Elohim Bijbel

1 Koningen 1

12345678910111213141516171819202122

David oud, Salomo koning

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

David is oud en kan niet warm worden

1Koning David was oud geworden en hoogbejaard. Men dekte hem toe met kleren, maar hij werd niet warm.
וְהַמֶּ֤לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
דָּוִד֙
(david)
David
זָקֵ֔ן
(zaqen)
oud
בָּ֖א
(ba)
kwam
בַּיָּמִ֑ים
(bayamim)
in dagen
וַיְכַסֻּ֨הוּ֙
(vaykhasuhu)
en zij dekten hem toe
בַּבְּגָדִ֔ים
(babegadim)
met kleren
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִחַ֖ם
(yicham)
werd warm
לֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit boek sluit aan op 2 Sam. 24 en op de laatste jaren van David (2 Sam. 9–20).

2Zijn dienaren zeiden tegen hem: „Laat men voor mijn heer de koning een jonge vrouw zoeken, een maagd. Zij moet voor de koning staan en hem verzorgen. Zij moet in uw schoot liggen, dan wordt mijn heer de koning warm.”
וַיֹּ֧אמְרוּ
(vayomru)
en zeiden
ל֣וֹ
(lo)
tot hem
עֲבָדָ֗יו
(avadav)
zijn dienaren
יְבַקְשׁ֞וּ
(yevaqshu)
laat hen zoeken
לַאדֹנִ֤י
(ladoni)
voor mijn heer
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
נַעֲרָ֣ה
(naara)
een jonge vrouw
בְתוּלָ֔ה
(betula)
een maagd
וְעָֽמְדָה֙
(veameda)
en zij zal staan
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וּתְהִי
(utehi)
en zij zal zijn
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
סֹכֶ֑נֶת
(sokhenet)
een verzorgster
וְשָׁכְבָ֣ה
(veshakheva)
en zij zal liggen
בְחֵיקֶ֔ךָ
(becheiqekha)
in uw schoot
וְחַ֖ם
(vecham)
en zal warm worden
לַאדֹנִ֥י
(ladoni)
voor mijn heer
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Zij zochten in heel het gebied van Israël naar een mooi meisje. Zij vonden Abisag, de Sunemitische, en brachten haar bij de koning.
וַיְבַקְשׁוּ֙
(vayvaqshu)
en zij zochten
נַעֲרָ֣ה
(naara)
een jonge vrouw
יָפָ֔ה
(yafa)
mooie
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
in heel
גְּב֣וּל
(gevul)
gebied van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַֽיִּמְצְא֗וּ
(vayimtseu)
en vonden
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבִישַׁג֙
(avishag)
Abisag
הַשּׁ֣וּנַמִּ֔ית
(hashunamit)
de Sunemitische
וַיָּבִ֥אוּ
(vayaviu)
en brachten
אֹתָ֖הּ
(otah)
haar
לַמֶּֽלֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sunem (Sunem, huidig Solem) lag in de vallei van Jizreël, in het noorden van het huidige Israël.

De Sunemitische komt uit dat dorp.

4Het meisje was uitzonderlijk mooi. Zij verzorgde de koning en diende hem, maar de koning had geen gemeenschap met haar.
וְהַֽנַּעֲרָ֖ה
(vehanaara)
en het meisje
יָפָ֣ה
(yafa)
mooi
עַד
(ad)
tot
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַתְּהִ֨י
(vatehi)
en zij werd
לַמֶּ֤לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
סֹכֶ֨נֶת֙
(sokhenet)
een verzorgster
וַתְּשָׁ֣רְתֵ֔הוּ
(vatesharetehu)
en zij diende hem
וְהַמֶּ֖לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
לֹ֥א
(lo)
niet
יְדָעָֽהּ
(yedaah)
kende haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָדַע (yada), ‘kennen’: hier in de betekenis ‘gemeenschap hebben met’.

Zo ook Gen. 4:1.

Adonia grijpt naar het koningschap

5Adonia, de zoon van Chagit, verhief zich en zei: „Ik word koning.” Hij liet voor zich een wagen en ruiters klaarmaken, en vijftig man die voor hem uit renden.
וַאֲדֹנִיָּ֧ה
(vaadoniya)
en Adonia
בֶן
(ben)
zoon van
חַגִּ֛ית
(chagit)
Chagit
מִתְנַשֵּׂ֥א
(mitnase)
verhief zich
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggend
אֲנִ֣י
(ani)
ik
אֶמְלֹ֑ךְ
(emlokh)
zal koning zijn
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
ל֗וֹ
(lo)
voor zich
רֶ֚כֶב
(rekhev)
wagen
וּפָ֣רָשִׁ֔ים
(ufarashim)
en ruiters
וַחֲמִשִּׁ֥ים
(vachamishim)
en vijftig
אִ֖ישׁ
(ish)
man
רָצִ֥ים
(ratsim)
renners
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Zijn vader had hem nooit gekrenkt door te vragen: „Waarom doe je dat?” Ook was hij zeer knap om te zien. Hij was geboren na Absalom.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
עֲצָב֨וֹ
(atsavo)
had gekrenkt hem
אָבִ֤יו
(aviv)
zijn vader
מִיָּמָיו֙
(miyamav)
van zijn dagen af
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
מַדּ֖וּעַ
(madua)
waarom
כָּ֣כָה
(kakha)
zo
עָשִׂ֑יתָ
(asita)
heb je gedaan
וְגַם
(vegam)
en ook
ה֤וּא
(hu)
hij
טֽוֹב
(tov)
goed van
תֹּ֨אַר֙
(toar)
gestalte
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וְאֹת֥וֹ
(veoto)
en hem
יָלְדָ֖ה
(yaleda)
had gebaard
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
na
אַבְשָׁלֽוֹם
(avshalom)
Absalom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Hij overlegde met Joab, de zoon van Zeruja, en met de priester Abjatar. Zij steunden Adonia en stonden hem bij.
וַיִּהְי֣וּ
(vayihyu)
en waren
דְבָרָ֔יו
(devarav)
zijn woorden
עִ֚ם
(im)
met
יוֹאָ֣ב
(yoav)
Joab
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָ֔ה
(tseruya)
Zeruja
וְעִ֖ם
(veim)
en met
אֶבְיָתָ֣ר
(evyatar)
Abjatar
הַכֹּהֵ֑ן
(hakohen)
de priester
וַֽיַּעְזְר֔וּ
(vayazeru)
en zij hielpen
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
אֲדֹנִיָּֽה
(adoniya)
Adonia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Maar de priester Zadok, Benaja de zoon van Jojada, de profeet Natan, Simeï, Rei en de helden van David waren niet aan de kant van Adonia.
וְצָד֣וֹק
(vetsadoq)
en Zadok
הַ֠כֹּהֵן
(hakohen)
de priester
וּבְנָיָ֨הוּ
(uvenayahu)
en Benaja
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֜ע
(yehoyada)
Jojada
וְנָתָ֤ן
(venatan)
en Natan
הַנָּבִיא֙
(hanavi)
de profeet
וְשִׁמְעִ֣י
(veshimi)
en Simeï
וְרֵעִ֔י
(verei)
en Rei
וְהַגִּבּוֹרִ֖ים
(vehagiborim)
en de helden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְדָוִ֑ד
(ledavid)
van David
לֹ֥א
(lo)
niet
הָי֖וּ
(hayu)
waren
עִם
(im)
met
אֲדֹנִיָּֽהוּ
(adoniyahu)
Adonia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Over Rei en over Simeï is verder niets bekend.

