Elohim Bijbel

Genesis 32

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Jakob en Ezau; de worsteling bij de Jabbok

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het afscheid van Laban

1Laban stond 's morgens vroeg op, kuste zijn kleinkinderen en zijn dochters en zegende hen. Daarna ging Laban weg en keerde terug naar zijn plaats.
וַיַּשְׁכֵּ֨ם
(vayashkem)
en hij stond vroeg op
לָבָ֜ן
(lavan)
Laban
בַּבֹּ֗קֶר
(baboqer)
in de ochtend
וַיְנַשֵּׁ֧ק
(vaynasheq)
en hij kuste
לְבָנָ֛יו
(levanav)
zijn zonen
וְלִבְנוֹתָ֖יו
(velivnotav)
en zijn dochters
וַיְבָ֣רֶךְ
(vayvarekh)
en hij zegende
אֶתְהֶ֑ם
(ethem)
hen
וַיֵּ֛לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
וַיָּ֥שָׁב
(vayashav)
en hij keerde terug
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
לִמְקֹמֽוֹ
(limqomo)
naar zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויברך אתהם (vayevarekh otam), ‘hij zegende hen’.

Aanvullend

Jasher 31:53 zegt dat Laban vroeg opstond, met zijn dochters weende en hen kuste.

2Jakob ging verder op zijn weg, en boodschappers van Elohim ontmoetten hem.
וְיַעֲקֹ֖ב
(veyaaqov)
en Jakob
הָלַ֣ךְ
(halakh)
ging
לְדַרְכּ֑וֹ
(ledarko)
op zijn weg
וַיִּפְגְּעוּ
(vayifgeu)
en ze ontmoetten
ב֖וֹ
(bo)
hem
מַלְאֲכֵ֥י
(malakhei)
boodschappers van
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מלאכי אלהים (mal’akhei Elohim), ‘boodschappers van Elohim’: hetzelfde woord mal’akh betekent ‘boodschapper’ en ‘engel’ (zie 16:7; 28:12).

3Toen Jakob hen zag, zei hij: „Dit is het kamp van Elohim.” Hij noemde die plaats Machanajim.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
toen
רָאָ֔ם
(raam)
hij zag ze
מַחֲנֵ֥ה
(machane)
kamp van
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
זֶ֑ה
(ze)
dit
וַיִּקְרָ֛א
(vayiqra)
en hij noemde
שֵֽׁם
(shem)
naam van
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַה֖וּא
(hahu)
die
מַֽחֲנָֽיִם
(machanayim)
Machanajim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מחנים (Machanayim), ‘Machanajim’: ‘twee kampen’.

Aanvullend

Jasher 31:72 zegt dat Jakob de plaats zo noemde toen hij de mannen van Isaak ontmoette.

Jakob stuurt boodschappers naar Ezau

4Jakob stuurde boodschappers voor zich uit naar zijn broer Ezau, naar het land Seïr, het veld van Edom.
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en hij zond
יַעֲקֹ֤ב
(yaaqov)
Jakob
מַלְאָכִים֙
(malakhim)
boodschappers
לְפָנָ֔יו
(lefanav)
voor zich uit
אֶל
(el)
naar
עֵשָׂ֖ו
(esav)
Ezau
אָחִ֑יו
(achiv)
zijn broer
אַ֥רְצָה
(artsa)
naar het land
שֵׂעִ֖יר
(seir)
Seïr
שְׂדֵ֥ה
(sede)
veld van
אֱדֽוֹם
(edom)
Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

ארצה שׂעיר שׂדה אדום (artsah Se’ir sedeh Edom), ‘naar het land Seïr, het veld van Edom’: Edom is Ezau (zie 25:30; 36:8).

Seïr ligt in het bergland ten zuiden van de Dode Zee, ruim 200 km hemelsbreed van de Jabbok.

Aanvullend

Jubileeën 29:18 zegt dat Ezau al op het gebergte Seïr woonde.

