Elohim Bijbel

2 Kronieken 13

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Abia wint van Jerobeam

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Abia, koning van Juda

1In het achttiende jaar van koning Jerobeam werd Abia koning over Juda.
בִּשְׁנַ֛ת
(bishnat)
in het jaar van
שְׁמוֹנֶ֥ה
(shemone)
acht
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
לַמֶּ֣לֶךְ
(lamelekh)
van koning
יָרָבְעָ֑ם
(yaraveam)
Jerobeam
וַיִּמְלֹ֥ךְ
(vayimlokh)
en hij werd koning
אֲבִיָּ֖ה
(aviya)
Abia
עַל
(al)
over
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit hoofdstuk heeft in 1 Kon. 15:1–8 een korte parallel.

Het verhaal van de berg Semaraïm, de rede van Abia en de overwinning staan alleen in de Kronieken.

אֲבִיָּה (Aviyyah), ‘Abia’: in Koningen heet hij Abijam (אֲבִיָּם, 1 Kon. 15:1). In vers 20 en 21 staat de vorm אֲבִיָּהוּ (Aviyyahu). Wij schrijven overal ‘Abia’.

Het achttiende jaar van Jerobeam: de tijdrekening is gelijk aan die van 1 Kon. 15:1.

2Hij regeerde 3 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Michaja, de dochter van Uriël uit Gibea. Er was oorlog tussen Abia en Jerobeam.
שָׁל֣וֹשׁ
(shalosh)
drie
שָׁנִ֗ים
(shanim)
jaar
מָלַךְ֙
(malakh)
hij regeerde
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en de naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
מִיכָיָ֥הוּ
(mikhayahu)
Michaja
בַת
(bat)
dochter van
אוּרִיאֵ֖ל
(uriel)
Uriël
מִן
(min)
uit
גִּבְעָ֑ה
(giva)
Gibea
וּמִלְחָמָ֥ה
(umilchama)
en oorlog
הָיְתָ֛ה
(hayeta)
was
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
אֲבִיָּ֖ה
(aviya)
Abia
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
יָרָבְעָֽם
(yaraveam)
Jerobeam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gibea (גִּבְעָה) is de naam van meer dan één plaats in Juda en Benjamin.

Het is niet zeker welke bedoeld is.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Hier heet de moeder van Abia ‘Michaja, de dochter van Uriël uit Gibea’ (מִיכָיָהוּ, Mikhayahu).

In 11:20 en 1 Kon. 15:2 heet zij Maächa, de dochter van Absalom.

Wij laten beide namen staan zoals ze staan.

Het kan om dezelfde vrouw gaan, onder twee namen; het Hebreeuws zegt dat niet.

Het leger van Abia en van Jerobeam

3Abia opende de strijd met een leger van oorlogshelden: 400.000 uitgelezen mannen. Jerobeam stelde zich met 800.000 uitgelezen mannen, dappere krijgers, in slagorde tegen hem op.
וַיֶּאְסֹ֨ר
(vayesor)
en hij opende
אֲבִיָּ֜ה
(aviya)
Abia
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּלְחָמָ֗ה
(hamilchama)
de strijd
בְּחַ֨יִל֙
(bechayil)
met leger van
גִּבּוֹרֵ֣י
(giborei)
helden van
מִלְחָמָ֔ה
(milchama)
oorlog
אַרְבַּע
(arba)
vier
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
אִ֣ישׁ
(ish)
man
בָּח֑וּר
(bachur)
uitgelezen
וְיָרָבְעָ֗ם
(veyaraveam)
en Jerobeam
עָרַ֤ךְ
(arakh)
stelde in slagorde
עִמּוֹ֙
(imo)
met hem
מִלְחָמָ֔ה
(milchama)
oorlog
בִּשְׁמוֹנֶ֨ה
(bishmone)
met acht
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
אִ֥ישׁ
(ish)
man
בָּח֖וּר
(bachur)
uitgelezen
גִּבּ֥וֹר
(gibor)
held van
חָֽיִל
(chayil)
kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּבּוֹרֵי מִלְחָמָה (gibborei milchamah), ‘oorlogshelden’, en גִּבּוֹר חַיִל (gibbor chayil), ‘dappere krijger’: twee uitdrukkingen voor sterke krijgers.

