Elohim Bijbel

Job 31

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Jobs eed van onschuld

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het verbond met mijn ogen

1„Een verbond sloot ik met mijn ogen. Hoe zou ik dan naar een maagd kijken?
בְּ֭רִית
(berit)
verbond
כָּרַ֣תִּי
(karati)
sloot ik
לְעֵינָ֑י
(leeinay)
met mijn ogen
וּמָ֥ה
(uma)
en hoe
אֶ֝תְבּוֹנֵ֗ן
(etbonen)
zou ik kijken
עַל
(al)
naar
בְּתוּלָֽה
(betula)
een maagd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hoofdstuk 31 is Jobs eed van onschuld: een reeks voorwaardelijke zinnen (‘Als ik … dan …’).

Hij noemt wellust (1–4), bedrog (5–8), overspel (9–12), onrecht tegen knechten (13–15), verwaarlozing van armen (16–23), afgoderij van rijkdom en gesternten (24–28), vijandschap (29–31), gastvrijheid (32), verbergen van schuld (33–34) en onrecht tegen het land (38–40).

Het beantwoordt de beschuldigingen van Elifaz in 22:5–11.

Vergelijk Matt. 5:28 (de begerende blik).

2Wat zou het deel van Eloah van boven zijn, en het erfdeel van Shaddai uit de hoogte?
וּמֶ֤ה
(ume)
en wat
חֵ֣לֶק
(cheleq)
deel van
אֱל֣וֹהַּ
(eloha)
Eloah
מִמָּ֑עַל
(mimaal)
van boven
וְֽנַחֲלַ֥ת
(venachalat)
en erfdeel van
שַׁ֝דַּ֗י
(shaday)
Shaddai
מִמְּרֹמִֽים
(mimeromim)
uit de hoogte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Is het niet ondergang voor de onrechtvaardige en ramp voor wie onrecht doen?
הֲלֹא
(halo)
niet?
אֵ֥יד
(eid)
ondergang
לְעַוָּ֑ל
(leaval)
voor de onrechtvaardige
וְ֝נֵ֗כֶר
(venekher)
en ramp
לְפֹ֣עֲלֵי
(lefoalei)
voor wie doen
אָֽוֶן
(aven)
onrecht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn stappen?
הֲלֹא
(halo)
niet?
ה֭וּא
(hu)
Hij
יִרְאֶ֣ה
(yire)
ziet
דְרָכָ֑י
(derakhay)
mijn wegen
וְֽכָל
(vekhal)
en alle
צְעָדַ֥י
(tseaday)
mijn stappen
יִסְפּֽוֹר
(yispor)
telt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Als ik met leugen ben meegegaan en mijn voet naar bedrog is gesneld,
אִם
(im)
indien
הָלַ֥כְתִּי
(halakhti)
ik ging
עִם
(im)
met
שָׁ֑וְא
(shave)
leugen
וַתַּ֖חַשׁ
(vatachash)
en haastte zich
עַל
(al)
naar
מִרְמָ֣ה
(mirma)
bedrog
רַגְלִֽי
(ragli)
mijn voet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6laat Hij mij wegen op een eerlijke weegschaal. Dan zal Eloah mijn onberispelijkheid kennen.
יִשְׁקְלֵ֥נִי
(yishqeleni)
moge Hij mij wegen
בְמֹאזְנֵי
(bemoznei)
op weegschalen van
צֶ֑דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
וְיֵדַ֥ע
(veyeda)
en kennen
אֱ֝ל֗וֹהַּ
(eloha)
Eloah
תֻּמָּתִֽי
(tumati)
mijn onberispelijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job vraagt om een eerlijk onderzoek: ‘een eerlijke weegschaal’.

Hij is zeker van zijn zaak, zoals ook de rest van het hoofdstuk laat zien.

