Elohim Bijbel

Zacharia 13

1234567891011121314

Een bron tegen zonde, het einde van de valse profeten, de geslagen herder en het gezuiverde derde deel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Een bron geopend tegen zonde en onreinheid

1Op die dag zal er een bron geopend zijn voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem, voor zonde en onreinheid.
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
יִֽהְיֶה֙
(yihye)
zal zijn
מָק֣וֹר
(maqor)
bron
נִפְתָּ֔ח
(niftach)
geopend
לְבֵ֥ית
(leveit)
voor huis van
דָּוִ֖יד
(david)
David
וּלְיֹשְׁבֵ֣י
(uleyoshevei)
en voor bewoners van
יְרֽוּשָׁלִָ֑ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
לְחַטַּ֖את
(lechatat)
voor zonde
וּלְנִדָּֽה
(ulenida)
en voor onreinheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מקור נפתח (maqor niftach), ‘een geopende bron’: een bron die open staat, zodat men eruit kan putten en zich kan reinigen.

לחטאת (lechatta’t), ‘voor zonde’, en ולנדה (ulenniddah), ‘en voor onreinheid’: het Hebreeuws zegt alleen ‘voor’.

De bron dient tot reiniging van beide.

נִדָּה (niddah) is de onreinheid van de maandelijkse bloeding (Lev. 15:19–24) en daarna iedere afschuwelijke onreinheid (Ezech. 36:17). Het ‘reinigingswater’ van Num. 19 draagt ditzelfde woord.

Het einde van afgodsbeelden en valse profeten

2Op die dag, godsspraak van Yahweh van de legermachten, zal Ik de namen van de afgodsbeelden uit het land uitroeien. Ze zullen niet meer genoemd worden. Ook de profeten en de geest van onreinheid zal Ik uit het land wegdoen.
וְהָיָה֩
(vehaya)
en het zal zijn
בַיּ֨וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֜וּא
(hahu)
die
נְאֻ֣ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֗וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אַכְרִ֞ית
(akhrit)
Ik zal uitroeien
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֤וֹת
(shemot)
namen van
הָֽעֲצַבִּים֙
(haatsabim)
de afgodsbeelden
מִן
(min)
uit
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִזָּכְר֖וּ
(yizakheru)
zullen genoemd worden
ע֑וֹד
(od)
meer
וְגַ֧ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
הַנְּבִיאִ֛ים
(haneviim)
de profeten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
ר֥וּחַ
(ruach)
geest van
הַטֻּמְאָ֖ה
(hatuma)
de onreinheid
אַעֲבִ֥יר
(aavir)
Ik zal verwijderen
מִן
(min)
uit
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

העצבים (ha’atsabbim), ‘de afgodsbeelden’: hetzelfde woord als in Hos. 4:17.

Alleen hun namen worden uitgeroeid, zodat ze niet meer genoemd worden (Exod. 23:13; Hos. 2:19, NL 2:17).

רוח הטמאה (ruach hattum’ah), ‘geest van onreinheid’: een uitdrukking die alleen hier staat. Zij hoort bij de profeten van het begin van het vers.

3Als iemand nog profeteert, zullen zijn vader en zijn moeder, die hem gebaard hebben, tegen hem zeggen: ‘Je zult niet leven. Je hebt leugen gesproken in de naam van Yahweh.’ En zijn vader en zijn moeder, die hem gebaard hebben, zullen hem doorsteken als hij profeteert.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
als
יִנָּבֵ֣א
(yinave)
profeteert
אִישׁ֮
(ish)
man
עוֹד֒
(od)
nog
וְאָמְר֣וּ
(veameru)
en zullen zeggen
אֵ֠לָיו
(elav)
tegen hem
אָבִ֨יו
(aviv)
zijn vader
וְאִמּ֤וֹ
(veimo)
en zijn moeder
יֹֽלְדָיו֙
(yoledav)
zijn verwekkers
לֹ֣א
(lo)
niet
תִֽחְיֶ֔ה
(tichye)
zul je leven
כִּ֛י
(ki)
want
שֶׁ֥קֶר
(sheqer)
leugen
דִּבַּ֖רְתָּ
(dibarta)
je hebt gesproken
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
in de naam van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וּדְקָרֻ֜הוּ
(udeqaruhu)
en zullen hem doorsteken
אָבִ֧יהוּ
(avihu)
zijn vader
וְאִמּ֛וֹ
(veimo)
en zijn moeder
יֹלְדָ֖יו
(yoledav)
zijn verwekkers
בְּהִנָּבְאֽוֹ
(behinaveo)
als hij profeteert
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ודקרהו (udqaruhu), ‘zij zullen hem doorsteken’: het werkwoord daqar staat ook in 12:10.

