Het gebed, Yeshua en Beëlzebul, het teken van Jona en de wee-uitspraken
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yeshua leert bidden
1Eens was Hij op een plaats aan het bidden. Toen Hij ophield, zei een van Zijn leerlingen tegen Hem: „Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn leerlingen heeft geleerd.”
Καὶ
(Kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
het gebeurde
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
εἶναι
(einai)
zijn
αὐτὸν
(auton)
Hij
ἐν
(en)
op
τόπῳ
(topo)
plaats
τινὶ
(tini)
een
προσευχόμενον
(proseuchomenon)
biddend
ὡς
(hos)
toen
ἐπαύσατο
(epausato)
Hij ophield
εἶπέν
(eipen)
zei
τις
(tis)
iemand
τῶν
(ton)
van de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτόν
(auton)
Hem
Κύριε
(Kyrie)
Heer
δίδαξον
(didaxon)
leer
ἡμᾶς
(hemas)
ons
προσεύχεσθαι
(proseuchesthai)
bidden
καθὼς
(kathos)
zoals
καὶ
(kai)
ook
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
ἐδίδαξεν
(edidaxen)
leerde
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
Johannes is Johannes de Doper.
2Hij zei tegen hen: „Wanneer jullie bidden, zeg dan: ‘Vader, laat Uw naam geheiligd worden. Laat Uw koninkrijk komen.
εἶπεν
(eipen)
Hij zei
δὲ
(de)
maar
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ὅταν
(Hotan)
wanneer
προσεύχησθε
(proseuchesthe)
jullie bidden
λέγετε
(legete)
zeg
Πάτερ
(Pater)
Vader
ἁγιασθήτω
(hagiastheto)
laat geheiligd worden
τὸ
(to)
de
ὄνομά
(onoma)
naam
σου
(sou)
Uw
ἐλθέτω
(eltheto)
laat komen
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
σου
(sou)
Uw
Bron: SBLGNT
Uitleg
Dit is de kortere vorm van het gebed dat in Matt. 6:9–13 staat.
Lezing
Sommige handschriften hebben een langere vorm van het gebed, zoals in Matt. 6:9–13 (onder meer ‘Onze Vader in de hemelen’, ‘Laat Uw wil gebeuren’ en ‘maar bevrijd ons van de boze’).
5Hij zei tegen hen: „Wie van jullie heeft een vriend en gaat om middernacht naar hem toe en zegt tegen hem: ‘Vriend, leen mij 3 broden,
Καὶ
(Kai)
en
εἶπεν
(eipen)
Hij zei
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
Τίς
(Tis)
wie
ἐξ
(ex)
uit
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἕξει
(hexei)
zal hebben
φίλον
(philon)
vriend
καὶ
(kai)
en
πορεύσεται
(poreusetai)
zal gaan
πρὸς
(pros)
naar
αὐτὸν
(auton)
hem
μεσονυκτίου
(mesonyktiou)
om middernacht
καὶ
(kai)
en
εἴπῃ
(eipe)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Φίλε
(Phile)
vriend
χρῆσόν
(chreson)
leen
μοι
(moi)
mij
τρεῖς
(treis)
drie
ἄρτους
(artous)
broden
Bron: SBLGNT
6want een vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten’,
ἐπειδὴ
(epeide)
omdat
φίλος
(philos)
vriend
μου
(mou)
mijn
παρεγένετο
(paregeneto)
is gekomen
ἐξ
(ex)
van
ὁδοῦ
(hodou)
reis
πρός
(pros)
naar
με
(me)
mij
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχω
(echo)
ik heb
ὃ
(ho)
wat
παραθήσω
(paratheso)
ik zal voorzetten
αὐτῷ
(auto)
hem
Bron: SBLGNT
7en zou die van binnen dan antwoorden: ‘Val mij niet lastig. De deur is al gesloten en mijn kinderen liggen met mij in bed. Ik kan niet opstaan om je iets te geven’?