7Als mijn stap van de weg is afgeweken en mijn hart mijn ogen is gevolgd, en aan mijn handen een vlek is blijven kleven,
אִ֥ם
(im)
indien
תִּטֶּ֣ה
(tite)
afweek
אַשֻּׁרִי֮
(ashuri)
mijn schrede
מִנִּ֪י
(mini)
van
הַ֫דָּ֥רֶךְ
(hadarekh)
de weg
וְאַחַ֣ר
(veachar)
en na
עֵ֭ינַי
(einay)
mijn ogen
הָלַ֣ךְ
(halakh)
ging
לִבִּ֑י
(libi)
mijn hart
וּ֝בְכַפַּ֗י
(uvekhapay)
en aan mijn handen
דָּ֣בַק
(davaq)
kleefde
מֻאֽוּם
(muum)
een vlek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8laat mij dan zaaien en een ander eten, en laat mijn nakomelingen ontworteld worden.
אֶ֭זְרְעָה
(ezrea)
laat mij zaaien
וְאַחֵ֣ר
(veacher)
en een ander
יֹאכֵ֑ל
(yokhel)
eet
וְֽצֶאֱצָאַ֥י
(vetseetsaay)
en mijn nakomelingen
יְשֹׁרָֽשׁוּ
(yeshorashu)
worden ontworteld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Als mijn hart is verleid door een vrouw en ik bij de deur van mijn naaste op de loer heb gelegen,
אִם
(im)
indien
נִפְתָּ֣ה
(nifta)
verleid werd
לִ֭בִּי
(libi)
mijn hart
עַל
(al)
door
אִשָּׁ֑ה
(isha)
een vrouw
וְעַל
(veal)
en bij
פֶּ֖תַח
(petach)
de deur van
רֵעִ֣י
(rei)
mijn naaste
אָרָֽבְתִּי
(aravti)
ik op de loer lag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10laat mijn vrouw dan voor een ander malen, en laten anderen zich over haar buigen.
תִּטְחַ֣ן
(titchan)
laat malen
לְאַחֵ֣ר
(leacher)
voor een ander
אִשְׁתִּ֑י
(ishti)
mijn vrouw
וְ֝עָלֶ֗יהָ
(vealeiha)
en over haar
יִכְרְע֥וּן
(yikhreun)
zich bukken
אֲחֵרִֽין
(acherin)
anderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Malen voor een ander’ is het werk van een slavin (Ex. 11:5; Jes. 47:2) en hier ook een eufemisme voor seksuele onderwerping aan een andere man.

11Want dat is schandelijk, een misdaad die rechters moeten straffen.
כִּי
(ki)
want
הִ֥יא
(hi)
dit
זִמָּ֑ה
(zima)
is schandelijk
וְ֝ה֗וּא
(vehu)
en dit
עָוֺ֥ן
(avon)
schuld voor
פְּלִילִֽים
(pelilim)
rechters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Want het is een vuur dat tot de Afgrond verteert, en mijn hele oogst zou het ontwortelen.
כִּ֤י
(ki)
want
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur
הִ֭יא
(hi)
het is
עַד
(ad)
tot
אֲבַדּ֣וֹן
(avadon)
de Afgrond
תֹּאכֵ֑ל
(tokhel)
dat verteert
וּֽבְכָל
(uvekhal)
en heel
תְּב֖וּאָתִ֣י
(tevuati)
mijn opbrengst
תְשָׁרֵֽשׁ
(tesharesh)
zou ontwortelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Recht voor dienaar en slavin

13Als ik het recht van mijn dienaar of mijn slavin heb veracht toen ze een zaak tegen mij hadden,
אִם
(im)
indien
אֶמְאַ֗ס
(emas)
ik verachtte
מִשְׁפַּ֣ט
(mishpat)
het recht van
עַ֭בְדִּי
(avdi)
mijn dienaar
וַאֲמָתִ֑י
(vaamati)
en mijn slavin
בְּ֝רִבָ֗ם
(berivam)
toen ze twistten
עִמָּדִֽי
(imadi)
met mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14wat zou ik dan doen als El opstaat? En als Hij komt kijken, wat zou ik Hem antwoorden?
וּמָ֣ה
(uma)
en wat
אֶֽ֭עֱשֶׂה
(eese)
zou ik doen
כִּֽי
(ki)
als
יָק֣וּם
(yaqum)
opstaat
אֵ֑ל
(el)
El
וְכִֽי
(vekhi)
en als
יִ֝פְקֹ֗ד
(yifqod)
Hij onderzoekt
מָ֣ה
(ma)
wat
אֲשִׁיבֶֽנּוּ
(ashivenu)
zou ik Hem antwoorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Heeft Hij die mij in de buik maakte, niet ook hem gemaakt? Heeft niet Dezelfde ons in de schoot gevormd?
הֲֽ֝לֹא
(halo)
niet?
בַ֭בֶּטֶן
(babeten)
in de buik
עֹשֵׂ֣נִי
(oseni)
maakte mij
עָשָׂ֑הוּ
(asahu)
maakte hem
וַ֝יְכֻנֶ֗נּוּ
(vaykhunenu)
en vormde ons
בָּרֶ֥חֶם
(barechem)
in de schoot
אֶחָֽד
(echad)
Dezelfde (één)
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job gaat uit van de gelijkheid van alle mensen, ook van slaven: dezelfde Schepper heeft ons gevormd.

