Elohim Bijbel

Jeremia 3

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Afvallig Israël en ontrouw Juda: keer terug naar Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Een vrouw die niet terug mag komen

1Men zegt: ‘Als een man zijn vrouw wegstuurt, en zij bij hem weggaat en van een andere man wordt, zal hij dan nog naar haar terugkeren? Zou dat land niet zwaar ontwijd worden?’ Maar jij hebt gehoereerd met vele minnaars. En toch: keer terug naar Mij, godsspraak van Yahweh.
לֵאמֹ֡ר
(lemor)
men zegt
הֵ֣ן
(hen)
zie
יְשַׁלַּ֣ח
(yeshalach)
stuurt weg
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
אֶת
(et)
(obj.)
אִשְׁתּוֹ֩
(ishto)
zijn vrouw
וְהָלְכָ֨ה
(vehalekha)
en zij gaat
מֵאִתּ֜וֹ
(meito)
van hem weg
וְהָיְתָ֣ה
(vehayeta)
en wordt
לְאִישׁ
(leish)
van een man
אַחֵ֗ר
(acher)
andere
הֲיָשׁ֤וּב
(hayashuv)
keert hij terug
אֵלֶ֨יהָ֙
(eleiha)
naar haar
ע֔וֹד
(od)
nog
הֲל֛וֹא
(halo)
niet
חָנ֥וֹף
(chanof)
zwaar ontwijd
תֶּחֱנַ֖ף
(techenaf)
zou worden ontwijd
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
dat land
הַהִ֑יא
(hahi)
dat
וְאַ֗תְּ
(veat)
en jij
זָנִית֙
(zanit)
hebt gehoereerd
רֵעִ֣ים
(reim)
vrienden
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
וְשׁ֥וֹב
(veshov)
en keer terug
אֵלַ֖י
(elay)
naar Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהֹוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֵאמֹר (leemor), ‘zeggend’: het woord staat zonder onderwerp aan het begin.

Wij lezen het als een gezegde: ‘Men zegt’.

Wat volgt is het voorbeeld van een man en zijn vrouw.

Het sluit aan op de wet van Deut. 24:1–4: een man mag zijn vrouw, die hij heeft weggestuurd en die van een ander is geworden, niet weer nemen.

De rede van Yahweh loopt door vanaf Jer. 2:5. Hier staat de aanhaling van het gezegde tussen enkele aanhalingstekens.

רֵעִים (re’im), ‘vrienden’: het woord betekent letterlijk ‘vrienden, metgezellen’. In dit verband zijn het minnaars (vergelijk Hos. 3:1). Wij vertalen ‘minnaars’.

וְשׁוֹב אֵלַי (veshov elai), ‘en keer terug naar Mij’: het Hebreeuws heeft hier een gebiedende vorm. Het is een uitnodiging na de aanklacht. Sommige lezers begrijpen de zin als vraag: ‘en zou je terugkeren naar Mij?’. Wij volgen de gebiedende vorm.

2Sla je ogen op naar de kale heuvels en kijk: waar ben je niet beslapen? Aan de wegen zat je voor hen, zoals een Arabier in de woestijn. Zo ontwijdde je het land met je hoererij en met je slechtheid.
שְׂאִֽי
(sei)
sla op
עֵינַ֨יִךְ
(einayikh)
je ogen
עַל
(al)
naar
שְׁפָיִ֜ם
(shefayim)
kale heuvels
וּרְאִ֗י
(urei)
en kijk
אֵיפֹה֙
(eifo)
waar
לֹ֣א
(lo)
niet
שֻׁכַּ֔בְתְּ
(shukavt)
ben je beslapen
עַל
(al)
aan
דְּרָכִים֙
(derakhim)
de wegen
יָשַׁ֣בְתְּ
(yashavt)
zat je
לָהֶ֔ם
(lahem)
voor hen
כַּעֲרָבִ֖י
(kaaravi)
als een Arabier
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
וַתַּחֲנִ֣יפִי
(vatachanifi)
en je ontwijdde
אֶ֔רֶץ
(erets)
het land
בִּזְנוּתַ֖יִךְ
(biznutayikh)
met je hoererij
וּבְרָעָתֵֽךְ
(uveraatekh)
en met je slechtheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁפָיִם (shefayim), ‘kale heuvels’: heuvels zonder bomen, waar afgodsdienst bedreven werd.

Zie ook Jer. 3:21.