κἀκεῖνος
(kakeinos)
en die
ἔσωθεν
(esothen)
van binnen
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἴπῃ
(eipe)
zou zeggen
Μή
(Me)
niet
μοι
(moi)
mij
κόπους
(kopous)
lasten
πάρεχε
(pareche)
veroorzaak
ἤδη
(ede)
al
ἡ
(he)
de
θύρα
(thyra)
deur
κέκλεισται
(kekleistai)
is gesloten
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
παιδία
(paidia)
kinderen
μου
(mou)
mijn
μετ’
(met’)
met
ἐμοῦ
(emou)
mij
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
κοίτην
(koiten)
bed
εἰσίν
(eisin)
zijn
οὐ
(ou)
niet
δύναμαι
(dynamai)
ik kan
ἀναστὰς
(anastas)
opgestaan
δοῦναί
(dounai)
geven
σοι
(soi)
aan je
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft bij ‘geven’ geen voorwerp; wij schrijven ‘iets’.
De vragen in vers 5–7 vormen in het Grieks één lange vraag.
8Ik zeg jullie: ook al staat hij niet op om hem iets te geven omdat hij zijn vriend is, toch zal hij vanwege zijn onbeschaamdheid opstaan. Hij zal hem geven wat hij nodig heeft.
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
εἰ
(ei)
als
καὶ
(kai)
ook
οὐ
(ou)
niet
δώσει
(dosei)
hij zal geven
αὐτῷ
(auto)
hem
ἀναστὰς
(anastas)
opgestaan
διὰ
(dia)
vanwege
τὸ
(to)
het
εἶναι
(einai)
zijn
φίλον
(philon)
vriend
αὐτοῦ
(autou)
zijn
διά
(dia)
vanwege
γε
(ge)
zeker
τὴν
(ten)
de
ἀναίδειαν
(anaideian)
onbeschaamdheid
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἐγερθεὶς
(egertheis)
opgestaan
δώσει
(dosei)
zal hij geven
αὐτῷ
(auto)
hem
ὅσων
(hoson)
zoveel
χρῄζει
(chrezei)
hij nodig heeft
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀναίδεια (anaideia), ‘onbeschaamdheid’: aandringen zonder schaamte.
Het Grieks heeft hier ‘zijn onbeschaamdheid’; wij lezen: die van de vriend die vraagt.
Vragen, zoeken, kloppen
9Ook Ik zeg jullie: vraag, en het zal jullie gegeven worden. Zoek, en jullie zullen vinden. Klop, en er zal voor jullie opengedaan worden.
10Want ieder die vraagt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en voor wie klopt, zal er opengedaan worden.
πᾶς
(pas)
ieder
γὰρ
(gar)
want
ὁ
(ho)
de
αἰτῶν
(aiton)
vragende
λαμβάνει
(lambanei)
ontvangt
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
ζητῶν
(zeton)
zoekende
εὑρίσκει
(heuriskei)
vindt
καὶ
(kai)
en
τῷ
(to)
aan de
κρούοντι
(krouonti)
kloppende
ἀνοιγήσεται
(anoigesetai)
zal opengedaan worden
Bron: SBLGNT
11Welke vader onder jullie zal zijn zoon, als die hem om een vis vraagt, in plaats van een vis een slang geven?
τίνα
(tina)
welke
δὲ
(de)
maar
ἐξ
(ex)
uit
ὑμῶν
(hymon)
jullie
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
vader
αἰτήσει
(aitesei)
zal vragen
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
zoon
ἰχθύν
(ichthyn)
vis
καὶ
(kai)
en
ἀντὶ
(anti)
in plaats van
ἰχθύος
(ichthyos)
vis
ὄφιν
(ophin)
slang
αὐτῷ
(auto)
hem
ἐπιδώσει
(epidosei)
zal geven
Bron: SBLGNT
12Of zal hij hem, als die om een ei vraagt, een schorpioen geven?
ἢ
(e)
of
καὶ
(kai)
ook
αἰτήσει
(aitesei)
hij zal vragen
ᾠόν
(oon)
ei
ἐπιδώσει
(epidosei)
zal hij geven
αὐτῷ
(auto)
hem
σκορπίον
(skorpion)
schorpioen
Bron: SBLGNT
13Als jullie dan, die slecht zijn, weten hoe je goede gaven aan jullie kinderen geeft: hoeveel meer zal de Vader uit de hemel de Heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen!”
