Elohim Bijbel

Richteren 14

123456789101112131415161718192021

Simson in Timna: de leeuw, de honing en het raadsel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Simson wil een vrouw uit Timna

1Simson ging naar Timna af. In Timna zag hij een vrouw, een van de dochters van de Filistijnen.
וַיֵּ֥רֶד
(vayered)
en ging af
שִׁמְשׁ֖וֹן
(shimshon)
Simson
תִּמְנָ֑תָה
(timnata)
naar Timna
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en zag
אִשָּׁ֛ה
(isha)
een vrouw
בְּתִמְנָ֖תָה
(betimnata)
in Timna
מִבְּנ֥וֹת
(mibenot)
van de dochters van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Timna (Hebreeuws Timnata) lag in de Sorekvallei, ongeveer 6 km ten westen van Bet-Semes.

Het is waarschijnlijk Tel Batash in Israël.

Het lag lager dan Tsora, daarom staat er ‘af’ en ‘omhoog’ (vers 2 en 19).

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

פְּלִשְׁתִּים (Pelishtim), ‘Filistijnen’: het volk van de kuststreek in het zuidwesten van Kanaän.

2Hij ging omhoog en vertelde het aan zijn vader en zijn moeder. Hij zei: „Ik heb in Timna een vrouw gezien, een van de dochters van de Filistijnen. Neem haar nu voor mij tot vrouw.”
וַיַּ֗עַל
(vayaal)
en ging omhoog
וַיַּגֵּד֙
(vayaged)
en vertelde
לְאָבִ֣יו
(leaviv)
aan zijn vader
וּלְאִמּ֔וֹ
(uleimo)
en aan zijn moeder
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
אִשָּׁ֛ה
(isha)
een vrouw
רָאִ֥יתִי
(raiti)
ik heb gezien
בְתִמְנָ֖תָה
(betimnata)
in Timna
מִבְּנ֣וֹת
(mibenot)
van de dochters van
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
Filistijnen
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
קְחוּ
(qechu)
neem
אוֹתָ֥הּ
(otah)
haar
לִּ֖י
(li)
voor mij
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Timna (Tel Batasj): Timna wordt gezocht bij Tel Batasj, in het dal van Sorek.

In Jozua 15:57 gaat het om een Timna in het bergland van Juda.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

3Zijn vader en zijn moeder zeiden tegen hem: „Is er onder de dochters van je broeders en onder heel mijn volk dan geen vrouw? Want jij gaat een vrouw nemen van de Filistijnen, de onbesnedenen.” Simson zei tegen zijn vader: „Neem haar voor mij, want zij is juist in mijn ogen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֜וֹ
(lo)
tot hem
אָבִ֣יו
(aviv)
zijn vader
וְאִמּ֗וֹ
(veimo)
en zijn moeder
הַאֵין֩
(haein)
is er niet
בִּבְנ֨וֹת
(bivnot)
onder de dochters van
אַחֶ֤יךָ
(acheikha)
je broeders
וּבְכָל
(uvekhal)
en onder heel
עַמִּי֙
(ami)
mijn volk
אִשָּׁ֔ה
(isha)
een vrouw
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּ֤ה
(ata)
jij
הוֹלֵךְ֙
(holekh)
gaat
לָקַ֣חַת
(laqachat)
om te nemen
אִשָּׁ֔ה
(isha)
een vrouw
מִפְּלִשְׁתִּ֖ים
(mipelishtim)
van de Filistijnen
הָעֲרֵלִ֑ים
(haarelim)
de onbesnedenen
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
שִׁמְשׁ֤וֹן
(shimshon)
Simson
אֶל
(el)
tot
אָבִיו֙
(aviv)
zijn vader
אוֹתָ֣הּ
(otah)
haar
קַֽח
(qach)
neem
לִ֔י
(li)
voor mij
כִּֽי
(ki)
want
הִ֖יא
(hi)
zij
יָשְׁרָ֥ה
(yashera)
juist
בְעֵינָֽי
(beeinay)
in mijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

עֲרֵלִים (arelim), ‘onbesnedenen’: de Filistijnen hielden het teken van het verbond niet (Gen. 17:10–14).

Voor huwelijken met andere volken zie Deut. 7:3.

יָשְׁרָה בְּעֵינַי (yashrah be’einai), ‘juist in mijn ogen’. Dezelfde uitdrukking staat in Richt. 17:6.