5Hij droeg hun op: „Zo zullen jullie zeggen tegen mijn heer Ezau: ‘Zo zegt uw dienaar Jakob: Ik heb als vreemdeling bij Laban gewoond en ben daar tot nu toe gebleven.
וַיְצַ֤ו
(vaytsav)
en hij gebood
אֹתָם֙
(otam)
hen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
כֹּ֣ה
(ko)
zo
תֹאמְר֔וּן
(tomrun)
jullie zullen zeggen
לַֽאדֹנִ֖י
(ladoni)
aan mijn heer
לְעֵשָׂ֑ו
(leesav)
aan Ezau
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
עַבְדְּךָ֣
(avdekha)
uw dienaar
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
עִם
(im)
met
לָבָ֣ן
(lavan)
Laban
גַּ֔רְתִּי
(garti)
ik heb als vreemdeling gewoond
וָאֵחַ֖ר
(vaechar)
en ik bleef
עַד
(ad)
tot
עָֽתָּה
(ata)
nu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עם לבן גרתי (im Lavan garti), ‘ik heb als vreemdeling bij Laban gewoond’: van ger, ‘vreemdeling’.

לאדני (ladoni), ‘mijn heer’: hier een beleefde aanspreking van Ezau, niet van Elohim.

Aanvullend

Jasher 32:2–6 geeft dezelfde boodschap.

6Ik heb ossen, ezels, kleinvee, dienaren en dienaressen. Ik stuur dit bericht aan mijn heer om gunst in uw ogen te vinden.’”
וַֽיְהִי
(vayhi)
en er is
לִי֙
(li)
voor mij
שׁ֣וֹר
(shor)
rund
וַחֲמ֔וֹר
(vachamor)
en ezel
צֹ֖אן
(tson)
kleinvee
וְעֶ֣בֶד
(veeved)
en dienaar
וְשִׁפְחָ֑ה
(veshifcha)
en dienares
וָֽאֶשְׁלְחָה֙
(vaeshlecha)
en ik stuur
לְהַגִּ֣יד
(lehagid)
om te vertellen
לַֽאדֹנִ֔י
(ladoni)
aan mijn heer
לִמְצֹא
(limtso)
om te vinden
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶֽיךָ
(beeineikha)
in je ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7De boodschappers kwamen terug bij Jakob en zeiden: „We zijn bij je broer Ezau geweest. Hij komt je ook tegemoet, met vierhonderd man.”
וַיָּשֻׁ֨בוּ֙
(vayashuvu)
en ze keerden terug
הַמַּלְאָכִ֔ים
(hamalakhim)
de boodschappers
אֶֽל
(el)
tot
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
בָּ֤אנוּ
(banu)
we kwamen
אֶל
(el)
naar
אָחִ֨יךָ֙
(achikha)
je broer
אֶל
(el)
naar
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
וְגַם֙
(vegam)
en ook
הֹלֵ֣ךְ
(holekh)
hij gaat
לִקְרָֽאתְךָ֔
(liqratkha)
je tegemoet
וְאַרְבַּע
(vearba)
en vier
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
אִ֖ישׁ
(ish)
man
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וארבע מאות אישׁ עמו (ve’arba me’ot ish immo), ‘vierhonderd man met hem’.

Aanvullend

Jasher 32:7, 13 zegt dat Ezau met vierhonderd man tegen Jakob optrok.

