De dag van Yahweh: strijd om Jeruzalem, Yahweh als koning over heel de aarde en een heilig Jeruzalem
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een dag voor Yahweh
1Zie, er komt een dag voor Yahweh, en je buit wordt in je midden verdeeld.
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
יֽוֹם
(yom)
dag
בָּ֖א
(ba)
komt
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְחֻלַּ֥ק
(vechulaq)
en wordt verdeeld
שְׁלָלֵ֖ךְ
(shelalekh)
je buit
בְּקִרְבֵּֽךְ
(beqirbekh)
in je midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ליהוה (laYahweh), ‘voor Yahweh’: een dag die aan Yahweh toebehoort, zoals ‘de dag van Yahweh’ in Jes. 2:12 en Joël 2:1.
Vanaf dit vers beschrijft de profeet de dag; hij is de spreker.
שׁללך (shelalekh), ‘je buit’: vrouwelijk enkelvoud. Jeruzalem wordt aangesproken: wat zij heeft buitgemaakt, wordt in haar midden verdeeld door de vijand.
2„Ik zal alle volken verzamelen tegen Jeruzalem, voor de oorlog. De stad zal worden ingenomen, de huizen worden geplunderd en de vrouwen verkracht. De helft van de stad zal in ballingschap gaan, maar de rest van het volk zal niet uit de stad worden uitgeroeid.”
וְאָסַפְתִּ֨י
(veasafti)
en Ik zal verzamelen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֥ם
(hagoyim)
volken
אֶֽל
(el)
naar
יְרוּשָׁלִַם֮
(yerushaliam)
Jeruzalem
לַמִּלְחָמָה֒
(lamilchama)
voor de oorlog
וְנִלְכְּדָ֣ה
(venilkeda)
en zal ingenomen worden
הָעִ֗יר
(hair)
de stad
וְנָשַׁ֨סּוּ֙
(venashasu)
en zullen geplunderd worden
הַבָּ֣תִּ֔ים
(habatim)
de huizen
וְהַנָּשִׁ֖ים
(vehanashim)
en de vrouwen
תִּשָּׁכַ֑בְנָה
(tishakhavna)
zullen verkracht worden
וְיָצָ֞א
(veyatsa)
en zal uittrekken
חֲצִ֤י
(chatsi)
helft van
הָעִיר֙
(hair)
de stad
בַּגּוֹלָ֔ה
(bagola)
in ballingschap
וְיֶ֣תֶר
(veyeter)
en de rest van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
לֹ֥א
(lo)
niet
יִכָּרֵ֖ת
(yikaret)
zal uitgeroeid worden
מִן
(min)
uit
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Vanaf hier tot het einde van het vers spreekt Yahweh in de eerste persoon (‘Ik zal verzamelen’).
Dat staat rood.
Vers 3 gaat weer over Hem in de derde persoon en staat zwart.
Dat Yahweh alle volken verzamelt, komt ook voor in Joël 4:2 en 4:12 (NL 3:2 en 3:12; daar voor het gericht in het dal van Josafat).
ויצא חצי העיר בגולה (vayetsa chatsi ha’ir bagolah), ‘de helft van de stad zal in ballingschap gaan’: de stad wordt niet helemaal weggevoerd. Een rest blijft.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat תשגלנה (tishgalnah), een grof woord.
De voorgelezen tekst (qere) is תִּשָּׁכַ֑בְנָה (tishkavnah), ‘zij worden beslapen’.
Wij volgen de qere.
Het werkwoord shakhav betekent ‘liggen met’; in dit oorlogsbeeld gaat het om geweld, daarom vertalen wij ‘verkracht’, zoals in Jes. 13:16.
3Dan zal Yahweh uittrekken en strijden tegen die volken, zoals Hij strijdt op een dag van strijd.
