel
σε
(se)
je
πονηρὲ
(ponere)
slechte
δοῦλε
(doule)
knecht
ᾔδεις
(edeis)
je wist
ὅτι
(hoti)
dat
ἐγὼ
(ego)
ik
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
αὐστηρός
(austeros)
streng
εἰμι
(eimi)
ben
αἴρων
(airon)
nemend
ὃ
(ho)
wat
οὐκ
(ouk)
niet
ἔθηκα
(etheka)
ik heb neergelegd
καὶ
(kai)
en
θερίζων
(therizon)
oogstend
ὃ
(ho)
wat
οὐκ
(ouk)
niet
ἔσπειρα
(espeira)
ik heb gezaaid
Bron: SBLGNT
23Waarom heb je mijn zilver dan niet op de bank gezet? Dan was ik gekomen en had ik het met rente geïnd.’
καὶ
(kai)
en
διὰ
(dia)
om
τί
(ti)
wat
οὐκ
(ouk)
niet
ἔδωκάς
(edokas)
gaf je
μου
(mou)
mijn
τὸ
(to)
het
ἀργύριον
(argyrion)
zilver
ἐπὶ
(epi)
op
τράπεζαν
(trapezan)
bank
κἀγὼ
(kago)
en ik
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen
σὺν
(syn)
met
τόκῳ
(toko)
rente
ἂν
(an)
dan
αὐτὸ
(auto)
het
ἔπραξα
(epraxa)
zou hebben geïnd
Bron: SBLGNT
Uitleg

τράπεζα (trapeza) is letterlijk ‘tafel’: de tafel van een geldwisselaar, dus een bank.

Vergelijk Matt. 25:27.

Zie ookMat 25:27
24Tegen hen die erbij stonden zei hij: ‘Neem de mina van hem af en geef die aan degene die de 10 minas heeft.’
καὶ
(kai)
en
τοῖς
(tois)
aan de
παρεστῶσιν
(parestosin)
omstanders
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἄρατε
(Arate)
neem weg
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτοῦ
(autou)
hem
τὴν
(ten)
de
μνᾶν
(mnan)
mina
καὶ
(kai)
en
δότε
(dote)
geef
τῷ
(to)
aan de
τὰς
(tas)
de
δέκα
(deka)
10
μνᾶς
(mnas)
minas
ἔχοντι
(echonti)
hebbende
Bron: SBLGNT
25Zij zeiden tegen hem: ‘Heer, hij heeft 10 minas.’
καὶ
(kai)
en
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Κύριε
(Kyrie)
heer
ἔχει
(echei)
hij heeft
δέκα
(deka)
10
μνᾶς
(mnas)
minas
Bron: SBLGNT
26‘Ik zeg jullie: aan ieder die heeft, zal gegeven worden. Maar van wie niet heeft, zal ook wat hij heeft weggenomen worden.
λέγω
(lego)
ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
παντὶ
(panti)
aan ieder
τῷ
(to)
de
ἔχοντι
(echonti)
hebbende
δοθήσεται
(dothesetai)
zal gegeven worden
ἀπὸ
(apo)
van
δὲ
(de)
maar
τοῦ
(tou)
de
μὴ
(me)
niet
ἔχοντος
(echontos)
hebbende
καὶ
(kai)
ook
ὃ
(ho)
wat
ἔχει
(echei)
hij heeft
ἀρθήσεται
(arthesetai)
zal worden weggenomen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 25:29; Mark. 4:25.

27Maar breng die vijanden van mij hier, die niet wilden dat ik koning over hen werd, en dood hen voor mijn ogen.’”
πλὴν
(plen)
maar
τοὺς
(tous)
de
ἐχθρούς
(echthrous)
vijanden
μου
(mou)
mijn
τούτους
(toutous)
deze
τοὺς
(tous)
de
μὴ
(me)
niet
θελήσαντάς
(thelesantas)
gewild hebbend
με
(me)
mij
βασιλεῦσαι
(basileusai)
koning te worden
ἐπ’
(ep’)
over
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἀγάγετε
(agagete)
breng
ὧδε
(hode)
hierheen
καὶ
(kai)
en
κατασφάξατε
(katasphaxate)
dood
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἔμπροσθέν
(emprosthen)
voor
μου
(mou)
mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

κατασφάζω (katasfazo), ‘doden’: het woord betekent letterlijk ‘afslachten’.