Vergelijk Spr. 14:31; 22:2; Mal. 2:10.

Vergelijk ook Ef. 6:9.

Zorg voor de arme

16Als ik de wens van de armen heb geweigerd en de ogen van de weduwe heb laten smachten,
אִם
(im)
indien
אֶ֭מְנַע
(emna)
ik weigerde
מֵחֵ֣פֶץ
(mechefets)
de wens van
דַּלִּ֑ים
(dalim)
armen
וְעֵינֵ֖י
(veeinei)
en ogen van
אַלְמָנָ֣ה
(almana)
een weduwe
אֲכַלֶּֽה
(akhale)
liet smachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17en alleen mijn brood heb gegeten zonder dat de wees ervan at,
וְאֹכַ֣ל
(veokhal)
en at
פִּתִּ֣י
(piti)
mijn brood
לְבַדִּ֑י
(levadi)
alleen
וְלֹא
(velo)
en niet
אָכַ֖ל
(akhal)
at
יָת֣וֹם
(yatom)
de wees
מִמֶּֽנָּה
(mimena)
ervan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18terwijl hij van jongs af bij mij opgroeide als bij een vader, en ik vanaf de schoot van mijn moeder haar geleid heb,
כִּ֣י
(ki)
want
מִ֭נְּעוּרַי
(mineuray)
van jongs af
גְּדֵלַ֣נִי
(gedelani)
groeide hij op bij mij
כְאָ֑ב
(keav)
als bij een vader
וּמִבֶּ֖טֶן
(umibeten)
en vanaf de buik van
אִמִּ֣י
(imi)
mijn moeder
אַנְחֶֽנָּה
(anchena)
leidde ik haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19als ik iemand omkomen zag zonder kleding, of een behoeftige zonder dekking,
אִם
(im)
indien
אֶרְאֶ֣ה
(ere)
ik zie
א֭וֹבֵד
(oved)
een omkomende
מִבְּלִ֣י
(mibeli)
zonder
לְב֑וּשׁ
(levush)
kleding
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is er
כְּ֝ס֗וּת
(kesut)
dekking
לָאֶבְיֽוֹן
(laevyon)
voor een behoeftige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20als zijn heupen mij niet gezegend hebben en hij zich niet warmde aan de vacht van mijn schapen,
אִם
(im)
indien
לֹ֣א
(lo)
niet
בֵרֲכ֣וּנִי
(berakhuni)
zegenden mij
חֲלָצָ֑יו
(chalatsav)
zijn heupen
וּמִגֵּ֥ז
(umigez)
en met de vacht van
כְּ֝בָשַׂי
(kevasay)
mijn schapen
יִתְחַמָּֽם
(yitchamam)
hij zich warmde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21als ik mijn hand heb opgeheven tegen een wees omdat ik in de poort steun voor mij zag,
אִם
(im)
indien
הֲנִיפ֣וֹתִי
(hanifoti)
ik zwaaide
עַל
(al)
tegen
יָת֣וֹם
(yatom)
een wees
יָדִ֑י
(yadi)
mijn hand
כִּֽי
(ki)
omdat
אֶרְאֶ֥ה
(ere)
ik zag
בַ֝שַּׁ֗עַר
(bashaar)
in de poort
עֶזְרָתִֽי
(ezrati)
mijn hulp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22laat dan mijn schouder van het schouderblad vallen en mijn arm uit zijn gewricht breken.
כְּ֭תֵפִי
(ketefi)
mijn schouder
מִשִּׁכְמָ֣ה
(mishikhma)
van het schouderblad
תִפּ֑וֹל
(tipol)
valle
וְ֝אֶזְרֹעִ֗י
(veezroi)
en mijn arm
מִקָּנָ֥ה
(miqana)
uit zijn kom
תִשָּׁבֵֽר
(tishaver)
breke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Want de angst voor de ramp van El was voor mij een schrik, en tegen Zijn majesteit zou ik niets kunnen.
כִּ֤י
(ki)
want
פַ֣חַד
(pachad)
schrik
אֵ֭לַי
(elay)
voor mij
אֵ֣יד
(eid)
ramp van
אֵ֑ל
(el)
El
וּ֝מִשְּׂאֵת֗וֹ
(umiseeto)
en voor Zijn majesteit
לֹ֣א
(lo)
niet
אוּכָֽל
(ukhal)
zou ik kunnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Geen vertrouwen in goud

