Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De arbeiders
1Salomo telde 70.000 man als lastdrager en 80.000 man als steenhouwer in het gebergte. Over hen waren 3.600 opzichters.
וַיִּסְפֹּ֨ר
(vayispor)
en telde
שְׁלֹמֹ֜ה
(shelomo)
Salomo
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
אֶ֨לֶף֙
(elef)
duizend
אִ֣ישׁ
(ish)
man
סַבָּ֔ל
(sabal)
lastdrager
וּשְׁמוֹנִ֥ים
(ushemonim)
en tachtig
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
אִ֖ישׁ
(ish)
man
חֹצֵ֣ב
(chotsev)
houwer
בָּהָ֑ר
(bahar)
in het gebergte
וּמְנַצְּחִ֣ים
(umenatsechim)
en opzichters
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
over hen
שְׁלֹ֥שֶׁת
(sheloshet)
drie
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
וְשֵׁ֥שׁ
(veshesh)
en zes
מֵאֽוֹת
(meot)
honderd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סַבָּל (sabbal), ‘lastdrager’, en חֹצֵב (chotsev), ‘houwer’: wij vertalen ‘steenhouwer’, zoals in 1 Kon. 5:29.
In het Hebreeuws staat hier ‘man lastdrager’ en ‘man houwer in het gebergte’.
מְנַצְּחִים (menatsechim), ‘opzichters’: zij hielden toezicht op het werk. Hier zijn het 3.600. In 1 Kon. 5:30 staan 3.300 oversten van de bestuurders. Wij houden elk getal aan zoals het staat.
Telling: Hebr. 2:1 is NL 2:2. Zie de voetnoot bij 1:18.
2Salomo stuurde een boodschap naar Churam, de koning van Tyrus: „Zoals je met mijn vader David hebt gedaan, toen je hem ceders stuurde om een huis voor zichzelf te bouwen om in te wonen, …
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en stuurde
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
אֶל
(el)
naar
חוּרָ֥ם
(churam)
Churam
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
צֹ֖ר
(tsor)
Tyrus
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
עָשִׂ֨יתָ֙
(asita)
je deed
עִם
(im)
met
דָּוִ֣יד
(david)
David
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
וַתִּֽשְׁלַֽח
(vatishlach)
en je stuurde
ל֣וֹ
(lo)
hem
אֲרָזִ֔ים
(arazim)
ceders
לִבְנֽוֹת
(livnot)
om te bouwen
ל֥וֹ
(lo)
voor zich
בַ֖יִת
(bayit)
een huis
לָשֶׁ֥בֶת
(lashevet)
om te wonen
בּֽוֹ
(bo)
erin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Tyrus (צֹר) was een havenstad in Fenicië, aan de kust van de Middellandse Zee (nu Tyrus of Sur, Libanon).
Zie ook 1 Kron. 14:1.
Uitleg
חוּרָם (Churam), ‘Churam’: de koning van Tyrus.
In 1 Kon. 5:15 heet hij Hiram.
Wij houden de vorm van elk boek aan, zoals in 1 Kron. 14:1.
Het verzoek van Salomo loopt parallel met 1 Kon. 5:16–20. Daar staat meer over de oorlogen van David.
Lezing
De zin is niet afgemaakt: ‘Zoals je met mijn vader David hebt gedaan … (doe zo ook voor mij)’ ontbreekt.
3Zie, ik bouw een huis voor de naam van Yahweh, mijn Elohim. Ik wijd het aan Hem om voor Zijn aangezicht reukwerk van specerijen te branden. Het is voor de vaste rijen en voor de brandoffers, 's morgens en 's avonds. Het is ook voor de sabbatten, de nieuwe manen en de feesten van Yahweh, onze Elohim. Voor altijd rust dit op Israël.