εἰ
(ei)
als
οὖν
(oun)
dus
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
πονηροὶ
(poneroi)
slecht
ὑπάρχοντες
(hyparchontes)
zijnde
οἴδατε
(oidate)
jullie weten
δόματα
(domata)
gaven
ἀγαθὰ
(agatha)
goede
διδόναι
(didonai)
te geven
τοῖς
(tois)
aan de
τέκνοις
(teknois)
kinderen
ὑμῶν
(hymon)
jullie
πόσῳ
(poso)
hoeveel
μᾶλλον
(mallon)
meer
ὁ
(ho)
de
πατὴρ
(pater)
Vader
ὁ
(ho)
die
ἐξ
(ex)
uit
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
δώσει
(dosei)
zal geven
πνεῦμα
(pneuma)
Geest
ἅγιον
(hagion)
Heilige
τοῖς
(tois)
aan hen die
αἰτοῦσιν
(aitousin)
vragen
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
πονηρός (poneros), ‘slecht’: zie Matt. 7:11.
Daar staan ‘goede dingen’ waar Lucas ‘de Heilige Geest’ heeft.
21Wanneer een sterke man, volledig gewapend, zijn eigen binnenplaats bewaakt, is zijn bezit veilig.
ὅταν
(hotan)
wanneer
ὁ
(ho)
de
ἰσχυρὸς
(ischyros)
sterke
καθωπλισμένος
(kathoplismenos)
gewapend
φυλάσσῃ
(phylasse)
bewaakt
τὴν
(ten)
de
ἑαυτοῦ
(heautou)
eigen
αὐλήν
(aulen)
binnenplaats
ἐν
(en)
in
εἰρήνῃ
(eirene)
vrede
ἐστὶν
(estin)
is
τὰ
(ta)
de
ὑπάρχοντα
(hyparchonta)
bezittingen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
αὐλή (aule), ‘binnenplaats’: het open erf binnen het huis of de ommuurde ruimte om het huis. ἐν εἰρήνῃ (en eirene), letterlijk ‘in vrede’: ongestoord, veilig.
24Wanneer de onreine geest uit de mens is weggegaan, gaat hij door dorre plaatsen, op zoek naar rust. Als hij die niet vindt, zegt hij: ‘Ik zal terugkeren naar mijn huis, vanwaar ik ben weggegaan.’
Ὅταν
(Hotan)
wanneer
τὸ
(to)
de
ἀκάθαρτον
(akatharton)
onreine
πνεῦμα
(pneuma)
geest
ἐξέλθῃ
(exelthe)
uitgaat
ἀπὸ
(apo)
uit
τοῦ
(tou)
de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
διέρχεται
(dierchetai)
gaat door
δι’
(di’)
door
ἀνύδρων
(anydron)
waterloze
τόπων
(topon)
plaatsen
ζητοῦν
(zetoun)
zoekend
ἀνάπαυσιν
(anapausin)
rust
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
εὑρίσκον
(heuriskon)
vindend
λέγει
(legei)
zegt
Ὑποστρέψω
(Hypostrepso)
ik zal terugkeren
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
het
οἶκόν
(oikon)
huis
μου
(mou)
mijn
ὅθεν
(hothen)
vanwaar
ἐξῆλθον
(exelthon)
ik ging uit
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀκάθαρτον πνεῦμα (akatharton pneuma), ‘onreine geest’: een demon. ἄνυδρος (anydros), letterlijk ‘waterloos’, hier ‘dor’.
25En als hij komt, vindt hij het aangeveegd en versierd.
καὶ
(kai)
en
ἐλθὸν
(elthon)
gekomen
εὑρίσκει
(heuriskei)
vindt
σεσαρωμένον
(sesaromenon)
aangeveegd
καὶ
(kai)
en
κεκοσμημένον
(kekosmemenon)
versierd
Bron: SBLGNT
26Dan gaat hij en neemt zeven andere geesten mee die slechter zijn dan hijzelf. Zij gaan naar binnen en wonen daar. Dan wordt het einde van die mens erger dan het begin.”
