Elohim Bijbel

Hebreeën 7

12345678910111213

Melchisedek, een andere priester naar zijn orde, en de Zoon die voor eeuwig volmaakt is

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Melchisedek, koning van Salem en priester van de Allerhoogste

1Want deze Melchisedek, koning van Salem, priester van Elohim, de Allerhoogste, kwam Abraham tegemoet toen hij terugkeerde van de slachting van de koningen, en zegende hem.
Οὗτος
(Houtos)
Deze
γὰρ
(gar)
want
ὁ
(ho)
de
Μελχισέδεκ
(Melchisedek)
Melchisedek
βασιλεὺς
(basileus)
koning
Σαλήμ
(Salem)
van Salem
ἱερεὺς
(hiereus)
priester
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
τοῦ
(tou)
de
ὑψίστου
(hypsistou)
Allerhoogste
ὁ
(ho)
die
συναντήσας
(synantesas)
tegemoet kwam
Ἀβραὰμ
(Abraam)
Abraham
ὑποστρέφοντι
(hypostrephonti)
terugkerend
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
de
κοπῆς
(kopes)
slachting
τῶν
(ton)
van de
βασιλέων
(basileon)
koningen
καὶ
(kai)
en
εὐλογήσας
(eulogesas)
zegende
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Salem (Jeruzalem?; ligging onzeker): Salem is de stad van Melchisedek (Genesis 14:18).

Het wordt van oudsher gelezen als Jeruzalem (Psalm 76:3), maar de ligging is niet zeker.

Uitleg

Vanaf hier legt de brief Melchisedek uit, de koning van Salem uit Gen. 14:17–20; hij komt ook voor in Ps. 110:4 (zie 5:6).

Wij geven alleen weer wat de tekst zegt. ὕψιστος (hypsistos), ‘de Allerhoogste’: in Gen. 14:18 staat ‘priester van El, de Allerhoogste’ (אֵל עֶלְיוֹן, El Elyon); het Grieks heeft θεός, ‘Elohim’.

In Ps. 76:3 staat Salem naast Sion; de brief zegt niet welke plaats Salem is. κοπή (kope), ‘slachting’: de nederlaag van Kedorlaomer en de koningen met hem (Gen. 14:17). εὐλογέω (eulogeo), ‘zegenen’.

Het Grieks heeft de verzen 1–3 als één zin, met het werkwoord ‘blijft’ pas in vers 3; wij splitsen haar (zie bij vers 3).

Zie ook Gen. 14:17–20; Ps. 76:3.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ‘die’ (ὁ voor συναντήσας) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

2Aan hem deelde Abraham ook een tiende van alles toe. Hij is eerst, vertaald, ‘koning van gerechtigheid’, en vervolgens ook ‘koning van Salem’, dat is ‘koning van vrede’.
ᾧ
(ho)
aan wie
καὶ
(kai)
ook
δεκάτην
(dekaten)
tiende
ἀπὸ
(apo)
van
πάντων
(panton)
alles
ἐμέρισεν
(emerisen)
deelde toe
Ἀβραάμ
(Abraam)
Abraham
πρῶτον
(proton)
eerst
μὲν
(men)
wel
ἑρμηνευόμενος
(hermeneuomenos)
vertaald
βασιλεὺς
(basileus)
koning
δικαιοσύνης
(dikaiosynes)
van gerechtigheid
ἔπειτα
(epeita)
daarna
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
βασιλεὺς
(basileus)
koning
Σαλήμ
(Salem)
van Salem
ὅ
(ho)
dat
ἐστιν
(estin)
is
βασιλεὺς
(basileus)
koning
εἰρήνης
(eirenes)
van vrede
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Salem (Jeruzalem?; ligging onzeker): Salem is de stad van Melchisedek (Genesis 14:18).

Het wordt van oudsher gelezen als Jeruzalem (Psalm 76:3), maar de ligging is niet zeker.

Uitleg

Ons Hebreeuws van Gen. 14:20 zegt alleen ‘en hij gaf hem een tiende van alles’; Hebreeën leest dat Abraham gaf. δεκάτη (dekate), ‘tiende’; μερίζω (merizo), ‘toedelen’. ἑρμηνεύω (hermeneuo), ‘vertalen, uitleggen’: de naam מַלְכִּי־צֶדֶק (Malki-tsedek) betekent ‘mijn koning is gerechtigheid’ of ‘koning van gerechtigheid’; שָׁלֵם (Shalem), ‘Salem’, hangt samen met שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’.

Zie ook Gen. 14:20.