De intocht in Jeruzalem

28Nadat Hij dit gezegd had, ging Hij voorop en trok omhoog naar Jeruzalem.
Καὶ
(Kai)
en
εἰπὼν
(eipon)
gezegd hebbend
ταῦτα
(tauta)
dit
ἐπορεύετο
(eporeueto)
ging
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voorop
ἀναβαίνων
(anabainon)
opgaand
εἰς
(eis)
naar
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

29Toen Hij Betfage en Betanië naderde, bij de berg die de Olijfberg heet, zond Hij twee van de leerlingen.
Καὶ
(Kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
het gebeurde
ὡς
(hos)
toen
ἤγγισεν
(engisen)
Hij naderde
εἰς
(eis)
naar
Βηθφαγὴ
(Bethphage)
Betfage
καὶ
(kai)
en
Βηθανίαν
(Bethanian)
Betanië
πρὸς
(pros)
bij
τὸ
(to)
de
ὄρος
(oros)
berg
τὸ
(to)
de
καλούμενον
(kaloumenon)
genoemde
Ἐλαιῶν
(Elaion)
Olijven
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
δύο
(dyo)
twee
τῶν
(ton)
van de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Betfage (ligging onzeker): Betfage lag op of aan de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem.

De precieze plaats is niet zeker; van oudsher wordt het gezocht bij et-Tur.

Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem.

Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal.

Uitleg

Βηθφαγή (Betfage) en Βηθανία (Betanië) liggen bij de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem.

Zie ook Matt. 21:1–9; Mark. 11:1–10; Joh. 12:12–19.

30Hij zei: „Ga naar het dorp dat daar tegenover ligt. Zodra jullie daar binnengaan, zullen jullie een veulen vinden dat vastgebonden staat, waarop nog nooit een mens heeft gezeten. Maak het los en breng het.
λέγων
(legon)
zeggend
Ὑπάγετε
(Hypagete)
ga
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
κατέναντι
(katenanti)
tegenover
κώμην
(komen)
dorp
ἐν
(en)
in
ᾗ
(he)
dat
εἰσπορευόμενοι
(eisporeuomenoi)
binnengaand
εὑρήσετε
(heuresete)
zullen jullie vinden
πῶλον
(polon)
veulen
δεδεμένον
(dedemenon)
vastgebonden
ἐφ’
(eph’)
op
ὃν
(hon)
welk
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
πώποτε
(popote)
ooit
ἀνθρώπων
(anthropon)
van mensen
ἐκάθισεν
(ekathisen)
heeft gezeten
καὶ
(kai)
en
λύσαντες
(lysantes)
losgemaakt hebbend
αὐτὸν
(auton)
het
ἀγάγετε
(agagete)
breng
Bron: SBLGNT
31Als iemand jullie vraagt: ‘Waarom maken jullie het los?’, zeg dan zo: ‘De Heer van het veulen heeft het nodig.’”
καὶ
(kai)
en
ἐάν
(ean)
als
τις
(tis)
iemand
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἐρωτᾷ
(erota)
vraagt
Διὰ
(Dia)
om
τί
(ti)
wat
λύετε
(lyete)
maken jullie los
οὕτως
(houtos)
zo
ἐρεῖτε
(ereite)
zullen jullie zeggen
ὅτι
(hoti)
dat
Ὁ
(Ho)
de
κύριος
(kyrios)
Heer
αὐτοῦ
(autou)
van het veulen
χρείαν
(chreian)
behoefte
ἔχει
(echei)
heeft
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὁ κύριος αὐτοῦ (ho kyrios autou), letterlijk ‘zijn Heer’, dat wil zeggen de Heer van het veulen.

Het kan Yeshua zelf zijn of de eigenaar van het dier.

Wij lezen Yeshua en schrijven ‘Heer’, zoals in Matt. 21:3 en Mark. 11:3.

32Zij die gezonden waren, gingen weg en vonden het zoals Hij tegen hen gezegd had.
ἀπελθόντες
(apelthontes)
weggegaan
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
ἀπεσταλμένοι
(apestalmenoi)
gezondenen
εὗρον
(heuron)
vonden
καθὼς
(kathos)
zoals
εἶπεν
(eipen)
Hij zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Bron: SBLGNT
33Toen zij het veulen losmaakten, zeiden de eigenaars ervan tegen hen: „Waarom maken jullie het veulen los?”
λυόντων
(lyonton)
terwijl losmakend
δὲ
(de)
maar
αὐτῶν
(auton)
zij
τὸν
(ton)
het
πῶλον
(polon)
veulen
εἶπαν
(eipan)
zeiden
οἱ
(hoi)
de
κύριοι
(kyrioi)
eigenaars
αὐτοῦ
(autou)
ervan
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
Τί
(Ti)
wat
λύετε
(lyete)
maken jullie los
τὸν
(ton)
het
πῶλον
(polon)
veulen
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριοι (kyrioi) staat hier in het meervoud: de ‘heren’ van het veulen, dus de eigenaars.