Deze Simeï is waarschijnlijk niet dezelfde als Simeï, de zoon van Gera (2 Sam. 16:5–13; 1 Kon. 2:8).

9Adonia offerde schapen, runderen en mestkalveren bij de steen Zoheleth, die bij En-Rogel ligt. Hij nodigde al zijn broers uit, de zonen van de koning, en alle mannen van Juda die dienaren van de koning waren.
וַיִּזְבַּ֣ח
(vayizbach)
en offerde
אֲדֹנִיָּ֗הוּ
(adoniyahu)
Adonia
צֹ֤אן
(tson)
schapen
וּבָקָר֙
(uvaqar)
en runderen
וּמְרִ֔יא
(umeri)
en mestkalveren
עִ֚ם
(im)
bij
אֶ֣בֶן
(even)
steen
הַזֹּחֶ֔לֶת
(hazochelet)
de Zoheleth
אֲשֶׁר
(asher)
die
אֵ֖צֶל
(etsel)
naast
עֵ֣ין
(ein)
En
רֹגֵ֑ל
(rogel)
Rogel
וַיִּקְרָ֗א
(vayiqra)
en hij riep
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
אֶחָיו֙
(echav)
zijn broers
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וּלְכָל
(ulekhal)
en voor alle
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
עַבְדֵ֥י
(avdei)
dienaren van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

En-Rogel (En-Rogel, ‘bron van de voetwasser’) lag aan de zuidkant van Jeruzalem, waar het dal van Kidron en het dal van Hinnom samenkomen, bij het huidige Silwan.

Zie ook 2 Sam. 17:17.

Zie Steen Zoheleth (ligging onzeker): De steen Zoheleth lag bij En-Rogel, ten zuiden van Jeruzalem.

De precieze plek is niet bekend.

Uitleg

אֶבֶן הַזֹּחֶלֶת (even hazzocheleth), ‘de steen Zoheleth’.

Wij laten de naam staan.

De betekenis is onzeker; het woord kan ‘glijden’ of ‘kruipen’ betekenen.

10Maar de profeet Natan, Benaja, de helden en zijn broer Salomo nodigde hij niet uit.
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
נָתָן֩
(natan)
Natan
הַנָּבִ֨יא
(hanavi)
de profeet
וּבְנָיָ֜הוּ
(uvenayahu)
en Benaja
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַגִּבּוֹרִ֛ים
(hagiborim)
de helden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁלֹמֹ֥ה
(shelomo)
Salomo
אָחִ֖יו
(achiv)
zijn broer
לֹ֥א
(lo)
niet
קָרָֽא
(qara)
riep hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Natan en Bat-Sjeba bij David

11Toen zei Natan tegen Bat-Sjeba, de moeder van Salomo: „Heb je niet gehoord dat Adonia, de zoon van Chagit, koning is geworden? En onze heer David weet het niet.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
נָתָ֗ן
(natan)
Natan
אֶל
(el)
tot
בַּת
(bat)
Bat
שֶׁ֤בַע
(sheva)
Sjeba
אֵם
(em)
moeder van
שְׁלֹמֹה֙
(shelomo)
Salomo
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
הֲל֣וֹא
(halo)
heb je niet
שָׁמַ֔עַתְּ
(shamaat)
gehoord
כִּ֥י
(ki)
dat
מָלַ֖ךְ
(malakh)
is koning geworden
אֲדֹנִיָּ֣הוּ
(adoniyahu)
Adonia
בֶן
(ben)
zoon van
חַגִּ֑ית
(chagit)
Chagit
וַאֲדֹנֵ֥ינוּ
(vaadoneinu)
en onze heer
דָוִ֖ד
(david)
David
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדָֽע
(yada)
weet het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Kom nu, laat mij je een raad geven. Zo red je je eigen leven en het leven van je zoon Salomo.
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
לְכִ֛י
(lekhi)
ga
אִיעָצֵ֥ךְ
(iatsekh)
laat mij je raden
נָ֖א
(na)
toe
עֵצָ֑ה
(etsa)
een raad
וּמַלְּטִי֙
(umaleti)
en red
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשֵׁ֔ךְ
(nafshekh)
je leven
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נֶ֥פֶשׁ
(nefesh)
leven van
בְּנֵ֖ךְ
(benekh)
je zoon
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Ga naar koning David en zeg tegen hem: ‘Hebt u, mijn heer de koning, niet aan uw dienares gezworen: Je zoon Salomo wordt koning na mij, en hij zal op mijn troon zitten? Waarom is dan Adonia koning geworden?’
לְכִ֞י
(lekhi)
ga
וּבֹ֣אִי
(uvoi)
en kom
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִ֗ד
(david)
David
וְאָמַ֤רְתְּ
(veamart)
en je zult zeggen
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
הֲלֹֽא
(halo)
niet
אַתָּ֞ה
(ata)
jij
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
נִשְׁבַּ֤עְתָּ
(nishbata)
hebt gezworen
לַאֲמָֽתְךָ֙
(laamatekha)
aan je dienares
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
כִּֽי
(ki)
dat
שְׁלֹמֹ֤ה
(shelomo)
Salomo
בְנֵךְ֙
(benekh)
je zoon
יִמְלֹ֣ךְ
(yimlokh)
zal koning zijn
אַחֲרַ֔י
(acharay)
na mij
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
יֵשֵׁ֣ב
(yeshev)
zal zitten
עַל
(al)
op
כִּסְאִ֑י
(kisi)
mijn troon
וּמַדּ֖וּעַ
(umadua)
en waarom
מָלַ֥ךְ
(malakh)
is koning geworden
אֲדֹנִיָֽהוּ
(adoniyahu)
Adonia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een eed van David aan Bat-Sjeba over Salomo wordt in 2 Sam. en 1 Kron. niet vermeld.