Zie ookGen 14:20
3Hij is zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister. Hij heeft geen begin van dagen en geen einde van leven, maar is gelijkgemaakt aan de Zoon van Elohim en blijft priester voor altijd.
ἀπάτωρ
(apator)
zonder vader
ἀμήτωρ
(ametor)
zonder moeder
ἀγενεαλόγητος
(agenealogetos)
zonder geslachtsregister
μήτε
(mete)
noch
ἀρχὴν
(archen)
begin
ἡμερῶν
(hemeron)
van dagen
μήτε
(mete)
noch
ζωῆς
(zoes)
van leven
τέλος
(telos)
einde
ἔχων
(echon)
hebbend
ἀφωμοιωμένος
(aphomoiomenos)
gelijkgemaakt
δὲ
(de)
maar
τῷ
(to)
aan de
υἱῷ
(huio)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
μένει
(menei)
blijft
ἱερεὺς
(hiereus)
priester
εἰς
(eis)
tot
τὸ
(to)
het
διηνεκές
(dienekes)
voortdurende
Bron: SBLGNT
Uitleg

Dit vers is moeilijk; wij vertalen letterlijk en kiezen geen verklaring. ἀπάτωρ (apator), ‘zonder vader’; ἀμήτωρ (ametor), ‘zonder moeder’; ἀγενεαλόγητος (agenealogetos), ‘zonder geslachtsregister’.

Gen. 14 noemt van Melchisedek geen ouders, geen afkomst, geen begin en geen einde. ἀφομοιόω (afhomoioo), ‘gelijk maken, afbeelden’: het Grieks zegt ‘gelijkgemaakt aan de Zoon van Elohim’, niet dat hij de Zoon is. διηνεκές (dienekes), ‘doorlopend, ononderbroken’: ‘voor altijd’.

De verzen 1–3 zijn in het Grieks één zin met deelwoorden; Melchisedek is er het onderwerp van ‘blijft’.

Wij splitsen haar in drie zinnen en voegen in de verzen 2–3 ‘Hij is’ toe.

Hoe groot deze is

4Bekijk nu hoe groot deze is, aan wie Abraham, de aartsvader, een tiende van de beste buit gaf.
Θεωρεῖτε
(Theoreite)
bekijk
δὲ
(de)
nu
πηλίκος
(pelikos)
hoe groot
οὗτος
(houtos)
deze
ᾧ
(ho)
aan wie
δεκάτην
(dekaten)
tiende
Ἀβραὰμ
(Abraam)
Abraham
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
ἐκ
(ek)
van
τῶν
(ton)
de
ἀκροθινίων
(akrothinion)
beste buit
ὁ
(ho)
de
πατριάρχης
(patriarches)
aartsvader
Bron: SBLGNT
Uitleg

θεωρέω (theoreo), ‘bekijken, aandachtig zien’. πηλίκος (pelikos), ‘hoe groot’. ἀκροθίνια (akrothinia), ‘het beste deel van de buit’: letterlijk ‘het bovenste van de hoop’. πατριάρχης (patriarches), ‘aartsvader’: zoals in Hand. 7:8.

Zie ook Gen. 14:20.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ‘aan wie’ (ᾧ) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

5En zij die van de zonen van Levi het priesteramt ontvangen, hebben een gebod om volgens de wet de tiende van het volk te nemen, dat wil zeggen van hun broers, hoewel dezen uit de lendenen van Abraham zijn voortgekomen.
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
zij die
μὲν
(men)
wel
ἐκ
(ek)
van
τῶν
(ton)
de
υἱῶν
(huion)
zonen
Λευὶ
(Leui)
van Levi
τὴν
(ten)
het
ἱερατείαν
(hierateian)
priesteramt
λαμβάνοντες
(lambanontes)
ontvangen
ἐντολὴν
(entolen)
gebod
ἔχουσιν
(echousin)
hebben
ἀποδεκατοῦν
(apodekatoun)
de tiende te nemen
τὸν
(ton)
het
λαὸν
(laon)
volk
κατὰ
(kata)
volgens
τὸν
(ton)
de
νόμον
(nomon)
wet
τοῦτ’
(tout’)
dit
ἔστιν
(estin)
is
τοὺς
(tous)
de
ἀδελφοὺς
(adelphous)
broers
αὐτῶν
(auton)
hun
καίπερ
(kaiper)
hoewel
ἐξεληλυθότας
(exelelythotas)
uitgegaan
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
ὀσφύος
(osphyos)
lendenen
Ἀβραάμ
(Abraam)
van Abraham
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἱερατεία (hierateia), ‘priesteramt’. ἀποδεκατόω (apodekatoo), ‘de tiende nemen van’.

De wet geeft de tienden aan de zonen van Levi: Num. 18:21, 18:26.