8Jakob werd erg bang en voelde zich benauwd. Hij verdeelde het volk dat bij hem was, en het kleinvee, het rundvee en de kamelen, in twee kampen.
וַיִּירָ֧א
(vayira)
en hij vreesde
יַעֲקֹ֛ב
(yaaqov)
Jakob
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
וַיֵּ֣צֶר
(vayetser)
en hij werd benauwd
ל֑וֹ
(lo)
aan hem
וַיַּ֜חַץ
(vayachats)
en hij verdeelde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אִתּ֗וֹ
(ito)
met hem
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַצֹּ֧אן
(hatson)
het kleinvee
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַבָּקָ֛ר
(habaqar)
het rundvee
וְהַגְּמַלִּ֖ים
(vehagemalim)
en de kamelen
לִשְׁנֵ֥י
(lishnei)
in twee
מַחֲנֽוֹת
(machanot)
kampen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Hij zei: „Als Ezau naar het ene kamp komt en het verslaat, dan zal het kamp dat overblijft kunnen ontsnappen.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אִם
(im)
als
יָב֥וֹא
(yavo)
hij komt
עֵשָׂ֛ו
(esav)
Ezau
אֶל
(el)
naar
הַמַּחֲנֶ֥ה
(hamachane)
het kamp
הָאַחַ֖ת
(haachat)
het ene
וְהִכָּ֑הוּ
(vehikahu)
en hij slaat het
וְהָיָ֛ה
(vehaya)
en het zal zijn
הַמַּחֲנֶ֥ה
(hamachane)
het kamp
הַנִּשְׁאָ֖ר
(hanishar)
dat overblijft
לִפְלֵיטָֽה
(lifleita)
tot ontkoming
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Jakob zei: „Elohim van mijn vader Abraham en Elohim van mijn vader Isaak, Yahweh, U hebt tegen mij gezegd: ‘Keer terug naar je land en naar je geboorteland, en Ik zal het je goed doen.’
וַיֹּאמֶר֮
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹב֒
(yaaqov)
Jakob
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
Elohim van
אָבִ֣י
(avi)
mijn vader
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
וֵאלֹהֵ֖י
(velohei)
en Elohim van
אָבִ֣י
(avi)
mijn vader
יִצְחָ֑ק
(yitschaq)
Isaak
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
הָאֹמֵ֣ר
(haomer)
die zei
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
שׁ֧וּב
(shuv)
keer terug
לְאַרְצְךָ֛
(leartsekha)
naar je land
וּלְמוֹלַדְתְּךָ֖
(ulemoladtekha)
en naar je geboorteland
וְאֵיטִ֥יבָה
(veeitiva)
en Ik zal het goed maken
עִמָּֽךְ
(imakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אלהי אבי אברהם ואלהי אבי יצחק יהוה (Elohei avi Avraham ve’Elohei avi Yitschaq YHWH), ‘Elohim van mijn vader Abraham en Elohim van mijn vader Isaak, Yahweh’: Jakob roept God aan met de namen van zijn vaderen.

שׁוב לארצך ולמולדתך ואיטיבה עמך (shuv le’artsekha ulemoladtekha ve’etivah immakh), ‘keer terug naar je land en naar je geboorteland, en Ik zal het je goed doen’: zie 31:3.

Aanvullend

Jasher 32:16–23 geeft Jakobs gebed.

11Ik ben te gering voor alle daden van trouw en voor alle betrouwbaarheid die U aan Uw dienaar hebt bewezen. Want met alleen mijn staf stak ik deze Jordaan over, en nu ben ik tot twee kampen geworden.
קָטֹ֜נְתִּי
(qatonti)
ik ben te klein
מִכֹּ֤ל
(mikol)
van alle
הַחֲסָדִים֙
(hachasadim)
de daden van trouw
וּמִכָּל
(umikal)
en van alle
הָ֣אֱמֶ֔ת
(haemet)
de betrouwbaarheid
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשִׂ֖יתָ
(asita)
U hebt gedaan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עַבְדֶּ֑ךָ
(avdekha)
Uw dienaar
כִּ֣י
(ki)
want
בְמַקְלִ֗י
(bemaqli)
met mijn staf
עָבַ֨רְתִּי֙
(avarti)
ik stak over
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַיַּרְדֵּ֣ן
(hayarden)
de Jordaan
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וְעַתָּ֥ה
(veata)
en nu
הָיִ֖יתִי
(hayiti)
ik ben geworden
לִשְׁנֵ֥י
(lishnei)
tot twee
מַחֲנֽוֹת
(machanot)
kampen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

החסדים (hachasadim), ‘de daden van trouw’: chesed, ‘trouw’.

האמת (ha’emet), ‘de betrouwbaarheid’: zie 24:27.

לשׁני מחנות (lishnei machanot), ‘tot twee kampen’: de woorden klinken als Machanajim (vers 3).

