Elohim Bijbel

Exodus 6

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

Yahweh bevestigt Zijn naam en Zijn belofte; de families van Mozes en Aäron

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yahweh belooft de bevrijding

1Yahweh zei tot Mozes: „Nu zul je zien wat Ik met de farao ga doen. Door een sterke hand zal hij hen laten gaan, ja, door een sterke hand zal hij hen uit zijn land verdrijven.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
תִרְאֶ֔ה
(tire)
zul je zien
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
אֶֽעֱשֶׂ֖ה
(eese)
Ik zal doen
לְפַרְעֹ֑ה
(lefaro)
met de farao
כִּ֣י
(ki)
want
בְיָ֤ד
(beyad)
door een hand
חֲזָקָה֙
(chazaqa)
sterke
יְשַׁלְּחֵ֔ם
(yeshalechem)
zal hij hen laten gaan
וּבְיָ֣ד
(uveyad)
en door een hand
חֲזָקָ֔ה
(chazaqa)
sterke
יְגָרְשֵׁ֖ם
(yegareshem)
zal hij hen verdrijven
מֵאַרְצֽוֹ
(meartso)
uit zijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hoofdstuk 6 begint met Yahweh’s antwoord op Mozes’ klacht uit 5:22–23.

Waar Mozes zegt dat Hij Zijn volk niet redde, belooft Yahweh dat de farao zelf hen zal wegjagen.

Ik ben Yahweh

2Elohim sprak tot Mozes en zei tot hem: „Ik ben Yahweh.
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de tweede roeping van Mozes.

Dezelfde woorden ‘Ik ben Yahweh’ openen en sluiten de toezegging (vers 2, 6, 7, 8, 29).

3Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als El Sjaddai, maar met Mijn naam Yahweh heb Ik Mij niet aan hen bekendgemaakt.
וָאֵרָ֗א
(vaera)
en Ik verscheen
אֶל
(el)
aan
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
אֶל
(el)
aan
יִצְחָ֥ק
(yitschaq)
Isaak
וְאֶֽל
(veel)
en aan
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
בְּאֵ֣ל
(beel)
als El
שַׁדָּ֑י
(shaday)
Sjaddai
וּשְׁמִ֣י
(ushemi)
en Mijn naam
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֥א
(lo)
niet
נוֹדַ֖עְתִּי
(nodati)
heb Ik Mij bekendgemaakt
לָהֶֽם
(lahem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

בְּאֵל שַׁדַּי (be’el Shaddai), ‘als El Sjaddai’ (zie Gen. 17:1; 35:11; 48:3).

‘Heb Ik Mij niet bekendgemaakt’ betekent dat de aartsvaders de naam Yahweh wel kenden (Gen. 4:26; 12:8) maar niet de volle betekenis ervan ervoeren: de vervulling van de beloften.

Dat is ook de leesrichting van 3:13–15.

4Ook heb Ik Mijn verbond met hen opgericht om hun het land Kanaän te geven, het land waar zij als vreemdelingen verbleven.
וְגַ֨ם
(vegam)
en ook
הֲקִמֹ֤תִי
(haqimoti)
heb Ik opgericht
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיתִי֙
(beriti)
Mijn verbond
אִתָּ֔ם
(itam)
met hen
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
מְגֻרֵיהֶ֖ם
(megureihem)
hun vreemdelingschap
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
גָּ֥רוּ
(garu)
zij als vreemdeling verbleven
בָֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