34Zij zeiden: „De Heer van het veulen heeft het nodig.”
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
ὅτι
(hoti)
dat
Ὁ
(Ho)
de
κύριος
(kyrios)
Heer
αὐτοῦ
(autou)
van het veulen
χρείαν
(chreian)
behoefte
ἔχει
(echei)
heeft
Bron: SBLGNT
35Zij brachten het naar Yeshua, wierpen hun mantels op het veulen en zetten Yeshua erop.
καὶ
(kai)
en
ἤγαγον
(egagon)
brachten
αὐτὸν
(auton)
het
πρὸς
(pros)
naar
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἐπιρίψαντες
(epiripsantes)
geworpen hebbend
αὐτῶν
(auton)
hun
τὰ
(ta)
de
ἱμάτια
(himatia)
mantels
ἐπὶ
(epi)
op
τὸν
(ton)
het
πῶλον
(polon)
veulen
ἐπεβίβασαν
(epebibasan)
zetten erop
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἱμάτιον (himation), ‘mantel’: het bovenkleed, zoals in Matt. 21:7–8.

36Terwijl Hij voortging, spreidden zij hun mantels uit op de weg.
πορευομένου
(poreuomenou)
terwijl gaand
δὲ
(de)
maar
αὐτοῦ
(autou)
Hij
ὑπεστρώννυον
(hypestronnyon)
spreidden uit
τὰ
(ta)
de
ἱμάτια
(himatia)
mantels
ἑαυτῶν
(heauton)
hun eigen
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
de
ὁδῷ
(hodo)
weg
Bron: SBLGNT
37Hij was al dicht bij de afdaling van de Olijfberg. Om alle krachten die zij gezien hadden, begon heel de menigte van de leerlingen verheugd Elohim te loven met luide stem.
ἐγγίζοντος
(engizontos)
terwijl naderend
δὲ
(de)
maar
αὐτοῦ
(autou)
Hij
ἤδη
(ede)
al
πρὸς
(pros)
bij
τῇ
(te)
de
καταβάσει
(katabasei)
afdaling
τοῦ
(tou)
van de
Ὄρους
(Orous)
Berg
τῶν
(ton)
van de
Ἐλαιῶν
(Elaion)
Olijven
ἤρξαντο
(erxanto)
begonnen
ἅπαν
(hapan)
heel
τὸ
(to)
de
πλῆθος
(plethos)
menigte
τῶν
(ton)
van de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
χαίροντες
(chairontes)
zich verheugend
αἰνεῖν
(ainein)
te loven
τὸν
(ton)
de
θεὸν
(theon)
Elohim
φωνῇ
(phone)
met stem
μεγάλῃ
(megale)
luide
περὶ
(peri)
om
πασῶν
(pason)
alle
ὧν
(hon)
die
εἶδον
(eidon)
zij zagen
δυνάμεων
(dynameon)
krachten
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal.

Uitleg

δυνάμεις (dynameis), ‘krachten’: krachtige daden, wonderen. αἰνέω (aineo), ‘loven’.

38Zij zeiden: „Gezegend is de koning die komt in de naam van Yahweh! In de hemel is vrede, en heerlijkheid in de hoogste hoogten!”
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Εὐλογημένος
(Eulogemenos)
gezegend
ὁ
(ho)
de
ἐρχόμενος
(erchomenos)
komende
βασιλεὺς
(basileus)
koning
ἐν
(en)
in
ὀνόματι
(onomati)
naam
κυρίου
(kyriou)
van Yahweh
ἐν
(en)
in
οὐρανῷ
(ourano)
hemel
εἰρήνη
(eirene)
vrede
καὶ
(kai)
en
δόξα
(doxa)
heerlijkheid
ἐν
(en)
in
ὑψίστοις
(hypsistois)
de hoogste hoogten
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Ps. 118:26.

