Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het afscheid van Laban
1Laban stond 's morgens vroeg op, kuste zijn kleinkinderen en zijn dochters en zegende hen. Daarna ging Laban weg en keerde terug naar zijn plaats.
וַיַּשְׁכֵּ֨ם
(vayashkem)
en hij stond vroeg op
לָבָ֜ן
(lavan)
Laban
בַּבֹּ֗קֶר
(baboqer)
in de ochtend
וַיְנַשֵּׁ֧ק
(vaynasheq)
en hij kuste
לְבָנָ֛יו
(levanav)
zijn zonen
וְלִבְנוֹתָ֖יו
(velivnotav)
en zijn dochters
וַיְבָ֣רֶךְ
(vayvarekh)
en hij zegende
אֶתְהֶ֑ם
(ethem)
hen
וַיֵּ֛לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
וַיָּ֥שָׁב
(vayashav)
en hij keerde terug
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
לִמְקֹמֽוֹ
(limqomo)
naar zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ויברך אתהם (vayevarekh otam), ‘hij zegende hen’.
Aanvullend
Jasher 31:53 zegt dat Laban vroeg opstond, met zijn dochters weende en hen kuste.
5Hij droeg hun op: „Zo zullen jullie zeggen tegen mijn heer Ezau: ‘Zo zegt uw dienaar Jakob: Ik heb als vreemdeling bij Laban gewoond en ben daar tot nu toe gebleven.
וַיְצַ֤ו
(vaytsav)
en hij gebood
אֹתָם֙
(otam)
hen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
כֹּ֣ה
(ko)
zo
תֹאמְר֔וּן
(tomrun)
jullie zullen zeggen
לַֽאדֹנִ֖י
(ladoni)
aan mijn heer
לְעֵשָׂ֑ו
(leesav)
aan Ezau
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
עַבְדְּךָ֣
(avdekha)
uw dienaar
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
עִם
(im)
met
לָבָ֣ן
(lavan)
Laban
גַּ֔רְתִּי
(garti)
ik heb als vreemdeling gewoond
וָאֵחַ֖ר
(vaechar)
en ik bleef
עַד
(ad)
tot
עָֽתָּה
(ata)
nu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עם לבן גרתי (im Lavan garti), ‘ik heb als vreemdeling bij Laban gewoond’: van ger, ‘vreemdeling’.
לאדני (ladoni), ‘mijn heer’: hier een beleefde aanspreking van Ezau, niet van Elohim.
10Jakob zei: „Elohim van mijn vader Abraham en Elohim van mijn vader Isaak, Yahweh, U hebt tegen mij gezegd: ‘Keer terug naar je land en naar je geboorteland, en Ik zal het je goed doen.’
וַיֹּאמֶר֮
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹב֒
(yaaqov)
Jakob
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
Elohim van
אָבִ֣י
(avi)
mijn vader
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
וֵאלֹהֵ֖י
(velohei)
en Elohim van
אָבִ֣י
(avi)
mijn vader
יִצְחָ֑ק
(yitschaq)
Isaak
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
הָאֹמֵ֣ר
(haomer)
die zei
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
שׁ֧וּב
(shuv)
keer terug
לְאַרְצְךָ֛
(leartsekha)
naar je land
וּלְמוֹלַדְתְּךָ֖
(ulemoladtekha)
en naar je geboorteland
וְאֵיטִ֥יבָה
(veeitiva)
en Ik zal het goed maken
עִמָּֽךְ
(imakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אלהי אבי אברהם ואלהי אבי יצחק יהוה (Elohei avi Avraham ve’Elohei avi Yitschaq YHWH), ‘Elohim van mijn vader Abraham en Elohim van mijn vader Isaak, Yahweh’: Jakob roept God aan met de namen van zijn vaderen.
שׁוב לארצך ולמולדתך ואיטיבה עמך (shuv le’artsekha ulemoladtekha ve’etivah immakh), ‘keer terug naar je land en naar je geboorteland, en Ik zal het je goed doen’: zie 31:3.
11Ik ben te gering voor alle daden van trouw en voor alle betrouwbaarheid die U aan Uw dienaar hebt bewezen. Want met alleen mijn staf stak ik deze Jordaan over, en nu ben ik tot twee kampen geworden.