12Red mij toch uit de hand van mijn broer, uit de hand van Ezau, want ik ben bang voor hem. Straks komt hij en slaat hij mij neer, de moeder met de kinderen.
הַצִּילֵ֥נִי
(hatsileni)
red mij
נָ֛א
(na)
alsjeblieft
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
אָחִ֖י
(achi)
mijn broer
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
עֵשָׂ֑ו
(esav)
Ezau
כִּֽי
(ki)
want
יָרֵ֤א
(yare)
bang
אָנֹכִי֙
(anokhi)
ik
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
פֶּן
(pen)
opdat niet
יָב֣וֹא
(yavo)
hij komt
וְהִכַּ֔נִי
(vehikani)
en hij slaat mij
אֵ֖ם
(em)
moeder
עַל
(al)
met
בָּנִֽים
(banim)
kinderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

והכני אם על בנים (vehikkani em al banim), ‘hij slaat mij neer, de moeder met de kinderen’: letterlijk ‘moeder over kinderen’, een uitdrukking voor volledige vernietiging (zie Hos. 10:14).

13U hebt gezegd: ‘Ik zal het je zeker goed doen en Ik zal je nageslacht maken als het zand van de zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden.’”
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
אָמַ֔רְתָּ
(amarta)
je hebt gezegd
הֵיטֵ֥ב
(heitev)
goed
אֵיטִ֖יב
(eitiv)
Ik zal goed maken
עִמָּ֑ךְ
(imakh)
met je
וְשַׂמְתִּ֤י
(vesamti)
en Ik zal zetten
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
זַרְעֲךָ֙
(zarakha)
je nageslacht
כְּח֣וֹל
(kechol)
als zand van
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
יִסָּפֵ֖ר
(yisafer)
het wordt geteld
מֵרֹֽב
(merov)
van menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כחול הים (kechol hayam), ‘als het zand van de zee’: zie 22:17; vergelijk 28:14 (‘als het stof van de aarde’).

Het geschenk voor Ezau

14Hij overnachtte daar. Van wat hij bij zich had, nam hij een geschenk voor zijn broer Ezau:
וַיָּ֥לֶן
(vayalen)
en hij overnachtte
שָׁ֖ם
(sham)
daar
בַּלַּ֣יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַה֑וּא
(hahu)
die
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en hij nam
מִן
(min)
van
הַבָּ֧א
(haba)
wat gekomen was
בְיָד֛וֹ
(beyado)
in zijn hand
מִנְחָ֖ה
(mincha)
geschenk
לְעֵשָׂ֥ו
(leesav)
voor Ezau
אָחִֽיו
(achiv)
zijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מנחה (minchah), ‘geschenk’: hetzelfde woord als voor het graanoffer.

Aanvullend

Jasher 32:41–43 noemt het geschenk uit de kudden van Jakob.

15tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen,
עִזִּ֣ים
(izim)
geiten
מָאתַ֔יִם
(matayim)
tweehonderd
וּתְיָשִׁ֖ים
(uteyashim)
en bokken
עֶשְׂרִ֑ים
(esrim)
twintig
רְחֵלִ֥ים
(rechelim)
ooien
מָאתַ֖יִם
(matayim)
tweehonderd
וְאֵילִ֥ים
(veeilim)
en rammen
עֶשְׂרִֽים
(esrim)
twintig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16dertig zogende kamelen met hun jongen, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezels.
גְּמַלִּ֧ים
(gemalim)
kamelen
מֵינִיק֛וֹת
(meiniqot)
zogende
וּבְנֵיהֶ֖ם
(uveneihem)
en hun jongen
שְׁלֹשִׁ֑ים
(sheloshim)
dertig
פָּר֤וֹת
(parot)
koeien
אַרְבָּעִים֙
(arbaim)
veertig
וּפָרִ֣ים
(ufarim)
en stieren
עֲשָׂרָ֔ה
(asara)
tien
אֲתֹנֹ֣ת
(atonot)
ezelinnen
עֶשְׂרִ֔ים
(esrim)
twintig
וַעְיָרִ֖ם
(vayarim)
en ezels
עֲשָׂרָֽה
(asara)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מיניקות (meniqot), ‘zogende’: kamelinnen met jongen.

