Jonatan verslaat de Filistijnen; Saul zweert een eed
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jonatan en zijn wapendrager
1Op een dag zei Jonatan, de zoon van Saul, tegen de jongen die zijn wapens droeg: „Kom. Laten we oversteken naar de wachtpost van de Filistijnen. Die staat daar aan de overkant.” Maar zijn vader vertelde hij het niet.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
הַיּ֗וֹם
(hayom)
op de dag
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יוֹנָתָ֤ן
(yonatan)
Jonatan
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tegen
הַנַּ֨עַר֙
(hanaar)
de jongen
נֹשֵׂ֣א
(nose)
die droeg
כֵלָ֔יו
(kelav)
zijn wapens
לְכָ֗ה
(lekha)
kom
וְנַעְבְּרָה֙
(venabera)
en laten we oversteken
אֶל
(el)
naar
מַצַּ֣ב
(matsav)
de wachtpost van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
מֵעֵ֣בֶר
(meever)
aan de overkant
הַלָּ֑ז
(halaz)
daar
וּלְאָבִ֖יו
(uleaviv)
en aan zijn vader
לֹ֥א
(lo)
niet
הִגִּֽיד
(higid)
vertelde hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
3Achia, de zoon van Achitub, de broer van Ikabod, de zoon van Pinechas, de zoon van Eli, was de priester van Yahweh in Silo. Hij droeg een efod. Het volk wist niet dat Jonatan was weggegaan.
וַאֲחִיָּ֣ה
(vaachiya)
en Achia
בֶן
(ben)
zoon van
אֲחִט֡וּב
(achituv)
Achitub
אֲחִ֡י
(achi)
broer van
אִיכָב֣וֹד
(ikhavod)
Ikabod
בֶּן
(ben)
zoon van
פִּינְחָ֨ס
(pinechas)
Pinechas
בֶּן
(ben)
zoon van
עֵלִ֜י
(eli)
Eli
כֹּהֵ֧ן
(kohen)
priester van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּשִׁל֖וֹ
(beshilo)
in Silo
נֹשֵׂ֣א
(nose)
droeg
אֵפ֑וֹד
(efod)
een efod
וְהָעָם֙
(vehaam)
en het volk
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדַ֔ע
(yada)
wist
כִּ֥י
(ki)
dat
הָלַ֖ךְ
(halakh)
was gegaan
יוֹנָתָֽן
(yonatan)
Jonatan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Silo lag in het bergland van Efraïm, bij het huidige Khirbet Seilun (Westelijke Jordaanoever), ongeveer 30 kilometer ten noorden van Jeruzalem.
Uitleg
אֵפוֹד (efod): een priesterkleed met een borstschild.
Zie Exod. 28:6–14.
אִיכָבוֹד (Ikabod): de naam hangt samen met het woord כָּבוֹד (kavod), ‘eer’. Zie 1 Sam. 4:21.
Het Hebreeuws zegt ‘Achia, zoon van Achitub, broer van Ikabod, zoon van Pinechas, zoon van Eli’. Of ‘zoon van Pinechas’ bij Achitub of bij Ikabod hoort, staat er niet bij. Achia lijkt dezelfde als Achimelech, de zoon van Achitub (1 Sam. 21:2; 22:9), maar dat is niet zeker.
4Jonatan wilde oversteken naar de wachtpost van de Filistijnen. Tussen de doorgangen daar lag aan de ene kant een rotspunt en aan de andere kant een rotspunt. De ene heette Botsets en de andere Sene.
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הַֽמַּעְבְּר֗וֹת
(hamaberot)
de doorgangen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
בִּקֵּ֤שׁ
(biqesh)
zocht
יֽוֹנָתָן֙
(yonatan)
Jonatan
לַֽעֲבֹר֙
(laavor)
om over te steken
עַל
(al)
naar
מַצַּ֣ב
(matsav)
de wachtpost van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
שֵׁן
(shen)
rotspunt van
הַסֶּ֤לַע
(hasela)
de rots
מֵהָעֵ֨בֶר֙
(mehaever)
aan de kant
מִזֶּ֔ה
(mize)
hier
וְשֵׁן
(veshen)
en rotspunt van
הַסֶּ֥לַע
(hasela)
de rots
מֵהָעֵ֖בֶר
(mehaever)
aan de kant
מִזֶּ֑ה
(mize)
daar
וְשֵׁ֤ם
(veshem)
en de naam van
הָֽאֶחָד֙
(haechad)
de ene
בּוֹצֵ֔ץ
(botsets)
Botsets
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
הָאֶחָ֖ד
(haechad)
de andere
סֶֽנֶּה
(sene)
Sene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De twee rotspunten lagen aan weerszijden van het dal tussen Mikmas (noordzijde) en Geba (zuidzijde): het huidige Wadi es-Suwenit, ten noordoosten van Jeruzalem.