Lucas voegt ‘de koning’ toe. κυρίου (kyriou) vertalen wij als ‘Yahweh’, zoals in Ps. 118:26.

‘In de hemel vrede’ doet denken aan Luc. 2:14.

Zie ook Matt. 21:9; Mark. 11:9–10; Joh. 12:13.

39Enkele Farizeeën uit de menigte zeiden tegen Hem: „Leraar, bestraf Uw leerlingen.”
καί
(kai)
en
τινες
(tines)
enkele
τῶν
(ton)
van de
Φαρισαίων
(Pharisaion)
Farizeeën
ἀπὸ
(apo)
uit
τοῦ
(tou)
de
ὄχλου
(ochlou)
menigte
εἶπαν
(eipan)
zeiden
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτόν
(auton)
Hem
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
ἐπιτίμησον
(epitimeson)
bestraf
τοῖς
(tois)
de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
σου
(sou)
Uw
Bron: SBLGNT
40Hij antwoordde en zei: „Ik zeg jullie: als dezen zwijgen, zullen de stenen schreeuwen.”
καὶ
(kai)
en
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
Λέγω
(Lego)
ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
ἐὰν
(ean)
als
οὗτοι
(houtoi)
dezen
σιωπήσουσιν
(siopesousin)
zwijgen
οἱ
(hoi)
de
λίθοι
(lithoi)
stenen
κράξουσιν
(kraxousin)
zullen schreeuwen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Hab. 2:11 (‘de steen roept vanuit de muur’).

Zie ookHab 2:11

Yeshua huilt over Jeruzalem

41Toen Hij dichterbij kwam en de stad zag, huilde Hij over haar.
Καὶ
(Kai)
en
ὡς
(hos)
toen
ἤγγισεν
(engisen)
Hij naderde
ἰδὼν
(idon)
ziend
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
ἔκλαυσεν
(eklausen)
huilde
ἐπ’
(ep’)
over
αὐτήν
(auten)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

κλαίω (klaio), ‘huilen’: luid huilen, zoals in Mark. 14:72.

Zie ookMar 14:72
42Hij zei: „Had ook jij maar op deze dag herkend wat tot vrede leidt! Maar nu is het voor jouw ogen verborgen.
λέγων
(legon)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
Εἰ
(Ei)
als
ἔγνως
(egnos)
je had herkend
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
de
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
ταύτῃ
(taute)
deze
καὶ
(kai)
ook
σὺ
(sy)
jij
τὰ
(ta)
wat
πρὸς
(pros)
tot
εἰρήνην
(eirenen)
vrede
νῦν
(nyn)
nu
δὲ
(de)
maar
ἐκρύβη
(ekrybe)
is verborgen
ἀπὸ
(apo)
voor
ὀφθαλμῶν
(ophthalmon)
ogen
σου
(sou)
jouw
Bron: SBLGNT
Uitleg

De zin is in het Grieks niet afgemaakt (‘Als je maar had herkend…’).

Wij hebben dat zo gelaten, met een uitroepteken.

43Want er zullen dagen over jou komen, waarin je vijanden een wal tegen je opwerpen, je omsingelen en je van alle kanten insluiten.
ὅτι
(hoti)
want
ἥξουσιν
(hexousin)
zullen komen
ἡμέραι
(hemerai)
dagen
ἐπὶ
(epi)
over
σὲ
(se)
jou
καὶ
(kai)
en
παρεμβαλοῦσιν
(parembalousin)
zullen opwerpen
οἱ
(hoi)
de
ἐχθροί
(echthroi)
vijanden
σου
(sou)
jouw
χάρακά
(charaka)
wal
σοι
(soi)
tegen jou
καὶ
(kai)
en
περικυκλώσουσίν
(perikyklosousin)
zullen omsingelen
σε
(se)
je
καὶ
(kai)
en
συνέξουσίν
(synexousin)
zullen insluiten
σε
(se)
je
πάντοθεν
(pantothen)
van alle kanten
Bron: SBLGNT
Uitleg

χάραξ (charax), ‘wal’: een omwalling van palen of aarde, waarmee men een stad insloot.

Vergelijk Ezech. 4:2 en Jes. 29:3.