Samen zijn de dieren in vers 15–16 550 stuks.

Aanvullend

Jasher 32:42 noemt andere aantallen.

17Hij gaf ze in de hand van zijn dienaren, elke kudde apart, en zei tegen zijn dienaren: „Ga voor mij uit en laat ruimte tussen de ene kudde en de andere.”
וַיִּתֵּן֙
(vayiten)
en hij gaf
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
עֲבָדָ֔יו
(avadav)
zijn dienaren
עֵ֥דֶר
(eder)
kudde
עֵ֖דֶר
(eder)
kudde
לְבַדּ֑וֹ
(levado)
apart
וַ֤יֹּאמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
עִבְר֣וּ
(ivru)
gaat over
לְפָנַ֔י
(lefanay)
voor mij
וְרֶ֣וַח
(verevach)
en ruimte
תָּשִׂ֔ימוּ
(tasimu)
jullie zullen zetten
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
עֵ֖דֶר
(eder)
kudde
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
עֵֽדֶר
(eder)
kudde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookGen 33:3
18Hij droeg de eerste op: „Als mijn broer Ezau je ontmoet en je vraagt: ‘Van wie ben je, waar ga je heen, en van wie zijn deze dieren voor je?’
וַיְצַ֥ו
(vaytsav)
en hij gebood
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָרִאשׁ֖וֹן
(harishon)
de eerste
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
כִּ֣י
(ki)
wanneer
יִֽפְגָּשְׁךָ֞
(yifgashekha)
hij ontmoet je
עֵשָׂ֣ו
(esav)
Ezau
אָחִ֗י
(achi)
mijn broer
וִשְׁאֵֽלְךָ֙
(vishelekha)
en hij vraagt je
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
לְמִי
(lemi)
van wie
אַ֨תָּה֙
(ata)
jij
וְאָ֣נָה
(veana)
en waarheen
תֵלֵ֔ךְ
(telekh)
je gaat
וּלְמִ֖י
(ulemi)
en van wie
אֵ֥לֶּה
(ele)
deze
לְפָנֶֽיךָ
(lefaneikha)
voor je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19dan zeg je: ‘Ze zijn van uw dienaar Jakob. Het is een geschenk, gestuurd aan mijn heer Ezau. En zie, hijzelf komt ook achter ons aan.’”
וְאָֽמַרְתָּ֙
(veamarta)
en je zult zeggen
לְעַבְדְּךָ֣
(leavdekha)
aan uw dienaar
לְיַעֲקֹ֔ב
(leyaaqov)
aan Jakob
מִנְחָ֥ה
(mincha)
geschenk
הִוא֙
(hi)
het
שְׁלוּחָ֔ה
(shelucha)
gestuurd
לַֽאדֹנִ֖י
(ladoni)
aan mijn heer
לְעֵשָׂ֑ו
(leesav)
aan Ezau
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
גַם
(gam)
ook
ה֖וּא
(hu)
hij
אַחֲרֵֽינוּ
(achareinu)
achter ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Ook de tweede, de derde en allen die achter de kudden aan gingen, gaf hij dezelfde opdracht: „Zo moeten jullie tegen Ezau spreken wanneer jullie hem vinden.
וַיְצַ֞ו
(vaytsav)
en hij gebood
גַּ֣ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַשֵּׁנִ֗י
(hasheni)
de tweede
גַּ֚ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַשְּׁלִישִׁ֔י
(hashelishi)
de derde
גַּ֚ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
הַהֹ֣לְכִ֔ים
(haholekhim)
die gaan
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
הָעֲדָרִ֖ים
(haadarim)
de kudden
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
כַּדָּבָ֤ר
(kadavar)
volgens woord
הַזֶּה֙
(haze)
dit
תְּדַבְּר֣וּן
(tedaberun)
jullie zullen spreken
אֶל
(el)
tot
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
בְּמֹצַאֲכֶ֖ם
(bemotsaakhem)
wanneer jullie vinden
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Jullie zeggen ook: ‘Zie, uw dienaar Jakob komt achter ons aan.’” Want hij dacht: „Ik zal zijn gezicht verzoenen met het geschenk dat voor mij uit gaat. Daarna zal ik zijn gezicht zien. Misschien neemt hij mij gunstig op.”
וַאֲמַרְתֶּ֕ם
(vaamartem)
en jullie zullen zeggen
גַּ֗ם
(gam)
ook
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
עַבְדְּךָ֥
(avdekha)
uw dienaar
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
אַחֲרֵ֑ינוּ
(achareinu)
achter ons
כִּֽי
(ki)
want
אָמַ֞ר
(amar)
hij zei
אֲכַפְּרָ֣ה
(akhapera)
ik zal verzoenen
פָנָ֗יו
(panav)
zijn gezicht
בַּמִּנְחָה֙
(bamincha)
met het geschenk
הַהֹלֶ֣כֶת
(haholekhet)
die gaat
לְפָנָ֔י
(lefanay)
voor mij
וְאַחֲרֵי
(veacharei)
en na
כֵן֙
(ken)
dit
אֶרְאֶ֣ה
(ere)
ik zal zien
פָנָ֔יו
(panav)
zijn gezicht
אוּלַ֖י
(ulay)
misschien
יִשָּׂ֥א
(yisa)
hij zal opheffen
פָנָֽי
(panay)
mijn gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אכפרה פניו (akhapperah fanav), ‘ik zal zijn gezicht verzoenen’: kaphar, ‘bedekken, verzoenen’ (zie 6:14).