Wij vertalen de tweede als ‘dappere krijgers’, zoals elders.

בָּחוּר (bachur), ‘uitgelezen’: zie 11:1.

עָרַךְ מִלְחָמָה (arakh milchamah), ‘in slagorde opstellen’: de legers staan tegenover elkaar klaar.

De getallen zijn die van de Masoretische tekst: 400.000 tegen 800.000, en 500.000 gesneuvelden (vers 17). Wij vertalen ze letterlijk.

Abia spreekt vanaf de berg Semaraïm

4Abia stond boven op de berg Semaraïm, in het gebergte van Efraïm. Hij zei: „Luister naar mij, Jerobeam en heel Israël!
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en hij stond op
אֲבִיָּ֗ה
(aviya)
Abia
מֵעַל֙
(meal)
boven op
לְהַ֣ר
(lehar)
de berg
צְמָרַ֔יִם
(tsemarayim)
Semaraïm
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּהַ֣ר
(behar)
in het gebergte van
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שְׁמָע֖וּנִי
(shemauni)
luister naar mij
יָרָבְעָ֥ם
(yaraveam)
Jerobeam
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De berg Semaraïm ligt in het gebergte van Efraïm, in de buurt van Betel.

De precieze ligging is onzeker.

Zie ook Joz. 18:22, waar Semaraïm in het gebied van Benjamin wordt genoemd.

Zie Berg Semaraïm (ligging onzeker): De berg Semaraïm lag in het bergland van Efraïm, in de buurt van Betel.

In Jozua 18:22 ligt Semaraïm in Benjamin.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

Uitleg

De rede van Abia loopt van vers 4 tot en met vers 12.

5Jullie behoren toch te weten dat Yahweh, de Elohim van Israël, het koninkrijk over Israël voor altijd aan David heeft gegeven? Aan hem en aan zijn zonen, met een verbond van zout.
הֲלֹ֤א
(halo)
niet waar
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
לָדַ֔עַת
(ladaat)
om te weten
כִּ֞י
(ki)
dat
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
נָתַ֨ן
(natan)
gaf
מַמְלָכָ֧ה
(mamlakha)
koninkrijk
לְדָוִ֛יד
(ledavid)
aan David
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְעוֹלָ֑ם
(leolam)
voor altijd
ל֥וֹ
(lo)
aan hem
וּלְבָנָ֖יו
(ulevanav)
en aan zijn zonen
בְּרִ֥ית
(berit)
verbond van
מֶֽלַח
(melach)
zout
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּרִית מֶלַח (berit melach), ‘verbond van zout’: zout bewaart en vergaat niet; het verbond blijft dus.

Zie ook Num. 18:19.

Het verbond met David staat in 2 Sam. 7:12–16 en 1 Kron. 17:11–14. In Num. 18:19 gaat het over de heffingen voor de priesters.

מַמְלָכָה (mamlakhah), ‘koninkrijk’: de koninklijke heerschappij.

6Maar Jerobeam, de zoon van Nebat, de dienaar van Salomo, de zoon van David, stond op. Hij kwam in opstand tegen zijn heer.
וַיָּ֨קָם֙
(vayaqam)
en hij stond op
יָרָבְעָ֣ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֔ט
(nevat)
Nebat
עֶ֖בֶד
(eved)
dienaar van
שְׁלֹמֹ֣ה
(shelomo)
Salomo
בֶן
(ben)
zoon van
דָּוִ֑יד
(david)
David
וַיִּמְרֹ֖ד
(vayimrod)
en hij kwam in opstand
עַל
(al)
tegen
אֲדֹנָֽיו
(adonav)
zijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶבֶד (eved), ‘dienaar’: Jerobeam was een hoge beambte van Salomo (1 Kon. 11:26–28).

