Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De leiders van Salomo
1Koning Salomo was koning over heel Israël.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en was
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
koning
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Salomo had twaalf bestuurders over heel Israël. Zij zorgden voor het voedsel van de koning en van zijn huis. Eén maand per jaar rustte die taak op een van hen.
וְלִשְׁלֹמֹ֞ה
(velishlomo)
en voor Salomo
שְׁנֵים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֤ר
(asar)
tien
נִצָּבִים֙
(nitsavim)
bestuurders
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְכִלְכְּל֥וּ
(vekhilkelu)
en zij voorzagen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
חֹ֧דֶשׁ
(chodesh)
een maand
בַּשָּׁנָ֛ה
(bashana)
in het jaar
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
עַל
(al)
op
הָאֶחָ֖ד
(haechad)
de een
לְכַלְכֵּֽל
(lekhalkel)
om te voorzien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְכִלְכְּלוּ (vechilkelu), ‘en zij voorzagen’: zij zorgden voor het levensonderhoud (zie 5:2–8).
Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘een maand in het jaar zal het zijn op de een’.
Elk van de twaalf had dus één maand per jaar de zorg voor de koning en zijn huis.
12Baäna, de zoon van Achilud: Taänak, Megiddo en heel Bet-Sean. Dat ligt bij Zaretan, onder Jizreël. Het reikt van Bet-Sean tot Abel-Mechola, tot voorbij Jokmeam.
בַּֽעֲנָא֙
(baana)
Baäna
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיל֔וּד
(achilud)
Achilud
תַּעְנַ֖ךְ
(tanakh)
Taänak
וּמְגִדּ֑וֹ
(umegido)
en Megiddo
וְכָל
(vekhal)
en heel
בֵּ֣ית
(beit)
Bet
שְׁאָ֡ן
(shean)
Sean
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
אֵ֨צֶל
(etsel)
naast
צָרְתַ֜נָה
(tsaretana)
Zaretan
מִתַּ֣חַת
(mitachat)
onder
לְיִזְרְעֶ֗אל
(leyizreel)
Jizreël
מִבֵּ֤ית
(mibeit)
vanaf Bet
שְׁאָן֙
(shean)
Sean
עַ֚ד
(ad)
tot
אָבֵ֣ל
(avel)
Abel
מְחוֹלָ֔ה
(mechola)
Mechola
עַ֖ד
(ad)
tot
מֵעֵ֥בֶר
(meever)
voorbij
לְיָקְמֳעָֽם
(leyaqemoam)
Jokmeam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Taänak (Tel Taanach) en Megiddo (Tel Megiddo) liggen in het noorden van Israël, aan de rand van de Jizreëlvlakte.
Bet-Sean is Tel Bet-Sean in de Jordaanvallei (Israël).
Zaretan ligt in de Jordaanvallei (zie Joz. 3:16); de precieze ligging is onzeker.
Abel-Mechola lag in de Jordaanvallei, vermoedelijk bij Tell el-Maqlub of Tell Abu Sifri (Jordanië).
Jokmeam is onzeker.
Zie Bet-San: Bet-San (Beth-Sjean) ligt in het Jordaandal, ten zuiden van het meer van Galilea.
13De zoon van Geber: in Ramot in Gilead. Hij had de dorpen van Jaïr, de zoon van Manasse, in Gilead. Ook had hij het gebied Argob in Basan: 60 grote steden met muur en koperen grendel.
בֶּן
(ben)
zoon van
גֶּ֖בֶר
(gever)
Geber
בְּרָמֹ֣ת
(beramot)
in Ramot
גִּלְעָ֑ד
(gilad)
Gilead
ל֡וֹ
(lo)
voor hem
חַוֺּת֩
(chavot)
dorpen van
יָאִ֨יר
(yair)
Jaïr
בֶּן
(ben)
zoon van
מְנַשֶּׁ֜ה
(menashe)
Manasse
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּגִּלְעָ֗ד
(bagilad)
in Gilead
ל֚וֹ
(lo)
voor hem
חֶ֤בֶל
(chevel)
het gebied van
אַרְגֹּב֙
(argov)
Argob
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בַּבָּשָׁ֔ן
(babashan)
in Basan
שִׁשִּׁים֙
(shishim)
zestig
עָרִ֣ים
(arim)
steden
גְּדֹל֔וֹת
(gedolot)
grote
חוֹמָ֖ה
(choma)
muur
וּבְרִ֥יחַ
(uveriach)
en grendel
נְחֹֽשֶׁת
(nechoshet)
koper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Ramot in Gilead ligt in het noorden van Gilead (nu Jordanië, bij de grens met Syrië); de precieze ligging is onzeker.
Argob ligt in Basan, het hoogland ten noorden van de Jarmuk (Syrië).
Deut. 3:4–5 noemt ook 60 steden in Argob.
Uitleg
חַוֹּת יָאִיר (chavvot Ja’ir), ‘dorpen van Jaïr’: zie Num. 32:41 en Deut. 3:14.
19Geber, de zoon van Uri: in het land Gilead, het land van Sichon, de koning van de Amorieten, en van Og, de koning van Basan. En er was één bestuurder, die in het land was.
גֶּ֥בֶר
(gever)
Geber
בֶּן
(ben)
zoon van
אֻרִ֖י
(uri)
Uri
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
גִּלְעָ֑ד
(gilad)
Gilead
אֶ֜רֶץ
(erets)
het land van
סִיח֣וֹן
(sichon)
Sichon
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הָאֱמֹרִ֗י
(haemori)
de Amorieten
וְעֹג֙
(veog)
en Og
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַבָּשָׁ֔ן
(habashan)
Basan
וּנְצִ֥יב
(unetsiv)
en een bestuurder
אֶחָ֖ד
(echad)
één
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
in het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Het land Gilead ligt ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië.
Het land van Sichon en van Og is het gebied dat Israël onder Mozes veroverde (Num. 21:21–35; Deut. 3:1–17).
Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.
Lezing
De laatste woorden, וּנְצִיב אֶחָד אֲשֶׁר בָּאָרֶץ (unetsiv echad asher ba’arets), ‘en één bestuurder die in het land (was)’, zijn moeilijk.