5En Ik heb het kermen van de zonen van Israël gehoord, die de Egyptenaren tot slaaf maken. Ik heb aan Mijn verbond gedacht.
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
שָׁמַ֗עְתִּי
(shamati)
heb gehoord
אֶֽת
(et)
(obj.)
נַאֲקַת֙
(naaqat)
het kermen van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
de Egyptenaren
מַעֲבִדִ֣ים
(maavidim)
tot slaaf maken
אֹתָ֑ם
(otam)
hen
וָאֶזְכֹּ֖ר
(vaezkor)
en Ik dacht aan
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיתִֽי
(beriti)
Mijn verbond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Zeg daarom tot de zonen van Israël: ‘Ik ben Yahweh. Ik zal jullie wegleiden van onder de lasten van Egypte, jullie redden uit hun slavernij en jullie verlossen met een uitgestrekte arm en met grote oordelen.
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
אֱמֹ֥ר
(emor)
zeg
לִבְנֵֽי
(livnei)
aan de zonen van
יִשְׂרָאֵ֘ל
(yisrael)
Israël
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
וְהוֹצֵאתִ֣י
(vehotseti)
en Ik zal uitleiden
אֶתְכֶ֗ם
(etkhem)
jullie
מִתַּ֨חַת֙
(mitachat)
van onder
סִבְלֹ֣ת
(sivlot)
de lasten van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְהִצַּלְתִּ֥י
(vehitsalti)
en Ik zal redden
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מֵעֲבֹדָתָ֑ם
(meavodatam)
uit hun slavernij
וְגָאַלְתִּ֤י
(vegaalti)
en Ik zal verlossen
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
בִּזְר֣וֹעַ
(bizroa)
met een arm
נְטוּיָ֔ה
(netuya)
uitgestrekte
וּבִשְׁפָטִ֖ים
(uvishfatim)
en met oordelen
גְּדֹלִֽים
(gedolim)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Vier werkwoorden: ‘wegleiden’, ‘redden’, ‘verlossen’ (גָּאַל, ga’al: de losser uit de familie) en in vers 7 ‘nemen’.

De Joodse traditie ziet daarin de vier bekers van de Seder.

Vergelijk Deut. 4:34; 5:15 voor de ‘uitgestrekte arm’.

7Ik zal jullie tot Mijn volk nemen en jullie Elohim zijn. En jullie zullen weten dat Ik Yahweh ben, jullie Elohim, die jullie wegleidt van onder de lasten van Egypte.
וְלָקַחְתִּ֨י
(velaqachti)
en Ik zal nemen
אֶתְכֶ֥ם
(etkhem)
jullie
לִי֙
(li)
voor Mij
לְעָ֔ם
(leam)
tot een volk
וְהָיִ֥יתִי
(vehayiti)
en Ik zal zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לֵֽאלֹהִ֑ים
(lElohim)
tot Elohim
וִֽידַעְתֶּ֗ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּ֣י
(ki)
dat
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
הַמּוֹצִ֣יא
(hamotsi)
die uitleidt
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
מִתַּ֖חַת
(mitachat)
van onder
סִבְל֥וֹת
(sivlot)
de lasten van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

8Ik zal jullie brengen naar het land waarover Ik Mijn hand heb opgeheven dat Ik het aan Abraham, Isaak en Jakob zou geven. Ik zal het jullie tot bezit geven. Ik ben Yahweh.’”
וְהֵבֵאתִ֤י
(veheveti)
en Ik zal brengen
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
אֶל
(el)
naar
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waarover
נָשָׂ֨אתִי֙
(nasati)
Ik heb opgeheven
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִ֔י
(yadi)
Mijn hand
לָתֵ֣ת
(latet)
om te geven
אֹתָ֔הּ
(otah)
het
לְאַבְרָהָ֥ם
(leavraham)
aan Abraham
לְיִצְחָ֖ק
(leyitschaq)
aan Isaak
וּֽלְיַעֲקֹ֑ב
(uleyaaqov)
en aan Jakob
וְנָתַתִּ֨י
(venatati)
en Ik zal geven
אֹתָ֥הּ
(otah)
het
לָכֶ֛ם
(lakhem)
aan jullie
מוֹרָשָׁ֖ה
(morasha)
tot bezit
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Mozes sprak zo tot de zonen van Israël, maar zij luisterden niet naar Mozes, omdat zij kortademig waren en in zware slavernij leefden.
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
כֵּ֖ן
(ken)
aldus
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְלֹ֤א
(velo)
maar niet
שָֽׁמְעוּ֙
(shameu)
luisterden zij
אֶל
(el)
naar
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
מִקֹּ֣צֶר
(miqotser)
vanwege kortheid van
ר֔וּחַ
(ruach)
adem
וּמֵעֲבֹדָ֖ה
(umeavoda)
en vanwege slavernij
קָשָֽׁה
(qasha)
zware
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֹצֶר רוּחַ (qotser ruach) is letterlijk ‘kortheid van geest’: moedeloosheid of kortademigheid door het zware werk.

10Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11„Ga naar binnen en zeg tot de farao, de koning van Egypte, dat hij de zonen van Israël uit zijn land laat gaan.”
בֹּ֣א
(bo)
ga binnen
דַבֵּ֔ר
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
de farao
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וִֽישַׁלַּ֥ח
(vishalach)
dat hij laat gaan
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מֵאַרְצֽוֹ
(meartso)
uit zijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

12Mozes sprak voor Yahweh: „Zie, de zonen van Israël hebben niet naar mij geluisterd. Hoe zal dan de farao naar mij luisteren, terwijl ik onbesneden van lippen ben?”
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הֵ֤ן
(hen)
zie
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לֹֽא
(lo)
niet
שָׁמְע֣וּ
(shameu)
hebben geluisterd
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
וְאֵיךְ֙
(veeikh)
en hoe
יִשְׁמָעֵ֣נִי
(yishmaeni)
zal naar mij luisteren
פַרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וַאֲנִ֖י
(vaani)
terwijl ik
עֲרַ֥ל
(aral)
onbesneden van
שְׂפָתָֽיִם
(sefatayim)
lippen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲרַל שְׂפָתַיִם (‘arel sefatayim), ‘onbesneden van lippen’, betekent dat Mozes’ lippen niet geschikt zijn voor spreken; vergelijk ‘onbesneden oor’ (Jer. 6:10) en ‘onbesneden hart’ (Lev. 26:41).

13Yahweh sprak tot Mozes en Aäron. Hij gaf hun bevel voor de zonen van Israël en voor de farao, de koning van Egypte, om de zonen van Israël uit het land Egypte te leiden.
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
וְאֶֽל
(veel)
en tot
אַהֲרֹן֒
(aharon)
Aäron
וַיְצַוֵּם֙
(vaytsavem)
en gaf hun bevel
אֶל
(el)
voor
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאֶל
(veel)
en voor
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
de farao
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְהוֹצִ֥יא
(lehotsi)
om uit te leiden
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

De hoofden van de families

14Dit zijn de hoofden van hun families: de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël: Chanoch, Pallu, Chezron en Karmi. Dit zijn de families van Ruben.
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit zijn
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
de hoofden van
בֵית
(beit)
het huis van
אֲבֹתָ֑ם
(avotam)
hun vaders
בְּנֵ֨י
(benei)
de zonen van
רְאוּבֵ֜ן
(reuven)
Ruben
בְּכֹ֣ר
(bekhor)
eerstgeborene van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
חֲנ֤וֹךְ
(chanokh)
Chanoch
וּפַלּוּא֙
(ufalu)
en Pallu
חֶצְר֣וֹן
(chetsron)
Chezron
וְכַרְמִ֔י
(vekharmi)
en Karmi
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit zijn
מִשְׁפְּחֹ֥ת
(mishpechot)
de families van
רְאוּבֵֽן
(reuven)
Ruben
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De afstammingslijst loopt van Jakobs zonen tot Mozes en Aäron; hij stopt bij Levi, omdat dat de stam van Mozes is.

Alleen de eerste drie stammen worden genoemd: Ruben, Simeon en Levi.

De lijst herhaalt Gen. 46:9–11.

