Hebreeën 7
Melchisedek, een andere priester naar zijn orde, en de Zoon die voor eeuwig volmaakt is
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Melchisedek, koning van Salem en priester van de Allerhoogste
Zie Salem (Jeruzalem?; ligging onzeker): Salem is de stad van Melchisedek (Genesis 14:18).
Het wordt van oudsher gelezen als Jeruzalem (Psalm 76:3), maar de ligging is niet zeker.
Vanaf hier legt de brief Melchisedek uit, de koning van Salem uit Gen. 14:17–20; hij komt ook voor in Ps. 110:4 (zie 5:6).
Wij geven alleen weer wat de tekst zegt. ὕψιστος (hypsistos), ‘de Allerhoogste’: in Gen. 14:18 staat ‘priester van El, de Allerhoogste’ (אֵל עֶלְיוֹן, El Elyon); het Grieks heeft θεός, ‘Elohim’.
In Ps. 76:3 staat Salem naast Sion; de brief zegt niet welke plaats Salem is. κοπή (kope), ‘slachting’: de nederlaag van Kedorlaomer en de koningen met hem (Gen. 14:17). εὐλογέω (eulogeo), ‘zegenen’.
Het Grieks heeft de verzen 1–3 als één zin, met het werkwoord ‘blijft’ pas in vers 3; wij splitsen haar (zie bij vers 3).
Zie ook Gen. 14:17–20; Ps. 76:3.
De SBLGNT markeert bij ‘die’ (ὁ voor συναντήσας) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Zie Salem (Jeruzalem?; ligging onzeker): Salem is de stad van Melchisedek (Genesis 14:18).
Het wordt van oudsher gelezen als Jeruzalem (Psalm 76:3), maar de ligging is niet zeker.
Ons Hebreeuws van Gen. 14:20 zegt alleen ‘en hij gaf hem een tiende van alles’; Hebreeën leest dat Abraham gaf. δεκάτη (dekate), ‘tiende’; μερίζω (merizo), ‘toedelen’. ἑρμηνεύω (hermeneuo), ‘vertalen, uitleggen’: de naam מַלְכִּי־צֶדֶק (Malki-tsedek) betekent ‘mijn koning is gerechtigheid’ of ‘koning van gerechtigheid’; שָׁלֵם (Shalem), ‘Salem’, hangt samen met שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’.
Zie ook Gen. 14:20.
Dit vers is moeilijk; wij vertalen letterlijk en kiezen geen verklaring. ἀπάτωρ (apator), ‘zonder vader’; ἀμήτωρ (ametor), ‘zonder moeder’; ἀγενεαλόγητος (agenealogetos), ‘zonder geslachtsregister’.
Gen. 14 noemt van Melchisedek geen ouders, geen afkomst, geen begin en geen einde. ἀφομοιόω (afhomoioo), ‘gelijk maken, afbeelden’: het Grieks zegt ‘gelijkgemaakt aan de Zoon van Elohim’, niet dat hij de Zoon is. διηνεκές (dienekes), ‘doorlopend, ononderbroken’: ‘voor altijd’.
De verzen 1–3 zijn in het Grieks één zin met deelwoorden; Melchisedek is er het onderwerp van ‘blijft’.
Wij splitsen haar in drie zinnen en voegen in de verzen 2–3 ‘Hij is’ toe.
Hoe groot deze is
θεωρέω (theoreo), ‘bekijken, aandachtig zien’. πηλίκος (pelikos), ‘hoe groot’. ἀκροθίνια (akrothinia), ‘het beste deel van de buit’: letterlijk ‘het bovenste van de hoop’. πατριάρχης (patriarches), ‘aartsvader’: zoals in Hand. 7:8.
Zie ook Gen. 14:20.
De SBLGNT markeert bij ‘aan wie’ (ᾧ) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ἱερατεία (hierateia), ‘priesteramt’. ἀποδεκατόω (apodekatoo), ‘de tiende nemen van’.
De wet geeft de tienden aan de zonen van Levi: Num. 18:21, 18:26.
De ‘broers’ zijn hier de andere Israëlieten (ἀδελφοί als familie); ὀσφύς (osfys), ‘lendenen’: de voortplantingskracht, zodat ‘uit de lendenen van Abraham voortgekomen’ betekent: van hem afstammend.
Zie ook Num. 18:21; Num. 18:26.
γενεαλογέω (genealogeo), ‘in een geslachtsregister opgenomen zijn, een afstamming hebben’: Melchisedek komt niet uit de lijn van Levi. δεκατόω (dekatoo), ‘de tiende nemen’.
‘Hem die de beloften heeft’ is Abraham (Gen. 12:2–3; 14:19).
