Afvallig Israël en ontrouw Juda: keer terug naar Yahweh
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een vrouw die niet terug mag komen
1Men zegt: ‘Als een man zijn vrouw wegstuurt, en zij bij hem weggaat en van een andere man wordt, zal hij dan nog naar haar terugkeren? Zou dat land niet zwaar ontwijd worden?’ Maar jij hebt gehoereerd met vele minnaars. En toch: keer terug naar Mij, godsspraak van Yahweh.
לֵאמֹ֡ר
(lemor)
men zegt
הֵ֣ן
(hen)
zie
יְשַׁלַּ֣ח
(yeshalach)
stuurt weg
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
אֶת
(et)
(obj.)
אִשְׁתּוֹ֩
(ishto)
zijn vrouw
וְהָלְכָ֨ה
(vehalekha)
en zij gaat
מֵאִתּ֜וֹ
(meito)
van hem weg
וְהָיְתָ֣ה
(vehayeta)
en wordt
לְאִישׁ
(leish)
van een man
אַחֵ֗ר
(acher)
andere
הֲיָשׁ֤וּב
(hayashuv)
keert hij terug
אֵלֶ֨יהָ֙
(eleiha)
naar haar
ע֔וֹד
(od)
nog
הֲל֛וֹא
(halo)
niet
חָנ֥וֹף
(chanof)
zwaar ontwijd
תֶּחֱנַ֖ף
(techenaf)
zou worden ontwijd
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
dat land
הַהִ֑יא
(hahi)
dat
וְאַ֗תְּ
(veat)
en jij
זָנִית֙
(zanit)
hebt gehoereerd
רֵעִ֣ים
(reim)
vrienden
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
וְשׁ֥וֹב
(veshov)
en keer terug
אֵלַ֖י
(elay)
naar Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהֹוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לֵאמֹר (leemor), ‘zeggend’: het woord staat zonder onderwerp aan het begin.
Wij lezen het als een gezegde: ‘Men zegt’.
Wat volgt is het voorbeeld van een man en zijn vrouw.
Het sluit aan op de wet van Deut. 24:1–4: een man mag zijn vrouw, die hij heeft weggestuurd en die van een ander is geworden, niet weer nemen.
De rede van Yahweh loopt door vanaf Jer. 2:5. Hier staat de aanhaling van het gezegde tussen enkele aanhalingstekens.
רֵעִים (re’im), ‘vrienden’: het woord betekent letterlijk ‘vrienden, metgezellen’. In dit verband zijn het minnaars (vergelijk Hos. 3:1). Wij vertalen ‘minnaars’.
וְשׁוֹב אֵלַי (veshov elai), ‘en keer terug naar Mij’: het Hebreeuws heeft hier een gebiedende vorm. Het is een uitnodiging na de aanklacht. Sommige lezers begrijpen de zin als vraag: ‘en zou je terugkeren naar Mij?’. Wij volgen de gebiedende vorm.
2Sla je ogen op naar de kale heuvels en kijk: waar ben je niet beslapen? Aan de wegen zat je voor hen, zoals een Arabier in de woestijn. Zo ontwijdde je het land met je hoererij en met je slechtheid.
שְׂאִֽי
(sei)
sla op
עֵינַ֨יִךְ
(einayikh)
je ogen
עַל
(al)
naar
שְׁפָיִ֜ם
(shefayim)
kale heuvels
וּרְאִ֗י
(urei)
en kijk
אֵיפֹה֙
(eifo)
waar
לֹ֣א
(lo)
niet
שֻׁכַּ֔בְתְּ
(shukavt)
ben je beslapen
עַל
(al)
aan
דְּרָכִים֙
(derakhim)
de wegen
יָשַׁ֣בְתְּ
(yashavt)
zat je
לָהֶ֔ם
(lahem)
voor hen
כַּעֲרָבִ֖י
(kaaravi)
als een Arabier
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
וַתַּחֲנִ֣יפִי
(vatachanifi)
en je ontwijdde
אֶ֔רֶץ
(erets)
het land
בִּזְנוּתַ֖יִךְ
(biznutayikh)
met je hoererij
וּבְרָעָתֵֽךְ
(uveraatekh)
en met je slechtheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁפָיִם (shefayim), ‘kale heuvels’: heuvels zonder bomen, waar afgodsdienst bedreven werd.
Zie ook Jer. 3:21.
כַּעֲרָבִי בַּמִּדְבָּר (ka’aravi bamidbar), ‘zoals een Arabier in de woestijn’: een bewoner van de woestijn die op de loer ligt voor voorbijgangers. Zo zat Israël langs de wegen op de loer naar minnaars.