15De zonen van Simeon: Jemoeël, Jamin, Ohad, Jakin, Zohar en Sjaül, de zoon van een Kanaänitische vrouw. Dit zijn de families van Simeon.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
שִׁמְע֗וֹן
(shimon)
Simeon
יְמוּאֵ֨ל
(yemuel)
Jemoeël
וְיָמִ֤ין
(veyamin)
en Jamin
וְאֹ֨הַד֙
(veohad)
en Ohad
וְיָכִ֣ין
(veyakhin)
en Jakin
וְצֹ֔חַר
(vetsochar)
en Zohar
וְשָׁא֖וּל
(veshaul)
en Sjaül
בֶּן
(ben)
de zoon van
הַֽכְּנַעֲנִ֑ית
(hakenaanit)
een Kanaänitische
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit zijn
מִשְׁפְּחֹ֥ת
(mishpechot)
de families van
שִׁמְעֽוֹן
(shimon)
Simeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Dit zijn de namen van de zonen van Levi naar hun geslachten: Gersjon, Kehat en Merari. De levensjaren van Levi waren honderdzevenendertig.
וְאֵ֨לֶּה
(veele)
en dit zijn
שְׁמ֤וֹת
(shemot)
de namen van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
לֵוִי֙
(levi)
Levi
לְתֹ֣לְדֹתָ֔ם
(letoledotam)
naar hun geslachten
גֵּרְשׁ֕וֹן
(gereshon)
Gersjon
וּקְהָ֖ת
(uqehat)
en Kehat
וּמְרָרִ֑י
(umerari)
en Merari
וּשְׁנֵי֙
(ushenei)
en de jaren van
חַיֵּ֣י
(chayei)
het leven van
לֵוִ֔י
(levi)
Levi
שֶׁ֧בַע
(sheva)
zeven
וּשְׁלֹשִׁ֛ים
(usheloshim)
en dertig
וּמְאַ֖ת
(umeat)
en honderd
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De lijst noemt de levensjaren van Levi (137), Kehat (133) en Amram (137), die kunnen helpen bij het berekenen van de duur van het verblijf in Egypte (vergelijk 12:40).

17De zonen van Gersjon: Libni en Simi, naar hun families.
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
גֵרְשׁ֛וֹן
(gereshon)
Gersjon
לִבְנִ֥י
(livni)
Libni
וְשִׁמְעִ֖י
(veshimi)
en Simi
לְמִשְׁפְּחֹתָֽם
(lemishpechotam)
naar hun families
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18De zonen van Kehat: Amram, Jishar, Hebron en Uzziël. De levensjaren van Kehat waren honderddrieëndertig.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
קְהָ֔ת
(qehat)
Kehat
עַמְרָ֣ם
(amram)
Amram
וְיִצְהָ֔ר
(veyitshar)
en Jishar
וְחֶבְר֖וֹן
(vechevron)
en Hebron
וְעֻזִּיאֵ֑ל
(veuziel)
en Uzziël
וּשְׁנֵי֙
(ushenei)
en de jaren van
חַיֵּ֣י
(chayei)
het leven van
קְהָ֔ת
(qehat)
Kehat
שָׁלֹ֧שׁ
(shalosh)
drie
וּשְׁלֹשִׁ֛ים
(usheloshim)
en dertig
וּמְאַ֖ת
(umeat)
en honderd
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19De zonen van Merari: Machli en Musji. Dit zijn de families van de Levieten naar hun geslachten.
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
מְרָרִ֖י
(merari)
Merari
מַחְלִ֣י
(machli)
Machli
וּמוּשִׁ֑י
(umushi)
en Musji
אֵ֛לֶּה
(ele)
dit zijn
מִשְׁפְּחֹ֥ת
(mishpechot)
de families van
הַלֵּוִ֖י
(halevi)
de Leviet
לְתֹלְדֹתָֽם
(letoledotam)
naar hun geslachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Amram nam Jochebed, zijn tante, tot vrouw, en zij beviel van Aäron en Mozes. De levensjaren van Amram waren honderdzevenendertig.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
עַמְרָ֜ם
(amram)
Amram
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹכֶ֤בֶד
(yokheved)
Jochebed
דֹּֽדָתוֹ֙
(dodato)
zijn tante
ל֣וֹ
(lo)
voor zich
לְאִשָּׁ֔ה
(leisha)
tot vrouw
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en zij baarde
ל֔וֹ
(lo)
hem
אֶֽת
(et)
(obj.)
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וּשְׁנֵי֙
(ushenei)
en de jaren van
חַיֵּ֣י
(chayei)
het leven van
עַמְרָ֔ם
(amram)
Amram
שֶׁ֧בַע
(sheva)
zeven
וּשְׁלֹשִׁ֛ים
(usheloshim)
en dertig
וּמְאַ֖ת
(umeat)
en honderd
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Later verbiedt Lev. 18:12 het huwelijk met een tante.