Zie wel 1 Kron. 22:9–10 en 28:5–7.

14Terwijl je daar nog met de koning spreekt, kom ik achter je aan. Ik bevestig dan jouw woorden.”
הִנֵּ֗ה
(hine)
zie
עוֹדָ֛ךְ
(odakh)
terwijl je nog
מְדַבֶּ֥רֶת
(medaberet)
spreekt
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עִם
(im)
met
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַאֲנִי֙
(vaani)
en ik
אָב֣וֹא
(avo)
zal komen
אַחֲרַ֔יִךְ
(acharayikh)
achter je
וּמִלֵּאתִ֖י
(umileti)
en ik zal bevestigen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרָֽיִךְ
(devarayikh)
je woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Bat-Sjeba ging naar de koning in zijn kamer. De koning was zeer oud, en Abisag, de Sunemitische, diende de koning.
וַתָּבֹ֨א
(vatavo)
en kwam
בַת
(bat)
Bat
שֶׁ֤בֶע
(sheve)
Sjeba
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
הַחַ֔דְרָה
(hachadra)
naar de kamer
וְהַמֶּ֖לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
זָקֵ֣ן
(zaqen)
oud
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַֽאֲבִישַׁג֙
(vaavishag)
en Abisag
הַשּׁ֣וּנַמִּ֔ית
(hashunamit)
de Sunemitische
מְשָׁרַ֖ת
(mesharat)
diende
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sunem: Abisag, de Sunemitische, kwam uit Sunem (Solem), aan de zuidkant van de Kleine Hermon, in de vallei van Jizreël.

