Het vonnis, de kruisiging, de dood en de begrafenis van Yeshua
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yeshua wordt gegeseld en bespot
1Toen nam Pilatus Yeshua en geselde Hem.
Τότε
(Tote)
toen
οὖν
(oun)
dus
ἔλαβεν
(elaben)
nam
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἐμαστίγωσεν
(emastigosen)
geselde
Bron: SBLGNT
Uitleg
μαστιγόω (mastigoo), ‘geselen’: slaan met een zweep.
Het is een ander woord dan φραγελλόω (phragelloo) in Matt. 27:26 en Mark. 15:15, met dezelfde betekenis.
Het Grieks zegt niet door wie de geseling werd uitgevoerd.
3Zij kwamen naar Hem toe en zeiden: „Gegroet, koning van de Joden!” En zij gaven Hem klappen.
καὶ
(kai)
en
ἤρχοντο
(erchonto)
kwamen
πρὸς
(pros)
naar
αὐτὸν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Χαῖρε
(Chaire)
gegroet
ὁ
(ho)
de
βασιλεὺς
(basileus)
koning
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
καὶ
(kai)
en
ἐδίδοσαν
(edidosan)
gaven
αὐτῷ
(auto)
Hem
ῥαπίσματα
(rhapismata)
klappen
Bron: SBLGNT
Uitleg
ῥάπισμα (rhapisma), ‘klap’: een slag, vaak met de vlakke hand of met een stok.
Zie, de man!
4Pilatus ging opnieuw naar buiten. Hij zei tegen hen: „Zie, ik breng Hem voor jullie naar buiten, zodat jullie weten dat ik geen enkele aanklacht tegen Hem vind.”
καὶ
(kai)
en
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
πάλιν
(palin)
opnieuw
ἔξω
(exo)
buiten
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Ἴδε
(Ide)
zie
ἄγω
(ago)
breng
ὑμῖν
(hymin)
voor jullie
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἔξω
(exo)
buiten
ἵνα
(hina)
opdat
γνῶτε
(gnote)
jullie weten
ὅτι
(hoti)
dat
οὐδεμίαν
(oudemian)
geen enkele
αἰτίαν
(aitian)
aanklacht
εὑρίσκω
(heurisko)
vind
ἐν
(en)
in
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
αἰτία (aitia), ‘aanklacht’: de reden waarom iemand beschuldigd kan worden, zoals in Matt. 27:37 en Mark. 15:26.
5Yeshua kwam naar buiten, met de doornenkroon en de purperen mantel. Pilatus zei tegen hen: „Zie, de man!”
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
οὖν
(oun)
dus
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἔξω
(exo)
buiten
φορῶν
(phoron)
dragend
τὸν
(ton)
de
ἀκάνθινον
(akanthinon)
doornen
στέφανον
(stephanon)
kroon
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
het
πορφυροῦν
(porphyroun)
purperen
ἱμάτιον
(himation)
mantel
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ὁ
(ho)
de
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἄνθρωπος (anthropos), ‘man’: het woord kan ook ‘mens’ betekenen.
Het Grieks heeft bij ‘zei tegen hen’ geen onderwerp (ook in 19:14); wij noemen Pilatus.
6Toen de hogepriesters en de bedienden Hem zagen, schreeuwden zij: „Kruisig, kruisig!” Pilatus zei tegen hen: „Neem Hem jullie zelf mee en kruisig Hem. Want ik vind geen aanklacht tegen Hem.”
ὅτε
(hote)
toen
οὖν
(oun)
dus
εἶδον
(eidon)
zagen
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ὑπηρέται
(hyperetai)
bedienden
ἐκραύγασαν
(ekraugasan)
schreeuwden
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Σταύρωσον
(Stauroson)
kruisig
σταύρωσον
(stauroson)
kruisig
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
Λάβετε
(Labete)
neem
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie zelf
καὶ
(kai)
en
σταυρώσατε
(staurosate)
kruisig
ἐγὼ
(ego)
ik
γὰρ
(gar)
want
οὐχ
(ouch)
niet
εὑρίσκω
(heurisko)
vind
ἐν
(en)
in
αὐτῷ
(auto)
Hem
αἰτίαν
(aitian)
aanklacht
Bron: SBLGNT
Uitleg
ὑπηρέτης (hyperetes), ‘bediende’: iemand in dienst van de leiders die opdrachten uitvoerde (zoals in 18:3).
