Elohim Bijbel

1 Koningen 4

12345678910111213141516171819202122

De leiders en bestuurders van Salomo

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De leiders van Salomo

1Koning Salomo was koning over heel Israël.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en was
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
koning
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Dit waren zijn leiders: Azarja, de zoon van Zadok, de priester.
וְאֵ֥לֶּה
(veele)
en dit zijn
הַשָּׂרִ֖ים
(hasarim)
de leiders
אֲשֶׁר
(asher)
die
ל֑וֹ
(lo)
bij hem
עֲזַרְיָ֥הוּ
(azaryahu)
Azarja
בֶן
(ben)
zoon van
צָד֖וֹק
(tsadoq)
Zadok
הַכֹּהֵֽן
(hakohen)
de priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַכֹּהֵן (hakkohen), ‘de priester’: de tekst laat open of Azarja of zijn vader Zadok hier de priester is.

Wij laten dat zo staan.

3Elichoref en Achia, de zonen van Sisa, waren schrijvers. Josafat, de zoon van Achilud, was de archivaris.
אֱלִיחֹ֧רֶף
(elichoref)
Elichoref
וַאֲחִיָּ֛ה
(vaachiya)
en Achia
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
שִׁישָׁ֖א
(shisha)
Sisa
סֹפְרִ֑ים
(soferim)
schrijvers
יְהוֹשָׁפָ֥ט
(yehoshafat)
Josafat
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיל֖וּד
(achilud)
Achilud
הַמַּזְכִּֽיר
(hamazkir)
de archivaris
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֹפְרִים (soferim), ‘schrijvers’: mannen die de geschriften en brieven van de koning verzorgden.

הַמַּזְכִּיר (hamazkir), ‘de archivaris’: letterlijk ‘degene die doet gedenken’.

Zie 2 Sam. 8:16 en 20:24.

Lezing

Bij David heet de schrijver Seraja (2 Sam. 8:17) of Sjewa (2 Sam. 20:25) en in 1 Kron. 18:16 Sjavsa.

De naam Sisa (שִׁישָׁא, Shisha) staat hier zoals hij geschreven is.

Het is onzeker of het dezelfde man is of zijn zoon.

4Benaja, de zoon van Jojada, was over het leger. Zadok en Abjatar waren priesters.
וּבְנָיָ֥הוּ
(uvenayahu)
en Benaja
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֖ע
(yehoyada)
Jojada
עַל
(al)
over
הַצָּבָ֑א
(hatsava)
het leger
וְצָד֥וֹק
(vetsadoq)
en Zadok
וְאֶבְיָתָ֖ר
(veevyatar)
en Abjatar
כֹּהֲנִֽים
(kohanim)
priesters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zadok en Abjatar zijn ook onder David priesters (2 Sam. 20:25).

Abjatar werd door Salomo uit zijn ambt gezet (1 Kon. 2:26–27, 35).

Deze lijst noemt hem toch nog.

Wij vertalen de tekst zoals hij staat.

5Azarja, de zoon van Natan, was over de bestuurders. Zabud, de zoon van Natan, was priester en vriend van de koning.
וַעֲזַרְיָ֥הוּ
(vaazaryahu)
en Azarja
בֶן
(ben)
zoon van
נָתָ֖ן
(natan)
Natan
עַל
(al)
over
הַנִּצָּבִ֑ים
(hanitsavim)
de bestuurders
וְזָב֧וּד
(vezavud)
en Zabud
בֶּן
(ben)
zoon van
נָתָ֛ן
(natan)
Natan
כֹּהֵ֖ן
(kohen)
priester
רֵעֶ֥ה
(ree)
vriend van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִצָּבִים (nitsavim), ‘bestuurders’: mannen die over een gebied of een taak zijn aangesteld.

De twaalf bestuurders staan in vers 7.

רֵעֶה הַמֶּלֶךְ (re’eh hamelek), ‘vriend van de koning’: een vertrouweling van de koning. Zie ook 2 Sam. 15:37.

כֹּהֵן (kohen), ‘priester’: ook de zonen van David worden in 2 Sam. 8:18 zo genoemd. Hier is het een titel voor een man van het hof.

6Achisar was over het huis. Adoniram, de zoon van Abda, was over de dwangarbeid.
וַאֲחִישָׁ֖ר
(vaachishar)
en Achisar
עַל
(al)
over
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וַאֲדֹנִירָ֥ם
(vaadoniram)
en Adoniram
בֶּן
(ben)
zoon van
עַבְדָּ֖א
(avda)
Abda
עַל
(al)
over
הַמַּֽס
(hamas)
de dwangarbeid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַל־הַבַּיִת (al-habbayit), ‘over het huis’: de man die het huis van de koning beheerde.