ישׂא פני (yissa fanai), ‘hij zal mijn gezicht opheffen’: ‘mij gunstig ontvangen’ (zie 19:21).

22Het geschenk ging voor hem uit, en hij zelf overnachtte die nacht in het kamp.
וַתַּעֲבֹ֥ר
(vataavor)
en het ging over
הַמִּנְחָ֖ה
(hamincha)
het geschenk
עַל
(al)
op
פָּנָ֑יו
(panav)
zijn gezicht
וְה֛וּא
(vehu)
en hij
לָ֥ן
(lan)
overnachtte
בַּלַּֽיְלָה
(balayla)
in de nacht
הַה֖וּא
(hahu)
die
בַּֽמַּחֲנֶֽה
(bamachane)
in het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De worsteling bij de Jabbok

23In die nacht stond hij op. Hij nam zijn twee vrouwen, zijn twee dienaressen en zijn elf kinderen en stak de doorwaadbare plaats van de Jabbok over.
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en hij stond op
בַּלַּ֣יְלָה
(balayla)
in de nacht
ה֗וּא
(hu)
die
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁתֵּ֤י
(shetei)
twee
נָשָׁיו֙
(nashav)
zijn vrouwen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
שִׁפְחֹתָ֔יו
(shifchotav)
zijn dienaressen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אַחַ֥ד
(achad)
een
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
יְלָדָ֑יו
(yeladav)
zijn kinderen
וַֽיַּעֲבֹ֔ר
(vayaavor)
en hij stak over
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
מַעֲבַ֥ר
(maavar)
doorwaadbare plaats van
יַבֹּֽק
(yaboq)
Jabbok
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jabbok: De Jabbok is een zijrivier van de Jordaan, ten oosten van de rivier.

Uitleg

אחד עשׂר ילדיו (achad asar yeladav), ‘elf kinderen’: de elf zonen; Dina wordt hier niet apart genoemd (zie 30:21).

Aanvullend

Jasher 32:53 zegt dat Jakob Dina in een kist verborg.