ὑμεῖς (hymeis), ‘jullie’: nadrukkelijk gezegd; Pilatus laat de beslissing aan hen.
7De Joden antwoordden hem: „Wij hebben een wet, en volgens de wet moet Hij sterven, omdat Hij Zichzelf Zoon van Elohim heeft gemaakt.”
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
αὐτῷ
(auto)
hem
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
Ἡμεῖς
(Hemeis)
wij
νόμον
(nomon)
wet
ἔχομεν
(echomen)
hebben
καὶ
(kai)
en
κατὰ
(kata)
volgens
τὸν
(ton)
de
νόμον
(nomon)
wet
ὀφείλει
(opheilei)
moet
ἀποθανεῖν
(apothanein)
sterven
ὅτι
(hoti)
omdat
υἱὸν
(huion)
Zoon
θεοῦ
(theou)
van Elohim
ἑαυτὸν
(heauton)
Zichzelf
ἐποίησεν
(epoiesen)
maakte
Bron: SBLGNT
Uitleg
Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: hier de leiders (vergelijk 19:6). υἱὸς θεοῦ (huios theou), ‘Zoon van Elohim’: het Grieks heeft geen lidwoord.
Vergelijk Lev. 24:16, waar de straf voor het uitspreken van de naam van Yahweh de dood is.
11Yeshua antwoordde hem: „Je zou geen enkel gezag over Mij hebben, als het je niet van boven gegeven was. Daarom heeft hij die Mij aan jou heeft overgeleverd, een grotere zonde.”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
αὐτῷ
(auto)
hem
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Οὐκ
(Ouk)
niet
εἶχες
(eiches)
zou hebben
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
κατ’
(kat’)
over
ἐμοῦ
(emou)
Mij
οὐδεμίαν
(oudemian)
geen enkel
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
ἦν
(en)
was
δεδομένον
(dedomenon)
gegeven
σοι
(soi)
je
ἄνωθεν
(anothen)
van boven
διὰ
(dia)
daarom
τοῦτο
(touto)
dit
ὁ
(ho)
de
παραδούς
(paradous)
overleverende
μέ
(me)
Mij
σοι
(soi)
aan jou
μείζονα
(meizona)
grotere
ἁμαρτίαν
(hamartian)
zonde
ἔχει
(echei)
heeft
Bron: SBLGNT
Uitleg
Yeshua spreekt Pilatus aan met ‘je’, zoals Hij ook anderen aanspreekt (vergelijk Matt. 27:11). ἄνωθεν (anothen), ‘van boven’: het woord kan ook ‘opnieuw’ betekenen (3:3); hier past ‘van boven’.
Wie met ‘hij die Mij aan jou heeft overgeleverd’ bedoeld is, zegt het Grieks niet.
12Vanaf dat moment probeerde Pilatus Hem vrij te laten. Maar de Joden schreeuwden: „Als u deze man vrijlaat, bent u geen vriend van de keizer. Iedereen die zichzelf koning maakt, verzet zich tegen de keizer.”
ἐκ
(ek)
vanaf
τούτου
(toutou)
dit
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
ἐζήτει
(ezetei)
zocht
ἀπολῦσαι
(apolysai)
vrij te laten
αὐτόν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
ἐκραύγασαν
(ekraugasan)
schreeuwden
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ἐὰν
(Ean)
als
τοῦτον
(touton)
deze
ἀπολύσῃς
(apolyses)
vrijlaat
οὐκ
(ouk)
niet
εἶ
(ei)
bent
φίλος
(philos)
vriend
τοῦ
(tou)
van de
Καίσαρος
(Kaisaros)
keizer
πᾶς
(pas)
ieder
ὁ
(ho)
de
βασιλέα
(basilea)
koning
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
ποιῶν
(poion)
makend
ἀντιλέγει
(antilegei)
spreekt tegen
τῷ
(to)
de
Καίσαρι
(Kaisari)
keizer
Bron: SBLGNT
Uitleg
Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: hier de leiders die Yeshua aan Pilatus hadden overgeleverd. Καῖσαρ (Kaisar), ‘keizer’: de Romeinse keizer.