De ‘broers’ zijn hier de andere Israëlieten (ἀδελφοί als familie); ὀσφύς (osfys), ‘lendenen’: de voortplantingskracht, zodat ‘uit de lendenen van Abraham voortgekomen’ betekent: van hem afstammend.

Zie ook Num. 18:21; Num. 18:26.

6Maar hij die niet van hen afstamt, heeft van Abraham de tiende genomen en heeft hem die de beloften heeft, gezegend.
ὁ
(ho)
hij die
δὲ
(de)
maar
μὴ
(me)
niet
γενεαλογούμενος
(genealogoumenos)
afstamt
ἐξ
(ex)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
δεδεκάτωκεν
(dedekatoken)
de tiende heeft genomen
Ἀβραάμ
(Abraam)
van Abraham
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
hem die
ἔχοντα
(echonta)
heeft
τὰς
(tas)
de
ἐπαγγελίας
(epangelias)
beloften
εὐλόγηκεν
(eulogeken)
heeft gezegend
Bron: SBLGNT
Uitleg

γενεαλογέω (genealogeo), ‘in een geslachtsregister opgenomen zijn, een afstamming hebben’: Melchisedek komt niet uit de lijn van Levi. δεκατόω (dekatoo), ‘de tiende nemen’.

‘Hem die de beloften heeft’ is Abraham (Gen. 12:2–3; 14:19).

Beide werkwoorden staan in de voltooide tijd: ‘heeft genomen’, ‘heeft gezegend’.

Zie ook Gen. 12:2–3; Gen. 14:19.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ‘Abraham’ (Ἀβραάμ) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

7Zonder enige tegenspraak wordt het mindere door het betere gezegend.
χωρὶς
(choris)
zonder
δὲ
(de)
maar
πάσης
(pases)
enige
ἀντιλογίας
(antilogias)
tegenspraak
τὸ
(to)
het
ἔλαττον
(elatton)
mindere
ὑπὸ
(hypo)
door
τοῦ
(tou)
het
κρείττονος
(kreittonos)
betere
εὐλογεῖται
(eulogeitai)
wordt gezegend
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀντιλογία (antilogia), ‘tegenspraak’. ἔλαττον (elatton), ‘het mindere’; κρείττων (kreitton), ‘het betere’: zie 1:4.

Het Grieks heeft onzijdige vormen: de regel geldt in het algemeen.

8En hier ontvangen sterfelijke mensen de tienden, maar daar iemand van wie getuigd wordt dat hij leeft.
καὶ
(kai)
en
ὧδε
(hode)
hier
μὲν
(men)
wel
δεκάτας
(dekatas)
tienden
ἀποθνῄσκοντες
(apothneskontes)
sterfelijke
ἄνθρωποι
(anthropoi)
mensen
λαμβάνουσιν
(lambanousin)
ontvangen
ἐκεῖ
(ekei)
daar
δὲ
(de)
maar
μαρτυρούμενος
(martyroumenos)
van wie getuigd wordt
ὅτι
(hoti)
dat
ζῇ
(ze)
hij leeft
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Hier’ zijn de Levitische priesters, ‘daar’ is Melchisedek. μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’: ‘iemand van wie getuigd wordt dat hij leeft’.

Gen. 14 noemt geen einde van zijn leven; Hebreeën leest dat als ‘hij leeft’ (zie ook vers 3).

Zie ookHeb 7:3
9En om het zo te zeggen: door Abraham heeft ook Levi, die de tienden ontvangt, de tiende betaald,
καὶ
(kai)
en
ὡς
(hos)
om zo
ἔπος
(epos)
te
εἰπεῖν
(eipein)
zeggen
δι’
(di’)
door
Ἀβραὰμ
(Abraam)
Abraham
καὶ
(kai)
ook
Λευὶ
(Leui)
Levi
ὁ
(ho)
die
δεκάτας
(dekatas)
tienden
λαμβάνων
(lambanon)
ontvangt
δεδεκάτωται
(dedekatotai)
heeft de tiende betaald
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὡς ἔπος εἰπεῖν (hos epos eipein), ‘om het zo te zeggen’: een voorzichtige uitdrukking. δεκατόω (dekatoo), ‘de tiende betalen’; hier in de lijdende vorm: ‘de tiende is van hem genomen’.

De zin loopt door in vers 10.

