De roeping van Jeremia: een profeet voor de volken
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De woorden van Jeremia
1De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, een van de priesters die in Anatot woonden, in het land Benjamin.
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
בֶּן
(ben)
zoon van
חִלְקִיָּ֑הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
מִן
(min)
uit
הַכֹּֽהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּעֲנָת֔וֹת
(baanatot)
in Anatot
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in het land van
בִּנְיָמִֽן
(binyamin)
Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem.
Uitleg
יִרְמְיָהוּ (Yirmeyahu), ‘Jeremia’: de betekenis van de naam is onzeker.
Vaak wordt hij gelezen als ‘Yahweh verheft’.
עֲנָתוֹת (Anatot): een stad in het land van Benjamin, ten noordoosten van Jeruzalem. Het is een priesterstad (Joz. 21:18). Ook Abjatar kreeg er een akker (1 Kon. 2:26).
De tekst zegt niet of deze Hilkia de hogepriester Hilkia is (2 Kon. 22:4).
3Het kwam ook in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda, tot het einde van het elfde jaar van Zedekia, de zoon van Josia, koning van Juda, tot de ballingschap van Jeruzalem in de vijfde maand.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בִּימֵ֨י
(bimei)
in de dagen van
יְהוֹיָקִ֤ים
(yehoyaqim)
Jojakim
בֶּן
(ben)
zoon van
יֹאשִׁיָּ֨הוּ֙
(yoshiyahu)
Josia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
עַד
(ad)
tot
תֹּם֙
(tom)
het einde van
עַשְׁתֵּ֣י
(ashtei)
elf
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לְצִדְקִיָּ֥הוּ
(letsidqiyahu)
van Zedekia
בֶן
(ben)
zoon van
יֹאשִׁיָּ֖הוּ
(yoshiyahu)
Josia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
עַד
(ad)
tot
גְּל֥וֹת
(gelot)
de ballingschap van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
בַּחֹ֥דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַחֲמִישִֽׁי
(hachamishi)
de vijfde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Het onderwerp van dit vers is het woord van Yahweh uit vers 2: Jeremia profeteert van Josia tot de ondergang van Jeruzalem.
Tussen Josia en Zedekia regeerden ook Joachaz en Jojachin; die worden hier niet genoemd.
Jojakim en Zedekia zijn de koningen tijdens het grootste deel van de profetieën.
De ballingschap van Jeruzalem in de vijfde maand is de ondergang van de stad (2 Kon. 25:8).
5„Voordat Ik je vormde in de moederschoot, kende Ik je. Voordat je uit de baarmoeder kwam, heiligde Ik je. Ik heb je tot profeet voor de volken gesteld.”
בְּטֶ֨רֶם
(beterem)
voordat
אֶצָּרְךָ֤
(etsarekha)
Ik je vormde
בַבֶּ֨טֶן֙
(babeten)
in de moederschoot
יְדַעְתִּ֔יךָ
(yedatikha)
Ik kende je
וּבְטֶ֛רֶם
(uveterem)
en voordat
תֵּצֵ֥א
(tetse)
je uitkwam
מֵרֶ֖חֶם
(merechem)
uit de baarmoeder
הִקְדַּשְׁתִּ֑יךָ
(hiqdashtikha)
Ik heiligde je
נָבִ֥יא
(navi)
profeet
לַגּוֹיִ֖ם
(lagoyim)
voor de volken
נְתַתִּֽיךָ
(netatikha)
Ik heb je gesteld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶצָּרְךָ (etsorkha), ‘Ik vormde je’: het werkwoord יָצַר (yatsar) is het werkwoord van de pottenbakker en van Gen. 2:7.
Yahweh vormt de profeet al voor zijn geboorte.
יְדַעְתִּיךָ (yedatikha), ‘Ik kende je’: het werkwoord יָדַע (yada) is hier ‘persoonlijk kennen, uitkiezen’.
הִקְדַּשְׁתִּיךָ (hiqdashtikha), ‘Ik heiligde je’: Ik heb je apart gezet voor Mijn dienst.
Als aanspreking en naam van Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’.
נַעַר (na’ar), ‘jongen’: iemand die nog jong is, nog niet volwassen. Een leeftijd wordt niet genoemd.
לֹא יָדַעְתִּי דַּבֵּר (lo yadati daber), ‘ik weet niet te spreken’: ik ken de kunst van het spreken niet, ik ben geen spreker. Zo zegt Mozes het ook (Exod. 4:10).