וְיָצָ֣א
(veyatsa)
en zal uittrekken
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנִלְחַ֖ם
(venilcham)
en zal strijden
בַּגּוֹיִ֣ם
(bagoyim)
tegen de volken
הָהֵ֑ם
(hahem)
die
כְּי֥וֹם
(keyom)
zoals de dag van
הִֽלָּחֲמ֖ו
(hilachamv)
Zijn strijden
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
קְרָֽב
(qerav)
strijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כיום הלחמו ביום קרב (keyom hillachamo beyom qerav), ‘zoals Hij strijdt op een dag van strijd’: een verwijzing naar eerdere oorlogen van Yahweh voor Zijn volk, zoals bij de Rietzee (Exod. 14:14; 15:3).
4Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die tegenover Jeruzalem ligt, in het oosten. De Olijfberg zal in tweeën splijten, van oost naar west: een zeer groot dal. De ene helft van de berg wijkt naar het noorden en de andere helft naar het zuiden.
וְעָמְד֣וּ
(veamedu)
en zullen staan
רַגְלָ֣יו
(raglav)
Zijn voeten
בַּיּוֹם
(bayom)
op de dag
הַ֠הוּא
(hahu)
die
עַל
(al)
op
הַ֨ר
(har)
berg van
הַזֵּתִ֜ים
(hazetim)
de olijven
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
עַל
(al)
tegenover
פְּנֵ֥י
(penei)
het gezicht van
יְרוּשָׁלִַם֮
(yerushaliam)
Jeruzalem
מִקֶּדֶם֒
(miqedem)
in het oosten
וְנִבְקַע֩
(venivqa)
en zal splijten
הַ֨ר
(har)
berg van
הַזֵּיתִ֤ים
(hazeitim)
de olijven
מֵֽחֶצְיוֹ֙
(mechetsyo)
in zijn helft
מִזְרָ֣חָה
(mizracha)
oostwaarts
וָיָ֔מָּה
(vayama)
en westwaarts
גֵּ֖יא
(gei)
dal
גְּדוֹלָ֣ה
(gedola)
groot
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וּמָ֨שׁ
(umash)
en zal wijken
חֲצִ֥י
(chatsi)
helft van
הָהָ֛ר
(hahar)
de berg
צָפ֖וֹנָה
(tsafona)
noordwaarts
וְחֶצְיוֹ
(vechetsyo)
en zijn helft
נֶֽגְבָּה
(negba)
zuidwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
הר הזתים (har hazzetim), ‘de Olijfberg’: de berg ten oosten van Jeruzalem, aan de andere kant van het Kidrondal (2 Sam. 15:30).
Dat Yahweh er met Zijn voeten staat, is een menselijk beeld: Hij komt op aarde, zoals in Ezech. 43:7.
וימה גיא גדולה מאד (yammah gai gedolah me’od), ‘westwaarts: een zeer groot dal’: de berg splijt in een oost-westrichting en vormt een dal waardoor men kan vluchten (vers 5).
5Jullie zullen vluchten naar het dal van mijn bergen, want het dal van de bergen reikt tot Atsal. Jullie zullen vluchten zoals jullie vluchtten voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, koning van Juda. Dan zal Yahweh, mijn Elohim, komen, alle heiligen met U.
וְנַסְתֶּ֣ם
(venastem)
en jullie zullen vluchten
גֵּֽיא
(gei)
dal van
הָרַ֗י
(haray)
mijn bergen
כִּֽי
(ki)
want
יַגִּ֣יעַ
(yagia)
reikt
גֵּי
(gei)
dal van
הָרִים֮
(harim)
de bergen
אֶל
(el)
tot
אָצַל֒
(atsal)
Atsal
וְנַסְתֶּ֗ם
(venastem)
en jullie zullen vluchten
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
נַסְתֶּם֙
(nastem)
jullie vluchtten
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor
הָרַ֔עַשׁ
(haraash)
de aardbeving
בִּימֵ֖י
(bimei)
in de dagen van
עֻזִּיָּ֣ה
(uziya)
Uzzia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וּבָא֙
(uva)
en zal komen
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהַ֔י
(elohay)
mijn Elohim
כָּל
(kal)
alle
קְדֹשִׁ֖ים
(qedoshim)
heiligen
עִמָּֽךְ
(imakh)
met U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ונסתם (venastem), ‘jullie zullen vluchten’: de medeklinkers laten ook ‘het dal zal afgesloten worden’ toe (van een ander werkwoord, ‘afsluiten’).