Zie ook1 Kon 1:1
16Bat-Sjeba boog en wierp zich neer voor de koning. De koning zei: „Wat is er met je?”
וַתִּקֹּ֣ד
(vatiqod)
en boog
בַּת
(bat)
Bat
שֶׁ֔בַע
(sheva)
Sjeba
וַתִּשְׁתַּ֖חוּ
(vatishtachu)
en wierp zich neer
לַמֶּ֑לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מַה
(ma)
wat
לָּֽךְ
(lakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Zij zei tegen hem: „Mijn heer, u hebt aan uw dienares gezworen bij Yahweh, uw Elohim: ‘Je zoon Salomo wordt koning na mij, en hij zal op mijn troon zitten.’
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zei
ל֗וֹ
(lo)
tot hem
אֲדֹנִי֙
(adoni)
mijn heer
אַתָּ֨ה
(ata)
jij
נִשְׁבַּ֜עְתָּ
(nishbata)
hebt gezworen
בַּֽיהוָ֤ה
(baYahweh)
bij Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je Elohim
לַֽאֲמָתֶ֔ךָ
(laamatekha)
aan je dienares
כִּֽי
(ki)
dat
שְׁלֹמֹ֥ה
(shelomo)
Salomo
בְנֵ֖ךְ
(benekh)
je zoon
יִמְלֹ֣ךְ
(yimlokh)
zal koning zijn
אַחֲרָ֑י
(acharay)
na mij
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
יֵשֵׁ֥ב
(yeshev)
zal zitten
עַל
(al)
op
כִּסְאִֽי
(kisi)
mijn troon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Maar zie, nu is Adonia koning geworden, en u, mijn heer de koning, weet het niet.
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
אֲדֹנִיָּ֖ה
(adoniya)
Adonia
מָלָ֑ךְ
(malakh)
is koning geworden
וְעַתָּ֛ה
(veata)
en nu
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדָֽעְתָּ
(yadata)
weet je het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Hij heeft stieren, mestkalveren en schapen in grote aantallen geofferd. Hij heeft alle zonen van de koning uitgenodigd, ook de priester Abjatar en Joab, de bevelhebber van het leger. Maar uw dienaar Salomo heeft hij niet uitgenodigd.
וַ֠יִּזְבַּח
(vayizbach)
en offerde
שׁ֥וֹר
(shor)
stier
וּֽמְרִיא
(umeri)
en mestkalf
וְצֹאן֮
(vetson)
en schapen
לָרֹב֒
(larov)
in menigte
וַיִּקְרָא֙
(vayiqra)
en riep
לְכָל
(lekhal)
voor alle
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וּלְאֶבְיָתָר֙
(uleevyatar)
en voor Abjatar
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וּלְיֹאָ֖ב
(uleyoav)
en voor Joab
שַׂ֣ר
(sar)
bevelhebber van
הַצָּבָ֑א
(hatsava)
het leger
וְלִשְׁלֹמֹ֥ה
(velishlomo)
en voor Salomo
עַבְדְּךָ֖
(avdekha)
je dienaar
לֹ֥א
(lo)
niet
קָרָֽא
(qara)
riep hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20En u, mijn heer de koning: de ogen van heel Israël zijn op u gericht. Zij wachten tot u bekendmaakt wie na hem op de troon van mijn heer de koning zit.
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עֵינֵ֥י
(einei)
ogen van
כָל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עָלֶ֑יךָ
(aleikha)
op jou
לְהַגִּ֣יד
(lehagid)
om bekend te maken
לָהֶ֔ם
(lahem)
aan hen
מִ֗י
(mi)
wie
יֵשֵׁ֛ב
(yeshev)
zal zitten
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֥א
(kise)
troon van
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אַחֲרָֽיו
(acharav)
na hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Anders gebeurt dit: zodra mijn heer de koning bij zijn vaderen ligt, worden ik en mijn zoon Salomo als schuldigen behandeld.”
וְהָיָ֕ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּשְׁכַ֥ב
(kishkhav)
als ligt
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עִם
(im)
met
אֲבֹתָ֑יו
(avotav)
zijn vaderen
וְהָיִ֗יתִי
(vehayiti)
en zullen zijn
אֲנִ֛י
(ani)
ik
וּבְנִ֥י
(uveni)
en mijn zoon
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
חַטָּאִֽים
(chataim)
schuldigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Zie, zij sprak nog met de koning, toen de profeet Natan binnenkwam.
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
עוֹדֶ֥נָּה
(odena)
nog zij
מְדַבֶּ֖רֶת
(medaberet)
sprekend
עִם
(im)
met
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְנָתָ֥ן
(venatan)
en Natan
הַנָּבִ֖יא
(hanavi)
de profeet
בָּֽא
(ba)
kwam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Men meldde de koning: „Daar is de profeet Natan.” Hij kwam voor de koning en wierp zich met het gezicht ter aarde voor de koning neer.
וַיַּגִּ֤ידוּ
(vayagidu)
en zij meldden
לַמֶּ֨לֶךְ֙
(lamelekh)
aan de koning
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
הִנֵּ֖ה
(hine)
zie
נָתָ֣ן
(natan)
Natan
הַנָּבִ֑יא
(hanavi)
de profeet
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en hij kwam
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיִּשְׁתַּ֧חוּ
(vayishtachu)
en wierp zich neer
לַמֶּ֛לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
עַל
(al)
op
אַפָּ֖יו
(apav)
zijn neus
אָֽרְצָה
(aretsa)
ter aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Natan zei: „Mijn heer de koning, hebt u gezegd: ‘Adonia wordt koning na mij, en hij zal op mijn troon zitten’?
וַיֹּאמֶר֮
(vayomer)
en zei
נָתָן֒
(natan)
Natan
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
אָמַ֔רְתָּ
(amarta)
hebt gezegd
אֲדֹנִיָּ֖הוּ
(adoniyahu)
Adonia
יִמְלֹ֣ךְ
(yimlokh)
zal koning zijn
אַחֲרָ֑י
(acharay)
na mij
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
יֵשֵׁ֥ב
(yeshev)
zal zitten
עַל
(al)
op
כִּסְאִֽי
(kisi)
mijn troon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Want hij is vandaag naar beneden gegaan. Hij heeft stieren, mestkalveren en schapen in grote aantallen geofferd. Hij heeft alle zonen van de koning uitgenodigd, de bevelhebbers van het leger en de priester Abjatar. Zie, zij eten en drinken voor zijn aangezicht en roepen: ‘Lang leve koning Adonia!’
כִּ֣י
(ki)
want
יָרַ֣ד
(yarad)
hij is afgedaald
הַיּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
וַ֠יִּזְבַּח
(vayizbach)
en offerde
שׁ֥וֹר
(shor)
stier
וּֽמְרִיא
(umeri)
en mestkalf
וְצֹאן֮
(vetson)
en schapen
לָרֹב֒
(larov)
in menigte
וַיִּקְרָא֩
(vayiqra)
en riep
לְכָל
(lekhal)
voor alle
בְּנֵ֨י
(benei)
zonen van
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וּלְשָׂרֵ֤י
(ulesarei)
en voor de bevelhebbers van
הַצָּבָא֙
(hatsava)
het leger
וּלְאֶבְיָתָ֣ר
(uleevyatar)
en voor Abjatar
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְהִנָּ֛ם
(vehinam)
en zie hen
אֹכְלִ֥ים
(okhelim)
etend
וְשֹׁתִ֖ים
(veshotim)
en drinkend
לְפָנָ֑יו
(lefanav)
voor hem
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zij zeiden
יְחִ֖י
(yechi)
leve
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲדֹנִיָּֽהוּ
(adoniyahu)
Adonia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Maar mij, uw dienaar, en de priester Zadok, en Benaja, de zoon van Jojada, en uw dienaar Salomo heeft hij niet uitgenodigd.
וְלִ֣י
(veli)
en mij
אֲנִֽי
(ani)
ik
עַ֠בְדֶּךָ
(avdekha)
je dienaar
וּלְצָדֹ֨ק
(uletsadoq)
en Zadok
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
וְלִבְנָיָ֧הוּ
(velivnayahu)
en Benaja
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֛ע
(yehoyada)
Jojada
וְלִשְׁלֹמֹ֥ה
(velishlomo)
en Salomo
עַבְדְּךָ֖
(avdekha)
je dienaar
לֹ֥א
(lo)
niet
קָרָֽא
(qara)
riep hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Is dit op bevel van mijn heer de koning gebeurd? U hebt uw dienaar niet laten weten wie na hem op de troon van mijn heer de koning zit.”
אִ֗ם
(im)
als
מֵאֵת֙
(meet)
van
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
נִהְיָ֖ה
(nihya)
is geschied
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
הוֹדַ֨עְתָּ֙
(hodata)
heb je laten weten
אֶֽת
(et)
(obj.)
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
je dienaar
מִ֗י
(mi)
wie
יֵשֵׁ֛ב
(yeshev)
zal zitten
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֥א
(kise)
troon van
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אַחֲרָֽיו
(acharav)
na hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