כַּעֲרָבִי בַּמִּדְבָּר (ka’aravi bamidbar), ‘zoals een Arabier in de woestijn’: een bewoner van de woestijn die op de loer ligt voor voorbijgangers. Zo zat Israël langs de wegen op de loer naar minnaars.

Lezing

In de geschreven tekst staat שגלת (shugalt), een grof woord voor ‘beslapen worden’.

De overlevering leest שֻׁכַּבְתְּ (shukkavt), ‘ben je beslapen’.

Wij volgen de lezing.

3De regenbuien werden tegengehouden en de late regen bleef uit. Maar je had het voorhoofd van een hoer. Je weigerde je te schamen.
וַיִּמָּנְע֣וּ
(vayimaneu)
en werden tegengehouden
רְבִבִ֔ים
(revivim)
regenbuien
וּמַלְק֖וֹשׁ
(umalqosh)
en late regen
ל֣וֹא
(lo)
niet
הָיָ֑ה
(haya)
was
וּמֵ֨צַח
(umetsach)
en voorhoofd van
אִשָּׁ֤ה
(isha)
een vrouw
זוֹנָה֙
(zona)
hoer
הָ֣יָה
(haya)
was
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jou
מֵאַ֖נְתְּ
(meant)
je weigerde
הִכָּלֵֽם
(hikalem)
je te schamen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רְבִבִים (revivim), ‘regenbuien’, en מַלְקוֹשׁ (malqosh), ‘late regen’: de regen van het najaar en die van het voorjaar.

Zij waren onmisbaar voor de oogst (Deut. 11:14).

Wanneer ze uitblijven, is dat een straf van Yahweh (Deut. 11:17).

וּמֵצַח אִשָּׁה זוֹנָה (umetsach ishah zonah), ‘het voorhoofd van een hoer’: iemand zonder schaamte.

4Heb je niet zojuist tegen Mij geroepen: ‘Mijn vader! U bent de vertrouweling van mijn jeugd.
הֲל֣וֹא
(halo)
niet
מֵעַ֔תָּה
(meata)
nu
קָרָ֥את
(qarat)
riep je
לִ֖י
(li)
tot Mij
אָבִ֑י
(avi)
mijn vader
אַלּ֥וּף
(aluf)
vertrouweling van
נְעֻרַ֖י
(neuray)
mijn jeugd
אָֽתָּה
(ata)
U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַלּוּף (alluf), ‘vertrouweling’: iemand die dichtbij staat, vriend en leidsman.

In Spr. 2:17 staat dezelfde vorm van de man van haar jeugd.

Lezing

In de geschreven tekst staat קראתי (qarati), ‘ik riep’; de overlevering leest קָרָאת (qara’t), ‘je riep’.

Wij volgen de lezing.

5Houdt Hij Zijn toorn voor eeuwig vast? Bewaart Hij die voor altijd?’ Zie, zo heb je gesproken. Maar je hebt het kwaad gedaan, zoveel je kon.”
הֲיִנְטֹ֣ר
(hayintor)
zal Hij toorn houden
לְעוֹלָ֔ם
(leolam)
voor eeuwig
אִם
(im)
of
יִשְׁמֹ֖ר
(yishmor)
bewaart Hij
לָנֶ֑צַח
(lanetsach)
voor altijd
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
דִבַּ֛רְתְּ
(dibart)
je hebt gesproken
וַתַּעֲשִׂ֥י
(vataasi)
en je deed
הָרָע֖וֹת
(haraot)
de kwade dingen
וַתּוּכָֽל
(vatukhal)
en je kon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֲיִנְטֹר (hayintor), ‘houdt Hij vast?’: het werkwoord נָטַר (natar) betekent ‘bewaren’, hier ‘bewaren in toorn’.

Het voorwerp ‘toorn’ staat er niet; wij vullen het aan, zoals in Ps. 103:9.

De zin is een klacht die het volk aan Yahweh stelt.

הָרָעוֹת (hara’ot), ‘het kwaad’: de kwade daden. Wij vertalen ‘het kwaad gedaan, zoveel je kon’: je hebt zo veel kwaad gedaan als je kon.

Lezing

In de geschreven tekst staat דברתי (dibbarti), ‘ik sprak’; de overlevering leest דִבַּרְתְּ (dibbart), ‘je sprak’.

Wij volgen de lezing.