Zie ookHeb 7:10
10want hij was nog in de lendenen van zijn vader toen Melchisedek hem tegemoet kwam.
ἔτι
(eti)
nog
γὰρ
(gar)
want
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
ὀσφύϊ
(osphui)
lendenen
τοῦ
(tou)
van de
πατρὸς
(patros)
vader
ἦν
(en)
was hij
ὅτε
(hote)
toen
συνήντησεν
(synentesen)
tegemoet kwam
αὐτῷ
(auto)
hem
Μελχισέδεκ
(Melchisedek)
Melchisedek
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὀσφύς (osfys), ‘lendenen’: Levi was nog niet geboren; hij was in Abraham aanwezig als nageslacht, zoals in vers 5.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ‘Melchisedek’ (Μελχισέδεκ) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

Zie ookHeb 7:5

Een andere priester, naar de orde van Melchisedek

11Als er dus volmaaktheid was door het Levitische priesterschap, want op grond ervan heeft het volk de wet ontvangen, wat is er dan nog voor behoefte aan een andere priester die opstaat volgens de orde van Melchisedek, en die niet volgens de orde van Aäron genoemd wordt?
Εἰ
(Ei)
als
μὲν
(men)
wel
οὖν
(oun)
dus
τελείωσις
(teleiosis)
volmaaktheid
διὰ
(dia)
door
τῆς
(tes)
het
Λευιτικῆς
(Leuitikes)
Levitische
ἱερωσύνης
(hierosynes)
priesterschap
ἦν
(en)
was
ὁ
(ho)
het
λαὸς
(laos)
volk
γὰρ
(gar)
want
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτῆς
(autes)
haar
νενομοθέτηται
(nenomothetetai)
de wet heeft ontvangen
τίς
(tis)
wat
ἔτι
(eti)
nog
χρεία
(chreia)
behoefte
κατὰ
(kata)
volgens
τὴν
(ten)
de
τάξιν
(taxin)
orde
Μελχισέδεκ
(Melchisedek)
Melchisedek
ἕτερον
(heteron)
een andere
ἀνίστασθαι
(anistasthai)
op te staan
ἱερέα
(hierea)
priester
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
κατὰ
(kata)
volgens
τὴν
(ten)
de
τάξιν
(taxin)
orde
Ἀαρὼν
(Aaron)
Aäron
λέγεσθαι
(legesthai)
genoemd te worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

τελείωσις (teleiosis), ‘volmaaktheid, het bereiken van het doel’: van dezelfde stam als τελειόω, ‘volmaken’ (zie 2:10). Λευιτικός (Leuitikos), ‘Levitisch’; ἱερωσύνη (hierosyne), ‘priesterschap’. νομοθετέω (nomotheteo), ‘de wet geven’: het volk heeft op grond van het Levitische priesterschap de wet ontvangen. τάξις (taxis), ‘orde’. ἕτερος (heteros), ‘een andere’ van een andere soort.

Zie ook Ps. 110:4.

Lezing

De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij ‘ervan’ (αὐτῆς) en bij ‘de wet heeft ontvangen’ (νενομοθέτηται).

Wij volgen de SBLGNT.

Zie ookPs 110:4
12Want als het priesterschap veranderd wordt, ontstaat noodzakelijk ook een verandering van de wet.
μετατιθεμένης
(metatithemenes)
veranderd wordend
γὰρ
(gar)
want
τῆς
(tes)
het
ἱερωσύνης
(hierosynes)
priesterschap
ἐξ
(ex)
uit
ἀνάγκης
(anankes)
noodzaak
καὶ
(kai)
ook
νόμου
(nomou)
van de wet
μετάθεσις
(metathesis)
verandering
γίνεται
(ginetai)
ontstaat
Bron: SBLGNT
Uitleg

μετατίθημι (metatithemi), ‘veranderen, overzetten’; μετάθεσις (metathesis), ‘verandering’. ἐξ ἀνάγκης (ex anankes), ‘noodzakelijk’: het volgt vanzelf.

De wet en het priesterschap horen bij elkaar.

13Want Hij op wie dit gezegd wordt, behoort tot een andere stam, waaruit niemand bij het altaar dienst heeft gedaan.
ἐφ’
(eph’)
op
ὃν
(hon)
wie
γὰρ
(gar)
want
λέγεται
(legetai)
wordt gezegd
ταῦτα
(tauta)
dit
φυλῆς
(phyles)
van een stam
ἑτέρας
(heteras)
andere
μετέσχηκεν
(metescheken)
behoort tot
ἀφ’
(aph’)
uit
ἧς
(hes)
welke
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
προσέσχηκεν
(prosescheken)
heeft dienst gedaan
τῷ
(to)
bij het
θυσιαστηρίῳ
(thysiasterio)
altaar
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Hij op wie dit gezegd wordt’: Yeshua, over wie Ps. 110:4 spreekt. φυλή (fyle), ‘stam’. μετέχω (metecho), ‘deel hebben aan, behoren tot’. προσέχω (prosecho) met ‘het altaar’: zich daaraan wijden, er dienst doen. θυσιαστήριον (thysiasterion), ‘altaar’.