Beide werkwoorden staan in de voltooide tijd: ‘heeft genomen’, ‘heeft gezegend’.
Zie ook Gen. 12:2–3; Gen. 14:19.
De SBLGNT markeert bij ‘Abraham’ (Ἀβραάμ) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ἀντιλογία (antilogia), ‘tegenspraak’. ἔλαττον (elatton), ‘het mindere’; κρείττων (kreitton), ‘het betere’: zie 1:4.
Het Grieks heeft onzijdige vormen: de regel geldt in het algemeen.
‘Hier’ zijn de Levitische priesters, ‘daar’ is Melchisedek. μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’: ‘iemand van wie getuigd wordt dat hij leeft’.
Gen. 14 noemt geen einde van zijn leven; Hebreeën leest dat als ‘hij leeft’ (zie ook vers 3).
ὡς ἔπος εἰπεῖν (hos epos eipein), ‘om het zo te zeggen’: een voorzichtige uitdrukking. δεκατόω (dekatoo), ‘de tiende betalen’; hier in de lijdende vorm: ‘de tiende is van hem genomen’.
De zin loopt door in vers 10.
ὀσφύς (osfys), ‘lendenen’: Levi was nog niet geboren; hij was in Abraham aanwezig als nageslacht, zoals in vers 5.
De SBLGNT markeert bij ‘Melchisedek’ (Μελχισέδεκ) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Een andere priester, naar de orde van Melchisedek
τελείωσις (teleiosis), ‘volmaaktheid, het bereiken van het doel’: van dezelfde stam als τελειόω, ‘volmaken’ (zie 2:10). Λευιτικός (Leuitikos), ‘Levitisch’; ἱερωσύνη (hierosyne), ‘priesterschap’. νομοθετέω (nomotheteo), ‘de wet geven’: het volk heeft op grond van het Levitische priesterschap de wet ontvangen. τάξις (taxis), ‘orde’. ἕτερος (heteros), ‘een andere’ van een andere soort.
Zie ook Ps. 110:4.
De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij ‘ervan’ (αὐτῆς) en bij ‘de wet heeft ontvangen’ (νενομοθέτηται).
Wij volgen de SBLGNT.
μετατίθημι (metatithemi), ‘veranderen, overzetten’; μετάθεσις (metathesis), ‘verandering’. ἐξ ἀνάγκης (ex anankes), ‘noodzakelijk’: het volgt vanzelf.
De wet en het priesterschap horen bij elkaar.
‘Hij op wie dit gezegd wordt’: Yeshua, over wie Ps. 110:4 spreekt. φυλή (fyle), ‘stam’. μετέχω (metecho), ‘deel hebben aan, behoren tot’. προσέχω (prosecho) met ‘het altaar’: zich daaraan wijden, er dienst doen. θυσιαστήριον (thysiasterion), ‘altaar’.
πρόδηλος (prodelos), ‘duidelijk, voor ieder zichtbaar’. ἀνατέλλω (anatello), ‘opkomen’: het werkwoord wordt ook gebruikt voor de opgang van de zon en voor een spruit die uitloopt.
‘Onze Heer’ is Yeshua; Hij stamt uit Juda (Gen. 49:10; Matt. 1:2–3).
De wet van Mozes noemt voor Juda geen priesters.
Zie ook Gen. 49:10; Matt. 1:2–3.
De SBLGNT markeert bij ‘over priesters niets’ (περὶ ἱερέων οὐδέν) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ἐντολή (entole), ‘gebod’. σάρκινος (sarkinos), ‘vleselijk, van vlees’: een gebod dat aan afstamming gebonden is, zoals de afstamming van Levi in vers 5. ἀκατάλυτος (akatalytos), ‘onverwoestbaar, niet te ontbinden’. δύναμις (dynamis), ‘kracht’.
De SBLGNT markeert bij ‘vleselijk’ (σαρκίνης) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Aanhaling van Ps. 110:4; zie 5:6.
Ons Hebreeuws heeft ‘volgens de wijze van Melchisedek’; Hebreeën heeft τάξις, ‘orde’.
In de psalm zweert Yahweh deze woorden; zij staan rood. μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’: de Schrift getuigt.
Zie ook Ps. 110:4.
De SBLGNT markeert bij ‘er wordt getuigd’ (μαρτυρεῖται) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ἀθέτησις (athetesis), ‘ongeldigverklaring, opheffing’. προάγω (proago), ‘voorafgaan’: het gebod over het Levitische priesterschap ging eerder. ἀσθενής (asthenes), ‘zwak’; ἀνωφελής (anofeles), ‘nutteloos’.