Yeshua wordt overgeleverd
13Toen Pilatus deze woorden hoorde, bracht hij Yeshua naar buiten. Pilatus ging op de rechterstoel zitten, op een plaats die Lithostroton genoemd wordt, in het Hebreeuws Gabbata.
Ὁ
(Ho)
de
οὖν
(oun)
dus
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
ἀκούσας
(akousas)
horend
τῶν
(ton)
de
λόγων
(logon)
woorden
τούτων
(touton)
deze
ἤγαγεν
(egagen)
leidde
ἔξω
(exo)
buiten
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἐκάθισεν
(ekathisen)
ging zitten
ἐπὶ
(epi)
op
βήματος
(bematos)
rechterstoel
εἰς
(eis)
naar
τόπον
(topon)
plaats
λεγόμενον
(legomenon)
genoemd
Λιθόστρωτον
(Lithostroton)
Lithostroton
Ἑβραϊστὶ
(Hebraisti)
in het Hebreeuws
δὲ
(de)
maar
Γαββαθα
(Gabbatha)
Gabbata
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Lithostroton of Gabbata (Jeruzalem; ligging onzeker): Lithostroton (‘stenen plaveisel’) of Gabbata (‘verhoging’) was de plaats van het rechtersgestoelte van Pilatus, bij het pretorium in Jeruzalem.
De precieze ligging is niet bekend.
Uitleg
ἐκάθισεν (ekathisen), ‘ging zitten’: het werkwoord kan ook ‘liet zitten’ betekenen, dan zet Pilatus Yeshua op de rechterstoel.
Wij lezen dat Pilatus zelf ging zitten. βῆμα (bema), ‘rechterstoel’: zoals in Matt. 27:19.
Λιθόστρωτον (Lithostroton) is Grieks voor een plaats met een plaveisel van stenen; Γαββαθα (Gabbata) is Aramees. Ἑβραϊστί (Hebraisti), ‘in het Hebreeuws’: in het Nieuwe Testament kan hiermee de taal van het land, het Aramees, bedoeld zijn. De ligging van deze plaats in Jeruzalem is onzeker.
14Het was de voorbereidingsdag van het Pesach, ongeveer het zesde uur. Pilatus zei tegen de Joden: „Zie, jullie koning!”
ἦν
(en)
was
δὲ
(de)
maar
παρασκευὴ
(paraskeue)
voorbereidingsdag
τοῦ
(tou)
van het
πάσχα
(pascha)
Pesach
ὥρα
(hora)
uur
ἦν
(en)
was
ὡς
(hos)
ongeveer
ἕκτη
(hekte)
zesde
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
τοῖς
(tois)
aan de
Ἰουδαίοις
(Ioudaiois)
Joden
Ἴδε
(Ide)
zie
ὁ
(ho)
de
βασιλεὺς
(basileus)
koning
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg
παρασκευή (paraskeue), ‘voorbereidingsdag’: de dag voor de sabbat, vrijdag (vergelijk Mark. 15:42).
‘Voorbereidingsdag van het Pesach’ kan de vrijdag in de week van het Pesach zijn; de tekst zegt niet hoe dit zich verhoudt tot het Pesach-maal in Matt. 26:17–20 en Joh. 13:1.
ὥρα ἕκτη (hora hekte), ‘het zesde uur’: bij de Joodse dagtelling, vanaf zonsopgang, is dat ongeveer 12 uur ’s middags. Markus noemt het derde uur, ongeveer 9 uur ’s ochtends, voor de kruisiging (Mark. 15:25). Als Johannes de Romeinse telling gebruikt (vanaf middernacht), is het zesde uur ongeveer 6 uur ’s ochtends. Wat Johannes bedoelt, is onzeker. Zie ook Joh. 1:39.