הִנֵּה֩
(hine)
zie
אֲנִ֨י
(ani)
ik
בֽוֹנֶה
(bone)
bouw
בַּ֜יִת
(bayit)
een huis
לְשֵׁ֣ם
(leshem)
voor de naam van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֗י
(elohay)
mijn Elohim
לְהַקְדִּ֣ישׁ
(lehaqdish)
om te wijden
ל֡וֹ
(lo)
aan Hem
לְהַקְטִ֣יר
(lehaqtir)
om te laten branden
לְפָנָ֣יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
קְטֹֽרֶת
(qetoret)
reukwerk van
סַמִּים֩
(samim)
specerijen
וּמַעֲרֶ֨כֶת
(umaarekhet)
en de rij
תָּמִ֤יד
(tamid)
altijd
וְעֹלוֹת֙
(veolot)
en brandoffers
לַבֹּ֣קֶר
(laboqer)
's morgens
וְלָעֶ֔רֶב
(velaerev)
en 's avonds
לַשַּׁבָּתוֹת֙
(lashabatot)
voor de sabbatten
וְלֶ֣חֳדָשִׁ֔ים
(velechodashim)
en voor de nieuwe manen
וּֽלְמוֹעֲדֵ֖י
(ulemoadei)
en voor de feesten van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
לְעוֹלָ֖ם
(leolam)
voor altijd
זֹ֥את
(zot)
dit
עַל
(al)
op
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קְטֹרֶת סַמִּים (qetoret sammim), ‘reukwerk van specerijen’: het reukwerk van Exod. 30:34–38.
מַעֲרֶכֶת תָּמִיד (ma’arekhet tamid), ‘de vaste rijen’: de rijen toonbrood die steeds klaarliggen, zie Lev. 24:5–9. Het woord ‘toonbrood’ staat hier niet; wij vertalen letterlijk.
שַׁבָּתוֹת וְחֳדָשִׁים וּמוֹעֲדֵי יְהוָה (shabbatot wechodashim umo’adei Yahweh), ‘sabbatten, nieuwe manen en feesten van Yahweh’: zie Lev. 23 en Num. 28–29.
זֹאת עַל יִשְׂרָאֵל (zot al Yisra’el), ‘dit rust op Israël’: een blijvende plicht voor Israël.
הַקְטִיר (haqtir), ‘laten branden’: het laten opgaan in rook, van reukwerk en van offers.
5Maar wie heeft de kracht om voor Hem een huis te bouwen? De hemel en de hemel van de hemelen kunnen Hem niet bevatten. Wie ben ik dan dat ik een huis voor Hem zou bouwen? Het is alleen om voor Zijn aangezicht reukwerk te branden.
וּמִ֤י
(umi)
en wie
יַעֲצָר
(yaatsar)
houdt vast
כֹּ֨חַ֙
(koach)
kracht
לִבְנֽוֹת
(livnot)
om te bouwen
ל֣וֹ
(lo)
voor Hem
בַ֔יִת
(bayit)
een huis
כִּ֧י
(ki)
want
הַשָּׁמַ֛יִם
(hashamayim)
de hemel
וּשְׁמֵ֥י
(ushemei)
en de hemel van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemelen
לֹ֣א
(lo)
niet
יְכַלְכְּלֻ֑הוּ
(yekhalkeluhu)
kunnen Hem bevatten
וּמִ֤י
(umi)
en wie
אֲנִי֙
(ani)
ik
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אֶבְנֶה
(evne)
ik zou bouwen
לּ֣וֹ
(lo)
voor Hem
בַ֔יִת
(bayit)
een huis
כִּ֖י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
לְהַקְטִ֥יר
(lehaqtir)
om te laten branden
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vergelijk 1 Kon. 8:27.
‘De hemel en de hemel van de hemelen’ betekent: het hele heelal.
Zelfs dat kan Elohim niet bevatten.
הַקְטִיר (haqtir), ‘laten branden’: zie vers 3. Er staat geen voorwerp bij; wij vullen ‘reukwerk’ aan, naar vers 3.
6Stuur mij nu een wijze man. Hij weet te werken in goud, zilver, koper en ijzer, in roodpurper, karmozijn en blauwpurper. Hij weet ook gravures te snijden. Hij werkt samen met de wijze mannen die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem. Mijn vader David heeft hen aangesteld.