Lezing

דֹּדָתוֹ (dodato), ‘zijn tante’: Jochebed was een zuster van Amrams vader.

De Griekse vertaling en de Samaritaanse tekst noemen haar ‘de dochter van zijn oom (vaders broer)’ of ‘zijn nicht’.

Num. 26:59 noemt haar ‘dochter van Levi’.

Aanvullend

Jasher 67:1–2 bevestigt dit: Jochebed was de zuster van Amrams vader.

21De zonen van Jishar: Korach, Nefeg en Zichri.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en de zonen van
יִצְהָ֑ר
(yitshar)
Jishar
קֹ֥רַח
(qorach)
Korach
וָנֶ֖פֶג
(vanefeg)
en Nefeg
וְזִכְרִֽי
(vezikhri)
en Zichri
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22De zonen van Uzziël: Misjaël, Elsafan en Sitri.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en de zonen van
עֻזִּיאֵ֑ל
(uziel)
Uzziël
מִֽישָׁאֵ֥ל
(mishael)
Misjaël
וְאֶלְצָפָ֖ן
(veeltsafan)
en Elsafan
וְסִתְרִֽי
(vesitri)
en Sitri
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Aäron nam Elisjeba, de dochter van Amminadab, de zuster van Nachsjon, tot vrouw, en zij beviel van Nadab en Abihu, Eleazar en Itamar.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלִישֶׁ֧בַע
(elisheva)
Elisjeba
בַּת
(bat)
dochter van
עַמִּינָדָ֛ב
(aminadav)
Amminadab
אֲח֥וֹת
(achot)
zuster van
נַחְשׁ֖וֹן
(nachshon)
Nachsjon
ל֣וֹ
(lo)
voor zich
לְאִשָּׁ֑ה
(leisha)
tot vrouw
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en zij baarde
ל֗וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
נָדָב֙
(nadav)
Nadab
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲבִיה֔וּא
(avihu)
Abihu
אֶת
(et)
(obj.)
אֶלְעָזָ֖ר
(elazar)
Eleazar
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אִֽיתָמָֽר
(itamar)
Itamar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elisjeba, de vrouw van Aäron, is een dochter van Amminadab uit Juda en zuster van Nachsjon, de aanvoerder van Juda (Num. 1:7).

Daarmee zijn priester- en koningsgeslacht verbonden.