τότε
(tote)
toen
πορεύεται
(poreuetai)
gaat
καὶ
(kai)
en
παραλαμβάνει
(paralambanei)
neemt mee
ἕτερα
(hetera)
andere
πνεύματα
(pneumata)
geesten
πονηρότερα
(ponerotera)
slechter
ἑαυτοῦ
(heautou)
dan zichzelf
ἑπτά
(hepta)
zeven
καὶ
(kai)
en
εἰσελθόντα
(eiselthonta)
binnengegaan
κατοικεῖ
(katoikei)
wonen
ἐκεῖ
(ekei)
daar
καὶ
(kai)
en
γίνεται
(ginetai)
wordt
τὰ
(ta)
de
ἔσχατα
(eschata)
laatste dingen
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
ἐκείνου
(ekeinou)
die
χείρονα
(cheirona)
erger
τῶν
(ton)
dan de
πρώτων
(proton)
eerste
Bron: SBLGNT
Gelukkig wie het woord bewaart
27Terwijl Hij dit zei, verhief een vrouw uit de menigte haar stem. Zij zei tegen Hem: „Gelukkig de schoot die U gedragen heeft en de borsten waaraan U gezoogd hebt!”
Ἐγένετο
(Egeneto)
het gebeurde
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
λέγειν
(legein)
zeggen
αὐτὸν
(auton)
Hij
ταῦτα
(tauta)
dit
ἐπάρασά
(eparasa)
verheffend
τις
(tis)
een
φωνὴν
(phonen)
stem
γυνὴ
(gyne)
vrouw
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
ὄχλου
(ochlou)
menigte
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Μακαρία
(Makaria)
gelukkig
ἡ
(he)
de
κοιλία
(koilia)
schoot
ἡ
(he)
die
βαστάσασά
(bastasasa)
gedragen hebbende
σε
(se)
U
καὶ
(kai)
en
μαστοὶ
(mastoi)
borsten
οὓς
(hous)
die
ἐθήλασας
(ethelasas)
U zoogde
Bron: SBLGNT
Uitleg
De vrouw prijst de moeder van Yeshua gelukkig.
28Hij zei: „Gelukkig zijn juist zij die het woord van Elohim horen en bewaren.”
αὐτὸς
(autos)
Hij zelf
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Μενοῦν
(Menoun)
veeleer
μακάριοι
(makarioi)
gelukkig
οἱ
(hoi)
de
ἀκούοντες
(akouontes)
horende
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
φυλάσσοντες
(phylassontes)
bewarende
Bron: SBLGNT
Uitleg
μενοῦν (menoun), ‘veeleer’: het woord verbetert of vult aan wat de vrouw zegt; wij schrijven ‘juist’. φυλάσσω (phylasso), ‘bewaren’.
Het teken van Jona
29Toen de menigten zich om Hem verdrongen, begon Hij te zeggen: „Deze generatie is een slechte generatie. Zij vraagt om een teken, maar er zal haar geen teken gegeven worden, behalve het teken van Jona.
Τῶν
(Ton)
de
δὲ
(de)
maar
ὄχλων
(ochlon)
menigten
ἐπαθροιζομένων
(epathroizomenon)
zich verdringend
ἤρξατο
(erxato)
begon
λέγειν
(legein)
te zeggen
Ἡ
(He)
de
γενεὰ
(genea)
generatie
αὕτη
(haute)
deze
γενεὰ
(genea)
generatie
πονηρά
(ponera)
slechte
ἐστιν
(estin)
is
σημεῖον
(semeion)
teken
ζητεῖ
(zetei)
zoekt
καὶ
(kai)
en
σημεῖον
(semeion)
teken
οὐ
(ou)
niet
δοθήσεται
(dothesetai)
zal gegeven worden
αὐτῇ
(aute)
aan haar
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
τὸ
(to)
het
σημεῖον
(semeion)
teken
Ἰωνᾶ
(Iona)
van Jona
Bron: SBLGNT
Uitleg
σημεῖον (semeion), ‘teken’: een wonder dat iets bewijst. γενεά (genea), ‘generatie’: de tijdgenoten.