Hier straffen de ouders zelf hun profeterende kind, naar het gebod van Deut. 13:6–11 (NL 13:5–10) en 18:20.

ילדיו (yoledav), ‘die hem gebaard hebben’: de ouders, letterlijk ‘zijn verwekkers’. Het hele vers is een voorspelling dat de liefde voor Yahweh zwaarder weegt dan de band tussen ouder en kind.

4Op die dag zullen de profeten zich schamen, ieder voor zijn visioen als hij profeteert. Zij zullen geen mantel van haar dragen om te misleiden.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
יֵבֹ֧שׁוּ
(yevoshu)
zullen zich schamen
הַנְּבִיאִ֛ים
(haneviim)
de profeten
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
מֵחֶזְיֹנ֖וֹ
(mechezyono)
voor zijn visioen
בְּהִנָּֽבְאֹת֑וֹ
(behinaveoto)
als hij profeteert
וְלֹ֧א
(velo)
en niet
יִלְבְּשׁ֛וּ
(yilbeshu)
zullen zij dragen
אַדֶּ֥רֶת
(aderet)
mantel van
שֵׂעָ֖ר
(sear)
haar
לְמַ֥עַן
(lemaan)
om
כַּחֵֽשׁ
(kachesh)
te misleiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אדרת שׂער (adderet se’ar), ‘mantel van haar’: een ruige, harige mantel, zoals Elia die droeg (2 Kon. 1:8).

Valse profeten zullen die niet meer dragen om mensen te misleiden.

5Hij zal zeggen: ‘Ik ben geen profeet. Ik ben een man die het land bewerkt, want een mens heeft mij van jongs af gekocht.’
וְאָמַ֕ר
(veamar)
en hij zal zeggen
לֹ֥א
(lo)
niet
נָבִ֖יא
(navi)
profeet
אָנֹ֑כִי
(anokhi)
ik
אִישׁ
(ish)
man
עֹבֵ֤ד
(oved)
die bewerkt
אֲדָמָה֙
(adama)
grond
אָנֹ֔כִי
(anokhi)
ik
כִּ֥י
(ki)
want
אָדָ֖ם
(adam)
mens
הִקְנַ֥נִי
(hiqnani)
heeft mij verworven
מִנְּעוּרָֽי
(mineuray)
van mijn jeugd af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אדם (adam), ‘mens’: ook ‘Adam’ of ‘de man van de adamah, de grond’.

Er is een woordspeling met אדמה (adamah), ‘grond’.

הקנני (hiqnani), ‘heeft mij gekocht’: de vorm is zeldzaam en de betekenis is niet zeker; het kan ook ‘heeft mij als vee gehouden’ betekenen. De man zegt: ik werk voor een ander en ben geen profeet.

6Men zal tegen hem zeggen: ‘Wat zijn die wonden tussen je handen?’ En hij zal zeggen: ‘Ik ben geslagen in het huis van mijn vrienden.’
וְאָמַ֣ר
(veamar)
en men zal zeggen
אֵלָ֔יו
(elav)
tegen hem
מָ֧ה
(ma)
wat
הַמַּכּ֛וֹת
(hamakot)
de wonden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
יָדֶ֑יךָ
(yadeikha)
je handen
וְאָמַ֕ר
(veamar)
en hij zal zeggen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֻכֵּ֖יתִי
(hukeiti)
ik ben geslagen
בֵּ֥ית
(beit)
in het huis van
מְאַהֲבָֽי
(meahavay)
mijn liefhebbers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ידיך (ben yadeikha), ‘tussen je handen’: tussen de armen, dus op de borst of op de rug.

Het kan ook ‘tussen je ogen’ of ‘op je handpalmen’ bedoelen.

Wonden bij profeten ziet men ook in 1 Kon. 20:35–41 en 18:28.

מאהבי (me’ahavai), ‘mijn vrienden’: letterlijk ‘mijn liefhebbers’. In Hos. 2 staat hetzelfde woord voor de minnaars van Israël; hier kan het gaan om vrienden die hem sloegen, of om wie hij volgde in een afgodisch gebruik.

Het zwaard tegen de herder

7Zwaard, ontwaak tegen Mijn herder en tegen de man die Mijn naaste is, godsspraak van Yahweh van de legermachten. Sla de herder, dan worden de schapen verstrooid. Ik zal Mijn hand keren tegen de kleinen.
חֶ֗רֶב
(cherev)
zwaard
עוּרִ֤י
(uri)
word wakker
עַל
(al)
tegen
רֹעִי֙
(roi)
Mijn herder
וְעַל
(veal)
en tegen
גֶּ֣בֶר
(gever)
man
עֲמִיתִ֔י
(amiti)
Mijn naaste
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
הַ֤ךְ
(hakh)
sla
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽרֹעֶה֙
(haroe)
de herder
וּתְפוּצֶ֣יןָ
(utefutseina)
en worden verstrooid
הַצֹּ֔אן
(hatson)
de schapen
וַהֲשִׁבֹתִ֥י
(vahashivoti)
en Ik zal keren
יָדִ֖י
(yadi)
Mijn hand
עַל
(al)
tegen
הַצֹּעֲרִֽים
(hatsoarim)
de kleinen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רעי (ro’i), ‘Mijn herder’: een leider van Yahweh’s volk; zie Zach. 11:4–17 en 10:2–3.