Twee zusters: Israël en Juda

6Yahweh zei tot mij in de dagen van koning Josia: „Heb je gezien wat afvallig Israël heeft gedaan? Zij ging naar elke hoge berg en onder elke groene boom, en daar hoereerde zij.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
בִּימֵי֙
(bimei)
in de dagen van
יֹאשִׁיָּ֣הוּ
(yoshiyahu)
Josia
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הֲֽרָאִ֔יתָ
(haraita)
heb je gezien
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
עָשְׂתָ֖ה
(aseta)
deed
מְשֻׁבָ֣ה
(meshuva)
afvallig
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
הֹלְכָ֨ה
(holekha)
ging
הִ֜יא
(hi)
zij
עַל
(al)
naar
כָּל
(kal)
elke
הַ֣ר
(har)
berg
גָּבֹ֗הַּ
(gavoha)
hoge
וְאֶל
(veel)
en naar
תַּ֛חַת
(tachat)
onder
כָּל
(kal)
elke
עֵ֥ץ
(ets)
boom
רַעֲנָ֖ן
(raanan)
groen
וַתִּזְנִי
(vatizni)
en hoereerde
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְשֻׁבָה יִשְׂרָאֵל (meshuvah Yisra’el), ‘afvallig Israël’: מְשֻׁבָה (meshuvah) komt van שׁוּב (shuv), ‘zich afkeren’.

Het woord is verwant met שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’, en speelt met het ‘terugkeren’ van de volgende verzen.

Hier is het Noordrijk Israël, dat in 722 voor Christus door Assyrië werd weggevoerd (2 Kon. 17).

De rede loopt in de dagen van Josia (Jer. 1:2). Josia’s hervorming staat in 2 Kon. 23.

7Ik zei: ‘Nadat zij dit alles gedaan heeft, zal zij naar Mij terugkeren.’ Maar zij keerde niet terug. En haar ontrouwe zuster Juda zag het.
וָאֹמַ֗ר
(vaomar)
en Ik zei
אַחֲרֵ֨י
(acharei)
nadat
עֲשׂוֹתָ֧הּ
(asotah)
zij dit deed
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֵ֛לֶּה
(ele)
dit
אֵלַ֥י
(elay)
naar Mij
תָּשׁ֖וּב
(tashuv)
keert zij terug
וְלֹא
(velo)
maar niet
שָׁ֑בָה
(shava)
keerde zij terug
וַתֵּ֛רֶא
(vatere)
en zag het
בָּגוֹדָ֥ה
(bagoda)
haar ontrouwe
אֲחוֹתָ֖הּ
(achotah)
zuster
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּגוֹדָה (bogedah), ‘de ontrouwe’: van het werkwoord בָּגַד (bagad), ‘ontrouw zijn, verraad plegen’.

Zo wordt Juda genoemd tegenover het ‘afvallige’ Israël.

De zuster ziet wat er met Israël gebeurt, maar leert er niets van.

8Ik zag dat Ik, om al het overspel dat afvallig Israël had gepleegd, haar had weggezonden en haar de scheidingsbrief had gegeven. Maar haar ontrouwe zuster Juda werd niet bang. Ook zij ging heen en hoereerde.
וָאֵ֗רֶא
(vaere)
en Ik zag
כִּ֤י
(ki)
dat
עַל
(al)
om
כָּל
(kal)
alles
אֹדוֹת֙
(odot)
het feit
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
נִֽאֲפָה֙
(niafa)
zij overspel pleegde
מְשֻׁבָ֣ה
(meshuva)
afvallig
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
שִׁלַּחְתִּ֕יהָ
(shilachtiha)
Ik had haar weggezonden
וָאֶתֵּ֛ן
(vaeten)
en Ik gaf
אֶת
(et)
(obj.)
סֵ֥פֶר
(sefer)
brief van
כְּרִיתֻתֶ֖יהָ
(kerituteiha)
haar scheiding
אֵלֶ֑יהָ
(eleiha)
aan haar
וְלֹ֨א
(velo)
maar niet
יָֽרְאָ֜ה
(yarea)
werd bang
בֹּֽגֵדָ֤ה
(bogeda)
ontrouwe
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
אֲחוֹתָ֔הּ
(achotah)
haar zuster
וַתֵּ֖לֶךְ
(vatelekh)
en zij ging
וַתִּ֥זֶן
(vatizen)
en hoereerde
גַּם
(gam)
ook
הִֽיא
(hi)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֵפֶר כְּרִיתֻת (sefer keritut), ‘scheidingsbrief’: de brief waarmee een man zijn vrouw wegstuurt (Deut. 24:1).

Yahweh heeft Noordrijk Israël weggezonden, zoals een man zijn vrouw.

Juda zag het, en deed hetzelfde.