De ligging is waarschijnlijk, maar niet zeker.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Zie Botsets en Sene: Botsets en Sene zijn de twee rotspunten aan weerszijden van de Wadi es-Suwenit, tussen Mikmas in het noorden en Geba in het zuiden.
Uitleg
סֶנֶּה (Sene) lijkt op het woord סְנֶה (sene), ‘braamstruik’, uit Exod. 3:2.
De betekenis van de naam Botsets (בּוֹצֵץ) is onzeker.
5De ene rotspunt stond als een steile rots aan de noordkant, tegenover Mikmas. De andere stond aan de zuidkant, tegenover Geba.
הַשֵּׁ֧ן
(hashen)
de rotspunt
הָאֶחָ֛ד
(haechad)
de ene
מָצ֥וּק
(matsuq)
een steile rots
מִצָּפ֖וֹן
(mitsafon)
in het noorden
מ֣וּל
(mul)
tegenover
מִכְמָ֑שׂ
(mikhmas)
Mikmas
וְהָאֶחָ֥ד
(vehaechad)
en de ene
מִנֶּ֖גֶב
(minegev)
in het zuiden
מ֥וּל
(mul)
tegenover
גָּֽבַע
(gava)
Geba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba.
De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen.
Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin.
„Misschien zal Yahweh voor ons handelen”
6Jonatan zei tegen de jongen die zijn wapens droeg: „Kom, laten we oversteken naar de wachtpost van deze onbesnedenen. Misschien zal Yahweh voor ons handelen. Want niets belet Yahweh om te redden, door velen of door weinigen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוֹנָתָ֜ן
(yehonatan)
Jonatan
אֶל
(el)
tegen
הַנַּ֣עַר
(hanaar)
de jongen
נֹשֵׂ֣א
(nose)
die droeg
כֵלָ֗יו
(kelav)
zijn wapens
לְכָה֙
(lekha)
kom
וְנַעְבְּרָ֗ה
(venabera)
en laten we oversteken
אֶל
(el)
naar
מַצַּב֙
(matsav)
de wachtpost van
הָעֲרֵלִ֣ים
(haarelim)
de onbesnedenen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
אוּלַ֛י
(ulay)
misschien
יַעֲשֶׂ֥ה
(yaase)
zal handelen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֑נוּ
(lanu)
voor ons
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֤ין
(ein)
niet is er
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
מַעְצ֔וֹר
(matsor)
belemmering
לְהוֹשִׁ֥יעַ
(lehoshia)
om te redden
בְּרַ֖ב
(berav)
door velen
א֥וֹ
(o)
of
בִמְעָֽט
(bimat)
door weinigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲרֵלִים (arelim), ‘onbesnedenen’: mannen die niet besneden zijn.
Besnijdenis was het teken van het verbond (Gen. 17:10–14).
Israël gebruikt het woord voor de Filistijnen.
מַעְצוֹר (maatsor), ‘belemmering’: iets dat Yahweh kan tegenhouden. Het woord komt van het werkwoord ‘tegenhouden’.
11Zij lieten zich beiden zien aan de wachtpost van de Filistijnen. De Filistijnen zeiden: „Zie, Hebreeën komen tevoorschijn uit de holen waar zij zich hadden verstopt.”
וַיִּגָּל֣וּ
(vayigalu)
en lieten zich zien
שְׁנֵיהֶ֔ם
(sheneihem)
die twee
אֶל
(el)
aan
מַצַּ֖ב
(matsav)
de wachtpost van
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
עִבְרִים֙
(ivrim)
Hebreeën
יֹֽצְאִ֔ים
(yotseim)
komen tevoorschijn
מִן
(min)
uit
הַחֹרִ֖ים
(hachorim)
de holen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
הִתְחַבְּאוּ
(hitchabeu)
zij zich hadden verstopt
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
12De mannen van de post antwoordden Jonatan en zijn wapendrager en zeiden: „Kom naar ons omhoog, dan laten wij jullie iets weten.” Jonatan zei tegen zijn wapendrager: „Kom omhoog, achter mij aan, want Yahweh heeft hen in de hand van Israël gegeven.”