David laat Salomo tot koning zalven

28Koning David antwoordde: „Roep Bat-Sjeba bij mij.” Zij kwam voor de koning en ging voor de koning staan.
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en antwoordde
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִד֙
(david)
David
וַיֹּ֔אמֶר
(vayomer)
en zei
קִרְאוּ
(qiru)
roep
לִ֖י
(li)
voor mij
לְבַת
(levat)
Bat
שָׁ֑בַע
(shava)
Sjeba
וַתָּבֹא֙
(vatavo)
en zij kwam
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַֽתַּעֲמֹ֖ד
(vataamod)
en stond
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29De koning zwoer: „Zo waar Yahweh leeft, die mijn leven uit alle nood heeft verlost:
וַיִּשָּׁבַ֥ע
(vayishava)
en zwoer
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
חַי
(chay)
levend is
יְהוָ֕ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר
(asher)
die
פָּדָ֥ה
(pada)
heeft verlost
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
mijn leven
מִכָּל
(mikal)
uit alle
צָרָֽה
(tsara)
nood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30zoals ik jou bij Yahweh, de Elohim van Israël, gezworen heb: ‘Je zoon Salomo wordt koning na mij, en hij zal op mijn troon zitten in mijn plaats’, zo zal ik het vandaag doen.”
כִּ֡י
(ki)
dat
כַּאֲשֶׁר֩
(kaasher)
zoals
נִשְׁבַּ֨עְתִּי
(nishbati)
ik heb gezworen
לָ֜ךְ
(lakh)
aan jou
בַּיהוָ֨ה
(baYahweh)
bij Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
כִּֽי
(ki)
dat
שְׁלֹמֹ֤ה
(shelomo)
Salomo
בְנֵךְ֙
(benekh)
je zoon
יִמְלֹ֣ךְ
(yimlokh)
zal koning zijn
אַחֲרַ֔י
(acharay)
na mij
וְה֛וּא
(vehu)
en hij
יֵשֵׁ֥ב
(yeshev)
zal zitten
עַל
(al)
op
כִּסְאִ֖י
(kisi)
mijn troon
תַּחְתָּ֑י
(tachtay)
in mijn plaats
כִּ֛י
(ki)
dat
כֵּ֥ן
(ken)
zo
אֶעֱשֶׂ֖ה
(eese)
zal ik doen
הַיּ֥וֹם
(hayom)
vandaag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Bat-Sjeba boog met het gezicht ter aarde en wierp zich neer voor de koning. Zij zei: „Moge mijn heer, koning David, eeuwig leven.”
וַתִּקֹּ֨ד
(vatiqod)
en boog
בַּת
(bat)
Bat
שֶׁ֤בַע
(sheva)
Sjeba
אַפַּ֨יִם֙
(apayim)
gezicht
אֶ֔רֶץ
(erets)
ter aarde
וַתִּשְׁתַּ֖חוּ
(vatishtachu)
en wierp zich neer
לַמֶּ֑לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en zei
יְחִ֗י
(yechi)
leve
אֲדֹנִ֛י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִ֖ד
(david)
David
לְעֹלָֽם
(leolam)
tot in eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Koning David zei: „Roep de priester Zadok, de profeet Natan en Benaja, de zoon van Jojada, bij mij.” Zij kwamen voor de koning.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִ֗ד
(david)
David
קִרְאוּ
(qiru)
roep
לִ֞י
(li)
voor mij
לְצָד֤וֹק
(letsadoq)
Zadok
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
וּלְנָתָ֣ן
(ulenatan)
en Natan
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
וְלִבְנָיָ֖הוּ
(velivnayahu)
en Benaja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֑ע
(yehoyada)
Jojada
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33De koning zei tegen hen: „Neem de dienaren van jullie heer met jullie mee. Laat mijn zoon Salomo op mijn eigen muildier rijden en breng hem naar de Gihon.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לָהֶ֗ם
(lahem)
tot hen
קְח֤וּ
(qechu)
neem
עִמָּכֶם֙
(imakhem)
met je
אֶת
(et)
(obj.)
עַבְדֵ֣י
(avdei)
dienaren van
אֲדֹנֵיכֶ֔ם
(adoneikhem)
jullie heer
וְהִרְכַּבְתֶּם֙
(vehirkavtem)
en laat rijden
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלֹמֹ֣ה
(shelomo)
Salomo
בְנִ֔י
(beni)
mijn zoon
עַל
(al)
op
הַפִּרְדָּ֖ה
(hapirda)
het muildier
אֲשֶׁר
(asher)
dat
לִ֑י
(li)
van mij
וְהוֹרַדְתֶּ֥ם
(vehoradtem)
en breng hem af
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
naar
גִּחֽוֹן
(gichon)
Gihon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Gihon (גִּחוֹן) is de bron aan de oostkant van het oude Jeruzalem, in het Kidrondal, nu de Maagdenbron.

Zij ligt lager dan de stad: daarom ‘naar beneden’ in de verzen 33 en 38 en ‘omhoog’ in 34, 40 en 45.

Uitleg

Op het muildier van de koning rijden is een teken van koninklijke macht.