יָרְאָה (yare’ah), ‘werd bang’: het werkwoord יָרֵא (yare) betekent ‘vrezen, ontzag hebben’. Juda had geen ontzag.

9Door de lichtvaardigheid van haar hoererij ontwijdde zij het land. Zij pleegde overspel met steen en hout.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het was
מִקֹּ֣ל
(miqol)
door de lichtvaardigheid van
זְנוּתָ֔הּ
(zenutah)
haar hoererij
וַתֶּחֱנַ֖ף
(vatechenaf)
en zij ontwijdde
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַתִּנְאַ֥ף
(vatinaf)
en zij pleegde overspel
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֶ֖בֶן
(haeven)
de steen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעֵֽץ
(haets)
het hout
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִקֹּל זְנוּתָהּ (miqqol zenutah), ‘door de lichtvaardigheid van haar hoererij’: het woord קֹל (qol) betekent ‘stem, geluid’.

Het kan ook ‘lichtheid’ (קַל, qal) zijn.

Wij nemen ‘lichtvaardigheid’.

Een andere mogelijkheid is ‘door het geluid van haar hoererij’.

De betekenis is niet helemaal zeker.

הָאֶבֶן (ha’even), ‘de steen’, en הָעֵץ (ha’ets), ‘het hout’: stenen en houten afgodsbeelden, zoals in Jer. 2:27.

10En ondanks dit alles is haar ontrouwe zuster Juda niet met heel haar hart naar Mij teruggekeerd, maar met leugen, godsspraak van Yahweh.”
וְגַם
(vegam)
en ook
בְּכָל
(bekhal)
in al
זֹ֗את
(zot)
dit
לֹא
(lo)
niet
שָׁ֨בָה
(shava)
keerde terug
אֵלַ֜י
(elay)
naar Mij
בָּגוֹדָ֧ה
(bagoda)
ontrouwe
אֲחוֹתָ֛הּ
(achotah)
haar zuster
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לִבָּ֑הּ
(libah)
haar hart
כִּ֥י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
בְּשֶׁ֖קֶר
(besheqer)
met leugen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Afvallig Israël is rechtvaardiger

11Yahweh zei tot mij: „Afvallig Israël heeft zich rechtvaardiger getoond dan het ontrouwe Juda.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
צִדְּקָ֥ה
(tsideqa)
heeft rechtvaardig getoond
נַפְשָׁ֖הּ
(nafshah)
zichzelf
מְשֻׁבָ֣ה
(meshuva)
afvallig
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
מִבֹּגֵדָ֖ה
(mibogeda)
meer dan de ontrouwe
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צִדְּקָה נַפְשָׁהּ (tsidqah nafshah), ‘heeft zich rechtvaardiger getoond’: het werkwoord צָדַק (tsadaq) betekent ‘rechtvaardig zijn’.

Hier is het in een vorm die ‘rechtvaardig doen lijken’ betekent.

Het Noordrijk was slecht, maar Juda, dat het zag en toch hoerde, is erger.

Keer terug, afvallige kinderen

12Ga en roep deze woorden naar het noorden en zeg: ‘Keer terug, afvallig Israël, godsspraak van Yahweh. Ik zal Mijn gezicht niet tegen jullie laten vallen, want Ik ben trouw, godsspraak van Yahweh. Ik zal Mijn toorn niet voor eeuwig bewaren.
הָלֹ֡ךְ
(halokh)
ga
וְקָֽרָאתָ֩
(veqarata)
en roep
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֨ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֜לֶּה
(haele)
deze
צָפ֗וֹנָה
(tsafona)
noordwaarts
וְ֠אָמַרְתָּ
(veamarta)
en zeg
שׁ֣וּבָה
(shuva)
keer terug
מְשֻׁבָ֤ה
(meshuva)
afvallig
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לֽוֹא
(lo)
niet
אַפִּ֥יל
(apil)
Ik laat vallen
פָּנַ֖י
(panay)
Mijn gezicht
בָּכֶ֑ם
(bakhem)
tegen jullie
כִּֽי
(ki)
want
חָסִ֤יד
(chasid)
trouw
אֲנִי֙
(ani)
Ik
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֥א
(lo)
niet
אֶטּ֖וֹר
(etor)
Ik bewaar
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ‘woorden naar het noorden’ gaan naar het noorden: het land waarheen Israël was weggevoerd, Assyrië.

De profeet roept zijn boodschap daar.