קָטֹ֜נְתִּי
(qatonti)
ik ben te klein
מִכֹּ֤ל
(mikol)
van alle
הַחֲסָדִים֙
(hachasadim)
de daden van trouw
וּמִכָּל
(umikal)
en van alle
הָ֣אֱמֶ֔ת
(haemet)
de betrouwbaarheid
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשִׂ֖יתָ
(asita)
U hebt gedaan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עַבְדֶּ֑ךָ
(avdekha)
Uw dienaar
כִּ֣י
(ki)
want
בְמַקְלִ֗י
(bemaqli)
met mijn staf
עָבַ֨רְתִּי֙
(avarti)
ik stak over
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַיַּרְדֵּ֣ן
(hayarden)
de Jordaan
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וְעַתָּ֥ה
(veata)
en nu
הָיִ֖יתִי
(hayiti)
ik ben geworden
לִשְׁנֵ֥י
(lishnei)
tot twee
מַחֲנֽוֹת
(machanot)
kampen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Uitleg
החסדים (hachasadim), ‘de daden van trouw’: chesed, ‘trouw’.
האמת (ha’emet), ‘de betrouwbaarheid’: zie 24:27.
לשׁני מחנות (lishnei machanot), ‘tot twee kampen’: de woorden klinken als Machanajim (vers 3).
12Red mij toch uit de hand van mijn broer, uit de hand van Ezau, want ik ben bang voor hem. Straks komt hij en slaat hij mij neer, de moeder met de kinderen.
הַצִּילֵ֥נִי
(hatsileni)
red mij
נָ֛א
(na)
alsjeblieft
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
אָחִ֖י
(achi)
mijn broer
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
עֵשָׂ֑ו
(esav)
Ezau
כִּֽי
(ki)
want
יָרֵ֤א
(yare)
bang
אָנֹכִי֙
(anokhi)
ik
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
פֶּן
(pen)
opdat niet
יָב֣וֹא
(yavo)
hij komt
וְהִכַּ֔נִי
(vehikani)
en hij slaat mij
אֵ֖ם
(em)
moeder
עַל
(al)
met
בָּנִֽים
(banim)
kinderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
והכני אם על בנים (vehikkani em al banim), ‘hij slaat mij neer, de moeder met de kinderen’: letterlijk ‘moeder over kinderen’, een uitdrukking voor volledige vernietiging (zie Hos. 10:14).
13U hebt gezegd: ‘Ik zal het je zeker goed doen en Ik zal je nageslacht maken als het zand van de zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden.’”
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
אָמַ֔רְתָּ
(amarta)
je hebt gezegd
הֵיטֵ֥ב
(heitev)
goed
אֵיטִ֖יב
(eitiv)
Ik zal goed maken
עִמָּ֑ךְ
(imakh)
met je
וְשַׂמְתִּ֤י
(vesamti)
en Ik zal zetten
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
זַרְעֲךָ֙
(zarakha)
je nageslacht
כְּח֣וֹל
(kechol)
als zand van
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
יִסָּפֵ֖ר
(yisafer)
het wordt geteld
מֵרֹֽב
(merov)
van menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כחול הים (kechol hayam), ‘als het zand van de zee’: zie 22:17; vergelijk 28:14 (‘als het stof van de aarde’).
17Hij gaf ze in de hand van zijn dienaren, elke kudde apart, en zei tegen zijn dienaren: „Ga voor mij uit en laat ruimte tussen de ene kudde en de andere.”
וַיִּתֵּן֙
(vayiten)
en hij gaf
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
עֲבָדָ֔יו
(avadav)
zijn dienaren
עֵ֥דֶר
(eder)
kudde
עֵ֖דֶר
(eder)
kudde
לְבַדּ֑וֹ
(levado)
apart
וַ֤יֹּאמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
עִבְר֣וּ
(ivru)
gaat over
לְפָנַ֔י
(lefanay)
voor mij
וְרֶ֣וַח
(verevach)
en ruimte
תָּשִׂ֔ימוּ
(tasimu)
jullie zullen zetten
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
עֵ֖דֶר
(eder)
kudde
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
עֵֽדֶר
(eder)
kudde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19dan zeg je: ‘Ze zijn van uw dienaar Jakob. Het is een geschenk, gestuurd aan mijn heer Ezau. En zie, hijzelf komt ook achter ons aan.’”
וְאָֽמַרְתָּ֙
(veamarta)
en je zult zeggen
לְעַבְדְּךָ֣
(leavdekha)
aan uw dienaar
לְיַעֲקֹ֔ב
(leyaaqov)
aan Jakob
מִנְחָ֥ה
(mincha)
geschenk
הִוא֙
(hi)
het
שְׁלוּחָ֔ה
(shelucha)
gestuurd
לַֽאדֹנִ֖י
(ladoni)
aan mijn heer
לְעֵשָׂ֑ו
(leesav)
aan Ezau
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
גַם
(gam)
ook
ה֖וּא
(hu)
hij
אַחֲרֵֽינוּ
(achareinu)
achter ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Ook de tweede, de derde en allen die achter de kudden aan gingen, gaf hij dezelfde opdracht: „Zo moeten jullie tegen Ezau spreken wanneer jullie hem vinden.