De klinkers geven ‘vluchten’ (nus).
Wij volgen de klinkers.
הרי (harai), ‘mijn bergen’: wie spreekt is niet zeker: Yahweh, zoals in 14:2, of de profeet. Het vers staat zwart. Sommige oude vertalingen lezen ‘de bergen’.
אצל (Atsal): een plaats of streek die we niet kunnen aanwijzen. Het dal van de bergen reikt tot daar.
הרעשׁ (haraash), ‘de aardbeving’: die in de dagen van Uzzia, die ook Amos 1:1 noemt (2 Kron. 26:1–23).
קדשׁים (qedoshim), ‘heiligen’: heilige wezens rondom Yahweh, vaak als engelen gezien (Deut. 33:2). עמך (immakh), ‘met U’: de profeet richt zich ineens tot Yahweh. Sommige oude vertalingen lezen ‘met Hem’.
8Op die dag zal levend water uit Jeruzalem stromen, de ene helft naar de oostelijke zee en de andere helft naar de westelijke zee. In de zomer en in de winter zal het zo zijn.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
יֵצְא֤וּ
(yetseu)
zullen uitgaan
מַֽיִם
(mayim)
water
חַיִּים֙
(chayim)
levend
מִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(mirushaliam)
uit Jeruzalem
חֶצְיָ֗ם
(chetsyam)
de helft ervan
אֶל
(el)
naar
הַיָּם֙
(hayam)
de zee
הַקַּדְמוֹנִ֔י
(haqadmoni)
oostelijke
וְחֶצְיָ֖ם
(vechetsyam)
en de helft
אֶל
(el)
naar
הַיָּ֣ם
(hayam)
de zee
הָאַחֲר֑וֹן
(haacharon)
westelijke
בַּקַּ֥יִץ
(baqayits)
in de zomer
וּבָחֹ֖רֶף
(uvachoref)
en in de winter
יִֽהְיֶֽה
(yihye)
zal het zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
מים חיים (mayim chayyim), ‘levend water’: stromend water, anders dan water uit een put of regenbak.
Zie ook Ezech. 47:1–12 en Joël 4:18 (NL 3:18).
הים הקדמוני (hayyam haqadmoni), ‘de oostelijke zee’: de Zoutzee, zoals in Ezech. 47:18. הים האחרון (hayyam ha’acharon), ‘de westelijke zee’: de Middellandse Zee, zoals in Deut. 11:24.
10Heel het land zal veranderen in een vlakte zoals de Araba, van Geba tot Rimmon ten zuiden van Jeruzalem. Maar Jeruzalem zal verheven zijn en op zijn plaats wonen, van de Poort van Benjamin tot de plaats van de Eerste Poort, tot de Hoekpoort. En van de toren van Chananel tot de wijnpersen van de koning.
יִסּ֨וֹב
(yisov)
zal rondom lopen
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֤רֶץ
(haarets)
het land
כָּעֲרָבָה֙
(kaarava)
als de Araba
מִגֶּ֣בַע
(migeva)
van Geba
לְרִמּ֔וֹן
(lerimon)
tot Rimmon
נֶ֖גֶב
(negev)
zuiden van
יְרֽוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְֽרָאֲמָה֩
(veraama)
en zal verheven zijn
וְיָשְׁבָ֨ה
(veyasheva)
en zal wonen
תַחְתֶּ֜יהָ
(tachteiha)
op zijn plaats
לְמִשַּׁ֣עַר
(lemishaar)
van de poort van
בִּנְיָמִ֗ן
(binyamin)
Benjamin
עַד
(ad)
tot
מְק֞וֹם
(meqom)
de plaats van
שַׁ֤עַר
(shaar)
poort
הָֽרִאשׁוֹן֙
(harishon)
de eerste
עַד
(ad)
tot
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort
הַפִּנִּ֔ים
(hapinim)
de hoeken
וּמִגְדַּ֣ל
(umigdal)
en toren van
חֲנַנְאֵ֔ל
(chananel)
Chananel
עַ֖ד
(ad)
tot
יִקְבֵ֥י
(yiqvei)
wijnpersen van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba.
Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Poort van Benjamin (ligging onzeker): De Poort van Benjamin was een stadspoort aan de noordkant van Jeruzalem, op de weg naar het land Benjamin.
De precieze plaats is niet zeker.
Zie Hoekpoort (ligging onzeker): De Hoekpoort was een poort in de muur van Jeruzalem, waarschijnlijk in het noordwesten.
De precieze plaats is niet zeker.
Uitleg
כערבה (ka’aravah), ‘zoals de Araba’: de Araba is de diepe vlakte van de Jordaan tot de Zoutzee en verder naar het zuiden.
Het land rond Jeruzalem zal vlak worden, zodat de stad hoog uitsteekt.
מגבע (miGeva), ‘van Geba’: Geba in Benjamin, aan de noordgrens van Juda (2 Kon. 23:8). לרמון (leRimmon), ‘tot Rimmon’: een plaats in het zuiden van Juda (Joz. 15:32; vergelijk En-Rimmon in Neh. 11:29); haar ligging is niet zeker.
De poorten en de toren markeren de uithoeken van de stad: de ‘Poort van Benjamin’ (Jer. 37:13), de ‘Hoekpoort’ (2 Kon. 14:13) en de ‘toren van Chananel’ (Jer. 31:38). De ‘Eerste Poort’ en de ‘wijnpersen van de koning’ komen elders niet voor. De ligging van deze plaatsen is niet zeker.
הפנים (happinnim), ‘de Hoeken’: het woord heeft een meervoudsvorm; wij houden ‘Hoekpoort’ zoals in 2 Kon. 14:13.
12Dit zal de plaag zijn waarmee Yahweh alle volken slaat die tegen Jeruzalem te velde zijn getrokken. Hun vlees rot weg terwijl zij op hun voeten staan. Hun ogen rotten weg in hun kassen en hun tong rot weg in hun mond.
וְזֹ֣את
(vezot)
en dit
תִּֽהְיֶ֣ה
(tihye)
zal zijn
הַמַּגֵּפָ֗ה
(hamagefa)
de plaag
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarmee
יִגֹּ֤ף
(yigof)
slaat
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הָ֣עַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צָבְא֖וּ
(tsaveu)
te velde trokken
עַל
(al)
tegen
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
הָמֵ֣ק
(hameq)
wegrotten
בְּשָׂר֗וֹ
(besaro)
zijn vlees
וְהוּא֙
(vehu)
terwijl hij
עֹמֵ֣ד
(omed)
staat
עַל
(al)
op
רַגְלָ֔יו
(raglav)
zijn voeten
וְעֵינָיו֙
(veeinav)
en zijn ogen
תִּמַּ֣קְנָה
(timaqna)
zullen wegrotten
בְחֹֽרֵיהֶ֔ן
(bechoreihen)
in hun kassen
וּלְשׁוֹנ֖וֹ
(uleshono)
en zijn tong
תִּמַּ֥ק
(timaq)
zal wegrotten
בְּפִיהֶֽם
(befihem)
in hun mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
המגפה (hammaggefah), ‘de plaag’: dezelfde plaag die Yahweh in het volgende vers ‘verwarring’ noemt.
צבאו (tsav’u), ‘te velde getrokken’: een legerdienst of strijd.
המק (hamaq), ‘wegrotten’: een werkwoord van verrotting dat ook in Lev. 26:39 en Ezech. 24:23 staat (daar vertaald met ‘wegkwijnen’).