הַמַּס (hammas), ‘dwangarbeid’: arbeid die het volk voor de koning moest doen. Zie 1 Kon. 5:27–28. Adoniram heet bij David Adoram (2 Sam. 20:24).

De twaalf bestuurders

7Salomo had twaalf bestuurders over heel Israël. Zij zorgden voor het voedsel van de koning en van zijn huis. Eén maand per jaar rustte die taak op een van hen.
וְלִשְׁלֹמֹ֞ה
(velishlomo)
en voor Salomo
שְׁנֵים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֤ר
(asar)
tien
נִצָּבִים֙
(nitsavim)
bestuurders
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְכִלְכְּל֥וּ
(vekhilkelu)
en zij voorzagen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
חֹ֧דֶשׁ
(chodesh)
een maand
בַּשָּׁנָ֛ה
(bashana)
in het jaar
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
עַל
(al)
op
הָאֶחָ֖ד
(haechad)
de een
לְכַלְכֵּֽל
(lekhalkel)
om te voorzien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְכִלְכְּלוּ (vechilkelu), ‘en zij voorzagen’: zij zorgden voor het levensonderhoud (zie 5:2–8).

Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘een maand in het jaar zal het zijn op de een’.

Elk van de twaalf had dus één maand per jaar de zorg voor de koning en zijn huis.

8Dit zijn hun namen. De zoon van Chur: in het bergland van Efraïm.
וְאֵ֣לֶּה
(veele)
en dit zijn
שְׁמוֹתָ֔ם
(shemotam)
hun namen
בֶּן
(ben)
zoon van
ח֖וּר
(chur)
Chur
בְּהַ֥ר
(behar)
in het gebergte van
אֶפְרָֽיִם
(efrayim)
Efraïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het bergland van Efraïm is het middengebergte ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

Uitleg

In de verzen 8–19 staat bij elke naam eerst בֶּן־ (ben-), ‘zoon van’, bij de meeste namen meteen daarna het gebied.

De lijst zegt niet in zoveel woorden dat zij bestuurder waren.

Dat volgt uit vers 7.

Lezing

Bij vier namen (Ben-Chur, Ben-Deker, Ben-Chesed, Ben-Abinadab) kan בֶּן־ ook een deel van de naam zijn.

Wij vertalen steeds ‘de zoon van …’.

9De zoon van Deker: in Makaz, Saälbim, Bet-Semes en Elon-Bet-Chanan.
בֶּן
(ben)
zoon van
דֶּ֛קֶר
(deqer)
Deker
בְּמָקַ֥ץ
(bemaqats)
in Makaz
וּבְשַֽׁעַלְבִ֖ים
(uveshaalvim)
en in Saälbim
וּבֵ֣ית
(uveit)
en Bet
שָׁ֑מֶשׁ
(shamesh)
Semes
וְאֵיל֖וֹן
(veeilon)
en Elon
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
חָנָֽן
(chanan)
Chanan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Makaz is onbekend.

Saälbim (Richt. 1:35; in Joz. 19:42 heet het Saälabbin) lag in het gebied van Dan, in de Sefela; de ligging is onzeker.

Bet-Semes ligt bij Tel Bet-Semes, in het westen van het bergland van Juda (Israël).

Elon-Bet-Chanan is onbekend.

Lezing

Het Hebreeuws heeft וְאֵילוֹן בֵּית חָנָן (ve’elon bet chanan) zonder verbindingsteken.

Wij nemen het als één plaatsnaam, Elon-Bet-Chanan.

Het kunnen ook twee plaatsen zijn: Elon en Bet-Chanan.

10De zoon van Chesed: in Arubbot. Hij had Soko en heel het land Chefer.
בֶּן
(ben)
zoon van
חֶ֖סֶד
(chesed)
Chesed
בָּֽאֲרֻבּ֑וֹת
(baarubot)
in Arubbot
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
שֹׂכֹ֖ה
(sokho)
Soko
וְכָל
(vekhal)
en heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
חֵֽפֶר
(chefer)
Chefer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Arubbot is onbekend.

Soko ligt in de Sefela van Juda (Joz. 15:35), in Israël; de precieze ligging is onzeker.

Het land Chefer is onbekend.

11De zoon van Abinadab: heel de hoogten van Dor. Tafat, een dochter van Salomo, was zijn vrouw.
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲבִֽינָדָ֖ב
(avinadav)
Abinadab
כָּל
(kal)
heel
נָ֣פַת
(nafat)
de hoogte van
דֹּ֑אר
(dor)
Dor
טָפַת֙
(tafat)
Tafat
בַּת
(bat)
dochter van
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
הָ֥יְתָה
(hayeta)
was
לּ֖וֹ
(lo)
voor hem
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Dor ligt aan de kust bij Tel Dor (Israël).

