1 Korintiërs 8
Offervlees, kennis en liefde
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Over het offervlees: kennis en liefde
εἰδωλόθυτον (eidolothyton), ‘offervlees’: letterlijk ‘aan een afgod geofferd’; vlees van dieren die voor een afgod zijn geslacht.
Het Griekse woord staat hier in het meervoud (εἰδωλόθυτα). γνῶσις (gnosis), ‘kennis’. φυσιόω (physioo), ‘opblazen’: zoals in 5:2. οἰκοδομέω (oikodomeo), ‘opbouwen’: letterlijk ‘een huis bouwen’.
De woorden ‘wij weten dat wij allen kennis hebben’ lijken een uitspraak van de Korintiërs te zijn; Paulus antwoordt direct met ‘De kennis maakt opgeblazen’.
Het Grieks heeft geen aanhalingstekens; wij zetten enkele aanhalingstekens ‘…’ om dit zichtbaar te maken, zoals bij de andere leuzen in de brief (6:12–13; 7:1; 8:4). ἀγάπη (agape), ‘liefde’.
Het Grieks heeft ἔγνωσται ὑπ’ αὐτοῦ (egnostai hyp’ autou), ‘is door Hem gekend’: Elohim kent hem.
Vergelijk Gal. 4:9, ‘gekend door Elohim’.
Zie ook Gal. 4:9.
Er is één Elohim en één Heer
βρῶσις (brosis), ‘eten’; εἴδωλον (eidolon), ‘afgod’: een beeld of de godheid die het voorstelt. οὐδὲν εἴδωλον ἐν κόσμῳ (ouden eidolon en kosmo), letterlijk ‘niets een afgod in de wereld’: wij lezen ‘een afgod is niets’; het kan ook betekenen ‘er is geen afgod als werkelijkheid in de wereld’.
Ook de woorden ‘wij weten dat …’ lijken een uitspraak van de Korintiërs aan te halen, zoals in vers 1; wij zetten ze tussen enkele aanhalingstekens.
Paulus stemt in vers 6 met de inhoud in.
‘Er is geen Elohim behalve één’ klinkt als de belijdenis van Deut. 6:4.
Zie ook Deut. 6:4.
De SBLGNT markeert hier het woord ‘θεός’ (theos), ‘Elohim’: in sommige handschriften staat een andere lezing.
Wij volgen de SBLGNT.
θεοί (theoi), ‘goden’: wij schrijven kleine letter, want het gaat om wat men ‘god’ noemt. λεγόμενοι (legomenoi), ‘zogenaamd’, letterlijk ‘genoemd’. κύριοι (kyrioi), ‘heren’: kleine letter, de heren van de volken. εἴπερ (eiper), ‘ook al’, ‘als althans’.
De zin heeft geen werkwoorden bij ‘uit Wie alles’ en ‘door Wie alles’; wij schrijven ‘is’ en ‘is er’ erbij, zoals het Nederlands vraagt.
‘Elohim, de Vader’ en ‘één Heer, Yeshua de Messias’ staan naast elkaar; dit lijkt op de belijdenis van Deut. 6:4 (‘Yahweh is één’), waarin het gaat om de enige Elohim. ἐξ οὗ (ex hou), ‘uit Wie’; δι’ οὗ (di’ hou), ‘door Wie’; εἰς αὐτόν (eis auton), ‘voor/naar Hem toe’.
Zie ook Deut. 6:4; Joh. 1:3.
Het zwakke geweten
συνήθεια (synetheia), ‘gewoonte’. συνείδησις (syneidesis), ‘geweten’: letterlijk ‘mede-weten’, het innerlijk besef van goed en kwaad; wij houden ‘geweten’ overal in dit en het volgende hoofdstuk. ἀσθενής (asthenes), ‘zwak’. μολύνω (molyno), ‘bevlekken’.
De SBLGNT markeert hier het woord ‘συνηθείᾳ’ (synetheia), ‘gewoonte’: in sommige handschriften staat een andere lezing.
Wij volgen de SBLGNT.
βρῶμα (broma), ‘voedsel, spijs’. παρίστημι (paristemi), ‘voor iemand stellen’: voor Elohim brengen, voorstellen. περισσεύω (perisseuo), ‘overvloed hebben’; ὑστερέω (hystereo), ‘tekortkomen’.
Pas op voor het struikelblok
ἐξουσία (exousia), ‘recht, bevoegdheid’: hier de vrijheid van wie kennis heeft. πρόσκομμα (proskomma), ‘struikelblok’: iets waaraan men zijn voet stoot; het woord staat dicht bij σκάνδαλον (skandalon) van vers 13. ἀσθενής (asthenes), ‘zwak’.
εἰδωλεῖον (eidoleion), ‘afgodentempel’: een gebouw voor een afgod. κατάκειμαι (katakeimai), ‘aan tafel liggen’: in de oudheid lag men bij het eten. οἰκοδομέω (oikodomeo), ‘opbouwen’: hetzelfde woord als in vers 1, hier ironisch gebruikt.
Het Grieks heeft σέ (se), ‘jou’, enkelvoud: Paulus spreekt hier één persoon aan die kennis heeft.
ἀπόλλυμι (apollymi), ‘verloren laten gaan, omkomen’.
Het Grieks heeft de tegenwoordige tijd: ‘de zwakke gaat verloren’.
‘De broer omwille van wie de Messias gestorven is’: het Grieks noemt de zwakke uitdrukkelijk ‘broer’.
τύπτω (typto), ‘slaan, treffen’: het geweten wordt als het ware geslagen.
Wie de broers zo behandelt, zondigt volgens Paulus ‘tegen de Messias’. Ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: het Grieks omvat ook de zusters in de gemeente.
σκανδαλίζω (skandalizo), ‘doen struikelen’: van σκάνδαλον (skandalon), ‘struikelblok’. οὐ μή (ou me), ‘beslist niet’. κρέα (krea), ‘vlees’: hier vlees in het algemeen. εἰς τὸν αἰῶνα (eis ton aiona), ‘tot in eeuwigheid’: wij schrijven ‘nooit meer’.
Zie ook Mark. 9:42; Rom. 14:21.