34Daar moeten de priester Zadok en de profeet Natan hem tot koning over Israël zalven. Blaas dan op de ramshoorn en roep: ‘Lang leve koning Salomo!’
וּמָשַׁ֣ח
(umashach)
en zal zalven
אֹת֣וֹ
(oto)
hem
שָׁ֠ם
(sham)
daar
צָד֨וֹק
(tsadoq)
Zadok
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
וְנָתָ֧ן
(venatan)
en Natan
הַנָּבִ֛יא
(hanavi)
de profeet
לְמֶ֖לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וּתְקַעְתֶּם֙
(uteqatem)
en blaas
בַּשּׁוֹפָ֔ר
(bashofar)
op de ramshoorn
וַאֲמַרְתֶּ֕ם
(vaamartem)
en zeg
יְחִ֖י
(yechi)
leve
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Trek daarna achter hem aan omhoog. Hij moet komen en op mijn troon zitten, en hij zal koning zijn in mijn plaats. Hem heb ik aangewezen als vorst over Israël en over Juda.”
וַעֲלִיתֶ֣ם
(vaalitem)
en trek op
אַחֲרָ֗יו
(acharav)
achter hem
וּבָא֙
(uva)
en hij zal komen
וְיָשַׁ֣ב
(veyashav)
en zitten
עַל
(al)
op
כִּסְאִ֔י
(kisi)
mijn troon
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
יִמְלֹ֖ךְ
(yimlokh)
zal koning zijn
תַּחְתָּ֑י
(tachtay)
in mijn plaats
וְאֹת֤וֹ
(veoto)
en hem
צִוִּ֨יתִי֙
(tsiviti)
heb ik aangewezen
לִֽהְי֣וֹת
(lihyot)
om te zijn
נָגִ֔יד
(nagid)
vorst
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וְעַל
(veal)
en over
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Benaja, de zoon van Jojada, antwoordde de koning: „Amen! Moge Yahweh, de Elohim van mijn heer de koning, het zo zeggen.
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en antwoordde
בְּנָיָ֧הוּ
(benayahu)
Benaja
בֶן
(ben)
zoon van
יְהֽוֹיָדָ֛ע
(yehoyada)
Jojada
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אָמֵ֑ן
(amen)
amen
כֵּ֚ן
(ken)
zo
יֹאמַ֣ר
(yomar)
moge zeggen
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֖י
(elohei)
Elohim van
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37Zoals Yahweh met mijn heer de koning is geweest, zo zal Hij met Salomo zijn. Hij zal zijn troon groter maken dan de troon van mijn heer, koning David.”
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
הָיָ֤ה
(haya)
was
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עִם
(im)
met
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כֵּ֖ן
(ken)
zo
יִֽהְיֶ֣ה
(yihye)
zal Hij zijn
עִם
(im)
met
שְׁלֹמֹ֑ה
(shelomo)
Salomo
וִֽיגַדֵּל֙
(vigadel)
en maak groter
אֶת
(et)
(obj.)
כִּסְא֔וֹ
(kiso)
zijn troon
מִ֨כִּסֵּ֔א
(mikise)
dan de troon van
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38De priester Zadok, de profeet Natan, Benaja, de zoon van Jojada, de Kerethieten en de Pelethieten gingen naar beneden. Zij lieten Salomo op het muildier van koning David rijden en brachten hem naar de Gihon.
וַיֵּ֣רֶד
(vayered)
en daalde af
צָד֣וֹק
(tsadoq)
Zadok
הַ֠כֹּהֵן
(hakohen)
de priester
וְנָתָ֨ן
(venatan)
en Natan
הַנָּבִ֜יא
(hanavi)
de profeet
וּבְנָיָ֣הוּ
(uvenayahu)
en Benaja
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֗ע
(yehoyada)
Jojada
וְהַכְּרֵתִי֙
(vehakereti)
en de Kerethieten
וְהַפְּלֵתִ֔י
(vehapeleti)
en de Pelethieten
וַיַּרְכִּ֨בוּ֙
(vayarkivu)
en zij lieten rijden
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
עַל
(al)
op
פִּרְדַּ֖ת
(pirdat)
muildier van
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיֹּלִ֥כוּ
(vayolikhu)
en zij gingen
אֹת֖וֹ
(oto)
met hem
עַל
(al)
naar
גִּחֽוֹן
(gichon)
Gihon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gihon: De Gihon is de Maagdenbron in het Kidrondal, aan de oostkant van het oude Jeruzalem.

Daar werd Salomo tot koning gezalfd.

Uitleg

De Kerethieten (כְּרֵתִי, kereti) en de Pelethieten (פְּלֵתִי, peleti) zijn de lijfwacht van David.

Zie 2 Sam. 8:18 en 20:23.

39De priester Zadok nam de hoorn met olie uit de tent en zalfde Salomo. Zij bliezen op de ramshoorn, en heel het volk riep: „Lang leve koning Salomo!”
וַיִּקַּח֩
(vayiqach)
en nam
צָד֨וֹק
(tsadoq)
Zadok
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
קֶ֤רֶן
(qeren)
hoorn van
הַשֶּׁ֨מֶן֙
(hashemen)
de olie
מִן
(min)
uit
הָאֹ֔הֶל
(haohel)
de tent
וַיִּמְשַׁ֖ח
(vayimshach)
en zalfde
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלֹמֹ֑ה
(shelomo)
Salomo
וַֽיִּתְקְעוּ֙
(vayitqeu)
en zij bliezen
בַּשּׁוֹפָ֔ר
(bashofar)
op de ramshoorn
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
יְחִ֖י
(yechi)
leve
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De tent’ is de tent die David voor de ark had opgezet (2 Sam. 6:17).

De hoorn met olie is waarschijnlijk de olie van de zalving.

Vergelijk Exod. 30:22–25.

שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: een hoorn waarop wordt geblazen als teken of signaal.