De hoogten van Dor zijn het heuvelland erachter.

Uitleg

נָפַת (nafat), ‘hoogte’: een hoogte of een heuvelrug.

Dezelfde streek heet in Joz. 11:2 ‘de hoogten van Dor’.

Lezing

De tekst schrijft דאר (dar) in plaats van דור (dor).

Wij lezen Dor, naar Joz. 11:2.

12Baäna, de zoon van Achilud: Taänak, Megiddo en heel Bet-Sean. Dat ligt bij Zaretan, onder Jizreël. Het reikt van Bet-Sean tot Abel-Mechola, tot voorbij Jokmeam.
בַּֽעֲנָא֙
(baana)
Baäna
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיל֔וּד
(achilud)
Achilud
תַּעְנַ֖ךְ
(tanakh)
Taänak
וּמְגִדּ֑וֹ
(umegido)
en Megiddo
וְכָל
(vekhal)
en heel
בֵּ֣ית
(beit)
Bet
שְׁאָ֡ן
(shean)
Sean
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
אֵ֨צֶל
(etsel)
naast
צָרְתַ֜נָה
(tsaretana)
Zaretan
מִתַּ֣חַת
(mitachat)
onder
לְיִזְרְעֶ֗אל
(leyizreel)
Jizreël
מִבֵּ֤ית
(mibeit)
vanaf Bet
שְׁאָן֙
(shean)
Sean
עַ֚ד
(ad)
tot
אָבֵ֣ל
(avel)
Abel
מְחוֹלָ֔ה
(mechola)
Mechola
עַ֖ד
(ad)
tot
מֵעֵ֥בֶר
(meever)
voorbij
לְיָקְמֳעָֽם
(leyaqemoam)
Jokmeam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Taänak (Tel Taanach) en Megiddo (Tel Megiddo) liggen in het noorden van Israël, aan de rand van de Jizreëlvlakte.

Bet-Sean is Tel Bet-Sean in de Jordaanvallei (Israël).

Zaretan ligt in de Jordaanvallei (zie Joz. 3:16); de precieze ligging is onzeker.

Abel-Mechola lag in de Jordaanvallei, vermoedelijk bij Tell el-Maqlub of Tell Abu Sifri (Jordanië).

Jokmeam is onzeker.

Zie Bet-San: Bet-San (Beth-Sjean) ligt in het Jordaandal, ten zuiden van het meer van Galilea.

13De zoon van Geber: in Ramot in Gilead. Hij had de dorpen van Jaïr, de zoon van Manasse, in Gilead. Ook had hij het gebied Argob in Basan: 60 grote steden met muur en koperen grendel.
בֶּן
(ben)
zoon van
גֶּ֖בֶר
(gever)
Geber
בְּרָמֹ֣ת
(beramot)
in Ramot
גִּלְעָ֑ד
(gilad)
Gilead
ל֡וֹ
(lo)
voor hem
חַוֺּת֩
(chavot)
dorpen van
יָאִ֨יר
(yair)
Jaïr
בֶּן
(ben)
zoon van
מְנַשֶּׁ֜ה
(menashe)
Manasse
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּגִּלְעָ֗ד
(bagilad)
in Gilead
ל֚וֹ
(lo)
voor hem
חֶ֤בֶל
(chevel)
het gebied van
אַרְגֹּב֙
(argov)
Argob
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בַּבָּשָׁ֔ן
(babashan)
in Basan
שִׁשִּׁים֙
(shishim)
zestig
עָרִ֣ים
(arim)
steden
גְּדֹל֔וֹת
(gedolot)
grote
חוֹמָ֖ה
(choma)
muur
וּבְרִ֥יחַ
(uveriach)
en grendel
נְחֹֽשֶׁת
(nechoshet)
koper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ramot in Gilead ligt in het noorden van Gilead (nu Jordanië, bij de grens met Syrië); de precieze ligging is onzeker.

Argob ligt in Basan, het hoogland ten noorden van de Jarmuk (Syrië).

Deut. 3:4–5 noemt ook 60 steden in Argob.

Uitleg

חַוֹּת יָאִיר (chavvot Ja’ir), ‘dorpen van Jaïr’: zie Num. 32:41 en Deut. 3:14.

14Achinadab, de zoon van Iddo: Machanajim.
אֲחִֽינָדָ֥ב
(achinadav)
Achinadab
בֶּן
(ben)
zoon van
עִדֹּ֖א
(ido)
Iddo
מַחֲנָֽיְמָה
(machanayema)
Machanajim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Machanajim (Gen. 32:3) ligt ten oosten van de Jordaan, in Gilead, bij de Jabbok.