Zie ookPs 110:4
14Het is immers duidelijk dat onze Heer uit Juda is opgekomen, een stam waarover Mozes niets over priesters gesproken heeft.
πρόδηλον
(prodelon)
duidelijk
γὰρ
(gar)
want
ὅτι
(hoti)
dat
ἐξ
(ex)
uit
Ἰούδα
(Iouda)
Juda
ἀνατέταλκεν
(anatetalken)
is opgekomen
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
Heer
ἡμῶν
(hemon)
onze
εἰς
(eis)
naar
ἣν
(hen)
welke
φυλὴν
(phylen)
stam
περὶ
(peri)
over
ἱερέων
(hiereon)
priesters
οὐδὲν
(ouden)
niets
Μωϋσῆς
(Moyses)
Mozes
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
Bron: SBLGNT
Uitleg

πρόδηλος (prodelos), ‘duidelijk, voor ieder zichtbaar’. ἀνατέλλω (anatello), ‘opkomen’: het werkwoord wordt ook gebruikt voor de opgang van de zon en voor een spruit die uitloopt.

‘Onze Heer’ is Yeshua; Hij stamt uit Juda (Gen. 49:10; Matt. 1:2–3).

De wet van Mozes noemt voor Juda geen priesters.

Zie ook Gen. 49:10; Matt. 1:2–3.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ‘over priesters niets’ (περὶ ἱερέων οὐδέν) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

15En het is nog veel duidelijker, als er een andere priester opstaat naar de gelijkenis van Melchisedek,
Καὶ
(Kai)
en
περισσότερον
(perissoteron)
veel duidelijker
ἔτι
(eti)
nog
κατάδηλόν
(katadelon)
helder
ἐστιν
(estin)
is
εἰ
(ei)
als
κατὰ
(kata)
naar
τὴν
(ten)
de
ὁμοιότητα
(homoioteta)
gelijkenis
Μελχισέδεκ
(Melchisedek)
Melchisedek
ἀνίσταται
(anistatai)
opstaat
ἱερεὺς
(hiereus)
priester
ἕτερος
(heteros)
een andere
Bron: SBLGNT
Uitleg

κατάδηλος (katadelos), ‘heel duidelijk’. ὁμοιότης (homoiotes), ‘gelijkenis’: zoals in 4:15. ἕτερος (heteros), ‘een andere’: zie vers 11.

De zin loopt door in vers 16.

16die priester geworden is niet volgens de wet van een vleselijk gebod, maar volgens de kracht van een onverwoestbaar leven.
ὃς
(hos)
die
οὐ
(ou)
niet
κατὰ
(kata)
volgens
νόμον
(nomon)
wet
ἐντολῆς
(entoles)
van een gebod
σαρκίνης
(sarkines)
vleselijk
γέγονεν
(gegonen)
is geworden
ἀλλὰ
(alla)
maar
κατὰ
(kata)
volgens
δύναμιν
(dynamin)
kracht
ζωῆς
(zoes)
van een leven
ἀκαταλύτου
(akatalytou)
onverwoestbaar
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐντολή (entole), ‘gebod’. σάρκινος (sarkinos), ‘vleselijk, van vlees’: een gebod dat aan afstamming gebonden is, zoals de afstamming van Levi in vers 5. ἀκατάλυτος (akatalytos), ‘onverwoestbaar, niet te ontbinden’. δύναμις (dynamis), ‘kracht’.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ‘vleselijk’ (σαρκίνης) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

Zie ookHeb 7:5
17Want er wordt getuigd: „Jij bent priester voor eeuwig, volgens de orde van Melchisedek.”
μαρτυρεῖται
(martyreitai)
wordt getuigd
γὰρ
(gar)
want
ὅτι
(hoti)
dat
Σὺ
(Sy)
jij
ἱερεὺς
(hiereus)
priester
εἰς
(eis)
voor
τὸν
(ton)
de
αἰῶνα
(aiona)
eeuwigheid
κατὰ
(kata)
naar
τὴν
(ten)
de
τάξιν
(taxin)
orde
Μελχισέδεκ
(Melchisedek)
Melchisedek
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Ps. 110:4; zie 5:6.

Ons Hebreeuws heeft ‘volgens de wijze van Melchisedek’; Hebreeën heeft τάξις, ‘orde’.

In de psalm zweert Yahweh deze woorden; zij staan rood. μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’: de Schrift getuigt.