7Maar Yahweh zei tot mij: „Zeg niet: ‘Ik ben een jongen.’ Want naar iedereen naar wie Ik je zend, zul je gaan. En alles wat Ik je gebied, zul je spreken.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
אַל
(al)
niet
תֹּאמַ֖ר
(tomar)
zeg
נַ֣עַר
(naar)
jongen
אָנֹ֑כִי
(anokhi)
ik
כִּ֠י
(ki)
want
עַֽל
(al)
naar
כָּל
(kal)
allen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
אֶֽשְׁלָחֲךָ֙
(eshlachakha)
Ik je zend
תֵּלֵ֔ךְ
(telekh)
zul je gaan
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
אֲצַוְּךָ֖
(atsavekha)
Ik je gebied
תְּדַבֵּֽר
(tedaber)
zul je spreken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Kijk, vandaag heb Ik je aangesteld over de volken en over de koninkrijken: om uit te rukken en af te breken, te vernietigen en neer te halen, te bouwen en te planten.”
רְאֵ֞ה
(ree)
kijk
הִפְקַדְתִּ֣יךָ
(hifqadtikha)
Ik heb je aangesteld
הַיּ֣וֹם
(hayom)
vandaag
הַזֶּ֗ה
(haze)
deze
עַל
(al)
over
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
וְעַל
(veal)
en over
הַמַּמְלָכ֔וֹת
(hamamlakhot)
de koninkrijken
לִנְת֥וֹשׁ
(lintosh)
om uit te rukken
וְלִנְת֖וֹץ
(velintots)
en af te breken
וּלְהַאֲבִ֣יד
(ulehaavid)
en te vernietigen
וְלַהֲר֑וֹס
(velaharos)
en neer te halen
לִבְנ֖וֹת
(livnot)
om te bouwen
וְלִנְטֽוֹעַ
(velintoa)
en te planten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִפְקַדְתִּיךָ (hifqadtikha), ‘Ik heb je aangesteld’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘zorgen voor, toezicht geven, een taak toevertrouwen’.
De zes werkwoorden gaan om en om: eerst vier die verwoesten (uitrukken, afbreken, vernietigen, neerhalen), dan twee die opbouwen (bouwen, planten). Zij komen terug in Jer. 18:7–9, 24:6 en 31:28.
11Het woord van Yahweh kwam tot mij: „Wat zie je, Jeremia?” Ik zei: „Ik zie een tak van een amandelboom.”
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֣י
(elay)
tot mij
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
מָה
(ma)
wat
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
רֹאֶ֖ה
(roe)
ziende
יִרְמְיָ֑הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
וָאֹמַ֕ר
(vaomar)
en ik zei
מַקֵּ֥ל
(maqel)
tak van
שָׁקֵ֖ד
(shaqed)
amandelboom
אֲנִ֥י
(ani)
ik
רֹאֶֽה
(roe)
ziende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַקֵּל (makkel), ‘tak’: een staf of twijg, hier van een amandelboom.
שָׁקֵד (shaqed), ‘amandelboom’: de eerste boom die bloeit, aan het eind van de winter.
In vers 12 volgt een woordspeling: Yahweh is שֹׁקֵד (shoqed), ‘wakend’, over Zijn woord. De amandelboom (shaqed) is de ‘wakende’ boom, die vroeg wakker is.
Het vuur onder de pot wordt aangeblazen, zodat de inhoud kookt.
וּפָנָיו מִפְּנֵי צָפוֹנָה (ufanav mipnei tsafonah), ‘en zijn voorkant wijst van het noorden af’: letterlijk ‘en zijn gezicht is van het gezicht van het noorden’. De pot staat schuin, met de opening naar het zuiden. Het onheil stroomt dan uit het noorden naar het land. Sommige lezers begrijpen het ook als ‘de voorkant komt uit het noorden’. De betekenis is niet helemaal zeker.
14Yahweh zei tot mij: „Vanuit het noorden zal het onheil losbarsten over alle inwoners van het land.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
מִצָּפוֹן֙
(mitsafon)
vanuit het noorden
תִּפָּתַ֣ח
(tipatach)
zal geopend worden
הָרָעָ֔ה
(haraa)
het onheil
עַ֥ל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
יֹשְׁבֵ֖י
(yoshevei)
inwoners van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תִּפָּתַח (tippatach), ‘zal geopend worden’: de pot wordt geopend en de inhoud stroomt over het land.
Wij vertalen ‘zal losbarsten’.
הָרָעָה (ha-ra’ah), ‘het onheil’: het woord רָעָה (ra’ah) betekent ‘kwaad’ of ‘onheil’. Waar het een ramp is die Yahweh brengt, vertalen wij ‘onheil’; waar het het kwaad is dat mensen doen (vers 16), ‘kwaad’.
15Want zie, Ik roep alle families van de koninkrijken in het noorden, godsspraak van Yahweh. Zij zullen komen. Ieder zal zijn troon zetten bij de ingang van de poorten van Jeruzalem, rondom tegen heel haar muur en tegen alle steden van Juda.