31De koningin van het zuiden zal opgewekt worden in het oordeel, samen met de mannen van deze generatie, en zal hen veroordelen. Want zij kwam van de uiteinden van de aarde om de wijsheid van Salomo te horen. En zie: hier is meer dan Salomo.
βασίλισσα
(basilissa)
koningin
νότου
(notou)
van het zuiden
ἐγερθήσεται
(egerthesetai)
zal opgewekt worden
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
κρίσει
(krisei)
oordeel
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
ἀνδρῶν
(andron)
mannen
τῆς
(tes)
van de
γενεᾶς
(geneas)
generatie
ταύτης
(tautes)
deze
καὶ
(kai)
en
κατακρινεῖ
(katakrinei)
zal veroordelen
αὐτούς
(autous)
hen
ὅτι
(hoti)
omdat
ἦλθεν
(elthen)
kwam
ἐκ
(ek)
van
τῶν
(ton)
de
περάτων
(peraton)
uiteinden
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
ἀκοῦσαι
(akousai)
om te horen
τὴν
(ten)
de
σοφίαν
(sophian)
wijsheid
Σολομῶνος
(Solomonos)
van Salomo
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
πλεῖον
(pleion)
meer
Σολομῶνος
(Solomonos)
dan Salomo
ὧδε
(hode)
hier
Bron: SBLGNT
Uitleg
Zie 1 Kon. 10:1–10: de koningin van Sjeba kwam om de wijsheid van Salomo te horen.
32Mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel, samen met deze generatie, en zullen haar veroordelen. Want zij bekeerden zich op de verkondiging van Jona. En zie: hier is meer dan Jona.
ἄνδρες
(andres)
mannen
Νινευῖται
(Nineuitai)
van Nineve
ἀναστήσονται
(anastesontai)
zullen opstaan
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
κρίσει
(krisei)
oordeel
μετὰ
(meta)
met
τῆς
(tes)
de
γενεᾶς
(geneas)
generatie
ταύτης
(tautes)
deze
καὶ
(kai)
en
κατακρινοῦσιν
(katakrinousin)
zullen veroordelen
αὐτήν
(auten)
haar
ὅτι
(hoti)
omdat
μετενόησαν
(metenoesan)
zij bekeerden zich
εἰς
(eis)
tot
τὸ
(to)
de
κήρυγμα
(kerygma)
verkondiging
Ἰωνᾶ
(Iona)
van Jona
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
πλεῖον
(pleion)
meer
Ἰωνᾶ
(Iona)
dan Jona
ὧδε
(hode)
hier
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak.
Uitleg
Zie Jona 3:5: de mannen van Nineve geloofden in Elohim en bekeerden zich.
33Niemand die een lamp heeft aangestoken, zet hem op een verborgen plek of onder de korenmaat, maar op de lampenstandaard, zodat wie binnenkomen het licht zien.
Οὐδεὶς
(Oudeis)
niemand
λύχνον
(lychnon)
lamp
ἅψας
(hapsas)
aangestoken hebbend
εἰς
(eis)
op
κρύπτην
(krypten)
verborgen plek
τίθησιν
(tithesin)
zet
οὐδὲ
(oude)
noch
ὑπὸ
(hypo)
onder
τὸν
(ton)
de
μόδιον
(modion)
korenmaat
ἀλλ’
(all’)
maar
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
de
λυχνίαν
(lychnian)
lampenstandaard
ἵνα
(hina)
opdat
οἱ
(hoi)
zij die
εἰσπορευόμενοι
(eisporeuomenoi)
binnenkomen
τὸ
(to)
het
φέγγος
(phengos)
licht
βλέπωσιν
(bleposin)
zien
Bron: SBLGNT
Uitleg
μόδιος (modios), ‘korenmaat’, en λυχνία (lychnia), ‘lampenstandaard’: zie Matt. 5:15.