24De zonen van Korach: Assir, Elkana en Abiasaf. Dit zijn de families van de Korachieten.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
קֹ֔רַח
(qorach)
Korach
אַסִּ֥יר
(asir)
Assir
וְאֶלְקָנָ֖ה
(veelqana)
en Elkana
וַאֲבִיאָסָ֑ף
(vaaviasaf)
en Abiasaf
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit zijn
מִשְׁפְּחֹ֥ת
(mishpechot)
de families van
הַקָּרְחִֽי
(haqarechi)
de Korachieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Eleazar, de zoon van Aäron, nam een van de dochters van Putiël tot vrouw, en zij beviel van Pinechas. Dit zijn de hoofden van de families van de Levieten naar hun geslachten.
וְאֶלְעָזָ֨ר
(veelazar)
en Eleazar
בֶּֽן
(ben)
zoon van
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
לָקַֽח
(laqach)
nam
ל֨וֹ
(lo)
voor zich
מִבְּנ֤וֹת
(mibenot)
van de dochters van
פּֽוּטִיאֵל֙
(putiel)
Putiël
ל֣וֹ
(lo)
voor zich
לְאִשָּׁ֔ה
(leisha)
tot vrouw
וַתֵּ֥לֶד
(vateled)
en zij baarde
ל֖וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
פִּֽינְחָ֑ס
(pinechas)
Pinechas
אֵ֗לֶּה
(ele)
dit zijn
רָאשֵׁ֛י
(rashei)
de hoofden van
אֲב֥וֹת
(avot)
de vaders van
הַלְוִיִּ֖ם
(halviyim)
de Levieten
לְמִשְׁפְּחֹתָֽם
(lemishpechotam)
naar hun families
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Pinechas, de zoon van Eleazar, is de priester in Num. 25:7–13.

Mozes en Aäron

26Dit zijn Aäron en Mozes tot wie Yahweh zei: „Leid de zonen van Israël uit het land Egypte, volgens hun legerscharen.”
ה֥וּא
(hu)
dit
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
is Aäron
וּמֹשֶׁ֑ה
(umoshe)
en Mozes
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
tot wie
אָמַ֤ר
(amar)
zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לָהֶ֔ם
(lahem)
hun
הוֹצִ֜יאוּ
(hotsiu)
leidt uit
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֧י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
עַל
(al)
naar
צִבְאֹתָֽם
(tsivotam)
hun legerscharen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

‘Hun legerscharen’ (צִבְאֹתָם, tsiv’otam): Israël trekt als een leger uit, geordend naar stammen (12:41, 51).

27Zij zijn het die tot de farao, de koning van Egypte, spraken om de zonen van Israël uit Egypte te leiden. Dit zijn Mozes en Aäron.
הֵ֗ם
(hem)
zij
הַֽמְדַבְּרִים֙
(hamdaberim)
die spraken
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֣ה
(paro)
de farao
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְהוֹצִ֥יא
(lehotsi)
om uit te leiden
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מִמִּצְרָ֑יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
ה֥וּא
(hu)
dit is
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
וְאַהֲרֹֽן
(veaharon)
en Aäron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Mozes’ bezwaar

28Op de dag dat Yahweh in het land Egypte tot Mozes sprak,
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het geschiedde
בְּי֨וֹם
(beyom)
op de dag
דִּבֶּ֧ר
(diber)
dat sprak
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Met de verzen 28–30 neemt het verhaal de draad van vers 12 weer op, na de onderbreking van de stamlijsten.

Zie ookEx 6:12
29zei Yahweh tot Mozes: „Ik ben Yahweh. Zeg tot de farao, de koning van Egypte, alles wat Ik tot je zeg.”
וַיְדַבֵּ֧ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹ֖ר
(lemor)
zeggende
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
דַּבֵּ֗ר
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹה֙
(paro)
de farao
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
דֹּבֵ֥ר
(dover)
spreek
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
tot jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

30Mozes zei voor Yahweh: „Zie, ik ben onbesneden van lippen; hoe zal de farao dan naar mij luisteren?”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הֵ֤ן
(hen)
zie
אֲנִי֙
(ani)
ik
עֲרַ֣ל
(aral)
onbesneden van
שְׂפָתַ֔יִם
(sefatayim)
lippen
וְאֵ֕יךְ
(veeikh)
en hoe
יִשְׁמַ֥ע
(yishma)
zal luisteren
אֵלַ֖י
(elay)
naar mij
פַּרְעֹֽה
(paro)
de farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)