13Op die dag zal er een grote verwarring van Yahweh onder hen zijn. Ieder zal de hand van zijn naaste grijpen, en zijn hand zal zich opheffen tegen de hand van zijn naaste.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
תִּֽהְיֶ֧ה
(tihye)
zal zijn
מְהֽוּמַת
(mehumat)
verwarring van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
רַבָּ֖ה
(raba)
grote
בָּהֶ֑ם
(bahem)
onder hen
וְהֶחֱזִ֗יקוּ
(vehecheziqu)
en zullen grijpen
אִ֚ישׁ
(ish)
ieder
יַ֣ד
(yad)
hand van
רֵעֵ֔הוּ
(reehu)
zijn naaste
וְעָלְתָ֥ה
(vealeta)
en zal opgaan
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
עַל
(al)
tegen
יַ֥ד
(yad)
hand van
רֵעֵֽהוּ
(reehu)
zijn naaste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מהומת (mehumat), ‘verwarring van’: de verwarring waarin de vijanden elkaar aanvallen, zoals in 1 Sam. 14:20 en Richt. 7:22.
16Allen die overblijven van alle volken die tegen Jeruzalem zijn opgetrokken, zullen van jaar tot jaar opgaan. Zij komen om zich neer te buigen voor de Koning, Yahweh van de legermachten, en om het feest van de hutten te vieren.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
כָּל
(kal)
ieder
הַנּוֹתָר֙
(hanotar)
die overblijft
מִכָּל
(mikal)
uit alle
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
הַבָּאִ֖ים
(habaim)
die kwamen
עַל
(al)
tegen
יְרֽוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְעָל֞וּ
(vealu)
en zij zullen opgaan
מִדֵּ֧י
(midei)
van elk
שָׁנָ֣ה
(shana)
jaar
בְשָׁנָ֗ה
(beshana)
in het jaar
לְהִֽשְׁתַּחֲוֺת֙
(lehishtachavot)
om zich neer te buigen
לְמֶ֨לֶךְ֙
(lemelekh)
voor de koning
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וְלָחֹ֖ג
(velachog)
en om te vieren
אֶת
(et)
(obj.)
חַ֥ג
(chag)
feest van
הַסֻּכּֽוֹת
(hasukot)
de hutten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
ולחג את חג הסכות (velachog et chag hassukkot), ‘en het feest van de hutten te vieren’: het feest van de oogst en de herinnering aan het verblijf in hutten (Lev. 23:33–43; Deut. 16:13–15).
Dit feest heet ook wel Loofhuttenfeest.
Wie nog van de volken overblijft, komt Yahweh als koning eren.
De titel ‘de Koning, Yahweh van de legermachten’ staat ook in Jes. 6:5.
17Wie van de families van de aarde niet naar Jeruzalem opgaat om zich neer te buigen voor de Koning, Yahweh van de legermachten: over hen zal geen regen vallen.
וְ֠הָיָה
(vehaya)
en het zal zijn
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wie
לֹֽא
(lo)
niet
יַעֲלֶ֜ה
(yaale)
opgaat
מֵאֵ֨ת
(meet)
van
מִשְׁפְּח֤וֹת
(mishpechot)
families van
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
de aarde
אֶל
(el)
naar
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לְהִֽשְׁתַּחֲוֺ֔ת
(lehishtachavot)
om zich neer te buigen
לְמֶ֖לֶךְ
(lemelekh)
voor de koning
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
over hen
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
הַגָּֽשֶׁם
(hagashem)
de regen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
יהיה הגשׁם (yihyeh hagashem), ‘zal de regen zijn’: zonder regen geen oogst (Deut. 11:16–17).
Voor wie niet opgaat, valt het zegenende water niet.
18En als de familie van Egypte niet opgaat en niet komt, dan is er voor hen geen regen. Dan komt de plaag waarmee Yahweh de volken slaat die niet opgaan om het feest van de hutten te vieren.