וַיְצַ֞ו
(vaytsav)
en hij gebood
גַּ֣ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַשֵּׁנִ֗י
(hasheni)
de tweede
גַּ֚ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַשְּׁלִישִׁ֔י
(hashelishi)
de derde
גַּ֚ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
הַהֹ֣לְכִ֔ים
(haholekhim)
die gaan
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
הָעֲדָרִ֖ים
(haadarim)
de kudden
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
כַּדָּבָ֤ר
(kadavar)
volgens woord
הַזֶּה֙
(haze)
dit
תְּדַבְּר֣וּן
(tedaberun)
jullie zullen spreken
אֶל
(el)
tot
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
בְּמֹצַאֲכֶ֖ם
(bemotsaakhem)
wanneer jullie vinden
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Jullie zeggen ook: ‘Zie, uw dienaar Jakob komt achter ons aan.’” Want hij dacht: „Ik zal zijn gezicht verzoenen met het geschenk dat voor mij uit gaat. Daarna zal ik zijn gezicht zien. Misschien neemt hij mij gunstig op.”
וַאֲמַרְתֶּ֕ם
(vaamartem)
en jullie zullen zeggen
גַּ֗ם
(gam)
ook
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
עַבְדְּךָ֥
(avdekha)
uw dienaar
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
אַחֲרֵ֑ינוּ
(achareinu)
achter ons
כִּֽי
(ki)
want
אָמַ֞ר
(amar)
hij zei
אֲכַפְּרָ֣ה
(akhapera)
ik zal verzoenen
פָנָ֗יו
(panav)
zijn gezicht
בַּמִּנְחָה֙
(bamincha)
met het geschenk
הַהֹלֶ֣כֶת
(haholekhet)
die gaat
לְפָנָ֔י
(lefanay)
voor mij
וְאַחֲרֵי
(veacharei)
en na
כֵן֙
(ken)
dit
אֶרְאֶ֣ה
(ere)
ik zal zien
פָנָ֔יו
(panav)
zijn gezicht
אוּלַ֖י
(ulay)
misschien
יִשָּׂ֥א
(yisa)
hij zal opheffen
פָנָֽי
(panay)
mijn gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אכפרה פניו (akhapperah fanav), ‘ik zal zijn gezicht verzoenen’: kaphar, ‘bedekken, verzoenen’ (zie 6:14).
ישׂא פני (yissa fanai), ‘hij zal mijn gezicht opheffen’: ‘mij gunstig ontvangen’ (zie 19:21).
26Toen de man zag dat hij hem niet kon overmeesteren, raakte hij het gewricht van Jakobs heup aan. Het gewricht van Jakobs heup raakte ontwricht terwijl hij met hem worstelde.
וַיַּ֗רְא
(vayar)
en hij zag
כִּ֣י
(ki)
dat
לֹ֤א
(lo)
niet
יָכֹל֙
(yakhol)
hij kon
ל֔וֹ
(lo)
hem
וַיִּגַּ֖ע
(vayiga)
en hij raakte aan
בְּכַף
(bekhaf)
in holte van
יְרֵכ֑וֹ
(yerekho)
zijn heup
וַתֵּ֨קַע֙
(vateqa)
en ze werd ontwricht
כַּף
(kaf)
holte van
יֶ֣רֶךְ
(yerekh)
heup van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
בְּהֵֽאָבְק֖וֹ
(beheaveqo)
in zijn worstelen
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בכף ירכו (bechaf yerekho), ‘aan het gewricht van zijn heup’: de heupkom.
33Daarom eten de Israëlieten tot op de dag van vandaag de heuppees niet die op het heupgewricht zit. Want hij raakte Jakobs heupgewricht aan bij de heuppees.
עַל
(al)
op
כֵּ֡ן
(ken)
zo
לֹֽא
(lo)
niet
יֹאכְל֨וּ
(yokhlu)
ze eten
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
גִּ֣יד
(gid)
pees van
הַנָּשֶׁ֗ה
(hanashe)
de nasheh
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
עַל
(al)
op
כַּ֣ף
(kaf)
holte van
הַיָּרֵ֔ךְ
(hayarekh)
de heup
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
כִּ֤י
(ki)
want
נָגַע֙
(naga)
hij raakte aan
בְּכַף
(bekhaf)
in holte van
יֶ֣רֶךְ
(yerekh)
heup van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
בְּגִ֖יד
(begid)
in pees van
הַנָּשֶֽׁה
(hanashe)
de nasheh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גיד הנשׁה (gid hanasheh), ‘de heuppees’: een pees of zenuw bij de heup.