וְעַתָּ֡ה
(veata)
en nu
שְֽׁלַֽח
(shelach)
stuur
לִ֣י
(li)
mij
אִישׁ
(ish)
een man
חָכָ֡ם
(chakham)
wijze
לַעֲשׂוֹת֩
(laasot)
om te werken
בַּזָּהָ֨ב
(bazahav)
in goud
וּבַכֶּ֜סֶף
(uvakesef)
en in zilver
וּבַנְּחֹ֣שֶׁת
(uvanechoshet)
en in koper
וּבַבַּרְזֶ֗ל
(uvabarzel)
en in ijzer
וּבָֽאַרְגְּוָן֙
(uvaargevan)
en in roodpurper
וְכַרְמִ֣יל
(vekharmil)
en karmozijn
וּתְכֵ֔לֶת
(utekhelet)
en blauwpurper
וְיֹדֵ֖עַ
(veyodea)
en wetend
לְפַתֵּ֣חַ
(lefateach)
om te snijden
פִּתּוּחִ֑ים
(pituchim)
gravures
עִם
(im)
met
הַֽחֲכָמִ֗ים
(hachakhamim)
de wijzen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
עִמִּי֙
(imi)
bij mij
בִּֽיהוּדָ֣ה
(bihuda)
in Juda
וּבִֽירוּשָׁלִַ֔ם
(uvirushalaim)
en in Jeruzalem
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֵכִ֖ין
(hekhin)
stelde aan
דָּוִ֥יד
(david)
David
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
אַרְגְּוָן (argewan), ‘roodpurper’: een andere spelling van אַרְגָּמָן (argaman), dat in vers 13 staat.
כַּרְמִיל (karmil), ‘karmozijn’.
תְּכֵלֶת (tekhelet), ‘blauwpurper’.
Zo vertalen wij deze kleuren ook in Exod. 26.
פִּתּוּחִים (pittuchim), ‘gravures’: gesneden of gegraveerde figuren.
בִּיהוּדָה וּבִירוּשָׁלִַם (bihudah ubirushalayim), ‘in Juda en in Jeruzalem’: de vakmensen die David al had aangesteld. Vergelijk 1 Kron. 22:15.
7Stuur mij ook cederhout, cypressenhout en almoeghout uit de Libanon. Want ik weet dat jouw dienaren weten hoe je hout van de Libanon kapt. Zie, mijn dienaren zullen bij jouw dienaren zijn.
וּֽשְׁלַֽח
(ushelach)
en stuur
לִי֩
(li)
mij
עֲצֵ֨י
(atsei)
hout van
אֲרָזִ֜ים
(arazim)
ceder
בְּרוֹשִׁ֣ים
(beroshim)
cypres
וְאַלְגּוּמִּים֮
(vealgumim)
en almoeg
מֵֽהַלְּבָנוֹן֒
(mehalevanon)
uit de Libanon
כִּ֚י
(ki)
want
אֲנִ֣י
(ani)
ik
יָדַ֔עְתִּי
(yadati)
weet
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
עֲבָדֶ֨יךָ֙
(avadeikha)
jouw dienaren
יֽוֹדְעִ֔ים
(yodeim)
weten
לִכְר֖וֹת
(likhrot)
om te kappen
עֲצֵ֣י
(atsei)
hout van
לְבָנ֑וֹן
(levanon)
de Libanon
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
עֲבָדַ֖י
(avaday)
mijn dienaren
עִם
(im)
met
עֲבָדֶֽיךָ
(avadeikha)
jouw dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Libanon is het bergland aan de kust van het huidige Libanon, ten noorden van Israël.
Daar groeiden de ceders.
Uitleg
אַלְגּוּמִּים (algummim), ‘almoeghout’: in 1 Kon. 10:11–12 staat אַלְמֻגִּים (almuggim).
9Zie, voor de houthakkers die het hout kappen, geef ik jouw dienaren: 20.000 kor gestampte tarwe, 20.000 kor gerst, 20.000 bat wijn en 20.000 bat olie.”
