Elohim Bijbel

Job 23

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Job zoekt Eloah, maar vindt Hem niet

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Waar kan ik Hem vinden?

1Job antwoordde en zei:
וַיַּ֥עַן
(vayaan)
en antwoordde
אִיּ֗וֹב
(iyov)
Job
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Ook vandaag is mijn klacht bitter. Mijn hand is zwaar door mijn zuchten.
גַּם
(gam)
ook
הַ֭יּוֹם
(hayom)
vandaag
מְרִ֣י
(meri)
bitter
שִׂחִ֑י
(sichi)
mijn klacht
יָ֝דִ֗י
(yadi)
mijn hand
כָּבְדָ֥ה
(kaveda)
is zwaar
עַל
(al)
op
אַנְחָתִֽי
(anchati)
mijn zuchten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

יָדִי (yadi), ‘mijn hand’: de Masoretische tekst zegt dat Jobs hand zwaar is door zijn zuchten.

Oude vertalingen (Septuaginta, Syrisch) lezen ‘Zijn hand’ (יָדוֹ): dan drukt Eloahs hand zwaar op Job.

Wij volgen de Masoretische tekst.

3Wist ik maar waar ik Hem kon vinden, dan ging ik naar Zijn zetel.
מִֽי
(mi)
wie
יִתֵּ֣ן
(yiten)
geeft
יָ֭דַעְתִּי
(yadati)
ik wist
וְאֶמְצָאֵ֑הוּ
(veemtsaehu)
en ik zou Hem vinden
אָ֝ב֗וֹא
(avo)
ik zou komen
עַד
(ad)
tot
תְּכוּנָתֽוֹ
(tekhunato)
Zijn zetel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּכוּנָתוֹ (tekhunato), ‘Zijn zetel’ of ‘Zijn woonplaats’: Job zoekt Eloah als een procespartij die de rechter niet kan vinden.

Wat hij in 9:33 niet kon, wil hij hier wel: Eloah zelf ontmoeten.

4Ik zou mijn zaak voor Hem uiteenzetten en mijn mond vullen met bewijzen.
אֶעֶרְכָ֣ה
(eerkha)
ik zou uiteenzetten
לְפָנָ֣יו
(lefanav)
voor Hem
מִשְׁפָּ֑ט
(mishpat)
de zaak
וּ֝פִ֗י
(ufi)
en mijn mond
אֲמַלֵּ֥א
(amale)
zou ik vullen
תוֹכָחֽוֹת
(tokhachot)
met bewijzen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Ik zou weten met welke woorden Hij mij antwoordt en begrijpen wat Hij tegen mij zegt.
אֵ֭דְעָה
(edea)
ik zou weten
מִלִּ֣ים
(milim)
woorden
יַעֲנֵ֑נִי
(yaaneni)
Hij antwoordt mij
וְ֝אָבִ֗ינָה
(veavina)
en ik zou begrijpen
מַה
(ma)
wat
יֹּ֥אמַר
(yomar)
Hij zegt
לִֽי
(li)
tot mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Zou Hij met grote kracht tegen mij twisten? Nee, Hij zou acht op mij slaan.
הַבְּרָב
(haberav)
met overvloed van
כֹּ֭חַ
(koach)
kracht
יָרִ֣יב
(yariv)
zou Hij twisten
עִמָּדִ֑י
(imadi)
met mij
לֹ֥א
(lo)
nee
אַךְ
(akh)
maar
ה֝֗וּא
(hu)
Hij
יָשִׂ֥ם
(yasim)
zou letten
בִּֽי
(bi)
op mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job gelooft dat Eloah, als Hij zou luisteren, hem recht zou doen.

Zijn probleem is niet dat Eloah onrechtvaardig zou zijn, maar dat Hij afwezig lijkt.

7Daar zou een oprechte met Hem het gesprek aangaan, en ik zou voorgoed vrijgesproken worden door mijn rechter.
שָׁ֗ם
(sham)
daar
יָ֭שָׁר
(yashar)
een oprechte
נוֹכָ֣ח
(nokhach)
zou redetwisten
עִמּ֑וֹ
(imo)
met Hem
וַאֲפַלְּטָ֥ה
(vaafaleta)
en ik zou bevrijd worden
לָ֝נֶ֗צַח
(lanetsach)
voorgoed
מִשֹּׁפְטִֽי
(mishofeti)
van mijn rechter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Hij is er niet, maar Hij kent mijn weg

8Zie, ik ga vooruit, maar Hij is er niet. Ik ga terug, maar ik merk Hem niet op.
הֵ֤ן
(hen)
zie
קֶ֣דֶם
(qedem)
vooruit
אֶהֱלֹ֣ךְ
(ehelokh)
ga ik
וְאֵינֶ֑נּוּ
(veeinenu)
en Hij is er niet
וְ֝אָח֗וֹר
(veachor)
en achteruit
וְֽלֹא
(velo)
en niet
אָבִ֥ין
(avin)
merk ik
לֽוֹ
(lo)
Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֶדֶם (qedem) en אָחוֹר (achor) zijn letterlijk ‘voorwaarts’ (oosten) en ‘achterwaarts’ (westen); links en rechts in vers 9 zijn noord en zuid.

Job zoekt Eloah in alle richtingen.

Vergelijk Ps. 139:7–12, waar de dichter juist overal Zijn aanwezigheid ervaart.