44Zij zullen jou en je kinderen in je met de grond gelijkmaken. Zij zullen in jou geen steen op een andere steen laten, omdat je het tijdstip van je bezoek niet hebt herkend.”
καὶ
(kai)
en
ἐδαφιοῦσίν
(edaphiousin)
zullen gelijkmaken met de grond
σε
(se)
je
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
τέκνα
(tekna)
kinderen
σου
(sou)
jouw
ἐν
(en)
in
σοί
(soi)
jou
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἀφήσουσιν
(aphesousin)
zullen laten
λίθον
(lithon)
steen
ἐπὶ
(epi)
op
λίθον
(lithon)
steen
ἐν
(en)
in
σοί
(soi)
jou
ἀνθ’
(anth’)
omdat
ὧν
(hon)
wat
οὐκ
(ouk)
niet
ἔγνως
(egnos)
je herkende
τὸν
(ton)
de
καιρὸν
(kairon)
tijd
τῆς
(tes)
van het
ἐπισκοπῆς
(episkopes)
bezoek
σου
(sou)
jouw
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπισκοπή (episkope), ‘bezoek’: het moment waarop Elohim naar Zijn volk toe komt, om te redden of om te oordelen.

Vergelijk Jer. 6:15 (‘in de tijd dat Ik hen straf’).

Vergelijk Mark. 13:2 en Luc. 21:6: ‘geen steen op een andere steen’.

Yeshua in de tempel

45Hij ging de tempel binnen en begon de verkopers naar buiten te jagen.
Καὶ
(Kai)
en
εἰσελθὼν
(eiselthon)
binnengegaan
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
ἱερὸν
(hieron)
tempel
ἤρξατο
(erxato)
begon
ἐκβάλλειν
(ekballein)
naar buiten te jagen
τοὺς
(tous)
de
πωλοῦντας
(polountas)
verkopers
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐκβάλλω (ekballo) betekent ‘naar buiten werpen’; voor mensen schrijven wij ‘naar buiten jagen’.

Zie ook Matt. 21:12–13; Mark. 11:15–17; Joh. 2:13–17.

46Hij zei tegen hen: „Er staat geschreven: ‘Mijn huis zal een huis van gebed zijn.’ Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt.”
λέγων
(legon)
zeggend
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Γέγραπται
(Gegraptai)
er staat geschreven
Καὶ
(Kai)
en
ἔσται
(estai)
zal zijn
ὁ
(ho)
het
οἶκός
(oikos)
huis
μου
(mou)
Mijn
οἶκος
(oikos)
huis
προσευχῆς
(proseuches)
van gebed
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
δὲ
(de)
maar
αὐτὸν
(auton)
het
ἐποιήσατε
(epoiesate)
hebben gemaakt
σπήλαιον
(spelaion)
hol
λῃστῶν
(leston)
van rovers
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Jes. 56:7 met een toespeling op Jer. 7:11 (‘een rovershol’).

Lucas laat ‘voor alle volken’ weg en heeft ‘zal zijn’ waar Jes. 56:7 ‘zal worden genoemd’ heeft.

Het Griekse citaat begint met ‘en’ (καὶ ἔσται, kai estai); dat laten wij in het Nederlands weg.

Zie ook Matt. 21:13; Mark. 11:17.

47Dagelijks onderwees Hij in de tempel. De hogepriesters en de schriftgeleerden probeerden Hem om te brengen, en ook de voornaamsten van het volk.
Καὶ
(Kai)
en
ἦν
(en)
Hij was
διδάσκων
(didaskon)
onderwijzend
τὸ
(to)
het
καθ’
(kath’)
per
ἡμέραν
(hemeran)
dag
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
ἐζήτουν
(ezetoun)
probeerden
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἀπολέσαι
(apolesai)
om te brengen
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
πρῶτοι
(protoi)
voornaamsten
τοῦ
(tou)
van het
λαοῦ
(laou)
volk
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Mark. 11:18.

Zie ookMar 11:18
48Zij vonden niet wat zij konden doen, want heel het volk bleef aan Hem gehecht en luisterde naar Hem.
καὶ
(kai)
en
οὐχ
(ouch)
niet
εὕρισκον
(heuriskon)
vonden
τὸ
(to)
het
τί
(ti)
wat
ποιήσωσιν
(poiesosin)
zij zouden doen
ὁ
(ho)
het
λαὸς
(laos)
volk
γὰρ
(gar)
want
ἅπας
(hapas)
geheel
ἐξεκρέματο
(exekremato)
hing aan
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ἀκούων
(akouon)
luisterend
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐκκρεμάννυμι (ekkremannymi), ‘gehecht zijn aan’: letterlijk ‘aan iemand hangen’.