15Zij schreeuwden: „Weg met Hem, weg met Hem, kruisig Hem!” Pilatus zei tegen hen: „Moet ik jullie koning kruisigen?” De hogepriesters antwoordden: „Wij hebben geen koning behalve de keizer.”
ἐκραύγασαν
(ekraugasan)
schreeuwden
οὖν
(oun)
dus
ἐκεῖνοι
(ekeinoi)
zij
Ἆρον
(Aron)
weg
ἆρον
(aron)
weg
σταύρωσον
(stauroson)
kruisig
αὐτόν
(auton)
Hem
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
Τὸν
(Ton)
de
βασιλέα
(basilea)
koning
ὑμῶν
(hymon)
jullie
σταυρώσω
(stauroso)
zal ik kruisigen
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἔχομεν
(echomen)
hebben
βασιλέα
(basilea)
koning
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
Καίσαρα
(Kaisara)
keizer
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἆρον (aron), ‘neem weg’: het Grieks heeft geen voorwerp; wij schrijven ‘Weg met Hem’.
De Joden die hier roepen zijn de leiders; de hogepriesters spreken het slot uit.
16Toen leverde hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden. Zij namen Yeshua dus mee.
19Pilatus schreef ook een opschrift en zette het op het kruis. Er stond geschreven: „Yeshua de Nazoreeër, de koning van de Joden.”
ἔγραψεν
(egrapsen)
schreef
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
τίτλον
(titlon)
opschrift
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
καὶ
(kai)
en
ἔθηκεν
(etheken)
zette
ἐπὶ
(epi)
op
τοῦ
(tou)
het
σταυροῦ
(staurou)
kruis
ἦν
(en)
was
δὲ
(de)
maar
γεγραμμένον
(gegrammenon)
geschreven
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ὁ
(ho)
de
Ναζωραῖος
(Nazoraios)
Nazoreeër
ὁ
(ho)
de
βασιλεὺς
(basileus)
koning
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
Bron: SBLGNT
Uitleg
τίτλος (titlos), ‘opschrift’: een bordje met de reden van de straf (vergelijk Mark. 15:26). Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: iemand uit Nazaret, zoals in Matt. 2:23.
20Veel Joden lazen dit opschrift, want de plaats waar Yeshua gekruisigd werd, was dicht bij de stad. Het was geschreven in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks.
τοῦτον
(touton)
dit
οὖν
(oun)
dus
τὸν
(ton)
het
τίτλον
(titlon)
opschrift
πολλοὶ
(polloi)
velen
ἀνέγνωσαν
(anegnosan)
lazen
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
ὅτι
(hoti)
omdat
ἐγγὺς
(engys)
dichtbij
ἦν
(en)
was
ὁ
(ho)
de
τόπος
(topos)
plaats
τῆς
(tes)
van de
πόλεως
(poleos)
stad
ὅπου
(hopou)
waar
ἐσταυρώθη
(estaurothe)
gekruisigd werd
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἦν
(en)
was
γεγραμμένον
(gegrammenon)
geschreven
Ἑβραϊστί
(Hebraisti)
in het Hebreeuws
Ῥωμαϊστί
(Rhomaisti)
in het Latijn
Ἑλληνιστί
(Hellenisti)
in het Grieks
Bron: SBLGNT
Uitleg
Ῥωμαϊστί (Romaisti), ‘in het Latijn’: letterlijk ‘op Romeinse wijze’, de taal van de Romeinen.
21De hogepriesters van de Joden zeiden dus tegen Pilatus: „Schrijf niet: ‘De koning van de Joden’, maar dat die man gezegd heeft: ‘Ik ben koning van de Joden.’”