‘Zijn heer’ is Salomo; zie 1 Kon. 11:26.

7Er verzamelden zich bij hem mannen zonder waarde, zonen van Belial. Zij maakten zich sterk tegen Rechabeam, de zoon van Salomo. Rechabeam was een jongen en week van hart. Hij hield tegenover hen geen stand.
וַיִּקָּבְצ֣וּ
(vayiqavetsu)
en zij verzamelden zich
עָלָ֗יו
(alav)
bij hem
אֲנָשִׁ֤ים
(anashim)
mannen
רֵקִים֙
(reqim)
waardeloze
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
בְלִיַּ֔עַל
(beliyaal)
Belial
וַיִּֽתְאַמְּצ֖וּ
(vayitametsu)
en zij maakten zich sterk
עַל
(al)
tegen
רְחַבְעָ֣ם
(rechavam)
Rechabeam
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁלֹמֹ֑ה
(shelomo)
Salomo
וּרְחַבְעָ֗ם
(urechavam)
en Rechabeam
הָ֤יָה
(haya)
was
נַ֨עַר֙
(naar)
jongen
וְרַךְ
(verakh)
en week van
לֵבָ֔ב
(levav)
hart
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הִתְחַזַּ֖ק
(hitchazaq)
maakte zich sterk
לִפְנֵיהֶֽם
(lifneihem)
tegenover hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֵקִים (reqim), ‘mannen zonder waarde’: letterlijk ‘lege mannen’.

בְּנֵי בְלִיַּעַל (bnei beliyya’al), ‘zonen van Belial’: letterlijk ‘zonen van waardeloosheid’, zie Deut. 13:14.

נַעַר (na’ar), ‘jongen’: ook ‘jongeman’ of ‘onervaren’. Rechabeam was 41 jaar toen hij koning werd (12:13). ‘Jongen’ betekent hier dat hij onervaren was en niet standhield.

רַךְ לֵבָב (rakh levav), ‘week van hart’: zonder moed of vastberadenheid.

8En nu zeggen jullie dat jullie je sterk zullen maken tegenover het koninkrijk van Yahweh, dat in de hand van de zonen van David is. Jullie zijn een grote menigte. En bij jullie zijn de gouden kalveren die Jerobeam voor jullie tot goden heeft gemaakt.
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
אֹֽמְרִ֗ים
(omerim)
zeggen
לְהִתְחַזֵּק֙
(lehitchazeq)
om jezelf sterk te maken
לִפְנֵי֙
(lifnei)
tegenover
מַמְלֶ֣כֶת
(mamlekhet)
het koninkrijk van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַ֖ד
(beyad)
in de hand van
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
דָוִ֑יד
(david)
David
וְאַתֶּם֙
(veatem)
en jullie
הָמ֣וֹן
(hamon)
menigte
רָ֔ב
(rav)
groot
וְעִמָּכֶם֙
(veimakhem)
en met jullie
עֶגְלֵ֣י
(eglei)
kalveren van
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
עָשָׂ֥ה
(asa)
maakte
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
יָרָבְעָ֖ם
(yaraveam)
Jerobeam
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
tot goden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶגְלֵי זָהָב (eglei zahav), ‘gouden kalveren’: de kalveren die Jerobeam in Betel en Dan liet zetten (1 Kon. 12:28–30).

Abia noemt ze ‘goden’ (לֵאלֹהִים, le’elohim) voor wie ze maakte.

Het zijn voor Abia geen Elohim.

הִתְחַזֵּק (hitchazzeq), ‘zich sterk maken’: tegenover het koninkrijk van Yahweh. Dat is het koningschap van het huis van David.