4Zijn vader en zijn moeder wisten niet dat het van Yahweh kwam. Want Hij zocht een aanleiding tegen de Filistijnen. In die tijd heersten de Filistijnen over Israël.
וְאָבִ֨יו
(veaviv)
en zijn vader
וְאִמּ֜וֹ
(veimo)
en zijn moeder
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדְע֗וּ
(yadeu)
wisten
כִּ֤י
(ki)
dat
מֵיְהוָה֙
(meYahweh)
van Yahweh
הִ֔יא
(hi)
het was
כִּי
(ki)
want
תֹאֲנָ֥ה
(toana)
aanleiding
הֽוּא
(hu)
Hij
מְבַקֵּ֖שׁ
(mevaqesh)
zoekend
מִפְּלִשְׁתִּ֑ים
(mipelishtim)
tegen de Filistijnen
וּבָעֵ֣ת
(uvaet)
en in die
הַהִ֔יא
(hahi)
tijd
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
Filistijnen
מֹשְׁלִ֥ים
(moshelim)
heersend
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
over Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

תֹּאֲנָה (ta’anah), ‘aanleiding’: dit woord komt in de Bijbel alleen hier voor.

Lezing

De tekst heeft alleen הוּא (hu), ‘hij’.

Wij nemen Yahweh, omdat de zin begint met ‘van Yahweh’.

Het kan ook Simson zijn.

De leeuw en de honing

5Simson ging met zijn vader en zijn moeder naar Timna af. Zij kwamen bij de wijngaarden van Timna. En zie, een jonge leeuw kwam brullend op hem af.
וַיֵּ֧רֶד
(vayered)
en ging af
שִׁמְשׁ֛וֹן
(shimshon)
Simson
וְאָבִ֥יו
(veaviv)
en zijn vader
וְאִמּ֖וֹ
(veimo)
en zijn moeder
תִּמְנָ֑תָה
(timnata)
naar Timna
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en zij kwamen
עַד
(ad)
tot
כַּרְמֵ֣י
(karmei)
de wijngaarden van
תִמְנָ֔תָה
(timnata)
Timna
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
כְּפִ֣יר
(kefir)
jonge leeuw van
אֲרָי֔וֹת
(arayot)
leeuwen
שֹׁאֵ֖ג
(shoeg)
brullend
לִקְרָאתֽוֹ
(liqrato)
hem tegemoet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Timna (Tel Batasj): Timna wordt gezocht bij Tel Batasj, in het dal van Sorek.

In Jozua 15:57 gaat het om een Timna in het bergland van Juda.

Uitleg

Een nazireeër blijft van alles wat van de wijnstok komt (Num. 6:4).

De tekst zegt niet dat Simson iets uit de wijngaarden nam.

Zie ookNum 6:4
6De Geest van Yahweh kwam met kracht over hem. Hij scheurde de leeuw uiteen, zoals men een bokje uiteenscheurt. Hij had niets in zijn hand. Hij vertelde zijn vader en zijn moeder niet wat hij gedaan had.
וַתִּצְלַ֨ח
(vatitslach)
en kwam met kracht
עָלָ֜יו
(alav)
over hem
ר֣וּחַ
(ruach)
Geest van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַֽיְשַׁסְּעֵ֨הוּ֙
(vayshaseehu)
en hij scheurde hem uiteen
כְּשַׁסַּ֣ע
(keshasa)
zoals het uiteenscheuren van
הַגְּדִ֔י
(hagedi)
het bokje
וּמְא֖וּמָה
(umeuma)
en niets
אֵ֣ין
(ein)
er was niet
בְּיָד֑וֹ
(beyado)
in zijn hand
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
הִגִּיד֙
(higid)
vertelde hij
לְאָבִ֣יו
(leaviv)
aan zijn vader
וּלְאִמּ֔וֹ
(uleimo)
en aan zijn moeder
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
עָשָֽׂה
(asa)
hij had gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צָלַח (tsalach), ‘met kracht komen over’: hetzelfde werkwoord staat in vers 19, in Richt. 15:14 en in 1 Sam. 10:6.