34De lamp van het lichaam is je oog. Wanneer je oog zuiver is, is ook heel je lichaam vol licht. Maar wanneer het slecht is, is ook je lichaam vol duisternis.
ὁ
(ho)
de
λύχνος
(lychnos)
lamp
τοῦ
(tou)
van het
σώματός
(somatos)
lichaam
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
het
ὀφθαλμός
(ophthalmos)
oog
σου
(sou)
je
ὅταν
(hotan)
wanneer
ὁ
(ho)
het
ὀφθαλμός
(ophthalmos)
oog
σου
(sou)
je
ἁπλοῦς
(haplous)
zuiver
ᾖ
(e)
is
καὶ
(kai)
ook
ὅλον
(holon)
heel
τὸ
(to)
het
σῶμά
(soma)
lichaam
σου
(sou)
je
φωτεινόν
(photeinon)
vol licht
ἐστιν
(estin)
is
ἐπὰν
(epan)
wanneer
δὲ
(de)
maar
πονηρὸς
(poneros)
slecht
ᾖ
(e)
is
καὶ
(kai)
ook
τὸ
(to)
het
σῶμά
(soma)
lichaam
σου
(sou)
je
σκοτεινόν
(skoteinon)
vol duisternis
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἁπλοῦς (haplous), ‘zuiver’, en πονηρός (poneros), ‘slecht’: zie Matt. 6:22–23.
35Let dus op dat het licht in jou geen duisternis is.
σκόπει
(skopei)
let op
οὖν
(oun)
dus
μὴ
(me)
dat niet
τὸ
(to)
het
φῶς
(phos)
licht
τὸ
(to)
dat
ἐν
(en)
in
σοὶ
(soi)
jou
σκότος
(skotos)
duisternis
ἐστίν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
36Als dus heel je lichaam vol licht is en geen enkel deel duister is, dan zal het geheel vol licht zijn. Het is dan zoals wanneer de lamp je met zijn felle glans verlicht.”
εἰ
(ei)
als
οὖν
(oun)
dus
τὸ
(to)
het
σῶμά
(soma)
lichaam
σου
(sou)
je
ὅλον
(holon)
heel
φωτεινόν
(photeinon)
vol licht
μὴ
(me)
niet
ἔχον
(echon)
hebbend
μέρος
(meros)
deel
τι
(ti)
enig
σκοτεινόν
(skoteinon)
duister
ἔσται
(estai)
zal zijn
φωτεινὸν
(photeinon)
vol licht
ὅλον
(holon)
geheel
ὡς
(hos)
zoals
ὅταν
(hotan)
wanneer
ὁ
(ho)
de
λύχνος
(lychnos)
lamp
τῇ
(te)
met de
ἀστραπῇ
(astrape)
felle glans
φωτίζῃ
(photize)
verlicht
σε
(se)
je
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀστραπή (astrape), ‘felle glans’: letterlijk ‘bliksem’, zoals in 10:18; hier het schitterende licht van de lamp.
Wee over de Farizeeën en de wetgeleerden
37Terwijl Hij sprak, vroeg een Farizeeër Hem om bij hem te eten. Hij ging naar binnen en ging aan tafel.
Ἐν
(En)
in
δὲ
(de)
maar
τῷ
(to)
het
λαλῆσαι
(lalesai)
spreken
ἐρωτᾷ
(erota)
vraagt
αὐτὸν
(auton)
Hem
Φαρισαῖος
(Pharisaios)
Farizeeër
ὅπως
(hopos)
opdat
ἀριστήσῃ
(aristese)
hij eet
παρ’
(par’)
bij
αὐτῷ
(auto)
hem
εἰσελθὼν
(eiselthon)
binnengegaan
δὲ
(de)
maar
ἀνέπεσεν
(anepesen)
ging aan tafel
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀριστάω (aristao), ‘eten’: de eerste maaltijd of de maaltijd rond het middaguur. ἀναπίπτω (anapipto), ‘aan tafel gaan’: letterlijk ‘achterover gaan liggen’; men lag aan tafel.