9Hebben jullie niet de priesters van Yahweh verjaagd, de zonen van Aäron, en de Levieten? Hebben jullie niet priesters voor jullie gemaakt, zoals de volken van de landen? Iedereen die komt om zich in te laten wijden met een jonge stier en zeven rammen, wordt priester voor wat geen goden zijn.
הֲלֹ֤א
(halo)
niet waar
הִדַּחְתֶּם֙
(hidachtem)
jullie hebben verjaagd
אֶת
(et)
(obj.)
כֹּהֲנֵ֣י
(kohanei)
de priesters van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
וְהַלְוִיִּ֑ם
(vehalviyim)
en de Levieten
וַתַּעֲשׂ֨וּ
(vataasu)
en jullie hebben gemaakt
לָכֶ֤ם
(lakhem)
voor jullie
כֹּהֲנִים֙
(kohanim)
priesters
כְּעַמֵּ֣י
(keamei)
zoals de volken van
הָאֲרָצ֔וֹת
(haaratsot)
de landen
כָּל
(kal)
ieder
הַבָּ֗א
(haba)
die komt
לְמַלֵּ֨א
(lemale)
om te vullen
יָד֜וֹ
(yado)
zijn hand
בְּפַ֤ר
(befar)
met een stier
בֶּן
(ben)
zoon van
בָּקָר֙
(baqar)
rund
וְאֵילִ֣ם
(veeilim)
en rammen
שִׁבְעָ֔ה
(shiva)
zeven
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en hij werd
כֹהֵ֖ן
(kohen)
priester
לְלֹ֥א
(lelo)
voor wat niet is
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
goden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִלֵּא יָדוֹ (mille yado), ‘zijn hand vullen’: dit betekent ‘inwijden’ (Exod. 29:9; Lev. 8:33).

Volgens Abia kan bij Jerobeam iedereen priester worden die komt met een jonge stier en zeven rammen.

Vergelijk 1 Kon. 12:31 en 13:33.

בְּנֵי אַהֲרֹן (bnei Aharon), ‘zonen van Aäron’: de priesters; de Levieten zijn de anderen uit de stam Levi.

הִדִּיחַ (hiddiach), ‘verjagen’: letterlijk ‘wegdrijven’. Zie 11:13–14.

לָלֹא אֱלֹהִים (lo Elohim), ‘wat geen goden zijn’: letterlijk ‘voor niet-goden’.

10Maar wij: Yahweh is onze Elohim, en wij hebben Hem niet verlaten. De priesters die Yahweh dienen zijn zonen van Aäron, en de Levieten zijn bij het werk.
וַאֲנַ֛חְנוּ
(vaanachnu)
en wij
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
עֲזַבְנֻ֑הוּ
(azavnuhu)
wij hebben verlaten Hem
וְכֹ֨הֲנִ֜ים
(vekhohanim)
en priesters
מְשָׁרְתִ֤ים
(mesharetim)
die dienen
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
Yahweh
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
וְהַלְוִיִּ֖ם
(vehalviyim)
en de Levieten
בַּמְלָֽאכֶת
(bamlakhet)
bij het werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier beschrijft Abia de dienst in Jeruzalem.

In vers 11 worden de vaste onderdelen genoemd.

בַּמְּלָאכָה (bammelakhah), ‘bij het werk’: de Levieten verrichten de taken in het heiligdom. Het Hebreeuws zegt niet meer.