7Hij ging af en sprak met de vrouw. Zij was juist in de ogen van Simson.
וַיֵּ֖רֶד
(vayered)
en ging af
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
לָאִשָּׁ֑ה
(laisha)
met de vrouw
וַתִּישַׁ֖ר
(vatishar)
en zij was juist
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
שִׁמְשֽׁוֹן
(shimshon)
Simson
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Na enige tijd ging hij terug om haar te halen. Hij week af om het kadaver van de leeuw te bekijken. En zie, in het lijf van de leeuw zat een zwerm bijen en honing.
וַיָּ֤שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
מִיָּמִים֙
(miyamim)
na enige tijd
לְקַחְתָּ֔הּ
(leqachtah)
om haar te nemen
וַיָּ֣סַר
(vayasar)
en week af
לִרְא֔וֹת
(lirot)
om te zien
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מַפֶּ֣לֶת
(mapelet)
het kadaver van
הָאַרְיֵ֑ה
(haarye)
de leeuw
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
עֲדַ֧ת
(adat)
zwerm van
דְּבוֹרִ֛ים
(devorim)
bijen
בִּגְוִיַּ֥ת
(bigviyat)
in het lijf van
הָאַרְיֵ֖ה
(haarye)
de leeuw
וּדְבָֽשׁ
(udevash)
en honing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een nazireeër mocht niet bij een dode komen (Num. 6:6).

De tekst zegt in vers 9 wel dat Simson zijn ouders niet vertelde waar de honing vandaan kwam.

9Hij schraapte de honing in zijn handen en liep al etend verder. Toen hij bij zijn vader en zijn moeder kwam, gaf hij hun ervan en zij aten. Maar hij vertelde hun niet dat hij de honing uit het lijf van de leeuw had geschraapt.
וַיִּרְדֵּ֣הוּ
(vayirdehu)
en schraapte het uit
אֶל
(el)
in
כַּפָּ֗יו
(kapav)
zijn handpalmen
וַיֵּ֤לֶךְ
(vayelekh)
en ging
הָלוֹךְ֙
(halokh)
gaande
וְאָכֹ֔ל
(veakhol)
en etend
וַיֵּ֨לֶךְ֙
(vayelekh)
en ging
אֶל
(el)
naar
אָבִ֣יו
(aviv)
zijn vader
וְאֶל
(veel)
en naar
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en gaf
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
וַיֹּאכֵ֑לוּ
(vayokhelu)
en zij aten
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הִגִּ֣יד
(higid)
vertelde hij
לָהֶ֔ם
(lahem)
hun
כִּ֛י
(ki)
dat
מִגְּוִיַּ֥ת
(migeviyat)
uit het lijf van
הָאַרְיֵ֖ה
(haarye)
de leeuw
רָדָ֥ה
(rada)
hij had geschraapt
הַדְּבָֽשׁ
(hadevash)
de honing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָדָה (radah) betekent meestal ‘heersen’ (Gen. 1:26).

Hier past ‘schrapen’ in de zin.

De betekenis is niet helemaal zeker.

Het feest en het raadsel

10Zijn vader ging naar de vrouw af. Simson hield daar een feest, want dat deden de jonge mannen.
וַיֵּ֥רֶד
(vayered)
en ging af
אָבִ֖יהוּ
(avihu)
zijn vader
אֶל
(el)
naar
הָאִשָּׁ֑ה
(haisha)
de vrouw
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en maakte
שָׁ֤ם
(sham)
daar
שִׁמְשׁוֹן֙
(shimshon)
Simson
מִשְׁתֶּ֔ה
(mishte)
feest
כִּ֛י
(ki)
want
כֵּ֥ן
(ken)
zo
יַעֲשׂ֖וּ
(yaasu)
deden
הַבַּחוּרִֽים
(habachurim)
de jonge mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁתֶּה (mishteh), ‘feest’: letterlijk ‘drinkfeest’, van שָׁתָה (shatah), ‘drinken’.

Een bruiloftsfeest duurde zeven dagen (Gen. 29:27).

De tekst zegt niet dat Simson wijn dronk (Num. 6:3).

11Toen zij hem zagen, namen zij 30 vrienden. Die bleven bij hem.
וַיְהִ֖י
(vayhi)
en het was
כִּרְאוֹתָ֣ם
(kirotam)
toen zij zagen
אוֹת֑וֹ
(oto)
hem
וַיִּקְחוּ֙
(vayiqchu)
en zij namen
שְׁלֹשִׁ֣ים
(sheloshim)
dertig
מֵֽרֵעִ֔ים
(mereim)
vrienden
וַיִּהְי֖וּ
(vayihyu)
en zij waren
אִתּֽוֹ
(ito)
bij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Wij volgen de Masoretische tekst: ‘toen zij hem zagen’.

De Septuaginta heeft: ‘uit angst voor hem’.