24Hij nam hen en liet hen de beek oversteken, en hij liet ook alles wat hij had overgaan.
וַיִּקָּחֵ֔ם
(vayiqachem)
en hij nam hen
וַיַּֽעֲבִרֵ֖ם
(vayaavirem)
en hij liet hen oversteken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַנָּ֑חַל
(hanachal)
de beek
וַֽיַּעֲבֵ֖ר
(vayaaver)
en hij liet oversteken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לוֹ
(lo)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Jakob bleef alleen achter. Toen worstelde een man met hem tot het opkomen van de dageraad.
וַיִּוָּתֵ֥ר
(vayivater)
en hij bleef over
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
לְבַדּ֑וֹ
(levado)
alleen
וַיֵּאָבֵ֥ק
(vayeaveq)
en hij worstelde
אִישׁ֙
(ish)
man
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
עַ֖ד
(ad)
tot
עֲל֥וֹת
(alot)
het opkomen van
הַשָּֽׁחַר
(hashachar)
de dageraad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויאבק אישׁ עמו (vayye’avek ish immo), ‘een man worstelde met hem’: het woord klinkt als Yabboq, ‘Jabbok’, en als Ya’aqov, ‘Jakob’.

Aanvullend

Jasher 32:48 zegt dat een man Jakob ontmoette en met hem worstelde tot het aanbreken van de dag (zie ook Hos. 12:4–5).

26Toen de man zag dat hij hem niet kon overmeesteren, raakte hij het gewricht van Jakobs heup aan. Het gewricht van Jakobs heup raakte ontwricht terwijl hij met hem worstelde.
וַיַּ֗רְא
(vayar)
en hij zag
כִּ֣י
(ki)
dat
לֹ֤א
(lo)
niet
יָכֹל֙
(yakhol)
hij kon
ל֔וֹ
(lo)
hem
וַיִּגַּ֖ע
(vayiga)
en hij raakte aan
בְּכַף
(bekhaf)
in holte van
יְרֵכ֑וֹ
(yerekho)
zijn heup
וַתֵּ֨קַע֙
(vateqa)
en ze werd ontwricht
כַּף
(kaf)
holte van
יֶ֣רֶךְ
(yerekh)
heup van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
בְּהֵֽאָבְק֖וֹ
(beheaveqo)
in zijn worstelen
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בכף ירכו (bechaf yerekho), ‘aan het gewricht van zijn heup’: de heupkom.

27Hij zei: „Laat mij gaan, want de dageraad is aangebroken.” Jakob zei: „Ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
שַׁלְּחֵ֔נִי
(shalecheni)
laat mij gaan
כִּ֥י
(ki)
want
עָלָ֖ה
(ala)
is opgekomen
הַשָּׁ֑חַר
(hashachar)
de dageraad
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
אֲשַֽׁלֵּחֲךָ֔
(ashalechakha)
ik laat je gaan
כִּ֖י
(ki)
want
אִם
(im)
tenzij
בֵּרַכְתָּֽנִי
(berakhtani)
je mij hebt gezegend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אם ברכתני (im berakhtani), ‘tenzij U mij zegent’.

Aanvullend

Jasher 32:49 zegt dat de man Jakob verliet en hem zegende.

Zie ookJas 32:49
28Hij zei tegen hem: „Wat is je naam?” Hij zei: „Jakob.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
מַה
(ma)
wat
שְּׁמֶ֑ךָ
(shemekha)
je naam
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מה שׁמך (mah shemekha), ‘wat is je naam?’: Jakob moet zijn naam noemen, die ‘hielgrijper’ en ‘bedrieger’ betekent (zie 25:26; 27:36).

29Hij zei: „Je naam zal niet meer Jakob heten, maar Israël, want je hebt gestreden met Elohim en met mensen, en je hebt overwonnen.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לֹ֤א
(lo)
niet
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
יֵאָמֵ֥ר
(yeamer)
hij zal gezegd worden
עוֹד֙
(od)
meer
שִׁמְךָ֔
(shimkha)
je naam
כִּ֖י
(ki)
want
אִם
(im)
tenzij
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כִּֽי
(ki)
want
שָׂרִ֧יתָ
(sarita)
je hebt gestreden
עִם
(im)
met
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
וְעִם
(veim)
en met
אֲנָשִׁ֖ים
(anashim)
mensen
וַתּוּכָֽל
(vatukhal)
en je hebt overwonnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ישׂראל (Yisra’el), ‘Israël’: ‘hij strijdt met Elohim’ (van sarah, ‘strijden’).

שׂרית עם אלהים (sarita im Elohim), ‘je hebt gestreden met Elohim’: zie 35:10 en Hos. 12:4–5.