Lezing
In de geschreven tekst staat שגלת (shugalt), een grof woord voor ‘beslapen worden’.
De overlevering leest שֻׁכַּבְתְּ (shukkavt), ‘ben je beslapen’.
6Yahweh zei tot mij in de dagen van koning Josia: „Heb je gezien wat afvallig Israël heeft gedaan? Zij ging naar elke hoge berg en onder elke groene boom, en daar hoereerde zij.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
בִּימֵי֙
(bimei)
in de dagen van
יֹאשִׁיָּ֣הוּ
(yoshiyahu)
Josia
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הֲֽרָאִ֔יתָ
(haraita)
heb je gezien
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
עָשְׂתָ֖ה
(aseta)
deed
מְשֻׁבָ֣ה
(meshuva)
afvallig
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
הֹלְכָ֨ה
(holekha)
ging
הִ֜יא
(hi)
zij
עַל
(al)
naar
כָּל
(kal)
elke
הַ֣ר
(har)
berg
גָּבֹ֗הַּ
(gavoha)
hoge
וְאֶל
(veel)
en naar
תַּ֛חַת
(tachat)
onder
כָּל
(kal)
elke
עֵ֥ץ
(ets)
boom
רַעֲנָ֖ן
(raanan)
groen
וַתִּזְנִי
(vatizni)
en hoereerde
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְשֻׁבָה יִשְׂרָאֵל (meshuvah Yisra’el), ‘afvallig Israël’: מְשֻׁבָה (meshuvah) komt van שׁוּב (shuv), ‘zich afkeren’.
Het woord is verwant met שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’, en speelt met het ‘terugkeren’ van de volgende verzen.
Hier is het Noordrijk Israël, dat in 722 voor Christus door Assyrië werd weggevoerd (2 Kon. 17).
De rede loopt in de dagen van Josia (Jer. 1:2). Josia’s hervorming staat in 2 Kon. 23.
8Ik zag dat Ik, om al het overspel dat afvallig Israël had gepleegd, haar had weggezonden en haar de scheidingsbrief had gegeven. Maar haar ontrouwe zuster Juda werd niet bang. Ook zij ging heen en hoereerde.
וָאֵ֗רֶא
(vaere)
en Ik zag
כִּ֤י
(ki)
dat
עַל
(al)
om
כָּל
(kal)
alles
אֹדוֹת֙
(odot)
het feit
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
נִֽאֲפָה֙
(niafa)
zij overspel pleegde
מְשֻׁבָ֣ה
(meshuva)
afvallig
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
שִׁלַּחְתִּ֕יהָ
(shilachtiha)
Ik had haar weggezonden
וָאֶתֵּ֛ן
(vaeten)
en Ik gaf
אֶת
(et)
(obj.)
סֵ֥פֶר
(sefer)
brief van
כְּרִיתֻתֶ֖יהָ
(kerituteiha)
haar scheiding
אֵלֶ֑יהָ
(eleiha)
aan haar
וְלֹ֨א
(velo)
maar niet
יָֽרְאָ֜ה
(yarea)
werd bang
בֹּֽגֵדָ֤ה
(bogeda)
ontrouwe
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
אֲחוֹתָ֔הּ
(achotah)
haar zuster
וַתֵּ֖לֶךְ
(vatelekh)
en zij ging
וַתִּ֥זֶן
(vatizen)
en hoereerde
גַּם
(gam)
ook
הִֽיא
(hi)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סֵפֶר כְּרִיתֻת (sefer keritut), ‘scheidingsbrief’: de brief waarmee een man zijn vrouw wegstuurt (Deut. 24:1).
Yahweh heeft Noordrijk Israël weggezonden, zoals een man zijn vrouw.
Juda zag het, en deed hetzelfde.
יָרְאָה (yare’ah), ‘werd bang’: het werkwoord יָרֵא (yare) betekent ‘vrezen, ontzag hebben’. Juda had geen ontzag.
12Ga en roep deze woorden naar het noorden en zeg: ‘Keer terug, afvallig Israël, godsspraak van Yahweh. Ik zal Mijn gezicht niet tegen jullie laten vallen, want Ik ben trouw, godsspraak van Yahweh. Ik zal Mijn toorn niet voor eeuwig bewaren.