12Simson zei tegen hen: „Laat mij jullie een raadsel opgeven. Als jullie het mij kunnen vertellen tijdens de zeven dagen van het feest en de oplossing vinden, geef ik jullie 30 linnen hemden en 30 stel kleren.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶם֙
(lahem)
tot hen
שִׁמְשׁ֔וֹן
(shimshon)
Simson
אָחֽוּדָה
(achuda)
laat mij opgeven
נָּ֥א
(na)
toch
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
חִידָ֑ה
(chida)
een raadsel
אִם
(im)
als
הַגֵּ֣ד
(haged)
vertellen
תַּגִּידוּ֩
(tagidu)
jullie zullen vertellen
אוֹתָ֨הּ
(otah)
het
לִ֜י
(li)
aan mij
שִׁבְעַ֨ת
(shivat)
zeven
יְמֵ֤י
(yemei)
dagen van
הַמִּשְׁתֶּה֙
(hamishte)
het feest
וּמְצָאתֶ֔ם
(umetsatem)
en jullie vinden het
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en ik zal geven
לָכֶם֙
(lakhem)
aan jullie
שְׁלֹשִׁ֣ים
(sheloshim)
dertig
סְדִינִ֔ים
(sedinim)
linnen hemden
וּשְׁלֹשִׁ֖ים
(usheloshim)
en dertig
חֲלִפֹ֥ת
(chalifot)
stel van
בְּגָדִֽים
(begadim)
kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חִידָה (chidah), ‘raadsel’; het werkwoord אָחוּדָה (achudah) is ‘een raadsel opgeven’.

סָדִין (sadin), ‘linnen kleed’: wij vertalen ‘linnen hemd’ (vergelijk Spr. 31:24). חֲלִפוֹת (chalifot), ‘stel kleren om te verwisselen’ (vergelijk Gen. 45:22).

13Als jullie het mij niet kunnen vertellen, moeten jullie mij 30 linnen hemden en 30 stel kleren geven.” Zij zeiden tegen hem: „Geef je raadsel op, dan willen wij het horen.”
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֣א
(lo)
niet
תוּכְלוּ֮
(tukhelu)
jullie kunnen
לְהַגִּ֣יד
(lehagid)
om te vertellen
לִי֒
(li)
aan mij
וּנְתַתֶּ֨ם
(unetatem)
dan zullen jullie geven
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
לִי֙
(li)
aan mij
שְׁלֹשִׁ֣ים
(sheloshim)
dertig
סְדִינִ֔ים
(sedinim)
linnen hemden
וּשְׁלֹשִׁ֖ים
(usheloshim)
en dertig
חֲלִיפ֣וֹת
(chalifot)
stellen van
בְּגָדִ֑ים
(begadim)
kleren
וַיֹּ֣אמְרוּ
(vayomru)
en zij zeiden
ל֔וֹ
(lo)
tot hem
ח֥וּדָה
(chuda)
geef op
חִידָתְךָ֖
(chidatekha)
je raadsel
וְנִשְׁמָעֶֽנָּה
(venishmaena)
en wij willen het horen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Hij zei tegen hen: „Uit de eter kwam voedsel. Uit de sterke kwam zoetigheid.” Drie dagen lang konden zij het raadsel niet uitleggen.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶ֗ם
(lahem)
tot hen
מֵהָֽאֹכֵל֙
(mehaokhel)
uit de eter
יָצָ֣א
(yatsa)
kwam
מַאֲכָ֔ל
(maakhal)
voedsel
וּמֵעַ֖ז
(umeaz)
en uit de sterke
יָצָ֣א
(yatsa)
kwam
מָת֑וֹק
(matoq)
zoetigheid
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָכְל֛וּ
(yakhelu)
konden zij
לְהַגִּ֥יד
(lehagid)
vertellen
הַחִידָ֖ה
(hachida)
het raadsel
שְׁלֹ֥שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het raadsel heeft twee regels met een woordspel: מֵהָאֹכֵל יָצָא מַאֲכָל (mehaokhel yatsa ma’akhal), ‘uit de eter kwam voedsel’, en וּמֵעַז יָצָא מָתוֹק (umeaz yatsa matoq), ‘uit de sterke kwam zoetigheid’.

Het antwoord is de leeuw en de honing (vers 18).