Zie ook Ps. 110:4.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ‘er wordt getuigd’ (μαρτυρεῖται) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

Zie ookPs 110:4
18Want er is een opheffing van het voorafgaande gebod, vanwege de zwakheid en nutteloosheid ervan,
ἀθέτησις
(athetesis)
opheffing
μὲν
(men)
wel
γὰρ
(gar)
want
γίνεται
(ginetai)
ontstaat
προαγούσης
(proagouses)
van een voorafgaand
ἐντολῆς
(entoles)
gebod
διὰ
(dia)
vanwege
τὸ
(to)
de
αὐτῆς
(autes)
haar
ἀσθενὲς
(asthenes)
zwakheid
καὶ
(kai)
en
ἀνωφελές
(anopheles)
nutteloosheid
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀθέτησις (athetesis), ‘ongeldigverklaring, opheffing’. προάγω (proago), ‘voorafgaan’: het gebod over het Levitische priesterschap ging eerder. ἀσθενής (asthenes), ‘zwak’; ἀνωφελής (anofeles), ‘nutteloos’.

De zin loopt door in vers 19.

Zie ookHeb 7:19
19want de wet heeft niets volmaakt. Maar daar komt de invoering van een betere hoop bij, waardoor wij Elohim naderen.
οὐδὲν
(ouden)
niets
γὰρ
(gar)
want
ἐτελείωσεν
(eteleiosen)
maakte volmaakt
ὁ
(ho)
de
νόμος
(nomos)
wet
ἐπεισαγωγὴ
(epeisagoge)
invoering erbij
δὲ
(de)
maar
κρείττονος
(kreittonos)
van een betere
ἐλπίδος
(elpidos)
hoop
δι’
(di’)
door
ἧς
(hes)
welke
ἐγγίζομεν
(engizomen)
wij naderen
τῷ
(to)
aan
θεῷ
(theo)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

τελειόω (teleioo), ‘volmaken’: zie vers 11. ἐπεισαγωγή (epeisagoge), ‘invoering erbij, erbij brengen’: er komt iets bij dat de wet niet gaf. ἐγγίζω (eggizo), ‘naderen’: vergelijk 4:16, ‘laten wij naderen’.

Zie ookHeb 7:11

Met een eed: borg van een beter verbond

20En naarmate het niet zonder eedaflegging is (want zij zijn zonder eedaflegging priesters geworden,
Καὶ
(Kai)
en
καθ’
(kath’)
naarmate
ὅσον
(hoson)
zoveel
οὐ
(ou)
niet
χωρὶς
(choris)
zonder
ὁρκωμοσίας
(horkomosias)
eedaflegging
οἱ
(hoi)
zij
μὲν
(men)
wel
γὰρ
(gar)
want
χωρὶς
(choris)
zonder
ὁρκωμοσίας
(horkomosias)
eedaflegging
εἰσὶν
(eisin)
zijn
ἱερεῖς
(hiereis)
priesters
γεγονότες
(gegonotes)
geworden
Bron: SBLGNT
Uitleg

Verzen 20–22 vormen één Griekse zin met een tussenzin tussen haakjes; wij houden de haakjes van de SBLGNT. ὁρκωμοσία (horkomosia), ‘eedaflegging’: de priesters van Levi werden zonder eed aangesteld.

De zin loopt door in vers 21.

Zie ookHeb 7:21
21maar Hij met eedaflegging, door Hem die tegen Hem zei: „Yahweh heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: jij bent priester voor eeuwig”),
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
μετὰ
(meta)
met
ὁρκωμοσίας
(horkomosias)
eedaflegging
διὰ
(dia)
door
τοῦ
(tou)
Hem die
λέγοντος
(legontos)
zegt
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτόν
(auton)
Hem
Ὤμοσεν
(Omosen)
heeft gezworen
κύριος
(kyrios)
Yahweh
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
μεταμεληθήσεται
(metamelethesetai)
zal berouwen
Σὺ
(Sy)
jij
ἱερεὺς
(hiereus)
priester
εἰς
(eis)
voor
τὸν
(ton)
de
αἰῶνα
(aiona)
eeuwigheid
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Ps. 110:4: ‘Yahweh heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Jij bent priester voor eeuwig.’ κύριος (kyrios) is hier Yahweh, zoals het Hebreeuws van de psalm heeft.

De woorden van de eed staan rood, zoals in Ps. 110:4; de inleiding ‘Yahweh heeft gezworen’ is zwart. μεταμέλομαι (metamelomai), ‘berouw hebben’.

Hij die tegen Hem zei: Elohim tegen Yeshua.