אַפִּיל פָּנַי בָּכֶם (lo afil panai bakhem), ‘Ik zal Mijn gezicht niet tegen jullie laten vallen’: Yahweh zal niet boos kijken. Het beeld is een gezicht dat betrekt.

חָסִיד (chasid), ‘trouw’: verwant met חֶסֶד (chesed), ‘trouw’. Het woord beschrijft iemand die aan zijn verbond vasthoudt.

13Erken alleen je schuld: je bent tegen Yahweh, je Elohim, in opstand gekomen. Je hebt je wegen verspreid naar vreemden, onder elke groene boom, en naar Mijn stem hebben jullie niet geluisterd, godsspraak van Yahweh.’
אַ֚ךְ
(akh)
alleen
דְּעִ֣י
(dei)
erken
עֲוֺנֵ֔ךְ
(avonekh)
je schuld
כִּ֛י
(ki)
dat
בַּיהוָ֥ה
(baYahweh)
tegen Yahweh
אֱלֹהַ֖יִךְ
(elohayikh)
je Elohim
פָּשָׁ֑עַתְּ
(pashaat)
je bent in opstand gekomen
וַתְּפַזְּרִ֨י
(vatefazeri)
en je hebt verspreid
אֶת
(et)
(obj.)
דְּרָכַ֜יִךְ
(derakhayikh)
je wegen
לַזָּרִ֗ים
(lazarim)
naar vreemden
תַּ֚חַת
(tachat)
onder
כָּל
(kal)
elke
עֵ֣ץ
(ets)
boom
רַעֲנָ֔ן
(raanan)
groen
וּבְקוֹלִ֥י
(uveqoli)
en naar Mijn stem
לֹא
(lo)
niet
שְׁמַעְתֶּ֖ם
(shematem)
jullie hebben geluisterd
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהֹוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּשָׁעַתְּ (pasha’t), ‘je bent in opstand gekomen’: zie Jes. 1:2.

וַתְּפַזְּרִי (vatefazzeri), ‘je hebt verspreid’: Israël verspreidde zijn wegen naar vreemden, dat wil zeggen naar vreemde goden en volken.

Herders naar Mijn hart

14Keer terug, afvallige kinderen, godsspraak van Yahweh, want Ik ben jullie echtgenoot geworden. Ik zal jullie nemen, één uit een stad en twee uit een familie, en Ik zal jullie naar Sion brengen.
שׁ֣וּבוּ
(shuvu)
keer terug
בָנִ֤ים
(banim)
kinderen
שׁוֹבָבִים֙
(shovavim)
afvallige
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֥י
(ki)
want
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
Ik
בָּעַ֣לְתִּי
(baalti)
ben echtgenoot geworden
בָכֶ֑ם
(bakhem)
over jullie
וְלָקַחְתִּ֨י
(velaqachti)
en Ik zal nemen
אֶתְכֶ֜ם
(etkhem)
jullie
אֶחָ֣ד
(echad)
één
מֵעִ֗יר
(meir)
uit een stad
וּשְׁנַ֨יִם֙
(ushenayim)
en twee
מִמִּשְׁפָּחָ֔ה
(mimishpacha)
uit een familie
וְהֵבֵאתִ֥י
(veheveti)
en Ik zal brengen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
צִיּֽוֹן
(tsiyon)
naar Sion
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בָּעַלְתִּי (ba’alti), ‘Ik ben echtgenoot geworden’: het werkwoord בָּעַל (ba’al) betekent ‘heer zijn over, huwen’.

Er is een woordspeling met Baäl, de god van de afgoderij: Yahweh is de echte ‘heer’ van Zijn volk.

אֶחָד מֵעִיר (echad me’ir), ‘één uit een stad’: Yahweh brengt een klein aantal terug. Het getal is klein, maar het is een terugkeer.

15Ik zal jullie herders geven naar Mijn hart. Zij zullen jullie weiden met kennis en inzicht.
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal geven
לָכֶ֛ם
(lakhem)
aan jullie
רֹעִ֖ים
(roim)
herders
כְּלִבִּ֑י
(kelibi)
naar Mijn hart
וְרָע֥וּ
(verau)
en zij zullen weiden
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
דֵּעָ֥ה
(dea)
met kennis
וְהַשְׂכֵּֽיל
(vehaskeil)
en inzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹעִים (ro’im), ‘herders’: leiders van het volk (vergelijk Jer. 2:8).

‘Naar Mijn hart’ betekent: zoals Yahweh het wil, trouw aan Hem.