De vrouw verraadt het raadsel

15Op de zevende dag zeiden zij tegen de vrouw van Simson: „Haal je man over om ons het raadsel te vertellen. Anders verbranden wij jou en het huis van je vader met vuur. Hebben jullie ons uitgenodigd om ons te beroven? Is het niet zo?”
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִ֗י
(hashevii)
de zevende
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zij zeiden
לְאֵֽשֶׁת
(leeshet)
tot de vrouw van
שִׁמְשׁוֹן֙
(shimshon)
Simson
פַּתִּ֣י
(pati)
overreed
אֶת
(et)
(obj.)
אִישֵׁ֗ךְ
(ishekh)
je man
וְיַגֶּד
(veyaged)
dat hij vertelt
לָ֨נוּ֙
(lanu)
ons
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֣חִידָ֔ה
(hachida)
het raadsel
פֶּן
(pen)
anders
נִשְׂרֹ֥ף
(nisrof)
verbranden wij
אוֹתָ֛ךְ
(otakh)
jou
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
אָבִ֖יךְ
(avikh)
je vader
בָּאֵ֑שׁ
(baesh)
met vuur
הַלְיָרְשֵׁ֕נוּ
(halyareshenu)
om ons te beroven
קְרָאתֶ֥ם
(qeratem)
hebben jullie uitgenodigd
לָ֖נוּ
(lanu)
ons
הֲלֹֽא
(halo)
is het niet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָרַשׁ (yarash), ‘in bezit nemen’: de mannen zeggen dat Simson hen wil beroven.

De dreiging met vuur wordt later werkelijkheid (Richt. 15:6).

Lezing

Op de zevende dag: zo staat het ook in vers 17.

In vers 14 zijn pas drie dagen voorbij.

De Septuaginta en de Peshitta hebben hier ‘de vierde dag’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

16De vrouw van Simson huilde bij hem en zei: „Je haat mij alleen maar en je houdt niet van mij. Je hebt de zonen van mijn volk een raadsel opgegeven, maar mij heb je het niet verteld.” Hij zei tegen haar: „Zie, aan mijn vader en mijn moeder heb ik het niet verteld. Zou ik het dan aan jou vertellen?”
וַתֵּבְךְּ֩
(vatevek)
en huilde
אֵ֨שֶׁת
(eshet)
vrouw van
שִׁמְשׁ֜וֹן
(shimshon)
Simson
עָלָ֗יו
(alav)
bij hem
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zei
רַק
(raq)
alleen maar
שְׂנֵאתַ֨נִי֙
(senetani)
je haat mij
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֲהַבְתָּ֔נִי
(ahavtani)
je houdt van mij
הַֽחִידָ֥ה
(hachida)
het raadsel
חַ֨דְתָּ֙
(chadta)
heb je opgegeven
לִבְנֵ֣י
(livnei)
aan de zonen van
עַמִּ֔י
(ami)
mijn volk
וְלִ֖י
(veli)
en aan mij
לֹ֣א
(lo)
niet
הִגַּ֑דְתָּה
(higadta)
heb je verteld
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָ֗הּ
(lah)
tot haar
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
לְאָבִ֧י
(leavi)
aan mijn vader
וּלְאִמִּ֛י
(uleimi)
en aan mijn moeder
לֹ֥א
(lo)
niet
הִגַּ֖דְתִּי
(higadti)
heb ik verteld
וְלָ֥ךְ
(velakh)
en aan jou
אַגִּֽיד
(agid)
zal ik vertellen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Zij huilde bij hem de zeven dagen dat zij het feest hadden. Op de zevende dag vertelde hij het haar, want zij drong op hem aan. Toen vertelde zij het raadsel aan de zonen van haar volk.
וַתֵּ֤בְךְּ
(vatevek)
en zij huilde
עָלָיו֙
(alav)
bij hem
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
הָיָ֥ה
(haya)
was
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
הַמִּשְׁתֶּ֑ה
(hamishte)
het feest
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִ֗י
(hashevii)
de zevende
וַיַּגֶּד
(vayaged)
en hij vertelde
לָהּ֙
(lah)
haar
כִּ֣י
(ki)
want
הֱצִיקַ֔תְהוּ
(hetsiqathu)
zij drong op hem aan
וַתַּגֵּ֥ד
(vataged)
en zij vertelde
הַחִידָ֖ה
(hachida)
het raadsel
לִבְנֵ֥י
(livnei)
aan de zonen van
עַמָּֽהּ
(amah)
haar volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Op de zevende dag zeiden de mannen van de stad tegen hem, voordat de zon onderging: „Wat is zoeter dan honing? Wat is sterker dan een leeuw?” Hij zei tegen hen: „Als jullie niet met mijn jonge koe hadden geploegd, hadden jullie mijn raadsel niet gevonden.”
וַיֹּ֣אמְרוּ
(vayomru)
en zeiden
לוֹ֩
(lo)
tot hem
אַנְשֵׁ֨י
(anshei)
de mannen van
הָעִ֜יר
(hair)
de stad
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִ֗י
(hashevii)
de zevende
בְּטֶ֨רֶם֙
(beterem)
voordat
יָבֹ֣א
(yavo)
hij kwam
הַחַ֔רְסָה
(hacharsa)
naar de zon
מַה
(ma)
wat
מָּת֣וֹק
(matoq)
zoet
מִדְּבַ֔שׁ
(midevash)
dan honing
וּמֶ֥ה
(ume)
en wat
עַ֖ז
(az)
sterk
מֵאֲרִ֑י
(meari)
dan leeuw
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֔ם
(lahem)
tot hen
לוּלֵא֙
(lule)
als niet
חֲרַשְׁתֶּ֣ם
(charashtem)
jullie geploegd hadden
בְּעֶגְלָתִ֔י
(beeglati)
met mijn jonge koe
לֹ֥א
(lo)
niet
מְצָאתֶ֖ם
(metsatem)
hadden jullie gevonden
חִידָתִֽי
(chidati)
mijn raadsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Simson noemt zijn vrouw zijn ‘jonge koe’ (עֶגְלָה, eglah).