De zin loopt door in vers 19.
τελειόω (teleioo), ‘volmaken’: zie vers 11. ἐπεισαγωγή (epeisagoge), ‘invoering erbij, erbij brengen’: er komt iets bij dat de wet niet gaf. ἐγγίζω (eggizo), ‘naderen’: vergelijk 4:16, ‘laten wij naderen’.
Met een eed: borg van een beter verbond
Verzen 20–22 vormen één Griekse zin met een tussenzin tussen haakjes; wij houden de haakjes van de SBLGNT. ὁρκωμοσία (horkomosia), ‘eedaflegging’: de priesters van Levi werden zonder eed aangesteld.
De zin loopt door in vers 21.
Aanhaling van Ps. 110:4: ‘Yahweh heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Jij bent priester voor eeuwig.’ κύριος (kyrios) is hier Yahweh, zoals het Hebreeuws van de psalm heeft.
De woorden van de eed staan rood, zoals in Ps. 110:4; de inleiding ‘Yahweh heeft gezworen’ is zwart. μεταμέλομαι (metamelomai), ‘berouw hebben’.
Hij die tegen Hem zei: Elohim tegen Yeshua.
Zie ook Ps. 110:4.
De SBLGNT markeert bij ‘eeuwigheid’ (αἰῶνα) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ἔγγυος (eggyos), ‘borg’: wie instaat voor een ander; het woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor. διαθήκη (diatheke), ‘verbond’: in het gewone Grieks ook ‘testament, laatste wil’ (zie 9:16–17); wij vertalen ‘verbond’, zoals in Gal. 3:15.
Het ‘betere verbond’ is het ‘nieuwe verbond’ van Jer. 31:31–34 (zie hoofdstuk 8). κρείττων (kreitton), ‘beter’.
Zie ook Jer. 31:31; Gal. 3:15.
De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij ‘in zoverre’ (τοσοῦτο) en bij ‘beter’ (κρείττονος).
Wij volgen de SBLGNT.
Een priesterschap dat niet overgaat
πλείονες (pleiones), ‘talrijker, in grotere aantallen’: de Levitische priesters volgden elkaar op. κωλύω (kolyo), ‘verhinderen’. παραμένω (parameno), ‘blijven’.
μένω (meno), ‘blijven’. ἀπαράβατος (aparabatos), ‘niet voorbijgaand’: een priesterschap dat niet op een ander overgaat en niet ophoudt. ἱερωσύνη (hierosyne), ‘priesterschap’.
εἰς τὸ παντελές (eis to panteles), ‘volkomen’ of ‘voor altijd’: het Grieks laat beide toe. προσέρχομαι (proserchomai), ‘naderen’: zoals in 4:16. ἐντυγχάνω (entygchano), ‘pleiten voor’: zoals in Rom. 8:34.
Zie ook Rom. 8:34.
ὅσιος (hosios), ‘toegewijd, vroom’: in Hand. 2:27 staat hetzelfde woord voor ‘getrouwe’. ἄκακος (akakos), ‘onschuldig, zonder kwaad’; ἀμίαντος (amiantos), ‘onbesmet’. χωρίζω (chorizo), ‘scheiden’.
‘Hoger dan de hemelen’: vergelijk 4:14, ‘door de hemelen heengegaan’.
Zie ook Hebr. 4:14.
De SBLGNT markeert bij ‘ook’ (καί) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
‘Dagelijks’ (καθ᾽ ἡμέραν, kath hemeran): Lev. 16:34 noemt de zondeoffers van de Verzoendag eenmaal per jaar; het Grieks zegt hier ‘dagelijks’.
De brief laat open hoe dit zich verhoudt tot de dagelijkse offers; het gaat om de herhaling van de offers van de priesters.
De hogepriester bracht eerst een offer voor zichzelf (Lev. 16:6, 16:11). ἀναφέρω (anafero), ‘opdragen, offeren’. ἐφάπαξ (efapax), ‘eens voor altijd’.
Zie ook Lev. 16:6; Lev. 16:11; Lev. 16:34.
καθίστημι (kathistemi), ‘aanstellen’: het werkwoord geldt voor beide delen van de zin. ἀσθένεια (astheneia), ‘zwakheid’.
‘Het woord van de eedaflegging, die na de wet kwam’: de eed van Ps. 110:4 is later dan de wet van Mozes. τετελειωμένον (teteleiomenon), ‘volmaakt gemaakt’: een voltooide tijd; zie 2:10, 5:9.
Met dit vers eindigt de uiteenzetting over het priesterschap volgens de orde van Melchisedek; hoofdstuk 8 gaat verder.
Zie ook Ps. 110:4.