38De Farizeeër zag dit en verwonderde zich dat Hij zich niet eerst had ondergedompeld vóór het eten.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Φαρισαῖος
(Pharisaios)
Farizeeër
ἰδὼν
(idon)
ziende
ἐθαύμασεν
(ethaumasen)
verwonderde zich
ὅτι
(hoti)
dat
οὐ
(ou)
niet
πρῶτον
(proton)
eerst
ἐβαπτίσθη
(ebaptisthe)
zich onderdompelde
πρὸ
(pro)
vóór
τοῦ
(tou)
het
ἀρίστου
(aristou)
eten
Bron: SBLGNT
Uitleg
βαπτίζω (baptizo), ‘zich onderdompelen’: het ritueel schoonmaken vóór het eten; zie Mark. 7:3–4.
42Maar wee jullie, Farizeeën! Want jullie geven de tiende van munt, wijnruit en elk tuinkruid, en jullie gaan voorbij aan het recht en de liefde van Elohim. Dit had men moeten doen, zonder dat andere na te laten.
Ἀλλὰ
(Alla)
maar
οὐαὶ
(ouai)
wee
ὑμῖν
(hymin)
jullie
τοῖς
(tois)
de
Φαρισαίοις
(Pharisaiois)
Farizeeën
ὅτι
(hoti)
omdat
ἀποδεκατοῦτε
(apodekatoute)
jullie geven de tiende van
τὸ
(to)
de
ἡδύοσμον
(hedyosmon)
munt
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
πήγανον
(peganon)
wijnruit
καὶ
(kai)
en
πᾶν
(pan)
elk
λάχανον
(lachanon)
tuinkruid
καὶ
(kai)
en
παρέρχεσθε
(parerchesthe)
jullie gaan voorbij aan
τὴν
(ten)
het
κρίσιν
(krisin)
recht
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
ἀγάπην
(agapen)
liefde
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ταῦτα
(tauta)
dit
δὲ
(de)
maar
ἔδει
(edei)
moest
ποιῆσαι
(poiesai)
gedaan worden
κἀκεῖνα
(kakeina)
en dat andere
μὴ
(me)
niet
παρεῖναι
(pareinai)
nalaten
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀποδεκατόω (apodekatoo), ‘de tiende geven van’: zie Lev. 27:30 en Deut. 14:22. ἡδύοσμον (hedyosmon), ‘munt’, πήγανον (peganon), ‘wijnruit’ en λάχανον (lachanon), ‘tuinkruid’ zijn planten uit de tuin. κρίσις (krisis), ‘recht’. ἡ ἀγάπη τοῦ θεοῦ (he agape tou theou) kan ‘de liefde voor Elohim’ en ‘de liefde van Elohim’ betekenen; wij laten het open.
45Een van de wetgeleerden antwoordde Hem: „Leraar, als U dit zegt, beledigt U ons ook.”
Ἀποκριθεὶς
(Apokritheis)
antwoordend
δέ
(de)
maar
τις
(tis)
een
τῶν
(ton)
van de
νομικῶν
(nomikon)
wetgeleerden
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
ταῦτα
(tauta)
dit
λέγων
(legon)
zeggend
καὶ
(kai)
ook
ἡμᾶς
(hemas)
ons
ὑβρίζεις
(hybrizeis)
beledigt U
Bron: SBLGNT
46Hij zei: „Wee ook jullie, wetgeleerden! Want jullie beladen de mensen met lasten die zwaar te dragen zijn, en zelf raken jullie die lasten niet met één van jullie vingers aan.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Καὶ
(Kai)
ook
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
τοῖς
(tois)
de
νομικοῖς
(nomikois)
wetgeleerden
οὐαί
(ouai)
wee
ὅτι
(hoti)
omdat
φορτίζετε
(phortizete)
jullie beladen
τοὺς
(tous)
de
ἀνθρώπους
(anthropous)
mensen
φορτία
(phortia)
lasten
δυσβάστακτα
(dysbastakta)
moeilijk te dragen
καὶ
(kai)
en
αὐτοὶ
(autoi)
zijzelf
ἑνὶ
(heni)
met één
τῶν
(ton)
van de
δακτύλων
(daktylon)
vingers
ὑμῶν
(hymon)
jullie
οὐ
(ou)
niet
προσψαύετε
(prospsauete)
raken aan
τοῖς
(tois)
de
φορτίοις
(phortiois)
lasten
Bron: SBLGNT
Uitleg
φορτίον (phortion), ‘last’; δυσβάστακτος (dysbastaktos), ‘zwaar te dragen’.