הָלֹ֡ךְ
(halokh)
ga
וְקָֽרָאתָ֩
(veqarata)
en roep
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֨ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֜לֶּה
(haele)
deze
צָפ֗וֹנָה
(tsafona)
noordwaarts
וְ֠אָמַרְתָּ
(veamarta)
en zeg
שׁ֣וּבָה
(shuva)
keer terug
מְשֻׁבָ֤ה
(meshuva)
afvallig
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לֽוֹא
(lo)
niet
אַפִּ֥יל
(apil)
Ik laat vallen
פָּנַ֖י
(panay)
Mijn gezicht
בָּכֶ֑ם
(bakhem)
tegen jullie
כִּֽי
(ki)
want
חָסִ֤יד
(chasid)
trouw
אֲנִי֙
(ani)
Ik
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֥א
(lo)
niet
אֶטּ֖וֹר
(etor)
Ik bewaar
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De ‘woorden naar het noorden’ gaan naar het noorden: het land waarheen Israël was weggevoerd, Assyrië.
De profeet roept zijn boodschap daar.
אַפִּיל פָּנַי בָּכֶם (lo afil panai bakhem), ‘Ik zal Mijn gezicht niet tegen jullie laten vallen’: Yahweh zal niet boos kijken. Het beeld is een gezicht dat betrekt.
חָסִיד (chasid), ‘trouw’: verwant met חֶסֶד (chesed), ‘trouw’. Het woord beschrijft iemand die aan zijn verbond vasthoudt.
13Erken alleen je schuld: je bent tegen Yahweh, je Elohim, in opstand gekomen. Je hebt je wegen verspreid naar vreemden, onder elke groene boom, en naar Mijn stem hebben jullie niet geluisterd, godsspraak van Yahweh.’
אַ֚ךְ
(akh)
alleen
דְּעִ֣י
(dei)
erken
עֲוֺנֵ֔ךְ
(avonekh)
je schuld
כִּ֛י
(ki)
dat
בַּיהוָ֥ה
(baYahweh)
tegen Yahweh
אֱלֹהַ֖יִךְ
(elohayikh)
je Elohim
פָּשָׁ֑עַתְּ
(pashaat)
je bent in opstand gekomen
וַתְּפַזְּרִ֨י
(vatefazeri)
en je hebt verspreid
אֶת
(et)
(obj.)
דְּרָכַ֜יִךְ
(derakhayikh)
je wegen
לַזָּרִ֗ים
(lazarim)
naar vreemden
תַּ֚חַת
(tachat)
onder
כָּל
(kal)
elke
עֵ֣ץ
(ets)
boom
רַעֲנָ֔ן
(raanan)
groen
וּבְקוֹלִ֥י
(uveqoli)
en naar Mijn stem
לֹא
(lo)
niet
שְׁמַעְתֶּ֖ם
(shematem)
jullie hebben geluisterd
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהֹוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּשָׁעַתְּ (pasha’t), ‘je bent in opstand gekomen’: zie Jes. 1:2.
וַתְּפַזְּרִי (vatefazzeri), ‘je hebt verspreid’: Israël verspreidde zijn wegen naar vreemden, dat wil zeggen naar vreemde goden en volken.
14Keer terug, afvallige kinderen, godsspraak van Yahweh, want Ik ben jullie echtgenoot geworden. Ik zal jullie nemen, één uit een stad en twee uit een familie, en Ik zal jullie naar Sion brengen.
שׁ֣וּבוּ
(shuvu)
keer terug
בָנִ֤ים
(banim)
kinderen
שׁוֹבָבִים֙
(shovavim)
afvallige
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֥י
(ki)
want
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
Ik
בָּעַ֣לְתִּי
(baalti)
ben echtgenoot geworden
בָכֶ֑ם
(bakhem)
over jullie
וְלָקַחְתִּ֨י
(velaqachti)
en Ik zal nemen
אֶתְכֶ֜ם
(etkhem)
jullie
אֶחָ֣ד
(echad)
één
מֵעִ֗יר
(meir)
uit een stad
וּשְׁנַ֨יִם֙
(ushenayim)
en twee
מִמִּשְׁפָּחָ֔ה
(mimishpacha)
uit een familie
וְהֵבֵאתִ֥י
(veheveti)
en Ik zal brengen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
צִיּֽוֹן
(tsiyon)
naar Sion
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
בָּעַלְתִּי (ba’alti), ‘Ik ben echtgenoot geworden’: het werkwoord בָּעַל (ba’al) betekent ‘heer zijn over, huwen’.
Er is een woordspeling met Baäl, de god van de afgoderij: Yahweh is de echte ‘heer’ van Zijn volk.
אֶחָד מֵעִיר (echad me’ir), ‘één uit een stad’: Yahweh brengt een klein aantal terug. Het getal is klein, maar het is een terugkeer.