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
τῷ
(to)
aan de
Πιλάτῳ
(Pilato)
Pilatus
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
Μὴ
(Me)
niet
γράφε
(graphe)
schrijf
Ὁ
(Ho)
de
βασιλεὺς
(basileus)
koning
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
ἀλλ’
(all’)
maar
ὅτι
(hoti)
dat
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die man
εἶπεν
(eipen)
zei
Βασιλεὺς
(Basileus)
koning
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
εἰμί
(eimi)
ben ik
Bron: SBLGNT
22Pilatus antwoordde: „Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
Ὃ
(Ho)
wat
γέγραφα
(gegrapha)
heb geschreven
γέγραφα
(gegrapha)
heb geschreven
Bron: SBLGNT
De soldaten verdelen Zijn kleren
23Toen de soldaten Yeshua gekruisigd hadden, namen zij Zijn kleren en maakten er 4 delen van, voor elke soldaat een deel, en het onderkleed. Het onderkleed was naadloos, van boven af helemaal geweven.
οἱ
(hoi)
de
οὖν
(oun)
dus
στρατιῶται
(stratiotai)
soldaten
ὅτε
(hote)
toen
ἐσταύρωσαν
(estaurosan)
kruisigden
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
ἔλαβον
(elabon)
namen
τὰ
(ta)
de
ἱμάτια
(himatia)
kleren
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἐποίησαν
(epoiesan)
maakten
τέσσαρα
(tessara)
vier
μέρη
(mere)
delen
ἑκάστῳ
(hekasto)
aan elke
στρατιώτῃ
(stratiote)
soldaat
μέρος
(meros)
deel
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
het
χιτῶνα
(chitona)
onderkleed
ἦν
(en)
was
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
het
χιτὼν
(chiton)
onderkleed
ἄραφος
(araphos)
naadloos
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
ἄνωθεν
(anothen)
boven
ὑφαντὸς
(hyphantos)
geweven
δι’
(di’)
door
ὅλου
(holou)
geheel
Bron: SBLGNT
Uitleg
χιτών (chiton), ‘onderkleed’: een kleed dat direct op het lichaam gedragen werd. ἄραφος (araphos), ‘naadloos’: zonder naad.
‘En het onderkleed’ heeft in het Grieks geen eigen werkwoord; het onderkleed is een stuk naast de 4 delen.
24Zij zeiden dus tegen elkaar: „Laten wij het niet scheuren, maar erom loten van wie het zal zijn.” Dit gebeurde opdat de Schrift vervuld zou worden die zegt: „Zij verdeelden mijn kleren onder zich, en over mijn gewaad wierpen zij het lot.” Dit deden de soldaten dus.
εἶπαν
(eipan)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
πρὸς
(pros)
tot
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
Μὴ
(Me)
niet
σχίσωμεν
(schisomen)
laten wij scheuren
αὐτόν
(auton)
het
ἀλλὰ
(alla)
maar
λάχωμεν
(lachomen)
laten wij loten
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
het
τίνος
(tinos)
van wie
ἔσται
(estai)
zal zijn
ἵνα
(hina)
opdat
ἡ
(he)
de
γραφὴ
(graphe)
Schrift
πληρωθῇ
(plerothe)
vervuld wordt
ἡ
(he)
de
λέγουσα
(legousa)
zeggende
Διεμερίσαντο
(Diemerisanto)
verdeelden
τὰ
(ta)
de
ἱμάτιά
(himatia)
kleren
μου
(mou)
mijn
ἑαυτοῖς
(heautois)
onder zich
καὶ
(kai)
en
ἐπὶ
(epi)
over
τὸν
(ton)
het
ἱματισμόν
(himatismon)
gewaad
μου
(mou)
mijn
ἔβαλον
(ebalon)
wierpen
κλῆρον
(kleron)
lot
Οἱ
(Hoi)
de
μὲν
(men)
wel
οὖν
(oun)
dus
στρατιῶται
(stratiotai)
soldaten
ταῦτα
(tauta)
dit
ἐποίησαν
(epoiesan)
deden
Bron: SBLGNT
Uitleg
Dit is Ps. 22:19 (in de Nederlandse telling is dit 22:18): ‘Zij verdelen mijn kleren onder zich en over mijn gewaad werpen zij het lot.’
In onze vertaling van de psalm staat de tegenwoordige tijd; de Griekse tekst heeft de verleden tijd. ἱμάτια (himatia), ‘kleren’ en ἱματισμός (himatismos), ‘gewaad’ komen overeen met de twee Hebreeuwse woorden.