11Zij laten voor Yahweh brandoffers opgaan in rook, elke ochtend en elke avond, en welriekende wierook. Het toonbrood ligt op de zuivere tafel. De gouden kandelaar met zijn lampen laten zij elke avond branden. Want wij houden de wacht van Yahweh, onze Elohim. Maar jullie hebben Hem verlaten.
וּמַקְטִרִ֣ים
(umaqtirim)
en die laten opgaan in rook
לַיהוָ֡ה
(laYahweh)
voor Yahweh
עֹל֣וֹת
(olot)
brandoffers
בַּבֹּֽקֶר
(baboqer)
in de ochtend
בַּבֹּ֣קֶר
(baboqer)
in de ochtend
וּבָעֶֽרֶב
(uvaerev)
en in de avond
בָּעֶ֣רֶב
(baerev)
in de avond
וּקְטֹֽרֶת
(uqetoret)
en wierook van
סַמִּים֩
(samim)
specerijen
וּמַעֲרֶ֨כֶת
(umaarekhet)
en rij van
לֶ֜חֶם
(lechem)
brood
עַל
(al)
op
הַשֻּׁלְחָ֣ן
(hashulchan)
de tafel
הַטָּה֗וֹר
(hatahor)
de zuivere
וּמְנוֹרַ֨ת
(umenorat)
en kandelaar van
הַזָּהָ֤ב
(hazahav)
het goud
וְנֵרֹתֶ֨יהָ֙
(veneroteiha)
en zijn lampen
לְבָעֵר֙
(levaer)
om te laten branden
בָּעֶ֣רֶב
(baerev)
in de avond
בָּעֶ֔רֶב
(baerev)
in de avond
כִּֽי
(ki)
want
שֹׁמְרִ֣ים
(shomerim)
bewakers
אֲנַ֔חְנוּ
(anachnu)
wij
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁמֶ֖רֶת
(mishmeret)
wacht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וְאַתֶּ֖ם
(veatem)
en jullie
עֲזַבְתֶּ֥ם
(azavtem)
hebben verlaten
אֹתֽוֹ
(oto)
Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹלוֹת (olot), ‘brandoffers’: elke ochtend en elke avond, zoals Exod. 29:38–42.

De herhaling בַּבֹּקֶר בַּבֹּקֶר (baboqer baboqer), ‘in de ochtend, in de ochtend’, betekent ‘elke ochtend’.

קְטֹרֶת סַמִּים (qetoret sammim), ‘welriekende wierook’: Exod. 30:7.

מַעֲרֶכֶת לֶחֶם (ma’arekhet lechem), ‘rij van brood’: het toonbrood, in rijen op de zuivere tafel. Zie Lev. 24:5–9 en Exod. 25:30.

מְנוֹרַת הַזָּהָב (menorat hazzahav), ‘de gouden kandelaar’ met zijn lampen: Lev. 24:2–4.

מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘wacht’: wat Yahweh te bewaken heeft opgedragen; zie Lev. 8:35 en Num. 3:7.

12Zie, Elohim is met ons, aan het hoofd. Zijn priesters zijn er ook, en de trompetten voor het schallende signaal, om het signaal tegen jullie te blazen. Zonen van Israël, strijd niet tegen Yahweh, de Elohim van jullie vaderen, want het zal jullie niet lukken.”
וְהִנֵּה֩
(vehine)
en zie
עִמָּ֨נוּ
(imanu)
met ons
בָרֹ֜אשׁ
(barosh)
aan het hoofd
הָאֱלֹהִ֧ים
(haElohim)
de Elohim
וְכֹהֲנָ֛יו
(vekhohanav)
en Zijn priesters
וַחֲצֹצְר֥וֹת
(vachatsotserot)
en trompetten van
הַתְּרוּעָ֖ה
(haterua)
het schallende signaal
לְהָרִ֣יעַ
(leharia)
om te blazen
עֲלֵיכֶ֑ם
(aleikhem)
tegen jullie
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אַל
(al)
niet
תִּלָּֽחֲמ֛וּ
(tilachamu)
strijdt
עִם
(im)
tegen
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵֽי
(elohei)
de Elohim van
אֲבֹתֵיכֶ֖ם
(avoteikhem)
jullie vaderen
כִּי
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
תַצְלִֽיחוּ
(tatslichu)
jullie zult slagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּרוּעָה (teru’ah), ‘schallend signaal’: de trompetten van Num. 10:9, bij oorlog.

Zie ook Num. 10:8: de zonen van Aäron blazen op de trompetten.

אַל־תִּלָּחֲמוּ עִם־יְהוָה (al tillachamu im Yahweh), ‘strijd niet tegen Yahweh’: wie tegen Juda en zijn priesters strijdt, strijdt volgens Abia tegen Yahweh.

Het slot van Abia’s rede. De aanhalingstekens sluiten hier.