9Links, waar Hij werkt, zie ik Hem niet. Hij verbergt zich rechts, en ik zie Hem niet.
שְׂמֹ֣אול
(semovl)
links
בַּעֲשֹׂת֣וֹ
(baasoto)
waar Hij werkt
וְלֹא
(velo)
en niet
אָ֑חַז
(achaz)
zie ik Hem
יַעְטֹ֥ף
(yatof)
Hij verbergt zich
יָ֝מִ֗ין
(yamin)
rechts
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֶרְאֶֽה
(ere)
zie ik (Hem)
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Maar Hij kent de weg die ik ga. Als Hij mij heeft beproefd, kom ik eruit als goud.
כִּֽי
(ki)
want
יָ֭דַע
(yada)
Hij kent
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg
עִמָּדִ֑י
(imadi)
die bij mij is
בְּ֝חָנַ֗נִי
(bechanani)
Hij beproefde mij
כַּזָּהָ֥ב
(kazahav)
als goud
אֵצֵֽא
(etse)
kom ik uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is een van de belangrijkste verzen van het boek: Job gelooft dat hij beproefd wordt en als goud zal blijken.

Vergelijk Ps. 66:10; 1 Petr. 1:7.

11Mijn voet heeft Zijn spoor vastgehouden. Zijn weg heb ik bewaard en ik week niet af.
בַּ֭אֲשֻׁרוֹ
(baashuro)
aan Zijn schreden
אָחֲזָ֣ה
(achaza)
houdt vast
רַגְלִ֑י
(ragli)
mijn voet
דַּרְכּ֖וֹ
(darko)
Zijn weg
שָׁמַ֣רְתִּי
(shamarti)
ik heb bewaard
וְלֹא
(velo)
en niet
אָֽט
(at)
week ik af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Van het gebod van Zijn lippen ben ik niet geweken. De woorden van Zijn mond heb ik meer dan mijn eigen deel bewaard.
מִצְוַ֣ת
(mitsvat)
gebod van
שְׂ֭פָתָיו
(sefatav)
Zijn lippen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אָמִ֑ישׁ
(amish)
ben ik geweken
מֵ֝חֻקִּ֗י
(mechuqi)
meer dan mijn bestemde deel
צָפַ֥נְתִּי
(tsafanti)
heb ik bewaard
אִמְרֵי
(imrei)
woorden van
פִֽיו
(piv)
Zijn mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

מֵחֻקִּי (mechukki), ‘meer dan mijn bestemde deel’: het deel dat voor mij is afgemeten, mijn dagelijks brood.

Een oude lezing heeft ‘in mijn boezem’ (בְּחֵקִי): dan heeft Job Eloahs woorden in zijn boezem bewaard.

Zo of zo: hij acht Eloahs woorden hoger dan zijn voedsel (vergelijk Deut. 8:3; Matt. 4:4).

Eén is Hij, en wie kan Hem omkeren?

13Maar Hij is één, en wie kan Hem omkeren? Wat Zijn ziel verlangt, dat doet Hij.
וְה֣וּא
(vehu)
en Hij
בְ֭אֶחָד
(beechad)
is een (alleen)
וּמִ֣י
(umi)
en wie
יְשִׁיבֶ֑נּוּ
(yeshivenu)
kan Hem terugdraaien
וְנַפְשׁ֖וֹ
(venafsho)
en Zijn ziel
אִוְּתָ֣ה
(iveta)
verlangt
וַיָּֽעַשׂ
(vayaas)
en Hij doet het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּאֶחָד (be’echad), ‘in één’ of ‘eenstemmig’: Eloah is onveranderlijk in Zijn besluit.

Niemand kan Hem van gedachten doen veranderen.

14Want Hij voltooit wat voor mij bepaald is, en zulke dingen zijn er veel bij Hem.
כִּ֭י
(ki)
want
יַשְׁלִ֣ים
(yashlim)
Hij voltooit
חֻקִּ֑י
(chuqi)
wat voor mij bepaald is
וְכָהֵ֖נָּה
(vekhahena)
en dergelijke dingen
רַבּ֣וֹת
(rabot)
veel
עִמּֽוֹ
(imo)
bij Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Daarom ben ik voor Zijn gezicht verschrikt. Ik denk na en ben bang voor Hem.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֭ן
(ken)
(zo)
מִפָּנָ֣יו
(mipanav)
voor Zijn gezicht
אֶבָּהֵ֑ל
(ebahel)
schrik ik
אֶ֝תְבּוֹנֵ֗ן
(etbonen)
ik denk na
וְאֶפְחַ֥ד
(veefchad)
en ik ben bang
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
voor Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16El heeft mijn hart week gemaakt, en Shaddai heeft mij doen schrikken.
וְ֭אֵל
(veel)
en El
הֵרַ֣ךְ
(herakh)
heeft week gemaakt
לִבִּ֑י
(libi)
mijn hart
וְ֝שַׁדַּ֗י
(veshaday)
en Shaddai
הִבְהִילָֽנִי
(hivhilani)
heeft mij doen schrikken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Want ik word niet tot zwijgen gebracht door de duisternis, door het donker dat Hij voor mijn gezicht heeft gelegd.”
כִּֽי
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
נִ֭צְמַתִּי
(nitsmati)
ben ik tot zwijgen gebracht
מִפְּנֵי
(mipenei)
door
חֹ֑שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וּ֝מִפָּנַ֗י
(umipanay)
en door
כִּסָּה
(kisa)
bedekt heeft
אֹֽפֶל
(ofel)
donkerte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het slot van het vers is moeilijk.

Wij begrijpen: Job wordt niet door de duisternis zelf gebroken, maar het is Eloah die deze duisternis voor zijn gezicht heeft gelegd.

Anderen lezen: ‘Ik ben niet vernietigd door de duisternis, maar Hij heeft de duisternis van mijn gezicht niet bedekt.’