וַיַּעֲנוּ֩
(vayaanu)
en antwoordden
אַנְשֵׁ֨י
(anshei)
de mannen van
הַמַּצָּבָ֜ה
(hamatsava)
de post
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹנָתָ֣ן
(yonatan)
Jonatan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נֹשֵׂ֣א
(nose)
de drager van
כֵלָ֗יו
(kelav)
zijn wapens
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
עֲל֣וּ
(alu)
kom omhoog
אֵלֵ֔ינוּ
(eleinu)
naar ons
וְנוֹדִ֥יעָה
(venodia)
en wij laten weten
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
דָּבָ֑ר
(davar)
iets
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יוֹנָתָ֜ן
(yonatan)
Jonatan
אֶל
(el)
tegen
נֹשֵׂ֤א
(nose)
de drager van
כֵלָיו֙
(kelav)
zijn wapens
עֲלֵ֣ה
(ale)
kom omhoog
אַחֲרַ֔י
(acharay)
achter mij
כִּֽי
(ki)
want
נְתָנָ֥ם
(netanam)
heeft hen gegeven
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַ֥ד
(beyad)
in de hand van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Jonatan klom omhoog op handen en voeten, en zijn wapendrager achter hem aan. De Filistijnen vielen voor Jonatan neer, en zijn wapendrager doodde hen achter hem.
וַיַּ֣עַל
(vayaal)
en klom omhoog
יוֹנָתָ֗ן
(yonatan)
Jonatan
עַל
(al)
op
יָדָיו֙
(yadav)
zijn handen
וְעַל
(veal)
en op
רַגְלָ֔יו
(raglav)
zijn voeten
וְנֹשֵׂ֥א
(venose)
en de drager van
כֵלָ֖יו
(kelav)
zijn wapens
אַחֲרָ֑יו
(acharav)
achter hem
וַֽיִּפְּלוּ֙
(vayipelu)
en zij vielen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
יוֹנָתָ֔ן
(yonatan)
Jonatan
וְנֹשֵׂ֥א
(venose)
en de drager van
כֵלָ֖יו
(kelav)
zijn wapens
מְמוֹתֵ֥ת
(memotet)
doodde
אַחֲרָֽיו
(acharav)
achter hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
14Bij de eerste slag die Jonatan en zijn wapendrager uitdeelden, vielen ongeveer 20 man. Dat gebeurde op een stuk land zo groot als een halve voor van een span ossen.
וַתְּהִ֞י
(vatehi)
en was
הַמַּכָּ֣ה
(hamaka)
de slag
הָרִאשֹׁנָ֗ה
(harishona)
de eerste
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הִכָּ֧ה
(hika)
sloeg
יוֹנָתָ֛ן
(yonatan)
Jonatan
וְנֹשֵׂ֥א
(venose)
en de drager van
כֵלָ֖יו
(kelav)
zijn wapens
כְּעֶשְׂרִ֣ים
(keesrim)
ongeveer twintig
אִ֑ישׁ
(ish)
man
כְּבַחֲצִ֥י
(kevachatsi)
ongeveer de helft van
מַעֲנָ֖ה
(maana)
een voor
צֶ֥מֶד
(tsemed)
een span
שָׂדֶֽה
(sade)
akker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַעֲנָה (maana), ‘voor’ (ploegvoor) en צֶמֶד (tsemed), ‘span’: een span ossen ploegde in een dag een bepaald stuk land.
De zin is moeilijk en de woorden komen maar hier voor.
Het gaat om een klein stuk land.
De maat is niet vast te stellen.
Verwarring in het kamp van de Filistijnen
15Er kwam schrik in het kamp, in het veld en onder heel het volk. De post en de verwoesters beefden ook. De aarde beefde, en het werd een schrik van Elohim.
וַתְּהִי֩
(vatehi)
en kwam
חֲרָדָ֨ה
(charada)
schrik
בַמַּחֲנֶ֤ה
(bamachane)
in het kamp
בַשָּׂדֶה֙
(basade)
in het veld
וּבְכָל
(uvekhal)
en onder heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
הַמַּצָּב֙
(hamatsav)
de post
וְהַמַּשְׁחִ֔ית
(vehamashchit)
en de verwoesters
חָרְד֖וּ
(charedu)
beefden
גַּם
(gam)
ook
הֵ֑מָּה
(hema)
zij
וַתִּרְגַּ֣ז
(vatirgaz)
en beefde
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וַתְּהִ֖י
(vatehi)
en het werd
לְחֶרְדַּ֥ת
(lecherdat)
tot een schrik van
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֶרְדַּת אֱלֹהִים (chardat Elohim), ‘schrik van Elohim’: een schrik die van Elohim komt.