16Het zal gebeuren dat jullie talrijk worden en vruchtbaar zijn in het land, in die dagen, godsspraak van Yahweh. Dan zal men niet meer zeggen: ‘De ark van het verbond van Yahweh.’ Zij zal niet in het hart opkomen. Men zal er niet aan denken, er niet naar omzien en haar niet meer maken.
וְהָיָ֡ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּ֣י
(ki)
wanneer
תִרְבּוּ֩
(tirbu)
jullie talrijk worden
וּפְרִיתֶ֨ם
(uferitem)
en vruchtbaar zijn
בָּאָ֜רֶץ
(baarets)
in het land
בַּיָּמִ֤ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֨מָּה֙
(hahema)
die
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹא
(lo)
niet
יֹ֣אמְרוּ
(yomru)
men zal zeggen
ע֗וֹד
(od)
meer
אֲרוֹן֙
(aron)
ark van
בְּרִית
(berit)
verbond van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יַעֲלֶ֖ה
(yaale)
zal opkomen
עַל
(al)
in
לֵ֑ב
(lev)
hart
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יִזְכְּרוּ
(yizkeru)
zullen zij zich herinneren
בוֹ֙
(bo)
haar
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִפְקֹ֔דוּ
(yifqodu)
zullen zij naar haar omzien
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יֵעָשֶׂ֖ה
(yease)
zal gemaakt worden
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲרוֹן בְּרִית יְהוָה (aron berit Yahweh), ‘de ark van het verbond van Yahweh’: de kist in het heiligdom (Num. 10:33).
In de nieuwe tijd is hij niet meer nodig, omdat heel Jeruzalem de troon van Yahweh zal zijn (vers 17).
יִפְקֹדוּ (yifqodu), ‘zij zullen naar haar omzien’: het werkwoord פָּקַד (paqad) kan ook ‘missen’ of ‘bezoeken’ betekenen. De ark zal niet gemist worden.
17In die tijd zal men Jeruzalem ‘de troon van Yahweh’ noemen. Alle volken zullen zich daar verzamelen, naar de naam van Yahweh, naar Jeruzalem. Zij zullen niet meer de hardnekkigheid van hun boze hart volgen.
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֗יא
(hahi)
die
יִקְרְא֤וּ
(yiqreu)
zullen zij noemen
לִירוּשָׁלִַ֨ם֙
(lirushalaim)
Jeruzalem
כִּסֵּ֣א
(kise)
troon van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנִקְוּ֨וּ
(veniquu)
en zullen zich verzamelen
אֵלֶ֧יהָ
(eleiha)
naar haar
כָֽל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֛ם
(hagoyim)
volken
לְשֵׁ֥ם
(leshem)
voor de naam van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לִירוּשָׁלִָ֑ם
(lirushalaim)
naar Jeruzalem
וְלֹא
(velo)
en niet
יֵלְכ֣וּ
(yelekhu)
zullen zij gaan
ע֔וֹד
(od)
meer
אַחֲרֵ֕י
(acharei)
achter
שְׁרִר֖וּת
(sherirut)
de hardnekkigheid van
לִבָּ֥ם
(libam)
hun hart
הָרָֽע
(hara)
het kwade
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
כִּסֵּא יְהוָה (kisse Yahweh), ‘de troon van Yahweh’: de ark gold als de voetbank of troon van Yahweh (1 Kron. 28:2).
Straks is de hele stad Zijn troon.
שְׁרִרוּת (sherirut), ‘hardnekkigheid’: koppigheid van het hart, zoals in Deut. 29:18.
18In die dagen zal het huis van Juda zich voegen bij het huis van Israël. Samen zullen zij uit het land van het noorden komen, naar het land dat Ik jullie vaders als erfdeel heb gegeven.
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֔מָּה
(hahema)
die
יֵלְכ֥וּ
(yelekhu)
zullen gaan
בֵית
(beit)
huis van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
עַל
(al)
naar
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְיָבֹ֤אוּ
(veyavou)
en zullen komen
יַחְדָּו֙
(yachdav)
samen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
צָפ֔וֹן
(tsafon)
noorden
עַל
(al)
naar
הָאָ֕רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
הִנְחַ֖לְתִּי
(hinchalti)
Ik gaf als erfdeel
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבוֹתֵיכֶֽם
(avoteikhem)
jullie vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Juda en Israël, de gescheiden rijken, keren samen terug uit het noorden.
Het noorden is de richting van de ballingschap (vers 12).
19Ik zei: ‘Hoe zou Ik je onder de kinderen plaatsen en je een begeerlijk land geven, het schitterendste erfdeel van de volken?’ En Ik zei: ‘Je zult Mij „mijn vader” noemen en je zult je niet van achter Mij afkeren.’