24Als ik goud tot mijn vertrouwen heb gemaakt en tegen het fijne goud heb gezegd: ‘Mijn zekerheid’,
אִם
(im)
indien
שַׂ֣מְתִּי
(samti)
ik stelde
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
כִּסְלִ֑י
(kisli)
mijn vertrouwen
וְ֝לַכֶּ֗תֶם
(velaketem)
en tegen fijn goud
אָמַ֥רְתִּי
(amarti)
zei ik
מִבְטַחִֽי
(mivtachi)
mijn zekerheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job verwerpt het vertrouwen in goud (vergelijk 22:23–25) en in de gesternten (vers 26–28).

Dat laatste kan zonnedienst en maandienst bedoelen: de hand die de mond kust is een gebaar van aanbidding naar zon of maan.

25als ik mij heb verheugd dat mijn rijkdom groot was en mijn hand veel had verworven,
אִם
(im)
indien
אֶ֭שְׂמַח
(esmach)
ik me verheugde
כִּי
(ki)
dat
רַ֣ב
(rav)
groot was
חֵילִ֑י
(cheili)
mijn vermogen
וְכִֽי
(vekhi)
en dat
כַ֝בִּ֗יר
(kabir)
veel
מָצְאָ֥ה
(matsea)
had gevonden
יָדִֽי
(yadi)
mijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26als ik naar het licht keek hoe het scheen en naar de maan die prachtig voortging,
אִם
(im)
indien
אֶרְאֶ֣ה
(ere)
ik zag
א֖וֹר
(or)
het licht
כִּ֣י
(ki)
hoe
יָהֵ֑ל
(yahel)
het scheen
וְ֝יָרֵ֗חַ
(veyareach)
en maan
יָקָ֥ר
(yaqar)
prachtig
הֹלֵֽךְ
(holekh)
voortging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Verering van zon en maan was in het Oude Nabije Oosten verbreid; de wet verbiedt haar (Deut. 4:19; 17:3; 2 Kon. 23:5).

27en mijn hart in het geheim werd verleid en mijn hand mijn mond kuste,
וַיִּ֣פְתְּ
(vayift)
en verleid werd
בַּסֵּ֣תֶר
(baseter)
in het geheim
לִבִּ֑י
(libi)
mijn hart
וַתִּשַּׁ֖ק
(vatishaq)
en kuste
יָדִ֣י
(yadi)
mijn hand
לְפִֽי
(lefi)
mijn mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28ook dat zou een misdaad voor rechters zijn, want dan zou ik El hierboven hebben verloochend.
גַּם
(gam)
ook
ה֭וּא
(hu)
dit
עָוֺ֣ן
(avon)
schuld van
פְּלִילִ֑י
(pelili)
een rechter (strafbaar)
כִּֽי
(ki)
want
כִחַ֖שְׁתִּי
(kichashti)
ik zou verloochend hebben
לָאֵ֣ל
(lael)
El
מִמָּֽעַל
(mimaal)
van boven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Alle vormen van afgoderij zijn ‘een misdaad voor rechters’: zij verloochenen El hierboven.