כִּ֣י
(ki)
want
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Mij
קֹרֵ֗א
(qore)
roepende
לְכָֽל
(lekhal)
alle
מִשְׁפְּח֛וֹת
(mishpechot)
families van
מַמְלְכ֥וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
צָפ֖וֹנָה
(tsafona)
noordwaarts
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבָ֡אוּ
(uvau)
en zij zullen komen
וְֽנָתְנוּ֩
(venatenu)
en zij zullen zetten
אִ֨ישׁ
(ish)
ieder
כִּסְא֜וֹ
(kiso)
zijn troon
פֶּ֣תַח
(petach)
ingang van
שַׁעֲרֵ֣י
(shaarei)
poorten van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְעַ֤ל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
heel
חוֹמֹתֶ֨יהָ֙
(chomoteiha)
haar muren
סָבִ֔יב
(saviv)
rondom
וְעַ֖ל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
alle
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Uitleg
De koninkrijken van het noorden zijn de volken die over Juda zullen komen.
Het noorden is de richting waaruit de legers van Assyrië en later Babel Israël binnenvielen (Jer. 4:6 en 6:22).
Hier worden geen namen genoemd.
De koningen zetten hun tronen bij de poorten van Jeruzalem. In de poort werd recht gesproken: zij zullen daar vonnis uitspreken over de stad.
16Ik zal Mijn vonnissen over hen uitspreken om al hun kwaad. Zij hebben Mij verlaten, zij hebben wierook gebrand voor andere goden en zij hebben zich neergebogen voor het werk van hun handen.
וְדִבַּרְתִּ֤י
(vedibarti)
en Ik zal uitspreken
מִשְׁפָּטַי֙
(mishpatay)
Mijn vonnissen
אוֹתָ֔ם
(otam)
met hen
עַ֖ל
(al)
over
כָּל
(kal)
al
רָעָתָ֑ם
(raatam)
hun kwaad
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עֲזָב֗וּנִי
(azavuni)
zij hebben Mij verlaten
וַֽיְקַטְּרוּ֙
(vayqateru)
en zij hebben wierook gebrand
לֵאלֹהִ֣ים
(lElohim)
voor goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
וַיִּֽשְׁתַּחֲו֖וּ
(vayishtachavu)
en zij bogen zich neer
לְמַעֲשֵׂ֥י
(lemaasei)
voor het werk van
יְדֵיהֶֽם
(yedeihem)
hun handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דִּבַּרְתִּי מִשְׁפָּטַי (vedibarti mishpatai), ‘Ik zal Mijn vonnissen uitspreken’: letterlijk ‘Ik zal Mijn rechtsuitspraken spreken’.
Het gaat om een rechtszaak: Yahweh spreekt het oordeel uit over wie Hem verlaten heeft.
De zonde heeft drie delen: Yahweh verlaten, wierook branden voor andere goden en buigen voor het werk van de eigen handen.
18En Ik, zie, Ik heb je vandaag gemaakt tot een versterkte stad, tot een ijzeren zuil en tot koperen muren tegen heel het land. Tegen de koningen van Juda, haar oversten, haar priesters en het volk van het land.
וַאֲנִ֞י
(vaani)
en Ik
הִנֵּ֧ה
(hine)
zie
נְתַתִּ֣יךָ
(netatikha)
Ik heb je gemaakt
הַיּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
לְעִ֨יר
(leir)
tot een stad
מִבְצָ֜ר
(mivtsar)
versterkte
וּלְעַמּ֥וּד
(uleamud)
en tot een zuil van
בַּרְזֶ֛ל
(barzel)
ijzer
וּלְחֹמ֥וֹת
(ulechomot)
en tot muren van
נְחֹ֖שֶׁת
(nechoshet)
koper
עַל
(al)
tegen
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
לְמַלְכֵ֤י
(lemalkhei)
tegen de koningen van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
לְשָׂרֶ֔יהָ
(lesareiha)
haar oversten
לְכֹהֲנֶ֖יהָ
(lekhohaneiha)
haar priesters
וּלְעַ֥ם
(uleam)
en het volk van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עִיר מִבְצָר (ir mivtsar), ‘een versterkte stad’, עַמּוּד בַּרְזֶל (amud barzel), ‘een ijzeren zuil’, en חוֹמוֹת נְחֹשֶׁת (chomot nechoshet), ‘koperen muren’: Jeremia wordt onbreekbaar, zoals Jeruzalem zelf, maar nu als één man.
De drie beelden volgen elkaar op.
Vergelijk Jer. 15:20.
Vier groepen staan tegenover hem: de koningen, de oversten, de priesters en het volk van het land.