16Het zal gebeuren dat jullie talrijk worden en vruchtbaar zijn in het land, in die dagen, godsspraak van Yahweh. Dan zal men niet meer zeggen: ‘De ark van het verbond van Yahweh.’ Zij zal niet in het hart opkomen. Men zal er niet aan denken, er niet naar omzien en haar niet meer maken.
וְהָיָ֡ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּ֣י
(ki)
wanneer
תִרְבּוּ֩
(tirbu)
jullie talrijk worden
וּפְרִיתֶ֨ם
(uferitem)
en vruchtbaar zijn
בָּאָ֜רֶץ
(baarets)
in het land
בַּיָּמִ֤ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֨מָּה֙
(hahema)
die
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹא
(lo)
niet
יֹ֣אמְרוּ
(yomru)
men zal zeggen
ע֗וֹד
(od)
meer
אֲרוֹן֙
(aron)
ark van
בְּרִית
(berit)
verbond van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יַעֲלֶ֖ה
(yaale)
zal opkomen
עַל
(al)
in
לֵ֑ב
(lev)
hart
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יִזְכְּרוּ
(yizkeru)
zullen zij zich herinneren
בוֹ֙
(bo)
haar
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִפְקֹ֔דוּ
(yifqodu)
zullen zij naar haar omzien
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יֵעָשֶׂ֖ה
(yease)
zal gemaakt worden
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲרוֹן בְּרִית יְהוָה (aron berit Yahweh), ‘de ark van het verbond van Yahweh’: de kist in het heiligdom (Num. 10:33).

In de nieuwe tijd is hij niet meer nodig, omdat heel Jeruzalem de troon van Yahweh zal zijn (vers 17).

יִפְקֹדוּ (yifqodu), ‘zij zullen naar haar omzien’: het werkwoord פָּקַד (paqad) kan ook ‘missen’ of ‘bezoeken’ betekenen. De ark zal niet gemist worden.

17In die tijd zal men Jeruzalem ‘de troon van Yahweh’ noemen. Alle volken zullen zich daar verzamelen, naar de naam van Yahweh, naar Jeruzalem. Zij zullen niet meer de hardnekkigheid van hun boze hart volgen.
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֗יא
(hahi)
die
יִקְרְא֤וּ
(yiqreu)
zullen zij noemen
לִירוּשָׁלִַ֨ם֙
(lirushalaim)
Jeruzalem
כִּסֵּ֣א
(kise)
troon van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנִקְוּ֨וּ
(veniquu)
en zullen zich verzamelen
אֵלֶ֧יהָ
(eleiha)
naar haar
כָֽל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֛ם
(hagoyim)
volken
לְשֵׁ֥ם
(leshem)
voor de naam van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לִירוּשָׁלִָ֑ם
(lirushalaim)
naar Jeruzalem
וְלֹא
(velo)
en niet
יֵלְכ֣וּ
(yelekhu)
zullen zij gaan
ע֔וֹד
(od)
meer
אַחֲרֵ֕י
(acharei)
achter
שְׁרִר֖וּת
(sherirut)
de hardnekkigheid van
לִבָּ֥ם
(libam)
hun hart
הָרָֽע
(hara)
het kwade
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

כִּסֵּא יְהוָה (kisse Yahweh), ‘de troon van Yahweh’: de ark gold als de voetbank of troon van Yahweh (1 Kron. 28:2).

Straks is de hele stad Zijn troon.

שְׁרִרוּת (sherirut), ‘hardnekkigheid’: koppigheid van het hart, zoals in Deut. 29:18.

18In die dagen zal het huis van Juda zich voegen bij het huis van Israël. Samen zullen zij uit het land van het noorden komen, naar het land dat Ik jullie vaders als erfdeel heb gegeven.
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֔מָּה
(hahema)
die
יֵלְכ֥וּ
(yelekhu)
zullen gaan
בֵית
(beit)
huis van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
עַל
(al)
naar
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְיָבֹ֤אוּ
(veyavou)
en zullen komen
יַחְדָּו֙
(yachdav)
samen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
צָפ֔וֹן
(tsafon)
noorden
עַל
(al)
naar
הָאָ֕רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
הִנְחַ֖לְתִּי
(hinchalti)
Ik gaf als erfdeel
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבוֹתֵיכֶֽם
(avoteikhem)
jullie vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Juda en Israël, de gescheiden rijken, keren samen terug uit het noorden.

Het noorden is de richting van de ballingschap (vers 12).