De hinderlaag van Jerobeam

13Jerobeam liet de hinderlaag omtrekken, zodat die van achteren op hen kwam. Zij zelf stonden voor Juda, en de hinderlaag was achter hen.
וְיָֽרָבְעָ֗ם
(veyaraveam)
en Jerobeam
הֵסֵב֙
(hesev)
liet omtrekken
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּאְרָ֔ב
(hamarav)
de hinderlaag
לָב֖וֹא
(lavo)
om te komen
מֵֽאַחֲרֵיהֶ֑ם
(meachareihem)
van achter hen
וַיִּֽהְיוּ֙
(vayihyu)
en zij waren
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וְהַמַּאְרָ֖ב
(vehamarav)
en de hinderlaag
מֵאַחֲרֵיהֶֽם
(meachareihem)
achter hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמְאָרָב (hamma’arav), ‘de hinderlaag’: een deel van het leger van Jerobeam dat zich verborgen had gehouden.

Het werd rond het leger van Juda geleid, zodat Juda van twee kanten werd omsingeld.

14Juda keerde zich om, en zie: de strijd kwam hun tegemoet van voren en van achteren. Zij riepen in nood tot Yahweh. De priesters bliezen op de trompetten.
וַיִּפְנ֣וּ
(vayifnu)
en zij keerden zich om
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
לָהֶ֤ם
(lahem)
voor hen
הַמִּלְחָמָה֙
(hamilchama)
de strijd
פָּנִ֣ים
(panim)
voorkant
וְאָח֔וֹר
(veachor)
en achterkant
וַֽיִּצְעֲק֖וּ
(vayitsaqu)
en zij riepen in nood
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
tot Yahweh
וְהַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(vehakohanim)
en de priesters
מַחְצְרִ֖ים
(machtserim)
bliezen
בַּחֲצֹצְרֽוֹת
(bachatsotserot)
op de trompetten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּצְעֲקוּ (wayyits’aqu), ‘zij riepen in nood’: het werkwoord hoort bij de noodkreet (za’aqah).

Zie ook 14:10.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft מחצצרים (machatsetsrim), de voorgelezen tekst (qere) heeft מַחְצְרִים (machtsrim).

Beide betekenen ‘zij die op de trompetten blazen’.

Wij volgen de qere.

Elohim geeft de overwinning

15De mannen van Juda hieven de krijgskreet aan. Toen de mannen van Juda de krijgskreet aanhieven, sloeg Elohim Jerobeam en heel Israël voor Abia en Juda.
וַיָּרִ֖יעוּ
(vayariu)
en zij hieven de krijgskreet aan
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בְּהָרִ֨יעַ֙
(beharia)
bij het aanheffen van de krijgskreet
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וְהָאֱלֹהִ֗ים
(vehaelohim)
en de Elohim
נָגַ֤ף
(nagaf)
sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
יָֽרָבְעָם֙
(yaraveam)
Jerobeam
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
אֲבִיָּ֖ה
(aviya)
Abia
וִיהוּדָֽה
(vihuda)
en Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵרִיעַ (heri’a), ‘de krijgskreet aanheffen’: het werkwoord hoort bij תְּרוּעָה (teru’ah, vers 12).

Bij de trompetten is het een ‘signaal’, bij mensen een krijgskreet.

נָגַף (nagaf), ‘slaan’: Elohim zelf slaat de vijand; zie ook 14:11.

16De zonen van Israël vluchtten voor Juda. Elohim gaf hen in hun hand.
וַיָּנ֥וּסוּ
(vayanusu)
en zij vluchtten
בְנֵי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיִּתְּנֵ֥ם
(vayitenem)
en Hij gaf hen
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
בְּיָדָֽם
(beyadam)
in hun hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Abia en zijn volk sloegen hen met een zware slag. Uit Israël vielen 500.000 uitgelezen mannen, gesneuveld.
וַיַּכּ֥וּ
(vayaku)
en zij sloegen
בָהֶ֛ם
(bahem)
onder hen
אֲבִיָּ֥ה
(aviya)
Abia
וְעַמּ֖וֹ
(veamo)
en zijn volk
מַכָּ֣ה
(maka)
slag
רַבָּ֑ה
(raba)
groot
וַיִּפְּל֤וּ
(vayipelu)
en zij vielen
חֲלָלִים֙
(chalalim)
gesneuvelden
מִיִּשְׂרָאֵ֔ל
(miyisrael)
uit Israël
חֲמֵשׁ
(chamesh)
vijf
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
אִ֥ישׁ
(ish)
man
בָּחֽוּר
(bachur)
uitgelezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲלָלִים (chalalim), ‘gesneuvelden’: doodgeslagenen in de strijd.