Geen vreugde over de ondergang van een vijand

29Als ik mij heb verheugd over de ondergang van wie mij haatten en opgewonden was toen het kwaad hem trof,
אִם
(im)
indien
אֶ֭שְׂמַח
(esmach)
ik me verheugde
בְּפִ֣יד
(befid)
over de ondergang van
מְשַׂנְאִ֑י
(mesani)
mijn haters
וְ֝הִתְעֹרַ֗רְתִּי
(vehitorarti)
en opgewonden was
כִּֽי
(ki)
omdat
מְצָ֥אוֹ
(metsao)
trof hem
רָֽע
(ra)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30maar ik heb mijn gehemelte niet laten zondigen door zijn leven met een vloek te vragen,
וְלֹא
(velo)
en niet
נָתַ֣תִּי
(natati)
gaf ik
לַחֲטֹ֣א
(lachato)
om te zondigen
חִכִּ֑י
(chiki)
mijn gehemelte
לִשְׁאֹ֖ל
(lishol)
door te vragen
בְּאָלָ֣ה
(beala)
met een vloek
נַפְשֽׁוֹ
(nafsho)
zijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31als de mannen van mijn tent niet hebben gezegd: ‘Wie is er niet verzadigd van zijn vlees geweest?’,
אִם
(im)
indien
לֹ֣א
(lo)
niet
אָ֭מְרוּ
(ameru)
zeiden
מְתֵ֣י
(metei)
mannen van
אָהֳלִ֑י
(aholi)
mijn tent
מִֽי
(mi)
wie
יִתֵּ֥ן
(yiten)
geeft
מִ֝בְּשָׂר֗וֹ
(mibesaro)
van zijn vlees
לֹ֣א
(lo)
niet
נִשְׂבָּֽע
(nisba)
zijn verzadigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32en de vreemdeling overnachtte niet buiten, maar ik opende mijn deuren voor de reiziger,
בַּ֭חוּץ
(bachuts)
buiten
לֹא
(lo)
niet
יָלִ֣ין
(yalin)
overnachtte
גֵּ֑ר
(ger)
een vreemdeling
דְּ֝לָתַ֗י
(delatay)
mijn deuren
לָאֹ֥רַח
(laorach)
voor de reiziger
אֶפְתָּֽח
(eftach)
opende ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Gastvrijheid voor de vreemdeling: vergelijk Gen. 19:1–3 en Hebr. 13:2.

33als ik mijn overtredingen heb bedekt zoals Adam, door mijn schuld in mijn boezem te verbergen,
אִם
(im)
indien
כִּסִּ֣יתִי
(kisiti)
ik bedekte
כְאָדָ֣ם
(keadam)
zoals Adam
פְּשָׁעָ֑י
(peshaay)
mijn overtredingen
לִטְמ֖וֹן
(litmon)
door te verbergen
בְּחֻבִּ֣י
(bechubi)
in mijn boezem
עֲוֺֽנִי
(avoni)
mijn schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

כְּאָדָם (ke’adam), ‘zoals Adam’ of ‘zoals mensen’.

Het woord אָדָם zonder lidwoord is soms de eigennaam van de eerste mens (Gen. 4:25), maar kan ook ‘een mens’ betekenen.

Bij ‘zoals Adam’ denkt men aan Gen. 3:7–12, waar de eerste mens zijn schuld verborg en Eva de schuld gaf; bij ‘zoals mensen’ gaat het om de gewone menselijke neiging tot verbergen.

Hos. 6:7 gebruikt dezelfde vorm (‘zij hebben het verbond overtreden zoals Adam’) en wordt eveneens verschillend gelezen.

Wij kiezen ‘zoals Adam’, omdat het beeld van het verbergen in de boezem (vers 33) goed past bij Gen. 3:8.

34omdat ik de grote menigte vreesde en de minachting van families mij schrik aanjoeg, zodat ik zweeg en de deur niet uitging...
כִּ֤י
(ki)
omdat
אֶֽעֱר֨וֹץ
(eerots)
ik vreesde
הָ֘מ֤וֹן
(hamon)
menigte
רַבָּ֗ה
(raba)
grote
וּבוּז
(uvuz)
en minachting van
מִשְׁפָּח֥וֹת
(mishpachot)
families
יְחִתֵּ֑נִי
(yechiteni)
deed mij schrikken
וָ֝אֶדֹּ֗ם
(vaedom)
en ik zweeg
לֹא
(lo)
niet
אֵ֥צֵא
(etse)
ging ik uit
פָֽתַח
(patach)
deur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Mijn handtekening: Shaddai moge antwoorden