Je zult Mij „mijn vader” noemen

19Ik zei: ‘Hoe zou Ik je onder de kinderen plaatsen en je een begeerlijk land geven, het schitterendste erfdeel van de volken?’ En Ik zei: ‘Je zult Mij „mijn vader” noemen en je zult je niet van achter Mij afkeren.’
וְאָנֹכִ֣י
(veanokhi)
en Ik
אָמַ֗רְתִּי
(amarti)
Ik zei
אֵ֚יךְ
(eikh)
hoe
אֲשִׁיתֵ֣ךְ
(ashitekh)
zou Ik je plaatsen
בַּבָּנִ֔ים
(babanim)
onder de kinderen
וְאֶתֶּן
(veeten)
en Ik zou geven
לָךְ֙
(lakh)
aan jou
אֶ֣רֶץ
(erets)
een land
חֶמְדָּ֔ה
(chemda)
begeerlijk
נַחֲלַ֥ת
(nachalat)
erfdeel van
צְבִ֖י
(tsevi)
pracht van
צִבְא֣וֹת
(tsivot)
de scharen van
גּוֹיִ֑ם
(goyim)
volken
וָאֹמַ֗ר
(vaomar)
en Ik zei
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
תִּקְרְאִי
(tiqrei)
zul je noemen
לִ֔י
(li)
Mij
וּמֵאַחֲרַ֖י
(umeacharay)
en van achter Mij
לֹ֥א
(lo)
niet
תָשֽׁוּבִי
(tashuvi)
zul je afkeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְבִי צִבְאוֹת גּוֹיִם (nachalat tsevi tsiv’ot goyim), ‘het schitterendste erfdeel van de volken’: צְבִי (tsevi) betekent ‘pracht, sieraad’ (ook ‘gazelle’).

De tweede vorm (tsiv’ot) is onzeker.

Wij begrijpen de zin als ‘het mooiste van alle volken’.

אָבִי (avi), ‘mijn vader’: Israël zal Yahweh zo noemen. Vergelijk Jer. 3:4.

Lezing

In de geschreven tekst staan תקראו (tiqre’u) en תשובו (tashuvu), ‘jullie zullen noemen’ en ‘jullie zullen afkeren’ (meervoud); de overlevering leest תִּקְרְאִי (tiqre’i) en תָשׁוּבִי (tashuvi), ‘je zult noemen’ en ‘je zult afkeren’ (enkelvoud, vrouwelijk).

Wij volgen de lezing.

20Maar zoals een vrouw ontrouw is aan haar vriend, zo zijn jullie ontrouw geweest aan Mij, huis van Israël, godsspraak van Yahweh.”
אָכֵ֛ן
(akhen)
maar
בָּגְדָ֥ה
(bageda)
is ontrouw
אִשָּׁ֖ה
(isha)
een vrouw
מֵרֵעָ֑הּ
(mereah)
aan haar vriend
כֵּ֣ן
(ken)
zo
בְּגַדְתֶּ֥ם
(begadtem)
zijn jullie ontrouw geweest
בִּ֛י
(bi)
aan Mij
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵרֵעָהּ (mere’ah), ‘aan haar vriend’: de man met wie zij verbonden was.

Het is een woord voor gezel of echtgenoot.

Zie ook Jer. 3:1.

Een stem op de kale heuvels

21Een stem wordt gehoord op de kale heuvels: het wenen en de smeekbeden van de kinderen van Israël. Want zij hebben hun weg verdraaid. Zij zijn Yahweh, hun Elohim, vergeten.
ק֚וֹל
(qol)
stem
עַל
(al)
op
שְׁפָיִ֣ים
(shefayim)
kale heuvels
נִשְׁמָ֔ע
(nishma)
wordt gehoord
בְּכִ֥י
(bekhi)
wenen van
תַחֲנוּנֵ֖י
(tachanunei)
smeekbeden van
בְּנֵ֣י
(benei)
kinderen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כִּ֤י
(ki)
want
הֶעֱוּוּ֙
(heeuu)
zij hebben verdraaid
אֶת
(et)
(obj.)
דַּרְכָּ֔ם
(darkam)
hun weg
שָׁכְח֖וּ
(shakhechu)
zij zijn vergeten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהֹוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶֽם
(eloheihem)
hun Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De profeet hoort een stem van wenen op de kale heuvels.

Daar waar het volk eerst afgoden diende, huilen nu de kinderen van Israël.

Het wenen is het begin van de terugkeer.