40Heel het volk trok achter hem aan omhoog. Het volk speelde op fluiten en verheugde zich met grote vreugde. De aarde barstte open van hun geluid.
וַיַּעֲל֤וּ
(vayaalu)
en trokken op
כָל
(kal)
heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
אַֽחֲרָ֔יו
(acharav)
achter hem
וְהָעָם֙
(vehaam)
en het volk
מְחַלְּלִ֣ים
(mechalelim)
spelend
בַּחֲלִלִ֔ים
(bachalilim)
op fluiten
וּשְׂמֵחִ֖ים
(usemechim)
en zich verheugend
שִׂמְחָ֣ה
(simcha)
vreugde
גְדוֹלָ֑ה
(gedola)
grote
וַתִּבָּקַ֥ע
(vatibaqa)
en barstte open
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
בְּקוֹלָֽם
(beqolam)
door hun stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Adonia en zijn gasten horen het

41Adonia en alle genodigden die bij hem waren, hoorden het. Zij waren net klaar met eten. Joab hoorde het geluid van de ramshoorn en zei: „Waarom is de stad zo vol rumoer?”
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en hoorde
אֲדֹנִיָּ֗הוּ
(adoniyahu)
Adonia
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַקְּרֻאִים֙
(haqeruim)
de genodigden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
וְהֵ֖ם
(vehem)
en zij
כִּלּ֣וּ
(kilu)
hadden geëindigd
לֶאֱכֹ֑ל
(leekhol)
met eten
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en hoorde
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
אֶת
(et)
(obj.)
ק֣וֹל
(qol)
stem van
הַשּׁוֹפָ֔ר
(hashofar)
de ramshoorn
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
מַדּ֥וּעַ
(madua)
waarom
קֽוֹל
(qol)
stem van
הַקִּרְיָ֖ה
(haqirya)
de stad
הוֹמָֽה
(homa)
rumoer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42Hij sprak nog, en zie, Jonatan, de zoon van de priester Abjatar, kwam binnen. Adonia zei: „Kom binnen, want je bent een dappere man en je brengt goed nieuws.”
עוֹדֶ֣נּוּ
(odenu)
nog hij
מְדַבֵּ֔ר
(medaber)
sprekend
וְהִנֵּ֧ה
(vehine)
en zie
יוֹנָתָ֛ן
(yonatan)
Jonatan
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶבְיָתָ֥ר
(evyatar)
Abjatar
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
בָּ֑א
(ba)
kwam
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲדֹנִיָּ֨הוּ֙
(adoniyahu)
Adonia
בֹּ֔א
(bo)
kom binnen
כִּ֣י
(ki)
want
אִ֥ישׁ
(ish)
man van
חַ֛יִל
(chayil)
kracht
אַ֖תָּה
(ata)
jij
וְט֥וֹב
(vetov)
en goed
תְּבַשֵּֽׂר
(tevaser)
breng je nieuws
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43Jonatan antwoordde Adonia: „Nee! Onze heer, koning David, heeft Salomo koning gemaakt.
וַיַּ֨עַן֙
(vayaan)
en antwoordde
יוֹנָתָ֔ן
(yonatan)
Jonatan
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
לַאֲדֹנִיָּ֑הוּ
(laadoniyahu)
aan Adonia
אֲבָ֕ל
(aval)
maar
אֲדֹנֵ֥ינוּ
(adoneinu)
onze heer
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִ֖ד
(david)
David
הִמְלִ֥יךְ
(himlikh)
heeft koning gemaakt
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44De koning heeft de priester Zadok, de profeet Natan, Benaja de zoon van Jojada, de Kerethieten en de Pelethieten met hem meegestuurd. Zij hebben hem op het muildier van de koning laten rijden.
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en zond
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
הַ֠מֶּלֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
צָד֨וֹק
(tsadoq)
Zadok
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נָתָ֣ן
(natan)
Natan
הַנָּבִ֗יא
(hanavi)
de profeet
וּבְנָיָ֨הוּ֙
(uvenayahu)
en Benaja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְה֣וֹיָדָ֔ע
(yehoyada)
Jojada
וְהַכְּרֵתִ֖י
(vehakereti)
en de Kerethieten
וְהַפְּלֵתִ֑י
(vehapeleti)
en de Pelethieten
וַיַּרְכִּ֣בוּ
(vayarkivu)
en zij lieten hem rijden
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
עַ֖ל
(al)
op
פִּרְדַּ֥ת
(pirdat)
muildier van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
45De priester Zadok en de profeet Natan hebben hem bij de Gihon tot koning gezalfd. Van daar zijn zij vol vreugde omhooggegaan, en de stad is in rumoer. Dat is het geluid dat jullie hoorden.
וַיִּמְשְׁח֣וּ
(vayimshechu)
en zalfden
אֹת֡וֹ
(oto)
hem
צָד֣וֹק
(tsadoq)
Zadok
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
וְנָתָן֩
(venatan)
en Natan
הַנָּבִ֨יא
(hanavi)
de profeet
לְמֶ֜לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
בְּגִח֗וֹן
(begichon)
bij Gihon
וַיַּעֲל֤וּ
(vayaalu)
en zij trokken op
מִשָּׁם֙
(misham)
vandaar
שְׂמֵחִ֔ים
(semechim)
vol vreugde
וַתֵּהֹ֖ם
(vatehom)
en kwam in rumoer
הַקִּרְיָ֑ה
(haqirya)
de stad
ה֥וּא
(hu)
dat
הַקּ֖וֹל
(haqol)
de stem
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שְׁמַעְתֶּֽם
(shematem)
jullie hoorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gihon: De Gihon is de Maagdenbron in het Kidrondal, aan de oostkant van het oude Jeruzalem.

Daar werd Salomo tot koning gezalfd.