18In die tijd werden de zonen van Israël onderworpen. De zonen van Juda werden sterk, want zij steunden op Yahweh, de Elohim van hun vaderen.
וַיִּכָּנְע֥וּ
(vayikaneu)
en zij werden onderworpen
בְנֵי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בָּעֵ֣ת
(baet)
in tijd
הַהִ֑יא
(hahi)
die
וַיֶּֽאֶמְצוּ֙
(vayeemtsu)
en zij werden sterk
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
כִּ֣י
(ki)
want
נִשְׁעֲנ֔וּ
(nishanu)
zij steunden
עַל
(al)
op
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
אֲבוֹתֵיהֶֽם
(avoteihem)
hun vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּכָּנְעוּ (wayyikkane’u), ‘zij werden onderworpen’: dezelfde stam van het werkwoord als in 12:6, 12:7 en 12:12, maar hier worden de zonen van Israël verslagen en onderworpen.

נִשְׁעֲנוּ עַל־יְהוָה (nish’anu al Yahweh), ‘zij steunden op Yahweh’: zie ook 14:10.

19Abia achtervolgde Jerobeam. Hij nam steden van hem in: Betel met de dorpen eromheen, Jesjana met de dorpen eromheen en Efraïn met de dorpen eromheen.
וַיִּרְדֹּ֣ף
(vayirdof)
en hij achtervolgde
אֲבִיָּה֮
(aviya)
Abia
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
יָרָבְעָם֒
(yaraveam)
Jerobeam
וַיִּלְכֹּ֤ד
(vayilkod)
en hij nam in
מִמֶּ֨נּוּ֙
(mimenu)
van hem
עָרִ֔ים
(arim)
steden
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵל֙
(el)
El
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנוֹתֶ֔יהָ
(benoteiha)
haar dochters
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְשָׁנָ֖ה
(yeshana)
Jesjana
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנוֹתֶ֑יהָ
(benoteiha)
haar dochters
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֶפְרַ֖יִן
(efrayin)
Efraïn
וּבְנֹתֶֽיהָ
(uvenoteiha)
en haar dochters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betel ligt bij Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

Dat is waarschijnlijk.

Zie Jesjana (ligging onzeker): Jesjana lag ten noorden van Betel.

Burj el-Isaneh is voorgesteld.

Dit is niet zeker.

Zie Efraïn (ligging onzeker): Efraïn (in de geschreven tekst Efron) lag ten noordoosten van Betel.

Et-Taiyibeh is voorgesteld.

Dit is niet zeker.

Jesjana (יְשָׁנָה) is een plaats in de buurt van Betel. De ligging is onzeker; sommigen zoeken haar bij Burj el-Isaneh, ten noorden van Betel. Efraïn ligt waarschijnlijk in dezelfde streek, bij et-Taiyibeh, ten noordoosten van Betel. De ligging is onzeker.

Uitleg

בְּנוֹתֶיהָ (benoteha), ‘haar dochters’: de dorpen rondom een stad, die van haar afhangen; zie 1 Kron. 18:1.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft עֶפְרוֹן (Efron), de voorgelezen tekst (qere) heeft עֶפְרַיִן (Efrayin).

Wij volgen de qere en schrijven ‘Efraïn’.