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
לַֽחֹטְבִ֣ים
(lachotevim)
voor de houwers
לְֽכֹרְתֵ֣י
(lekhoretei)
die kappen
הָעֵצִ֡ים
(haetsim)
het hout
נָתַתִּי֩
(natati)
ik geef
חִטִּ֨ים
(chitim)
tarwe
מַכּ֜וֹת
(makot)
gestampte
לַעֲבָדֶ֗יךָ
(laavadeikha)
aan jouw dienaren
כֹּרִים֙
(korim)
kor
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
אֶ֔לֶף
(elef)
duizend
וּשְׂעֹרִ֕ים
(useorim)
en gerst
כֹּרִ֖ים
(korim)
kor
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
אָ֑לֶף
(alef)
duizend
וְיַ֗יִן
(veyayin)
en wijn
בַּתִּים֙
(batim)
bat
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
אֶ֔לֶף
(elef)
duizend
וְשֶׁ֕מֶן
(veshemen)
en olie
בַּתִּ֖ים
(batim)
bat
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כֹּר (kor): een inhoudsmaat van ongeveer 220 liter.
בַּת (bat): ongeveer 22 liter. 20.000 kor is dus ongeveer 4.400.000 liter en 20.000 bat ongeveer 440.000 liter.
חִטִּים מַכּוֹת (chittim makkot), ‘gestampte tarwe’: letterlijk ‘geslagen tarwe’. De betekenis is niet zeker. Het kan gedorste of gemalen tarwe zijn.
In 1 Kon. 5:25 geeft Salomo 20.000 kor tarwe en 20 kor gestoten olie. Hier zijn het 20.000 kor tarwe, 20.000 kor gerst, 20.000 bat wijn en 20.000 bat olie. Wij houden elk getal aan zoals het staat.
11Churam zei: „Gezegend zij Yahweh, de Elohim van Israël, die de hemel en de aarde heeft gemaakt. Hij heeft koning David een wijze zoon gegeven, die inzicht en verstand heeft. Hij zal een huis bouwen voor Yahweh en een huis voor zijn koningschap.
וַיֹּאמֶר֮
(vayomer)
en zei
חוּרָם֒
(churam)
Churam
בָּר֤וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשָׂ֔ה
(asa)
maakte
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נָתַן֩
(natan)
gaf
לְדָוִ֨יד
(ledavid)
aan David
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בֵּ֣ן
(ben)
een zoon
חָכָ֗ם
(chakham)
wijze
יוֹדֵ֨עַ֙
(yodea)
wetend
שֵׂ֣כֶל
(sekhel)
inzicht
וּבִינָ֔ה
(uvina)
en verstand
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יִבְנֶה
(yivne)
zal bouwen
בַּ֨יִת֙
(bayit)
een huis
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וּבַ֖יִת
(uvayit)
en een huis
לְמַלְכוּתֽוֹ
(lemalkhuto)
voor zijn koningschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Churam noemt Yahweh hier ‘de Elohim van Israël’.
Vergelijk zijn woorden in 1 Kon. 5:21: ‘Gezegend zij Yahweh vandaag’.
שֵׂכֶל וּבִינָה (sekhel uvinah), ‘inzicht en verstand’.
13Hij is de zoon van een vrouw uit de dochters van Dan. Zijn vader was een man uit Tyrus. Hij weet te werken in goud, zilver, koper en ijzer, in steen en hout, in roodpurper, blauwpurper, fijn linnen en karmozijn. Hij weet allerlei gravures te snijden en allerlei ontwerpen te bedenken die hem worden opgedragen. Hij doet dat samen met jouw wijze mannen en de wijze mannen van mijn heer, jouw vader David.