30Jakob vroeg: „Zeg mij toch Uw naam.” Hij zei: „Waarom vraag je naar mijn naam?” En Hij zegende hem daar.
וַיִּשְׁאַ֣ל
(vayishal)
en hij vroeg
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
הַגִּֽידָה
(hagida)
vertel
נָּ֣א
(na)
alsjeblieft
שְׁמֶ֔ךָ
(shemekha)
je naam
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
זֶּ֖ה
(ze)
dit
תִּשְׁאַ֣ל
(tishal)
je vraagt
לִשְׁמִ֑י
(lishmi)
naar mijn naam
וַיְבָ֥רֶךְ
(vayvarekh)
en Hij zegende
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

למה זה תשׁאל לשׁמי (lamah zeh tish’al lishmi), ‘waarom vraag je naar mijn naam?’: de man noemt zijn naam niet (zie Richteren 13:17–18).

31Jakob noemde die plaats Peniël: „Want ik heb Elohim gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn leven is gered.”
וַיִּקְרָ֧א
(vayiqra)
en hij noemde
יַעֲקֹ֛ב
(yaaqov)
Jakob
שֵׁ֥ם
(shem)
naam van
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
פְּנִיאֵ֑ל
(peniel)
Peniël
כִּֽי
(ki)
want
רָאִ֤יתִי
(raiti)
ik heb gezien
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
פָּנִ֣ים
(panim)
gezicht
אֶל
(el)
naar
פָּנִ֔ים
(panim)
gezicht
וַתִּנָּצֵ֖ל
(vatinatsel)
en ze werd gered
נַפְשִֽׁי
(nafshi)
mijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

פניאל (Peniel), ‘Peniël’: ‘gezicht van El’.

Peniël lag aan de Jabbok, waarschijnlijk bij de heuvels Tulul edh-Dhahab, ongeveer 60 km ten noordoosten van Jeruzalem; de precieze plek is onzeker.

Uitleg

ראיתי אלהים פנים אל פנים (ra’iti Elohim panim el panim), ‘ik heb Elohim gezien van aangezicht tot aangezicht’: zie Ex. 33:11; Deut. 5:4.

32De zon ging voor hem op toen hij Penuël voorbij was, en hij hinkte aan zijn heup.
וַיִּֽזְרַֽח
(vayizrach)
en ze scheen
ל֣וֹ
(lo)
over hem
הַשֶּׁ֔מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
toen
עָבַ֖ר
(avar)
hij trok voorbij
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פְּנוּאֵ֑ל
(penuel)
Penuël
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
צֹלֵ֖עַ
(tsolea)
hinkend
עַל
(al)
op
יְרֵכֽוֹ
(yerekho)
zijn heup
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Peniël: De ligging van Peniël is niet zeker; de plaats lag bij de Jabbok.

Uitleg

פנואל (Penu’el), ‘Penuël’: dezelfde plaats als Peniël in vers 31.

צלע (tsole’a), ‘hinkend’.

33Daarom eten de Israëlieten tot op de dag van vandaag de heuppees niet die op het heupgewricht zit. Want hij raakte Jakobs heupgewricht aan bij de heuppees.
עַל
(al)
op
כֵּ֡ן
(ken)
zo
לֹֽא
(lo)
niet
יֹאכְל֨וּ
(yokhlu)
ze eten
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
גִּ֣יד
(gid)
pees van
הַנָּשֶׁ֗ה
(hanashe)
de nasheh
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
עַל
(al)
op
כַּ֣ף
(kaf)
holte van
הַיָּרֵ֔ךְ
(hayarekh)
de heup
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
כִּ֤י
(ki)
want
נָגַע֙
(naga)
hij raakte aan
בְּכַף
(bekhaf)
in holte van
יֶ֣רֶךְ
(yerekh)
heup van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
בְּגִ֖יד
(begid)
in pees van
הַנָּשֶֽׁה
(hanashe)
de nasheh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גיד הנשׁה (gid hanasheh), ‘de heuppees’: een pees of zenuw bij de heup.

Deze gewoonte wordt alleen hier genoemd.