Wij komen naar U toe

22„Keer terug, afvallige kinderen. Ik zal jullie afvalligheden genezen.” „Zie, wij komen naar U toe, want U bent Yahweh, onze Elohim.
שׁ֚וּבוּ
(shuvu)
keer terug
בָּנִ֣ים
(banim)
kinderen
שׁוֹבָבִ֔ים
(shovavim)
afvallige
אֶרְפָּ֖ה
(erpa)
Ik zal genezen
מְשׁוּבֹֽתֵיכֶ֑ם
(meshuvoteikhem)
jullie afvalligheden
הִנְנוּ֙
(hinnu)
zie ons
אָתָ֣נוּ
(atanu)
wij komen
לָ֔ךְ
(lakh)
naar U
כִּ֥י
(ki)
want
אַתָּ֖ה
(ata)
U
יְהֹוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De eerste helft van het vers is Yahweh’s uitnodiging (rood).

De tweede helft is het antwoord van het volk (zwart): zij komen terug, in de woorden van een gebed.

23Waarlijk, de heuvels zijn bedrog, het rumoer van de bergen. Waarlijk, in Yahweh, onze Elohim, is de redding van Israël.
אָכֵ֥ן
(akhen)
waarlijk
לַשֶּׁ֛קֶר
(lasheqer)
bedrog
מִגְּבָע֖וֹת
(migevaot)
van de heuvels
הָמ֣וֹן
(hamon)
rumoer van
הָרִ֑ים
(harim)
de bergen
אָכֵן֙
(akhen)
waarlijk
בַּיהֹוָ֣ה
(baYahweh)
in Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
תְּשׁוּעַ֖ת
(teshuat)
redding van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָמוֹן הָרִים (hamon harim), ‘het rumoer van de bergen’: het lawaai van de feesten op de bergen waar afgoden werden vereerd.

Dat blijkt bedrog.

Alleen in Yahweh is redding (תְּשׁוּעָה, teshuah, ‘redding’).

24De schande heeft de opbrengst van onze vaders verslonden, vanaf onze jeugd: hun kleinvee en hun runderen, hun zonen en hun dochters.
וְהַבֹּ֗שֶׁת
(vehaboshet)
en de schande
אָֽכְלָ֛ה
(akhela)
heeft verslonden
אֶת
(et)
(obj.)
יְגִ֥יעַ
(yegia)
de opbrengst van
אֲבוֹתֵ֖ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
מִנְּעוּרֵ֑ינוּ
(mineureinu)
van onze jeugd
אֶת
(et)
(obj.)
צֹאנָם֙
(tsonam)
hun kleinvee
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּקָרָ֔ם
(beqaram)
runderen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵיהֶ֖ם
(beneihem)
hun zonen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנוֹתֵיהֶֽם
(benoteihem)
hun dochters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַבֹּשֶׁת (habosheth), ‘de schande’: een woord dat soms in plaats van de naam van de Baäl wordt gezegd.

Zo heet Esbaäl (1 Kron. 8:33) in 2 Sam. 2:8 ook Is-Bosjet.

De afgod heeft de opbrengst van de vaders opgegeten, met het vee, de zonen en de dochters (vergelijk Jer. 11:13).

יְגִיעַ (yegia), ‘opbrengst’: het resultaat van hard werken.

25Laten wij liggen in onze schande en laat onze smaad ons bedekken. Want tegen Yahweh, onze Elohim, hebben wij gezondigd, wij en onze vaders, vanaf onze jeugd tot op deze dag. Wij hebben niet geluisterd naar de stem van Yahweh, onze Elohim.”
נִשְׁכְּבָ֣ה
(nishkeva)
laten wij liggen
בְּבָשְׁתֵּ֗נוּ
(bevashtenu)
in onze schande
וּֽתְכַסֵּנוּ֮
(utekhasenu)
en laat bedekken ons
כְּלִמָּתֵנוּ֒
(kelimatenu)
onze smaad
כִּי֩
(ki)
want
לַיהוָ֨ה
(laYahweh)
tegen Yahweh
אֱלֹהֵ֜ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
חָטָ֗אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
אֲנַ֨חְנוּ֙
(anachnu)
wij
וַאֲבוֹתֵ֔ינוּ
(vaavoteinu)
en onze vaders
מִנְּעוּרֵ֖ינוּ
(mineureinu)
van onze jeugd
וְעַד
(vead)
en tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שָׁמַ֔עְנוּ
(shamanu)
wij hebben geluisterd
בְּק֖וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהֹוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het gebed is een schuldbelijdenis voor drie generaties: wij en onze vaders, van onze jeugd tot nu.

Er is geen woord van uitvlucht.