46Bovendien zit Salomo nu op de troon van het koningschap.
וְגַם֙
(vegam)
en ook
יָשַׁ֣ב
(yashav)
zit
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
עַ֖ל
(al)
op
כִּסֵּ֥א
(kise)
troon van
הַמְּלוּכָֽה
(hamelukha)
het koningschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
47En ook de dienaren van de koning zijn gekomen om onze heer, koning David, te zegenen. Zij zeiden: ‘Moge Elohim de naam van Salomo mooier maken dan uw naam, en zijn troon groter dan uw troon.’ De koning wierp zich neer op zijn bed.
וְגַם
(vegam)
en ook
בָּ֜אוּ
(bau)
zijn gekomen
עַבְדֵ֣י
(avdei)
dienaren van
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְ֠בָרֵךְ
(levarekh)
om te zegenen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲדֹנֵ֜ינוּ
(adoneinu)
onze heer
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִד֮
(david)
David
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggend
יֵיטֵ֨ב
(yeitev)
moge maken goed
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֤ם
(shem)
naam van
שְׁלֹמֹה֙
(shelomo)
Salomo
מִשְּׁמֶ֔ךָ
(mishemekha)
dan uw naam
וִֽיגַדֵּ֥ל
(vigadel)
en moge groot maken
אֶת
(et)
(obj.)
כִּסְא֖וֹ
(kiso)
zijn troon
מִכִּסְאֶ֑ךָ
(mikisekha)
dan uw troon
וַיִּשְׁתַּ֥חוּ
(vayishtachu)
en boog zich neer
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עַל
(al)
op
הַמִּשְׁכָּֽב
(hamishkav)
het bed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
48Ook zei de koning: ‘Gezegend zij Yahweh, de Elohim van Israël, die vandaag iemand heeft gegeven om op mijn troon te zitten, terwijl mijn ogen het zien.’”
וְגַם
(vegam)
en ook
כָּ֖כָה
(kakha)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zei
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בָּר֨וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
נָתַ֥ן
(natan)
heeft gegeven
הַיּ֛וֹם
(hayom)
vandaag
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
een zittende
עַל
(al)
op
כִּסְאִ֖י
(kisi)
mijn troon
וְעֵינַ֥י
(veeinay)
en mijn ogen
רֹאֽוֹת
(root)
ziend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
49Toen schrokken alle genodigden van Adonia. Zij stonden op en ieder ging zijn eigen weg.
וַיֶּֽחֶרְדוּ֙
(vayecherdu)
en schrokken
וַיָּקֻ֔מוּ
(vayaqumu)
en stonden op
כָּל
(kal)
alle
הַ֨קְּרֻאִ֔ים
(haqeruim)
de genodigden
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
לַאֲדֹנִיָּ֑הוּ
(laadoniyahu)
van Adonia
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en gingen
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לְדַרְכּֽוֹ
(ledarko)
zijn weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Adonia zoekt toevlucht bij het altaar

50Adonia werd bang voor Salomo. Hij stond op, ging weg en greep de hoorns van het altaar vast.
וַאֲדֹ֣נִיָּ֔הוּ
(vaadoniyahu)
en Adonia
יָרֵ֖א
(yare)
vreesde
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor
שְׁלֹמֹ֑ה
(shelomo)
Salomo
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
וַיֵּ֔לֶךְ
(vayelekh)
en ging
וַֽיַּחֲזֵ֖ק
(vayachazeq)
en greep vast
בְּקַרְנ֥וֹת
(beqarnot)
aan de hoorns van
הַמִּזְבֵּֽחַ
(hamizbeach)
het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De hoorns van het altaar (קַרְנוֹת, qarnot) zijn de uitsteeksels op de vier hoeken van het altaar.

Wie ze vastgreep, zocht bescherming.

Zie Exod. 27:2 en 21:14.

51Men meldde Salomo: „Zie, Adonia is bang voor koning Salomo. Hij heeft de hoorns van het altaar vastgegrepen en zegt: ‘Koning Salomo moet mij vandaag zweren dat hij zijn dienaar niet met het zwaard zal doden.’”
וַיֻּגַּ֤ד
(vayugad)
en men meldde
לִשְׁלֹמֹה֙
(lishlomo)
aan Salomo
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
הִנֵּה֙
(hine)
zie
אֲדֹ֣נִיָּ֔הוּ
(adoniyahu)
Adonia
יָרֵ֖א
(yare)
vreest
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֑ה
(shelomo)
Salomo
וְ֠הִנֵּה
(vehine)
en zie
אָחַ֞ז
(achaz)
hij heeft vastgegrepen
בְּקַרְנ֤וֹת
(beqarnot)
de hoorns van
הַמִּזְבֵּ֨חַ֙
(hamizbeach)
het altaar
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
יִשָּֽׁבַֽע
(yishava)
hij moge zweren
לִ֤י
(li)
aan mij
כַיּוֹם֙
(kayom)
vandaag
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
אִם
(im)
of
יָמִ֥ית
(yamit)
hij zal doden
אֶת
(et)
(obj.)
עַבְדּ֖וֹ
(avdo)
zijn dienaar
בֶּחָֽרֶב
(becharev)
met het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
52Salomo zei: „Als hij zich als een eerzaam man gedraagt, zal geen haar van zijn hoofd op de grond vallen. Maar als er kwaad in hem wordt gevonden, zal hij sterven.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
אִ֚ם
(im)
als
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
hij zal zijn
לְבֶן
(leven)
tot een zoon van
חַ֔יִל
(chayil)
kracht
לֹֽא
(lo)
niet
יִפֹּ֥ל
(yipol)
zal vallen
מִשַּׂעֲרָת֖וֹ
(misaarato)
van zijn haar
אָ֑רְצָה
(aretsa)
ter aarde
וְאִם
(veim)
en als
רָעָ֥ה
(raa)
kwaad
תִמָּצֵא
(timatse)
gevonden wordt
ב֖וֹ
(bo)
in hem
וָמֵֽת
(vamet)
en hij zal sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Geen haar van zijn hoofd zal op de grond vallen’ is een uitdrukking voor: hem zal niets overkomen.

Vergelijk 1 Sam. 14:45.

53Koning Salomo stuurde mannen, en zij haalden hem van het altaar. Hij kwam en wierp zich neer voor koning Salomo. Salomo zei tegen hem: „Ga naar je huis.”
וַיִּשְׁלַ֞ח
(vayishlach)
en zond
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
וַיֹּרִדֻ֨הוּ֙
(vayoriduhu)
en zij brachten hem af
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
וַיָּבֹ֕א
(vayavo)
en hij kwam
וַיִּשְׁתַּ֖חוּ
(vayishtachu)
en boog zich neer
לַמֶּ֣לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
שְׁלֹמֹ֑ה
(shelomo)
Salomo
וַיֹּֽאמֶר
(vayomer)
en zei
ל֥וֹ
(lo)
tot hem
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
לֵ֥ךְ
(lekh)
ga
לְבֵיתֶֽךָ
(leveitekha)
naar je huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)