19Terwijl Saul met de priester sprak, werd het rumoer in het kamp van de Filistijnen steeds groter. Toen zei Saul tegen de priester: „Trek je hand terug.”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
עַ֣ד
(ad)
terwijl
דִּבֶּ֤ר
(diber)
sprak
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tot
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְהֶהָמ֗וֹן
(vehehamon)
en de menigte
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בְּמַחֲנֵ֣ה
(bemachane)
in het kamp van
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
ging
הָל֖וֹךְ
(halokh)
steeds
וָרָ֑ב
(varav)
en groter
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tegen
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
אֱסֹ֥ף
(esof)
trek terug
יָדֶֽךָ
(yadekha)
je hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
אֱסֹף יָדֶךָ (esof yadecha), ‘trek je hand terug’: Saul stopt het vragen aan Elohim.
20Saul en heel het volk dat bij hem was, werden bijeengeroepen en kwamen tot de strijd. En zie: het zwaard van de een was tegen zijn naaste. Er was een zeer grote verwarring.
וַיִּזָּעֵ֣ק
(vayizaeq)
en werd bijeengeroepen
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
עַד
(ad)
tot
הַמִּלְחָמָ֑ה
(hamilchama)
de strijd
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
הָיְתָ֜ה
(hayeta)
was
חֶ֤רֶב
(cherev)
het zwaard van
אִישׁ֙
(ish)
de een
בְּרֵעֵ֔הוּ
(bereehu)
tegen zijn naaste
מְהוּמָ֖ה
(mehuma)
verwarring
גְּדוֹלָ֥ה
(gedola)
groot
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21De Hebreeën die al eerder bij de Filistijnen hoorden, waren met hen het kamp in getrokken. Ook zij gingen over naar Israël, naar hen die bij Saul en Jonatan waren.
וְהָעִבְרִ֗ים
(vehaivrim)
en de Hebreeën
הָי֤וּ
(hayu)
waren
לַפְּלִשְׁתִּים֙
(lapelishtim)
bij de Filistijnen
כְּאֶתְמ֣וֹל
(keetmol)
als gisteren
שִׁלְשׁ֔וֹם
(shilshom)
eergisteren
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
עָל֥וּ
(alu)
waren opgetrokken
עִמָּ֛ם
(imam)
met hen
בַּֽמַּחֲנֶ֖ה
(bamachane)
in het kamp
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וְגַם
(vegam)
en ook
הֵ֗מָּה
(hema)
zij
לִֽהְיוֹת֙
(lihyot)
om te zijn
עִם
(im)
met
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עִם
(im)
met
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
וְיוֹנָתָֽן
(veyonatan)
en Jonatan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
כְּאֶתְמוֹל שִׁלְשׁוֹם (ke-etmol sjilsjom), ‘als gisteren en eergisteren’: een uitdrukking voor ‘al eerder’, ‘tot nu toe’ (vergelijk Joz. 3:4).
De Hebreeën die bij de Filistijnen hoorden, waren Israëlieten in hun dienst.
22Ook alle mannen van Israël die zich in het gebergte van Efraïm verborgen hielden, hoorden dat de Filistijnen op de vlucht waren. Ook zij zetten hen achterna in de strijd.
וְכֹל֩
(vekhol)
en heel
אִ֨ישׁ
(ish)
man van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
הַמִּֽתְחַבְּאִ֤ים
(hamitchabeim)
die zich verborgen
בְּהַר
(behar)
in het gebergte van
אֶפְרַ֨יִם֙
(efrayim)
Efraïm
שָֽׁמְע֔וּ
(shameu)
hoorden
כִּֽי
(ki)
dat
נָ֖סוּ
(nasu)
gevlucht waren
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַֽיַּדְבְּק֥וּ
(vayadbequ)
en zetten na
גַם
(gam)
ook
הֵ֛מָּה
(hema)
zij
אַחֲרֵיהֶ֖ם
(achareihem)
achter hen
בַּמִּלְחָמָֽה
(bamilchama)
in de strijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
24De mannen van Israël kwamen die dag in nood. Saul had het volk laten zweren: „Vervloekt is de man die brood eet tot de avond, voordat ik wraak heb genomen op mijn vijanden.” Heel het volk proefde geen brood.