De vraag van de mannen noemt de oplossing van vers 14: honing en de leeuw.

Lezing

הַחַרְסָה (hacharsah) is onzeker.

חֶרֶס (cheres) betekent ‘zon’ (Job 9:7).

Wij vertalen daarom ‘voordat de zon onderging’.

Sommige lezen: ‘voordat hij de kamer binnenging’ (vergelijk Richt. 15:1).

Askelon

19De Geest van Yahweh kwam met kracht over hem. Hij ging naar Askelon af en versloeg daar 30 man van hen. Hij nam hun kleren en gaf de stellen kleren aan hen die het raadsel hadden uitgelegd. Zijn woede ontbrandde en hij ging omhoog naar het huis van zijn vader.
וַתִּצְלַ֨ח
(vatitslach)
en kwam met kracht
עָלָ֜יו
(alav)
over hem
ר֣וּחַ
(ruach)
Geest van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֵּ֨רֶד
(vayered)
en ging af
אַשְׁקְל֜וֹן
(ashqelon)
naar Askelon
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en versloeg
מֵהֶ֣ם
(mehem)
van hen
שְׁלֹשִׁ֣ים
(sheloshim)
dertig
אִ֗ישׁ
(ish)
man
וַיִּקַּח֙
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
חֲלִ֣יצוֹתָ֔ם
(chalitsotam)
hun kleren
וַיִּתֵּן֙
(vayiten)
en gaf
הַחֲלִיפ֔וֹת
(hachalifot)
de stellen kleren
לְמַגִּידֵ֖י
(lemagidei)
aan de vertellers van
הַחִידָ֑ה
(hachida)
het raadsel
וַיִּ֣חַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַפּ֔וֹ
(apo)
zijn woede
וַיַּ֖עַל
(vayaal)
en ging omhoog
בֵּ֥ית
(beit)
naar het huis van
אָבִֽיהוּ
(avihu)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Askelon (Hebreeuws Ashkelon) was een Filistijnse havenstad aan de Middellandse Zee.

Zij lag bij het moderne Ashkelon in Israël.

De ligging is zeker.

Uitleg

וַיִּחַר אַפּוֹ (vayichar apo), letterlijk ‘zijn neus werd heet’: hij werd woedend.

אַף (af) betekent ‘neus’ en ‘woede’.

20De vrouw van Simson werd van zijn vriend, die zijn vriend geweest was.
וַתְּהִ֖י
(vatehi)
en werd
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
שִׁמְשׁ֑וֹן
(shimshon)
Simson
לְמֵ֣רֵעֵ֔הוּ
(lemereehu)
aan zijn vriend
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
רֵעָ֖ה
(rea)
als vriend gediend had
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ‘vriend’ (מֵרֵעַ, merea) is een van de dertig uit vers 11.

Dat zij aan hem werd gegeven, blijkt uit Richt. 15:2.