Het Grieks heeft bij ‘opdat de Schrift vervuld zou worden’ geen ‘Dit gebeurde’; wij vullen dat aan, zoals in 18:9 en 18:32.
25Bij het kruis van Yeshua stonden Zijn moeder en de zus van Zijn moeder, Maria van Klopas, en Maria Magdalena.
Εἱστήκεισαν
(Heistekeisan)
stonden
δὲ
(de)
maar
παρὰ
(para)
bij
τῷ
(to)
het
σταυρῷ
(stauro)
kruis
τοῦ
(tou)
van de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
ἡ
(he)
de
μήτηρ
(meter)
moeder
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
ἀδελφὴ
(adelphe)
zus
τῆς
(tes)
van de
μητρὸς
(metros)
moeder
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Μαρία
(Maria)
Maria
ἡ
(he)
de
τοῦ
(tou)
van
Κλωπᾶ
(Klopa)
Klopas
καὶ
(kai)
en
Μαρία
(Maria)
Maria
ἡ
(he)
de
Μαγδαληνή
(Magdalene)
Magdalena
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft ‘Maria van Klopas’; dat kan ‘vrouw van’, ‘dochter van’ of ‘moeder van’ betekenen.
Ook is niet duidelijk of de zus van Zijn moeder dezelfde is als Maria van Klopas: dan zijn het 3 vrouwen, anders 4. Μαγδαληνή: ‘Magdalena’, zie Mark. 15:40.
Zie ook Matt. 27:55–56; Mark. 15:40–41; Luc. 23:49.
26Toen Yeshua Zijn moeder zag, en naast haar de leerling die Hij liefhad, zei Hij tegen Zijn moeder: „Vrouw, zie, je zoon!”
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
οὖν
(oun)
dus
ἰδὼν
(idon)
ziende
τὴν
(ten)
de
μητέρα
(metera)
moeder
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
de
μαθητὴν
(matheten)
leerling
παρεστῶτα
(parestota)
staande naast
ὃν
(hon)
die
ἠγάπα
(egapa)
Hij liefhad
λέγει
(legei)
zegt
τῇ
(te)
aan de
μητρί
(metri)
moeder
Γύναι
(Gynai)
vrouw
ἴδε
(ide)
zie
ὁ
(ho)
de
υἱός
(huios)
zoon
σου
(sou)
je
Bron: SBLGNT
Uitleg
γύναι (gynai), ‘vrouw’: een beleefde, respectvolle aanspreking (zie 2:4).
De leerling die Yeshua liefhad wordt niet bij naam genoemd (zie ook 13:23; 20:2; 21:7; 21:20). Ἠγάπα: ἀγαπάω (agapao), ‘liefhebben’.
27Daarna zei Hij tegen de leerling: „Zie, je moeder!” Vanaf dat uur nam de leerling haar bij zich in zijn huis.
εἶτα
(eita)
daarna
λέγει
(legei)
zegt
τῷ
(to)
aan de
μαθητῇ
(mathete)
leerling
Ἴδε
(Ide)
zie
ἡ
(he)
de
μήτηρ
(meter)
moeder
σου
(sou)
je
καὶ
(kai)
en
ἀπ’
(ap’)
vanaf
ἐκείνης
(ekeines)
dat
τῆς
(tes)
het
ὥρας
(horas)
uur
ἔλαβεν
(elaben)
nam
ὁ
(ho)
de
μαθητὴς
(mathetes)
leerling
αὐτὴν
(auten)
haar
εἰς
(eis)
naar
τὰ
(ta)
het
ἴδια
(idia)
eigene
Bron: SBLGNT
Uitleg
εἰς τὰ ἴδια (eis ta idia), letterlijk ‘naar het eigene’: naar zijn eigen huis of wat hem toebehoorde.
Wij schrijven ‘bij zich in zijn huis’.
De dood van Yeshua
28Hierna wist Yeshua dat nu alles volbracht was. Opdat de Schrift voltooid zou worden, zei Hij: „Ik heb dorst.”