20Jerobeam behield in de dagen van Abia geen kracht meer. Yahweh trof hem, en hij stierf.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
עָצַ֧ר
(atsar)
hield vast
כֹּֽחַ
(koach)
kracht van
יָרָבְעָ֛ם
(yaraveam)
Jerobeam
ע֖וֹד
(od)
meer
בִּימֵ֣י
(bimei)
in de dagen van
אֲבִיָּ֑הוּ
(aviyahu)
Abia
וַיִּגְּפֵ֥הוּ
(vayigefehu)
en Hij trof hem
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּמֹֽת
(vayamot)
en hij stierf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws noemt de man die door Yahweh getroffen werd niet bij naam.

Wij nemen aan dat het Jerobeam is, het onderwerp van de zin ervoor.

In 1 Kon. 14:20 regeert Jerobeam 22 jaar; zijn dood kwam dus na de dagen van Abia.

Het Hebreeuws heeft hier de langere vorm ‘Abijahu’ (אֲבִיָּהוּ); zie bij vers 1.

21Abia werd sterk. Hij nam 14 vrouwen en verwekte 22 zonen en 16 dochters.
וַיִּתְחַזֵּ֣ק
(vayitchazeq)
en hij werd sterk
אֲבִיָּ֔הוּ
(aviyahu)
Abia
וַיִּ֨שָּׂא
(vayisa)
en hij nam
ל֔וֹ
(lo)
voor zich
נָשִׁ֖ים
(nashim)
vrouwen
אַרְבַּ֣ע
(arba)
vier
עֶשְׂרֵ֑ה
(esre)
tien
וַיּ֗וֹלֶד
(vayoled)
en hij verwekte
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
twintig
וּשְׁנַ֨יִם֙
(ushenayim)
en twee
בָּנִ֔ים
(banim)
zonen
וְשֵׁ֥שׁ
(veshesh)
en zes
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
בָּנֽוֹת
(banot)
dochters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het aantal vrouwen en kinderen staat alleen hier.

Het laat zien dat Abia sterk was.

Vergelijk 11:21.

Het einde van Abia

22De rest van de geschiedenis van Abia, zijn wegen en zijn woorden, staat geschreven in het geschrift van de profeet Iddo.
וְיֶ֨תֶר֙
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de geschiedenis van
אֲבִיָּ֔ה
(aviya)
Abia
וּדְרָכָ֖יו
(uderakhav)
en zijn wegen
וּדְבָרָ֑יו
(udevarav)
en zijn woorden
כְּתוּבִ֕ים
(ketuvim)
geschreven
בְּמִדְרַ֖שׁ
(bemidrash)
in het geschrift van
הַנָּבִ֥יא
(hanavi)
de profeet
עִדּֽוֹ
(ido)
Iddo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִדְרָשׁ (midrash), ‘geschrift’: letterlijk ‘onderzoek’ of ‘uitleg’.

De profeet Iddo wordt ook in 12:15 genoemd.

Koningen verwijst voor Abijam naar ‘het dagboek van de koningen van Juda’ (1 Kon. 15:7).

De Kronieken verwijzen naar het geschrift van Iddo.

23Abia ging liggen bij zijn vaderen. Zij begroeven hem in de stad van David. Zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen had het land rust, tien jaar lang.
וַיִּשְׁכַּ֨ב
(vayishkav)
en hij ging liggen
אֲבִיָּ֜ה
(aviya)
Abia
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֗יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּקְבְּר֤וּ
(vayiqberu)
en zij begroeven
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
בְּעִ֣יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֔יד
(david)
David
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en hij werd koning
אָסָ֥א
(asa)
Asa
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּ֑יו
(tachtav)
in zijn plaats
בְּיָמָ֛יו
(beyamav)
in zijn dagen
שָׁקְטָ֥ה
(shaqeta)
had rust
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
עֶ֥שֶׂר
(eser)
tien
שָׁנִֽים
(shanim)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Dit is Hebr. 13:23.

In de Nederlandse telling is dit 14:1; de Hebreeuwse verzen 14:1–14 zijn in de Nederlandse telling 14:2–15.

שָׁקְטָה הָאָרֶץ (shaqetah ha’arets), ‘het land had rust’: zo ook Richt. 3:30.

Dit vers komt overeen met 1 Kon. 15:8.