וְאִֽישׁ
(veish)
en de man van
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
נִגַּ֖שׂ
(nigas)
kwam in nood
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op die
הַה֑וּא
(hahu)
dag
וַיֹּאֶל֩
(vayoel)
en liet zweren
שָׁא֨וּל
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
אָר֣וּר
(arur)
vervloekt
הָ֠אִישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁר
(asher)
die
יֹ֨אכַל
(yokhal)
eet
לֶ֜חֶם
(lechem)
brood
עַד
(ad)
tot
הָעֶ֗רֶב
(haerev)
de avond
וְנִקַּמְתִּי֙
(veniqamti)
en ik wraak neem
מֵאֹ֣יְבַ֔י
(meoyevay)
op mijn vijanden
וְלֹֽא
(velo)
en niet
טָעַ֥ם
(taam)
proefde
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִגַּשׂ (niggas), ‘in nood komen’: onder druk staan (vergelijk 1 Sam. 13:6).
De mannen waren uitgeput door de strijd en de honger.
וַיֹּאֶל (wayyoel), ‘liet zweren’: Saul sprak een vloek uit en liet het volk daarmee instemmen. De eed werd een vloek over wie hem brak.
27Jonatan had niet gehoord dat zijn vader het volk liet zweren. Hij stak het uiteinde van de staf uit die in zijn hand was. Hij doopte het in de honingraat en bracht zijn hand terug naar zijn mond. Toen werden zijn ogen helder.
וְיוֹנָתָ֣ן
(veyonatan)
en Jonatan
לֹֽא
(lo)
niet
שָׁמַ֗ע
(shama)
hoorde
בְּהַשְׁבִּ֣יעַ
(behashbia)
toen liet zweren
אָבִיו֮
(aviv)
zijn vader
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָם֒
(haam)
het volk
וַיִּשְׁלַ֗ח
(vayishlach)
en stak uit
אֶת
(et)
(obj.)
קְצֵ֤ה
(qetse)
het uiteinde van
הַמַּטֶּה֙
(hamate)
de staf
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַיִּטְבֹּ֥ל
(vayitbol)
en doopte
אוֹתָ֖הּ
(otah)
het
בְּיַעְרַ֣ת
(beyarat)
in de honingraat
הַדְּבָ֑שׁ
(hadevash)
van honing
וַיָּ֤שֶׁב
(vayashev)
en bracht terug
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
אֶל
(el)
naar
פִּ֔יו
(piv)
zijn mond
וַתָּאֹ֖רְנָה
(vataorena)
en werden helder
עֵינָֽיו
(einav)
zijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
In de tekst staat (ketiv) וַתִּרְאֶינָה (wattiren), ‘zijn ogen zagen’.
De lezing (qere) is וַתָּאֹרְנָה (wattorena), ‘zijn ogen werden helder’.
Wij volgen de lezing, zoals ook in 14:29 (‘mijn ogen zijn helder geworden’).
28Een man uit het volk antwoordde: „Je vader heeft het volk met een eed laten zweren: ‘Vervloekt is de man die vandaag brood eet.’ En het volk was uitgeput.”
וַיַּעַן֩
(vayaan)
en antwoordde
אִ֨ישׁ
(ish)
een man
מֵֽהָעָ֜ם
(mehaam)
uit het volk
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
הַשְׁבֵּעַ֩
(hashbea)
zeker
הִשְׁבִּ֨יעַ
(hishbia)
liet zweren
אָבִ֤יךָ
(avikha)
je vader
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָם֙
(haam)
het volk
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אָר֥וּר
(arur)
vervloekt
הָאִ֛ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁר
(asher)
die
יֹ֥אכַל
(yokhal)
eet
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
וַיָּ֖עַף
(vayaaf)
en was uitgeput
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Jonatan zei: „Mijn vader heeft het land in ongeluk gebracht. Kijk toch hoe mijn ogen helder zijn geworden, omdat ik een beetje van deze honing heb geproefd.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
יֽוֹנָתָ֔ן
(yonatan)
Jonatan
עָכַ֥ר
(akhar)
heeft in ongeluk gebracht
אָבִ֖י
(avi)
mijn vader
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
רְאוּ
(reu)
kijk
נָא֙
(na)
toch
כִּֽי
(ki)
dat
אֹ֣רוּ
(oru)
zijn helder geworden
עֵינַ֔י
(einay)
mijn ogen
כִּ֣י
(ki)
want
טָעַ֔מְתִּי
(taamti)
ik proefde
מְעַ֖ט
(meat)
een beetje
דְּבַ֥שׁ
(devash)
honing
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Hoeveel beter was het geweest als het volk vandaag vrij had gegeten van de buit van zijn vijanden, die het gevonden heeft. Want nu is de slag onder de Filistijnen niet groot geworden.”