וְאִם
(veim)
en als
מִשְׁפַּ֨חַת
(mishpachat)
familie van
מִצְרַ֧יִם
(mitsrayim)
Egypte
לֹֽא
(lo)
niet
תַעֲלֶ֛ה
(taale)
opgaat
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
בָאָ֖ה
(baa)
komt
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
over hen
תִּֽהְיֶ֣ה
(tihye)
zal zijn
הַמַּגֵּפָ֗ה
(hamagefa)
de plaag
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarmee
יִגֹּ֤ף
(yigof)
slaat
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
לֹ֣א
(lo)
niet
יַֽעֲל֔וּ
(yaalu)
opgaan
לָחֹ֖ג
(lachog)
om te vieren
אֶת
(et)
(obj.)
חַ֥ג
(chag)
feest van
הַסֻּכּֽוֹת
(hasukot)
de hutten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
ולא עליהם תהיה (velo aleihem tihyeh), ‘en niet over hen zal zijn’: het Hebreeuws zegt niet wat er niet is.
Wij vullen ‘regen’ aan, naar vers 17.
Egypte hangt voor zijn water af van de Nijl en niet van regen.
Daarom wordt het hier met de plaag getroffen; zo wordt het vers vaak verklaard.
20Op die dag zal op de bellen van de paarden staan: ‘Heilig voor Yahweh.’ De kookpotten in het huis van Yahweh zullen zijn als de sprengschalen voor het altaar.
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
יִֽהְיֶה֙
(yihye)
zal zijn
עַל
(al)
op
מְצִלּ֣וֹת
(metsilot)
bellen van
הַסּ֔וּס
(hasus)
het paard
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heilig
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en zullen zijn
הַסִּירוֹת֙
(hasirot)
de kookpotten
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּמִּזְרָקִ֖ים
(kamizraqim)
als de sprengschalen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הַמִּזְבֵּֽחַ
(hamizbeach)
het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מצלות (metsillot), ‘bellen’: een zeldzaam woord, misschien ‘bellen’, misschien een ander versiersel aan het paardentuig.
De betekenis is niet zeker.
קדשׁ ליהוה (qodesh laYahweh), ‘Heilig voor Yahweh’: het opschrift op de plaat van de hogepriester (Exod. 28:36). Dat opschrift staat nu ook op wat gewoon is: paardensieraad.
הסירות (hassirot), ‘de kookpotten’, en כמזרקים (kammizraqim), ‘als de sprengschalen’: pannen voor het gewone koken zijn even heilig als de schalen waarmee men bij het altaar het bloed sprengt (Exod. 27:3).
21Elke kookpot in Jeruzalem en in Juda zal heilig zijn voor Yahweh van de legermachten. Allen die offeren, zullen komen, ervan nemen en erin koken. Op die dag zal er geen Kanaäniet meer zijn in het huis van Yahweh van de legermachten.
וְ֠הָיָה
(vehaya)
en zal zijn
כָּל
(kal)
elke
סִ֨יר
(sir)
kookpot
בִּירוּשָׁלִַ֜ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וּבִֽיהוּדָ֗ה
(uvihuda)
en in Juda
קֹ֚דֶשׁ
(qodesh)
heilig
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
voor Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וּבָ֨אוּ֙
(uvau)
en zullen komen
כָּל
(kal)
alle
הַזֹּ֣בְחִ֔ים
(hazovechim)
offeraars
וְלָקְח֥וּ
(velaqechu)
en zullen nemen
מֵהֶ֖ם
(mehem)
ervan
וּבִשְּׁל֣וּ
(uvishelu)
en zullen koken
בָהֶ֑ם
(bahem)
daarin
וְלֹא
(velo)
en niet
יִהְיֶ֨ה
(yihye)
zal zijn
כְנַעֲנִ֥י
(kenaani)
Kanaäniet
ע֛וֹד
(od)
meer
בְּבֵית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַהֽוּא
(hahu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
כנעני (kena’ani), ‘Kanaäniet’: het woord kan ook ‘handelaar’ betekenen (Spr. 31:24; Job 40:30, NL 41:6).
Dan zou het betekenen: er komen geen handelaars meer in de tempel.
Het is niet zeker welke betekenis hier bedoeld is.