בֶּן
(ben)
zoon van
אִשָּׁ֞ה
(isha)
een vrouw
מִן
(min)
uit
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
דָּ֗ן
(dan)
Dan
וְאָבִ֣יו
(veaviv)
en zijn vader
אִישׁ
(ish)
man
צֹרִ֡י
(tsori)
uit Tyrus
יוֹדֵ֡עַ
(yodea)
wetend
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te werken
בַּזָּֽהָב
(bazahav)
in goud
וּ֠בַכֶּסֶף
(uvakesef)
en in zilver
בַּנְּחֹ֨שֶׁת
(banechoshet)
in koper
בַּבַּרְזֶ֜ל
(babarzel)
in ijzer
בָּאֲבָנִ֣ים
(baavanim)
in stenen
וּבָעֵצִ֗ים
(uvaetsim)
en in hout
בָּאַרְגָּמָ֤ן
(baargaman)
in roodpurper
בַּתְּכֵ֨לֶת֙
(batekhelet)
in blauwpurper
וּבַבּ֣וּץ
(uvabuts)
en in fijn linnen
וּבַכַּרְמִ֔יל
(uvakarmil)
en in karmozijn
וּלְפַתֵּ֨חַ֙
(ulefateach)
en om te snijden
כָּל
(kal)
elke
פִּתּ֔וּחַ
(pituach)
gravure
וְלַחְשֹׁ֖ב
(velachshov)
en om te bedenken
כָּל
(kal)
elk
מַחֲשָׁ֑בֶת
(machashavet)
ontwerp
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
יִנָּֽתֶן
(yinaten)
wordt gegeven
לוֹ֙
(lo)
aan hem
עִם
(im)
met
חֲכָמֶ֔יךָ
(chakhameikha)
jouw wijzen
וְֽחַכְמֵ֔י
(vechakhmei)
en de wijzen van
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
דָּוִ֥יד
(david)
David
אָבִֽיךָ
(avikha)
jouw vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Dan was de noordelijkste stam van Israël, in het noorden van het land (Israël).
Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Uitleg
In 1 Kon. 7:14 is zijn moeder een weduwe uit de stam Naftali.
Hier is zij een vrouw uit de dochters van Dan.
Wij vertalen beide letterlijk.
בּוּץ (buts), ‘fijn linnen’: een fijne linnen stof. מַחֲשֶׁבֶת (machashevet), ‘ontwerp’: een kunstig bedacht ontwerp.
אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: Churam noemt David zo, uit respect. Het is een eretitel voor een mens, niet Adonai.
15Wij zullen uit de Libanon hout kappen, zoveel als je nodig hebt. Wij brengen het je als vlotten over zee naar Jafo. En jij brengt het omhoog naar Jeruzalem.”
וַ֠אֲנַחְנוּ
(vaanachnu)
en wij
נִכְרֹ֨ת
(nikhrot)
zullen kappen
עֵצִ֤ים
(etsim)
hout
מִן
(min)
uit
הַלְּבָנוֹן֙
(halevanon)
de Libanon
כְּכָל
(kekhal)
naar alle
צָרְכֶּ֔ךָ
(tsarkekha)
je behoefte
וּנְבִיאֵ֥ם
(uneviem)
en wij brengen ze
לְךָ֛
(lekha)
naar jou
רַפְסֹד֖וֹת
(rafsodot)
vlotten
עַל
(al)
over
יָ֣ם
(yam)
zee van
יָפ֑וֹ
(yafo)
Jafo
וְאַתָּ֛ה
(veata)
en jij
תַּעֲלֶ֥ה
(taale)
brengt omhoog
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushalaim)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Jafo (יָפוֹ) is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv (Israël).
Het was de haven van Jeruzalem, ongeveer 55 km hemelsbreed verderop.
Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.
16Salomo telde alle mannen die als vreemdeling in het land Israël woonden, naar de telling die zijn vader David van hen had gehouden. Er werden 153.600 gevonden.
וַיִּסְפֹּ֣ר
(vayispor)
en telde
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
כָּל
(kal)
alle
הָאֲנָשִׁ֤ים
(haanashim)
de mannen
הַגֵּירִים֙
(hageirim)
de vreemdelingen
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
na
הַסְּפָ֔ר
(hasefar)
de telling
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
סְפָרָ֖ם
(sefaram)
telde hen
דָּוִ֣יד
(david)
David
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיִּמָּצְא֗וּ
(vayimatseu)
en zij werden gevonden
מֵאָ֤ה
(mea)
honderd
וַחֲמִשִּׁים֙
(vachamishim)
en vijftig
אֶ֔לֶף
(elef)
duizend
וּשְׁלֹ֥שֶׁת
(usheloshet)
en drie
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
וְשֵׁ֥שׁ
(veshesh)
en zes
מֵאֽוֹת
(meot)
honderd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גֵּרִים (gerim), ‘vreemdelingen’: mensen die niet van Israël afstamden en in het land woonden.
Zie 1 Kron. 22:2.
153.600 is 150.000 + 3.000 + 600. De som van de getallen in vers 17 is 70.000 + 80.000 + 3.600 = 153.600.