אַ֗ף
(af)
hoeveel beter
כִּ֡י
(ki)
als
לוּא֩
(lu)
indien
אָכֹ֨ל
(akhol)
vrij
אָכַ֤ל
(akhal)
had gegeten
הַיּוֹם֙
(hayom)
vandaag
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
מִשְּׁלַ֥ל
(mishelal)
van de buit van
אֹיְבָ֖יו
(oyevav)
zijn vijanden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
מָצָ֑א
(matsa)
het vond
כִּ֥י
(ki)
want
עַתָּ֛ה
(ata)
nu
לֹֽא
(lo)
niet
רָבְתָ֥ה
(raveta)
was groot
מַכָּ֖ה
(maka)
de slag
בַּפְּלִשְׁתִּֽים
(bapelishtim)
onder de Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
33Men vertelde het Saul: „Zie, het volk zondigt tegen Yahweh door met het bloed te eten.” Hij zei: „Jullie hebben trouweloos gehandeld. Rol vandaag een grote steen naar mij toe.”
וַיַּגִּ֤ידוּ
(vayagidu)
en men vertelde
לְשָׁאוּל֙
(leshaul)
aan Saul
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
חֹטִ֥אים
(chotiym)
zondigt
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
tegen Yahweh
לֶאֱכֹ֣ל
(leekhol)
door te eten
עַל
(al)
met
הַדָּ֑ם
(hadam)
het bloed
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
בְּגַדְתֶּ֔ם
(begadtem)
jullie hebben trouweloos gehandeld
גֹּֽלּוּ
(golu)
rol
אֵלַ֥י
(elay)
naar mij
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
אֶ֥בֶן
(even)
een steen
גְּדוֹלָֽה
(gedola)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּגַדְתֶּם (bagadtem), ‘jullie hebben trouweloos gehandeld’: het woord voor het breken van trouw.
34Saul zei: „Verspreid jullie onder het volk en zeg tegen hen: Ieder moet zijn rund en ieder zijn schaap bij mij brengen. Slacht het hier en eet. Zondig niet tegen Yahweh door met het bloed te eten.” Die nacht bracht heel het volk ieder zijn rund mee, en zij slachtten het daar.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
פֻּ֣צוּ
(putsu)
verspreid jullie
בָעָ֡ם
(baam)
onder het volk
וַאֲמַרְתֶּ֣ם
(vaamartem)
en zeg
לָהֶ֡ם
(lahem)
tegen hen
הַגִּ֣ישׁוּ
(hagishu)
breng
אֵלַי֩
(elay)
naar mij
אִ֨ישׁ
(ish)
ieder
שׁוֹר֜וֹ
(shoro)
zijn rund
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en ieder
שְׂיֵ֗הוּ
(seyehu)
zijn schaap
וּשְׁחַטְתֶּ֤ם
(ushechattem)
en slacht
בָּזֶה֙
(baze)
hier
וַאֲכַלְתֶּ֔ם
(vaakhaltem)
en eet
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תֶחֶטְא֥וּ
(techetu)
zondig
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
tegen Yahweh
לֶאֱכֹ֣ל
(leekhol)
door te eten
אֶל
(el)
met
הַדָּ֑ם
(hadam)
het bloed
וַיַּגִּ֨שׁוּ
(vayagishu)
en brachten
כָל
(kal)
heel
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
שׁוֹר֧וֹ
(shoro)
zijn rund
בְיָד֛וֹ
(beyado)
in zijn hand
הַלַּ֖יְלָה
(halayla)
die nacht
וַיִּשְׁחֲטוּ
(vayishchatu)
en slachtten
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Saul bouwde een altaar voor Yahweh. Dit begon hij te bouwen: een altaar voor Yahweh.
וַיִּ֧בֶן
(vayiven)
en bouwde
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
מִזְבֵּ֖חַ
(mizbeach)
een altaar
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֹת֣וֹ
(oto)
dit
הֵחֵ֔ל
(hechel)
begon hij
לִבְנ֥וֹת
(livnot)
te bouwen
מִזְבֵּ֖חַ
(mizbeach)
een altaar
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Dit begon hij te bouwen: een altaar voor Yahweh.’
Veel lezers verstaan dit als: het was het eerste altaar dat Saul bouwde.