De precieze ligging is onzeker.

Zie Mahanaïm (ligging onzeker): Mahanaïm lag in Gilead, bij de Jabbok.

De precieze plaats is niet zeker.

15Achimaäts: in Naftali. Ook hij nam een dochter van Salomo tot vrouw, Basemat.
אֲחִימַ֖עַץ
(achimaats)
Achimaäts
בְּנַפְתָּלִ֑י
(benaftali)
in Naftali
גַּם
(gam)
ook
ה֗וּא
(hu)
hij
לָקַ֛ח
(laqach)
nam
אֶת
(et)
(obj.)
בָּשְׂמַ֥ת
(basemat)
Basemat
בַּת
(bat)
dochter van
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Naftali: Naftali is het stamgebied in het noorden van Galilea, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Uitleg

בָּשְׂמַת (Basmat), ‘Basemat’: een dochter van Salomo.

Een andere Basemat is de vrouw van Ezau (Gen. 36:3).

16Baäna, de zoon van Husai: in Aser en in Bealot.
בַּֽעֲנָא֙
(baana)
Baäna
בֶּן
(ben)
zoon van
חוּשָׁ֔י
(chushay)
Husai
בְּאָשֵׁ֖ר
(beasher)
in Aser
וּבְעָלֽוֹת
(uvealot)
en in Bealot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bealot is onbekend.

Het is niet de plaats Bealot in het zuiden van Juda (Joz. 15:24).

Het ligt hier waarschijnlijk in of bij het gebied van Aser, in het noorden van Israël.

17Josafat, de zoon van Paruach: in Issachar.
יְהוֹשָׁפָ֥ט
(yehoshafat)
Josafat
בֶּן
(ben)
zoon van
פָּר֖וּחַ
(paruach)
Paruach
בְּיִשָׂשכָֽר
(beyisashkhar)
in Issachar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Issachar: Issachar is het stamgebied rond de vlakte van Jizreël, in het noorden van het land.

18Simeï, de zoon van Ela: in Benjamin.
שִׁמְעִ֥י
(shimi)
Simeï
בֶן
(ben)
zoon van
אֵלָ֖א
(ela)
Ela
בְּבִנְיָמִֽן
(bevinyamin)
in Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Benjamin: Benjamin is het stamgebied ten noorden van Jeruzalem, tussen Juda en Efraïm.

19Geber, de zoon van Uri: in het land Gilead, het land van Sichon, de koning van de Amorieten, en van Og, de koning van Basan. En er was één bestuurder, die in het land was.
גֶּ֥בֶר
(gever)
Geber
בֶּן
(ben)
zoon van
אֻרִ֖י
(uri)
Uri
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
גִּלְעָ֑ד
(gilad)
Gilead
אֶ֜רֶץ
(erets)
het land van
סִיח֣וֹן
(sichon)
Sichon
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הָאֱמֹרִ֗י
(haemori)
de Amorieten
וְעֹג֙
(veog)
en Og
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַבָּשָׁ֔ן
(habashan)
Basan
וּנְצִ֥יב
(unetsiv)
en een bestuurder
אֶחָ֖ד
(echad)
één
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
in het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het land Gilead ligt ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië.

Het land van Sichon en van Og is het gebied dat Israël onder Mozes veroverde (Num. 21:21–35; Deut. 3:1–17).

Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.

Lezing

De laatste woorden, וּנְצִיב אֶחָד אֲשֶׁר בָּאָרֶץ (unetsiv echad asher ba’arets), ‘en één bestuurder die in het land (was)’, zijn moeilijk.

Sommige oude vertalingen lezen deze regel anders.

Wij volgen de Masoretische tekst letterlijk.

Het is onzeker of ‘het land’ Gilead of Juda is.

Vrede en welvaart

20Juda en Israël waren talrijk, zo talrijk als het zand aan de zee. Zij aten en dronken en waren vrolijk.
יְהוּדָ֤ה
(yehuda)
Juda
וְיִשְׂרָאֵל֙
(veyisrael)
en Israël
רַבִּ֔ים
(rabim)
talrijk
כַּח֥וֹל
(kachol)
als het zand
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עַל
(al)
aan
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
לָרֹ֑ב
(larov)
in menigte
אֹכְלִ֥ים
(okhelim)
etend
וְשֹׁתִ֖ים
(veshotim)
en drinkend
וּשְׂמֵחִֽים
(usemechim)
en vrolijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Nederlandse telling loopt dit hoofdstuk door tot vers 34.

De verzen 4:21–34 (NL) zijn Hebr. 5:1–14.

Wij volgen de Hebreeuwse telling: het volgende hoofdstuk begint dus met het rijk van Salomo.