Zie ook Ps. 110:4.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ‘eeuwigheid’ (αἰῶνα) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

Zie ookPs 110:4
22in zoverre is Yeshua borg geworden van een beter verbond.
κατὰ
(kata)
naar
τοσοῦτο
(tosouto)
zoveel
κρείττονος
(kreittonos)
van een beter
διαθήκης
(diathekes)
verbond
γέγονεν
(gegonen)
is geworden
ἔγγυος
(engyos)
borg
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἔγγυος (eggyos), ‘borg’: wie instaat voor een ander; het woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor. διαθήκη (diatheke), ‘verbond’: in het gewone Grieks ook ‘testament, laatste wil’ (zie 9:16–17); wij vertalen ‘verbond’, zoals in Gal. 3:15.

Het ‘betere verbond’ is het ‘nieuwe verbond’ van Jer. 31:31–34 (zie hoofdstuk 8). κρείττων (kreitton), ‘beter’.

Zie ook Jer. 31:31; Gal. 3:15.

Lezing

De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij ‘in zoverre’ (τοσοῦτο) en bij ‘beter’ (κρείττονος).

Wij volgen de SBLGNT.

Een priesterschap dat niet overgaat

23En zij zijn met velen priesters geworden, omdat de dood hen verhinderde te blijven.
Καὶ
(Kai)
en
οἱ
(hoi)
zij
μὲν
(men)
wel
πλείονές
(pleiones)
velen
εἰσιν
(eisin)
zijn
γεγονότες
(gegonotes)
geworden
ἱερεῖς
(hiereis)
priesters
διὰ
(dia)
omdat
τὸ
(to)
de
θανάτῳ
(thanato)
door de dood
κωλύεσθαι
(kolyesthai)
verhinderd te worden
παραμένειν
(paramenein)
te blijven
Bron: SBLGNT
Uitleg

πλείονες (pleiones), ‘talrijker, in grotere aantallen’: de Levitische priesters volgden elkaar op. κωλύω (kolyo), ‘verhinderen’. παραμένω (parameno), ‘blijven’.

24Maar Hij heeft, omdat Hij voor eeuwig blijft, een priesterschap dat niet overgaat.
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
διὰ
(dia)
omdat
τὸ
(to)
de
μένειν
(menein)
blijven
αὐτὸν
(auton)
Hij
εἰς
(eis)
voor
τὸν
(ton)
de
αἰῶνα
(aiona)
eeuwigheid
ἀπαράβατον
(aparabaton)
niet overgaand
ἔχει
(echei)
heeft
τὴν
(ten)
het
ἱερωσύνην
(hierosynen)
priesterschap
Bron: SBLGNT
Uitleg

μένω (meno), ‘blijven’. ἀπαράβατος (aparabatos), ‘niet voorbijgaand’: een priesterschap dat niet op een ander overgaat en niet ophoudt. ἱερωσύνη (hierosyne), ‘priesterschap’.

25Daarom kan Hij ook volkomen redden hen die door Hem tot Elohim naderen, omdat Hij altijd leeft om voor hen te pleiten.
ὅθεν
(hothen)
daarom
καὶ
(kai)
ook
σῴζειν
(sozein)
te redden
εἰς
(eis)
tot
τὸ
(to)
het
παντελὲς
(panteles)
volkomene
δύναται
(dynatai)
kan Hij
τοὺς
(tous)
hen die
προσερχομένους
(proserchomenous)
naderen
δι’
(di’)
door
αὐτοῦ
(autou)
Hem
τῷ
(to)
tot de
θεῷ
(theo)
Elohim
πάντοτε
(pantote)
altijd
ζῶν
(zon)
levend
εἰς
(eis)
om
τὸ
(to)
te
ἐντυγχάνειν
(entynchanein)
pleiten
ὑπὲρ
(hyper)
voor
αὐτῶν
(auton)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

εἰς τὸ παντελές (eis to panteles), ‘volkomen’ of ‘voor altijd’: het Grieks laat beide toe. προσέρχομαι (proserchomai), ‘naderen’: zoals in 4:16. ἐντυγχάνω (entygchano), ‘pleiten voor’: zoals in Rom. 8:34.

Zie ook Rom. 8:34.