Μετὰ
(Meta)
na
τοῦτο
(touto)
dit
εἰδὼς
(eidos)
wetend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ὅτι
(hoti)
dat
ἤδη
(ede)
nu
πάντα
(panta)
alles
τετέλεσται
(tetelestai)
is volbracht
ἵνα
(hina)
opdat
τελειωθῇ
(teleiothe)
voltooid wordt
ἡ
(he)
de
γραφὴ
(graphe)
Schrift
λέγει
(legei)
zegt
Διψῶ
(Dipso)
ik heb dorst
Bron: SBLGNT
Uitleg
τετέλεσται (tetelestai), ‘is volbracht’, en τελειόω (teleioo), ‘voltooien’, zijn verwant.
De tekst noemt het Schriftvers niet; vergelijk Ps. 22:16 (‘mijn tong kleeft aan mijn kaken’; in de Nederlandse telling is dit 22:15) en Ps. 69:22 (in de Nederlandse telling is dit 69:21).
31Omdat het voorbereidingsdag was, vroegen de Joden aan Pilatus of de benen van de gekruisigden gebroken en zij weggehaald mochten worden. De lichamen mochten niet op de sabbat aan het kruis blijven, want die sabbat was een grote dag.
Οἱ
(Hoi)
de
οὖν
(oun)
dus
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
ἐπεὶ
(epei)
omdat
παρασκευὴ
(paraskeue)
voorbereidingsdag
ἦν
(en)
was
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
μείνῃ
(meine)
blijft
ἐπὶ
(epi)
aan
τοῦ
(tou)
het
σταυροῦ
(staurou)
kruis
τὰ
(ta)
de
σώματα
(somata)
lichamen
ἐν
(en)
op
τῷ
(to)
de
σαββάτῳ
(sabbato)
sabbat
ἦν
(en)
was
γὰρ
(gar)
want
μεγάλη
(megale)
grote
ἡ
(he)
de
ἡμέρα
(hemera)
dag
ἐκείνου
(ekeinou)
van die
τοῦ
(tou)
de
σαββάτου
(sabbatou)
sabbat
ἠρώτησαν
(erotesan)
vroegen
τὸν
(ton)
de
Πιλᾶτον
(Pilaton)
Pilatus
ἵνα
(hina)
opdat
κατεαγῶσιν
(kateagosin)
gebroken worden
αὐτῶν
(auton)
hun
τὰ
(ta)
de
σκέλη
(skele)
benen
καὶ
(kai)
en
ἀρθῶσιν
(arthosin)
weggehaald worden
Bron: SBLGNT
Uitleg
Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: hier de leiders. αὐτῶν (auton), ‘hun’: de gekruisigden.
De tekst zegt niet waarom die sabbat een ‘grote dag’ was.
Het breken van de benen diende om de dood te verhaasten.
Vergelijk Deut. 21:22–23: een lijk mag de nacht niet aan de boom blijven.
37En weer zegt een andere Schrifttekst: „Zij zullen zien op Hem die zij doorstoken hebben.”
καὶ
(kai)
en
πάλιν
(palin)
opnieuw
ἑτέρα
(hetera)
andere
γραφὴ
(graphe)
Schrift
λέγει
(legei)
zegt
Ὄψονται
(Opsontai)
zullen zien
εἰς
(eis)
naar
ὃν
(hon)
wie
ἐξεκέντησαν
(exekentesan)
doorstaken
Bron: SBLGNT
Uitleg
Dit is Zach. 12:10: ‘Zij zullen opzien naar Mij, naar hem die zij doorstoken hebben.’
Het Hebreeuws heeft ‘naar Mij’, omdat Yahweh spreekt; de Griekse tekst heeft alleen ‘naar wie zij doorstoken hebben’. ἐκκεντέω (ekkenteo), ‘doorsteken’.
38Hierna vroeg Jozef van Arimatea aan Pilatus of hij het lichaam van Yeshua mocht wegnemen. Hij was een leerling van Yeshua, maar hield dat verborgen uit angst voor de Joden. Pilatus stond het toe. Jozef kwam dus en nam Zijn lichaam weg.