36Saul zei: „Laten wij 's nachts de Filistijnen achterna gaan en hen plunderen tot het ochtendlicht. Laten wij niemand van hen overlaten.” Zij zeiden: „Doe alles wat goed is in uw ogen.” Maar de priester zei: „Laten wij hier naar Elohim toe gaan.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁא֡וּל
(shaul)
Saul
נֵרְדָ֣ה
(nereda)
laten we afdalen
אַחֲרֵי֩
(acharei)
achter
פְלִשְׁתִּ֨ים
(pelishtim)
de Filistijnen
לַ֜יְלָה
(layla)
's nachts
וְֽנָבֹ֥זָה
(venavoza)
en laten we plunderen
בָהֶ֣ם
(bahem)
onder hen
עַד
(ad)
tot
א֣וֹר
(or)
het licht van
הַבֹּ֗קֶר
(haboqer)
de morgen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נַשְׁאֵ֤ר
(nasher)
laten we overlaten
בָּהֶם֙
(bahem)
onder hen
אִ֔ישׁ
(ish)
man
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
כָּל
(kal)
alles
הַטּ֥וֹב
(hatov)
wat goed is
בְּעֵינֶ֖יךָ
(beeineikha)
in uw ogen
עֲשֵׂ֑ה
(ase)
doe
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
נִקְרְבָ֥ה
(niqreva)
laten we naderen
הֲלֹ֖ם
(halom)
hierheen
אֶל
(el)
tot
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
40Hij zei tegen heel Israël: „Jullie staan aan één kant. Ik en mijn zoon Jonatan staan aan de andere kant.” Het volk zei tegen Saul: „Doe wat goed is in uw ogen.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tegen
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
תִּֽהְיוּ֙
(tihyu)
zullen zijn
לְעֵ֣בֶר
(leever)
aan kant
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וַֽאֲנִי֙
(vaani)
en ik
וְיוֹנָתָ֣ן
(veyonatan)
en Jonatan
בְּנִ֔י
(beni)
mijn zoon
נִהְיֶ֖ה
(nihye)
zullen zijn
לְעֵ֣בֶר
(leever)
aan kant
אֶחָ֑ד
(echad)
één
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zeiden
הָעָם֙
(haam)
het volk
אֶל
(el)
tegen
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
הַטּ֥וֹב
(hatov)
wat goed is
בְּעֵינֶ֖יךָ
(beeineikha)
in uw ogen
עֲשֵֽׂה
(ase)
doe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42Saul zei: „Werp het lot tussen mij en mijn zoon Jonatan.” En Jonatan werd aangewezen.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
הַפִּ֕ילוּ
(hapilu)
werp
בֵּינִ֕י
(beini)
tussen mij
וּבֵ֖ין
(uvein)
en tussen
יוֹנָתָ֣ן
(yonatan)
Jonatan
בְּנִ֑י
(beni)
mijn zoon
וַיִּלָּכֵ֖ד
(vayilakhed)
en werd aangewezen
יוֹנָתָֽן
(yonatan)
Jonatan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws zegt alleen ‘werp tussen mij en mijn zoon’.
Het woord ‘het lot’ voegen wij toe, omdat het bedoeld is (vergelijk 14:41).
Jonatan wordt vrijgekocht
43Saul zei tegen Jonatan: „Vertel mij wat je hebt gedaan.” Jonatan vertelde het hem en zei: „Ik heb een beetje honing geproefd met het uiteinde van de staf die in mijn hand was. Zie, hier ben ik. Ik zal sterven.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tegen
י֣וֹנָתָ֔ן
(yonatan)
Jonatan
הַגִּ֥ידָה
(hagida)
vertel
לִּ֖י
(li)
mij
מֶ֣ה
(me)
wat
עָשִׂ֑יתָה
(asita)
heb je gedaan
וַיַּגֶּד
(vayaged)
en vertelde
ל֣וֹ
(lo)
hem
יוֹנָתָ֗ן
(yonatan)
Jonatan
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
טָעֹ֨ם
(taom)
proeven
טָעַ֜מְתִּי
(taamti)
ik proefde
בִּקְצֵ֨ה
(biqtse)
met het uiteinde van
הַמַּטֶּ֧ה
(hamate)
de staf
אֲשֶׁר
(asher)
die
בְּיָדִ֛י
(beyadi)
in mijn hand
מְעַ֥ט
(meat)
een beetje
דְּבַ֖שׁ
(devash)
honing
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie mij
אָמֽוּת
(amut)
ik zal sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
45Het volk zei tegen Saul: „Zou Jonatan moeten sterven, die deze grote redding in Israël heeft gebracht? Nooit! Zo waar Yahweh leeft: geen haar van zijn hoofd zal op de grond vallen. Want vandaag heeft hij met Elohim gehandeld.” Zo kocht het volk Jonatan vrij, en hij stierf niet.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
tegen
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
הֲֽיוֹנָתָ֤ן
(hayonatan)
zal Jonatan
יָמוּת֙
(yamut)
sterven
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָ֠שָׂה
(asa)
deed
הַיְשׁוּעָ֨ה
(hayshua)
de redding
הַגְּדוֹלָ֣ה
(hagedola)
grote
הַזֹּאת֮
(hazot)
deze
בְּיִשְׂרָאֵל֒
(beyisrael)
in Israël
חָלִ֗ילָה
(chalila)
nooit
חַי
(chay)
zo waar leeft
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
als
יִפֹּ֞ל
(yipol)
zal vallen
מִשַּׂעֲרַ֤ת
(misaarat)
van het haar van
רֹאשׁוֹ֙
(rosho)
zijn hoofd
אַ֔רְצָה
(artsa)
naar de grond
כִּֽי
(ki)
want
עִם
(im)
met
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
עָשָׂ֖ה
(asa)
heeft hij gehandeld
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַיִּפְדּ֥וּ
(vayifdu)
en kochten vrij
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹנָתָ֖ן
(yonatan)
Jonatan
וְלֹא
(velo)
en niet
מֵֽת
(met)
stierf hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּדָה (pada), ‘vrijkopen’: loskopen van iemand die zou sterven.