49Daarom heeft ook de wijsheid van Elohim gezegd: ‘Ik zal profeten en apostelen naar hen zenden, en sommigen van hen zullen zij doden en vervolgen,
διὰ
(dia)
om
τοῦτο
(touto)
dit
καὶ
(kai)
ook
ἡ
(he)
de
σοφία
(sophia)
wijsheid
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἀποστελῶ
(Apostelo)
Ik zal zenden
εἰς
(eis)
naar
αὐτοὺς
(autous)
hen
προφήτας
(prophetas)
profeten
καὶ
(kai)
en
ἀποστόλους
(apostolous)
apostelen
καὶ
(kai)
en
ἐξ
(ex)
uit
αὐτῶν
(auton)
hen
ἀποκτενοῦσιν
(apoktenousin)
zullen zij doden
καὶ
(kai)
en
διώξουσιν
(dioxousin)
zullen zij vervolgen
Bron: SBLGNT
Uitleg
‘De wijsheid van Elohim’ wordt hier sprekend ingevoerd.
Een bepaald vers in de Schrift wordt niet aangewezen; vergelijk Matt. 23:34, waar Yeshua het zelf zegt. ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: iemand die gezonden is.
50opdat het bloed van alle profeten, dat sinds de grondlegging van de wereld vergoten is, van deze generatie geëist wordt,
ἵνα
(hina)
opdat
ἐκζητηθῇ
(ekzetethe)
zal worden geëist
τὸ
(to)
het
αἷμα
(haima)
bloed
πάντων
(panton)
van alle
τῶν
(ton)
de
προφητῶν
(propheton)
profeten
τὸ
(to)
het
ἐκκεχυμένον
(ekkechymenon)
vergoten
ἀπὸ
(apo)
vanaf
καταβολῆς
(kataboles)
grondlegging
κόσμου
(kosmou)
van de wereld
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
de
γενεᾶς
(geneas)
generatie
ταύτης
(tautes)
deze
Bron: SBLGNT
51vanaf het bloed van Abel tot het bloed van Zacharia, die omkwam tussen het altaar en het huis.’ Ja, Ik zeg jullie: het zal van deze generatie geëist worden.
ἀπὸ
(apo)
vanaf
αἵματος
(haimatos)
bloed
Ἅβελ
(Habel)
van Abel
ἕως
(heos)
tot
αἵματος
(haimatos)
bloed
Ζαχαρίου
(Zachariou)
van Zacharia
τοῦ
(tou)
de
ἀπολομένου
(apolomenou)
omgekomene
μεταξὺ
(metaxy)
tussen
τοῦ
(tou)
het
θυσιαστηρίου
(thysiasteriou)
altaar
καὶ
(kai)
en
τοῦ
(tou)
het
οἴκου
(oikou)
huis
ναί
(nai)
ja
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἐκζητηθήσεται
(ekzetethesetai)
zal worden geëist
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
de
γενεᾶς
(geneas)
generatie
ταύτης
(tautes)
deze
Bron: SBLGNT
Uitleg
Abel: Gen. 4:8–10.
Welke Zacharia bedoeld wordt, laten wij open; vergelijk 2 Kron. 24:20–22 en Matt. 23:35. οἶκος (oikos), ‘huis’: hier het heiligdom; in Matt. 23:35 staat ναός (naos), ‘heiligdom’.
52Wee jullie, wetgeleerden! Want jullie hebben de sleutel van de kennis weggenomen. Zelf zijn jullie niet binnengegaan, en wie naar binnen gingen, hebben jullie tegengehouden.”