Μετὰ
(Meta)
na
δὲ
(de)
maar
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
ἠρώτησεν
(erotesen)
vroeg
τὸν
(ton)
de
Πιλᾶτον
(Pilaton)
Pilatus
Ἰωσὴφ
(Ioseph)
Jozef
ἀπὸ
(apo)
uit
Ἁριμαθαίας
(Harimathaias)
Arimatea
ὢν
(on)
zijnde
μαθητὴς
(mathetes)
leerling
τοῦ
(tou)
van de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
κεκρυμμένος
(kekrymmenos)
verborgen
δὲ
(de)
maar
διὰ
(dia)
vanwege
τὸν
(ton)
de
φόβον
(phobon)
angst
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
ἵνα
(hina)
opdat
ἄρῃ
(are)
hij wegneemt
τὸ
(to)
het
σῶμα
(soma)
lichaam
τοῦ
(tou)
van de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἐπέτρεψεν
(epetrepsen)
stond toe
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
ἦλθεν
(elthen)
kwam
οὖν
(oun)
dus
καὶ
(kai)
en
ἦρεν
(eren)
nam weg
τὸ
(to)
het
σῶμα
(soma)
lichaam
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Arimatea (Ramataim?; ligging onzeker): De ligging van Arimatea is onbekend.
Vaak wordt het gelijkgesteld met Ramataim-Sofim (Rama), ongeveer bij Rentis, ten noordoosten van Lod.
Dit is niet zeker.
Uitleg
Ἁριμαθαία (Harimathaia), ‘Arimatea’: de ligging is onzeker (zoals bij Matt. 27:57). κεκρυμμένος (kekrymmenos), ‘verborgen’. Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: hier de leiders.
Zie ook Matt. 27:57–61; Mark. 15:42–47; Luc. 23:50–56.
39Ook Nikodemus kwam, die eerder ’s nachts naar Hem toe gekomen was. Hij bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer 100 pond.
ἦλθεν
(elthen)
kwam
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
Νικόδημος
(Nikodemos)
Nikodemus
ὁ
(ho)
die
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen was
πρὸς
(pros)
naar
αὐτὸν
(auton)
Hem
νυκτὸς
(nyktos)
’s nachts
τὸ
(to)
het
πρῶτον
(proton)
eerst
φέρων
(pheron)
brengend
μίγμα
(migma)
mengsel
σμύρνης
(smyrnes)
van mirre
καὶ
(kai)
en
ἀλόης
(aloes)
van aloë
ὡς
(hos)
ongeveer
λίτρας
(litras)
ponden
ἑκατόν
(hekaton)
honderd
Bron: SBLGNT
Uitleg
λίτρα (litra), ‘pond’: een Romeins pond, ongeveer 330 gram; 100 pond is dus ongeveer 33 kilo. σμύρνα (smyrna), ‘mirre’ en ἀλόη (aloe), ‘aloë’: geurige stoffen voor de begrafenis.
40Zij namen het lichaam van Yeshua en wikkelden het met de specerijen in linnen doeken. Zo is het bij de Joden de gewoonte te begraven.
ἔλαβον
(elabon)
namen
οὖν
(oun)
dus
τὸ
(to)
het
σῶμα
(soma)
lichaam
τοῦ
(tou)
van de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἔδησαν
(edesan)
bonden
αὐτὸ
(auto)
het
ὀθονίοις
(othoniois)
met linnen doeken
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
ἀρωμάτων
(aromaton)
specerijen
καθὼς
(kathos)
zoals
ἔθος
(ethos)
gewoonte
ἐστὶν
(estin)
is
τοῖς
(tois)
aan de
Ἰουδαίοις
(Ioudaiois)
Joden
ἐνταφιάζειν
(entaphiazein)
te begraven
Bron: SBLGNT
Uitleg
ὀθόνιον (othonion), ‘linnen doek’: een ander woord dan σινδών (sindon) in Mark. 15:46. ἄρωμα (aroma), ‘specerij’, zoals in Mark. 16:1. Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: hier de Joden in het algemeen.