Het volk neemt het op voor Jonatan, want hij heeft de redding gebracht.
Het woord ‘vrijkopen’ komt uit de rechtstaal, zoals in Exod. 13:13.
46Saul trok weg van de achtervolging van de Filistijnen, en de Filistijnen gingen terug naar hun eigen plaats.
וַיַּ֣עַל
(vayaal)
en ging op
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
מֵאַחֲרֵ֖י
(meacharei)
van achter
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וּפְלִשְׁתִּ֖ים
(ufelishtim)
en de Filistijnen
הָלְכ֥וּ
(halekhu)
gingen
לִמְקוֹמָֽם
(limqomam)
naar hun plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Sauls oorlogen en zijn familie
47Saul had het koningschap over Israël in handen genomen. Hij voerde oorlog rondom tegen al zijn vijanden: tegen Moab, de zonen van Ammon, Edom, de koningen van Tsoba en de Filistijnen. Overal waar hij zich heen wendde, sprak hij een schuldig oordeel uit.
וְשָׁא֛וּל
(veshaul)
en Saul
לָכַ֥ד
(lakhad)
nam in bezit
הַמְּלוּכָ֖ה
(hamelukha)
het koningschap
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּלָּ֣חֶם
(vayilachem)
en streed
סָבִ֣יב
(saviv)
rondom
בְּֽכָל
(bekhal)
tegen al
אֹיְבָ֡יו
(oyevav)
zijn vijanden
בְּמוֹאָ֣ב
(bemoav)
tegen Moab
וּבִבְנֵי
(uvivnei)
en tegen de zonen van
עַמּ֨וֹן
(amon)
Ammon
וּבֶאֱד֜וֹם
(uveedom)
en tegen Edom
וּבְמַלְכֵ֤י
(uvemalkhei)
en tegen de koningen van
צוֹבָה֙
(tsova)
Tsoba
וּבַפְּלִשְׁתִּ֔ים
(uvapelishtim)
en tegen de Filistijnen
וּבְכֹ֥ל
(uvekhol)
en overal
אֲשֶׁר
(asher)
waar
יִפְנֶ֖ה
(yifne)
hij zich wendde
יַרְשִֽׁיעַ
(yarshia)
velde hij een schuldig oordeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Tsoba (צוֹבָה) lag waarschijnlijk in het huidige Syrië of Libanon, ten noorden van Damascus.
De ligging is onzeker.
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Zie Soba (Tsoba, ligging onzeker): Soba (Tsoba) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus, in het huidige Syrië en Libanon.
De precieze ligging is niet vast te stellen.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Lezing
יַרְשִׁיעַ (yarsjia), ‘hij sprak schuldig’ of ‘hij handelde als de rechter’: een zeldzame vorm.
50De naam van de vrouw van Saul was Achinoam, de dochter van Achimaäts. De naam van de bevelhebber van zijn leger was Abner, de zoon van Ner, de oom van Saul.
וְשֵׁם֙
(veshem)
en de naam van
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
de vrouw van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
אֲחִינֹ֖עַם
(achinoam)
Achinoam
בַּת
(bat)
dochter van
אֲחִימָ֑עַץ
(achimaats)
Achimaäts
וְשֵׁ֤ם
(veshem)
en de naam van
שַׂר
(sar)
de bevelhebber van
צְבָאוֹ֙
(tsevao)
zijn leger
אֲבִינֵ֔ר
(aviner)
Abner
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵ֖ר
(ner)
Ner
דּ֥וֹד
(dod)
oom van
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)