עמיתי (amiti), ‘Mijn naaste’: amit is een metgezel of naaste (Lev. 5:21, NL 6:2; 18:20).

De man staat Yahweh dichtbij.

הך את הרעה ותפוצין הצאן (hach et haro’eh utefutsena hatso’n), ‘sla de herder, dan worden de schapen verstrooid’: de vorm utefutsena is ongewoon. Zie ook Matt. 26:31 en Mark. 14:27.

הצערים (hatso’arim), ‘de kleinen’: de kleine schapen of de geringen. Het woord is zeldzaam en de betekenis is niet zeker.

Lezing

De Masoretische tekst heeft utefutsena, ‘dan worden de schapen verstrooid’.

Sommige oude vertalingen lezen een gebod: ‘en verstrooi de schapen’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

8In heel het land, godsspraak van Yahweh, zullen twee delen worden uitgeroeid en omkomen. Het derde deel zal erin overblijven.
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het zal zijn
בְכָל
(bekhal)
in heel
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
פִּֽי
(pi)
deel van
שְׁנַ֣יִם
(shenayim)
twee
בָּ֔הּ
(bah)
daarin
יִכָּרְת֖וּ
(yikaretu)
zullen uitgeroeid worden
יִגְוָ֑עוּ
(yigvau)
zullen omkomen
וְהַשְּׁלִשִׁ֖ית
(vehashelishit)
en het derde
יִוָּ֥תֶר
(yivater)
zal overblijven
בָּֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פי שׁנים (pi shenayim), ‘twee delen’: letterlijk ‘een mond van twee’, een dubbel deel (Deut. 21:17).

Samen met ‘het derde’ aan het slot gaat het om twee derde en een derde.

Door het vuur gezuiverd

9Dat derde deel zal Ik door het vuur brengen. Ik zal hen zuiveren zoals zilver gezuiverd wordt en hen toetsen zoals goud getoetst wordt. Hij zal Mijn naam aanroepen en Ik zal hem antwoorden. Ik zal zeggen: ‘Mijn volk is hij.’ En hij zal zeggen: ‘Yahweh is mijn Elohim.’”
וְהֵבֵאתִ֤י
(veheveti)
en Ik zal brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַשְּׁלִשִׁית֙
(hashelishit)
het derde
בָּאֵ֔שׁ
(baesh)
in het vuur
וּצְרַפְתִּים֙
(utseraftim)
en Ik zal hen zuiveren
כִּצְרֹ֣ף
(kitsrof)
zoals het zuiveren van
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֔סֶף
(hakesef)
het zilver
וּבְחַנְתִּ֖ים
(uvechantim)
en Ik zal hen toetsen
כִּבְחֹ֣ן
(kivchon)
zoals het toetsen van
אֶת
(et)
(obj.)
הַזָּהָ֑ב
(hazahav)
het goud
ה֣וּא
(hu)
hij
יִקְרָ֣א
(yiqra)
zal aanroepen
בִשְׁמִ֗י
(bishmi)
in Mijn naam
וַֽאֲנִי֙
(vaani)
en Ik
אֶעֱנֶ֣ה
(eene)
zal antwoorden
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
אָמַ֨רְתִּי֙
(amarti)
Ik zeg
עַמִּ֣י
(ami)
mijn volk
ה֔וּא
(hu)
hij
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
יֹאמַ֖ר
(yomar)
zal zeggen
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָֽי
(elohay)
mijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וצרפתים (utseraftim), ‘Ik zal hen zuiveren’: tsaraf is zilver en goud smelten en zuiveren (Jes. 1:25; Ps. 66:10; Mal. 3:3).

Het vuur zuivert wat blijft.

הוא יקרא בשׁמי (hu yiqra vishmi), ‘hij zal Mijn naam aanroepen’, en יהוה אלהי (Yahweh Elohai), ‘Yahweh is mijn Elohim’: het Hebreeuws staat in het enkelvoud (het derde deel als één persoon). Het is het verbondswoord: ‘Mijn volk’ en ‘mijn Elohim’, zoals Hos. 2:25 (NL 2:23).

Hier eindigt de toespraak van Yahweh die in 12:2 begon.