וְאָנֹכִ֣י
(veanokhi)
en Ik
אָמַ֗רְתִּי
(amarti)
Ik zei
אֵ֚יךְ
(eikh)
hoe
אֲשִׁיתֵ֣ךְ
(ashitekh)
zou Ik je plaatsen
בַּבָּנִ֔ים
(babanim)
onder de kinderen
וְאֶתֶּן
(veeten)
en Ik zou geven
לָךְ֙
(lakh)
aan jou
אֶ֣רֶץ
(erets)
een land
חֶמְדָּ֔ה
(chemda)
begeerlijk
נַחֲלַ֥ת
(nachalat)
erfdeel van
צְבִ֖י
(tsevi)
pracht van
צִבְא֣וֹת
(tsivot)
de scharen van
גּוֹיִ֑ם
(goyim)
volken
וָאֹמַ֗ר
(vaomar)
en Ik zei
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
תִּקְרְאִי
(tiqrei)
zul je noemen
לִ֔י
(li)
Mij
וּמֵאַחֲרַ֖י
(umeacharay)
en van achter Mij
לֹ֥א
(lo)
niet
תָשֽׁוּבִי
(tashuvi)
zul je afkeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צְבִי צִבְאוֹת גּוֹיִם (nachalat tsevi tsiv’ot goyim), ‘het schitterendste erfdeel van de volken’: צְבִי (tsevi) betekent ‘pracht, sieraad’ (ook ‘gazelle’).
De tweede vorm (tsiv’ot) is onzeker.
Wij begrijpen de zin als ‘het mooiste van alle volken’.
אָבִי (avi), ‘mijn vader’: Israël zal Yahweh zo noemen. Vergelijk Jer. 3:4.
Lezing
In de geschreven tekst staan תקראו (tiqre’u) en תשובו (tashuvu), ‘jullie zullen noemen’ en ‘jullie zullen afkeren’ (meervoud); de overlevering leest תִּקְרְאִי (tiqre’i) en תָשׁוּבִי (tashuvi), ‘je zult noemen’ en ‘je zult afkeren’ (enkelvoud, vrouwelijk).
21Een stem wordt gehoord op de kale heuvels: het wenen en de smeekbeden van de kinderen van Israël. Want zij hebben hun weg verdraaid. Zij zijn Yahweh, hun Elohim, vergeten.
ק֚וֹל
(qol)
stem
עַל
(al)
op
שְׁפָיִ֣ים
(shefayim)
kale heuvels
נִשְׁמָ֔ע
(nishma)
wordt gehoord
בְּכִ֥י
(bekhi)
wenen van
תַחֲנוּנֵ֖י
(tachanunei)
smeekbeden van
בְּנֵ֣י
(benei)
kinderen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כִּ֤י
(ki)
want
הֶעֱוּוּ֙
(heeuu)
zij hebben verdraaid
אֶת
(et)
(obj.)
דַּרְכָּ֔ם
(darkam)
hun weg
שָׁכְח֖וּ
(shakhechu)
zij zijn vergeten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהֹוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶֽם
(eloheihem)
hun Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De profeet hoort een stem van wenen op de kale heuvels.
Daar waar het volk eerst afgoden diende, huilen nu de kinderen van Israël.
25Laten wij liggen in onze schande en laat onze smaad ons bedekken. Want tegen Yahweh, onze Elohim, hebben wij gezondigd, wij en onze vaders, vanaf onze jeugd tot op deze dag. Wij hebben niet geluisterd naar de stem van Yahweh, onze Elohim.”
נִשְׁכְּבָ֣ה
(nishkeva)
laten wij liggen
בְּבָשְׁתֵּ֗נוּ
(bevashtenu)
in onze schande
וּֽתְכַסֵּנוּ֮
(utekhasenu)
en laat bedekken ons
כְּלִמָּתֵנוּ֒
(kelimatenu)
onze smaad
כִּי֩
(ki)
want
לַיהוָ֨ה
(laYahweh)
tegen Yahweh
אֱלֹהֵ֜ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
חָטָ֗אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
אֲנַ֨חְנוּ֙
(anachnu)
wij
וַאֲבוֹתֵ֔ינוּ
(vaavoteinu)
en onze vaders
מִנְּעוּרֵ֖ינוּ
(mineureinu)
van onze jeugd
וְעַד
(vead)
en tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שָׁמַ֔עְנוּ
(shamanu)
wij hebben geluisterd
בְּק֖וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהֹוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het gebed is een schuldbelijdenis voor drie generaties: wij en onze vaders, van onze jeugd tot nu.