Zie ookRom 8:34
26Want zo'n hogepriester paste ons ook: toegewijd, onschuldig, onbesmet, gescheiden van de zondaars en hoger dan de hemelen geworden.
Τοιοῦτος
(Toioutos)
zo'n
γὰρ
(gar)
want
ἡμῖν
(hemin)
voor ons
καὶ
(kai)
ook
ἔπρεπεν
(eprepen)
paste
ἀρχιερεύς
(archiereus)
hogepriester
ὅσιος
(hosios)
toegewijd
ἄκακος
(akakos)
onschuldig
ἀμίαντος
(amiantos)
onbesmet
κεχωρισμένος
(kechorismenos)
gescheiden
ἀπὸ
(apo)
van
τῶν
(ton)
de
ἁμαρτωλῶν
(hamartolon)
zondaars
καὶ
(kai)
en
ὑψηλότερος
(hypseloteros)
hoger
τῶν
(ton)
dan de
οὐρανῶν
(ouranon)
hemelen
γενόμενος
(genomenos)
geworden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὅσιος (hosios), ‘toegewijd, vroom’: in Hand. 2:27 staat hetzelfde woord voor ‘getrouwe’. ἄκακος (akakos), ‘onschuldig, zonder kwaad’; ἀμίαντος (amiantos), ‘onbesmet’. χωρίζω (chorizo), ‘scheiden’.

‘Hoger dan de hemelen’: vergelijk 4:14, ‘door de hemelen heengegaan’.

Zie ook Hebr. 4:14.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ‘ook’ (καί) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

27Hij heeft het niet dagelijks nodig, zoals de hogepriesters, eerst voor de eigen zonden offers te brengen en daarna voor die van het volk. Dit heeft Hij immers eens voor altijd gedaan, door Zichzelf te offeren.
ὃς
(hos)
die
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχει
(echei)
heeft
καθ’
(kath’)
per
ἡμέραν
(hemeran)
dag
ἀνάγκην
(ananken)
noodzaak
ὥσπερ
(hosper)
zoals
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
πρότερον
(proteron)
eerst
ὑπὲρ
(hyper)
voor
τῶν
(ton)
de
ἰδίων
(idion)
eigen
ἁμαρτιῶν
(hamartion)
zonden
θυσίας
(thysias)
offers
ἀναφέρειν
(anapherein)
op te dragen
ἔπειτα
(epeita)
daarna
τῶν
(ton)
die
τοῦ
(tou)
van het
λαοῦ
(laou)
volk
τοῦτο
(touto)
dit
γὰρ
(gar)
want
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed Hij
ἐφάπαξ
(ephapax)
eens voor altijd
ἑαυτὸν
(heauton)
Zichzelf
ἀνενέγκας
(anenenkas)
opgedragen hebbend
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Dagelijks’ (καθ᾽ ἡμέραν, kath hemeran): Lev. 16:34 noemt de zondeoffers van de Verzoendag eenmaal per jaar; het Grieks zegt hier ‘dagelijks’.

De brief laat open hoe dit zich verhoudt tot de dagelijkse offers; het gaat om de herhaling van de offers van de priesters.

De hogepriester bracht eerst een offer voor zichzelf (Lev. 16:6, 16:11). ἀναφέρω (anafero), ‘opdragen, offeren’. ἐφάπαξ (efapax), ‘eens voor altijd’.

Zie ook Lev. 16:6; Lev. 16:11; Lev. 16:34.

28Want de wet stelt mensen aan als hogepriesters, die zwakheid hebben, maar het woord van de eedaflegging, die na de wet kwam, stelt een Zoon aan, die voor eeuwig volmaakt is gemaakt.
ὁ
(ho)
de
νόμος
(nomos)
wet
γὰρ
(gar)
want
ἀνθρώπους
(anthropous)
mensen
καθίστησιν
(kathistesin)
stelt aan
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
ἔχοντας
(echontas)
hebbend
ἀσθένειαν
(astheneian)
zwakheid
ὁ
(ho)
het
λόγος
(logos)
woord
δὲ
(de)
maar
τῆς
(tes)
van de
ὁρκωμοσίας
(horkomosias)
eedaflegging
τῆς
(tes)
die
μετὰ
(meta)
na
τὸν
(ton)
de
νόμον
(nomon)
wet
υἱόν
(huion)
Zoon
εἰς
(eis)
tot
τὸν
(ton)
de
αἰῶνα
(aiona)
eeuwigheid
τετελειωμένον
(teteleiomenon)
volmaakt gemaakt
Bron: SBLGNT
Uitleg

καθίστημι (kathistemi), ‘aanstellen’: het werkwoord geldt voor beide delen van de zin. ἀσθένεια (astheneia), ‘zwakheid’.

‘Het woord van de eedaflegging, die na de wet kwam’: de eed van Ps. 110:4 is later dan de wet van Mozes. τετελειωμένον (teteleiomenon), ‘volmaakt gemaakt’: een voltooide tijd; zie 2:10, 5:9.

Met dit vers eindigt de uiteenzetting over het priesterschap volgens de orde van Melchisedek; hoofdstuk 8 gaat verder.

Zie ook Ps. 110:4.

Zie ookPs 110:4