35Was er maar iemand die naar mij luisterde! Zie, hier is mijn handtekening: laat Shaddai mij antwoorden. Was er maar een geschrift dat mijn tegenstander heeft geschreven!
מִ֤י
(mi)
wie
יִתֶּן
(yiten)
geeft
לִ֨י
(li)
mij
שֹׁ֘מֵ֤עַֽ
(shomea)
iemand die hoort
לִ֗י
(li)
naar mij
הֶן
(hen)
zie
תָּ֭וִי
(tavi)
mijn handtekening
שַׁדַּ֣י
(shaday)
Shaddai
יַעֲנֵ֑נִי
(yaaneni)
moge antwoorden mij
וְסֵ֥פֶר
(vesefer)
en een geschrift
כָּ֝תַ֗ב
(katav)
schreef
אִ֣ישׁ
(ish)
de man
רִיבִֽי
(rivi)
van mijn geschil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תָּו (taw), ‘teken’ of ‘handtekening’, is de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet; in het oude schrift was die als een kruisje (‘X’) geschreven, het merkteken waarmee een rechtszaak werd ondertekend.

Job zet zijn handtekening onder zijn verweer en verlangt dat Shaddai antwoordt.

Dit is de grote wending van het boek: dit verlangen wordt vervuld in hoofdstuk 38.

36Voorzeker zou ik het op mijn schouder dragen, ik zou het als kroon om mij binden.
אִם
(im)
indien
לֹ֣א
(lo)
niet
עַל
(al)
op
שִׁ֭כְמִי
(shikhmi)
mijn schouder
אֶשָּׂאֶ֑נּוּ
(esaenu)
zou ik het dragen
אֶֽעֶנְדֶ֖נּוּ
(eendenu)
zou ik het omwinden
עֲטָר֣וֹת
(atarot)
kronen
לִֽי
(li)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De volgorde van vers 35–37 is in de Masoretische tekst zo.

Sommige uitleggers plaatsen vers 36–37 vóór vers 35.

Job zegt: een aanklacht van de tegenpartij zou hij trots dragen als een kroon, want hij heeft niets te verbergen.

37Het getal van mijn stappen zou ik Hem meedelen, als een vorst zou ik Hem naderen.
מִסְפַּ֣ר
(mispar)
getal van
צְ֭עָדַי
(tseaday)
mijn stappen
אַגִּידֶ֑נּוּ
(agidenu)
zou ik meedelen
כְּמוֹ
(kemo)
als
נָ֝גִ֗יד
(nagid)
een vorst
אֲקָרֲבֶֽנּוּ
(aqaravenu)
zou ik Hem naderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38Als mijn grond over mij schreeuwt en haar voren samen huilen,
אִם
(im)
indien
עָ֭לַי
(alay)
over mij
אַדְמָתִ֣י
(admati)
mijn grond
תִזְעָ֑ק
(tizaq)
schreeuwt
וְ֝יַ֗חַד
(veyachad)
en samen
תְּלָמֶ֥יהָ
(telameiha)
haar voren
יִבְכָּיֽוּן
(yivkayun)
huilen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39als ik haar opbrengst zonder betaling heb gegeten en de ziel van haar eigenaars heb laten hijgen,
אִם
(im)
indien
כֹּ֭חָהּ
(kochah)
haar opbrengst
אָכַ֣לְתִּי
(akhalti)
ik at
בְלִי
(beli)
zonder
כָ֑סֶף
(kasef)
geld
וְנֶ֖פֶשׁ
(venefesh)
en de ziel van
בְּעָלֶ֣יהָ
(bealeiha)
haar eigenaars
הִפָּֽחְתִּי
(hipachti)
liet hijgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40laat dan distels voor tarwe groeien en onkruid voor gerst.” Hier eindigen de woorden van Job.
תַּ֤חַת
(tachat)
in plaats van
חִטָּ֨ה
(chita)
tarwe
יֵ֥צֵא
(yetse)
groeie
ח֗וֹחַ
(choach)
distel
וְתַֽחַת
(vetachat)
en in plaats van
שְׂעֹרָ֥ה
(seora)
gerst
בָאְשָׁ֑ה
(baesha)
onkruid
תַּ֝֗מּוּ
(tamu)
zijn ten einde
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
אִיּֽוֹב
(iyov)
Job
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Hier eindigen de woorden van Job’: een opmerking van de schrijver.

Daarna begint Elihu te spreken (hoofdstukken 32–37), en vanaf hoofdstuk 38 antwoordt Yahweh.