Elohim Bijbel

1 Koningen 5

12345678910111213141516171819202122

Salomo's rijk, zijn wijsheid en de voorbereiding van de bouw

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het rijk en de tafel van Salomo

1Salomo was heerser over alle koninkrijken, van de Rivier tot het land van de Filistijnen en tot de grens van Egypte. Zij brachten geschenken en dienden Salomo al de dagen van zijn leven.
וּשְׁלֹמֹ֗ה
(ushelomo)
en Salomo
הָיָ֤ה
(haya)
was
מוֹשֵׁל֙
(moshel)
heerser
בְּכָל
(bekhal)
over alle
הַמַּמְלָכ֔וֹת
(hamamlakhot)
de koninkrijken
מִן
(min)
van
הַנָּהָר֙
(hanahar)
de Rivier
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
גְּב֣וּל
(gevul)
de grens van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
מַגִּשִׁ֥ים
(magishim)
brengende
מִנְחָ֛ה
(mincha)
geschenken
וְעֹבְדִ֥ים
(veovedim)
en dienende
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
חַיָּֽיו
(chayav)
zijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

In de Nederlandse telling zijn de verzen 1–14 van dit hoofdstuk de verzen 4:21–34, en de verzen 15–32 zijn 5:1–18.

Wij volgen de Hebreeuwse telling.

הַנָּהָר (hannahar), ‘de Rivier’: de Eufraat, zoals in Gen. 15:18. מִנְחָה (minchah) heeft hier niet de betekenis ‘graanoffer’ maar ‘geschenk’: gaven die onderworpen koningen brachten.

מוֹשֵׁל (moshel), ‘heerser’: iemand die gezag voert over een gebied.

2Het voedsel van Salomo voor één dag was 30 kor meelbloem en 60 kor meel,
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en was
לֶֽחֶם
(lechem)
het voedsel van
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
לְי֣וֹם
(leyom)
per dag
אֶחָ֑ד
(echad)
één
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
כֹּר֙
(kor)
kor
סֹ֔לֶת
(solet)
meelbloem
וְשִׁשִּׁ֥ים
(veshishim)
en zestig
כֹּ֖ר
(kor)
kor
קָֽמַח
(qamach)
meel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֹּר (kor), ‘kor’: een inhoudsmaat van 10 efa, dus ongeveer 220 liter. 30 kor meelbloem is ongeveer 6.600 liter.

סֹלֶת (solet) is fijn meel, קֶמַח (qemach) gewoon meel.

310 gemeste runderen, 20 runderen van de weide en 100 stuks kleinvee. Dat was afgezien van hert, gazelle, ree en gemeste vogels.
עֲשָׂרָ֨ה
(asara)
tien
בָקָ֜ר
(baqar)
runderen
בְּרִאִ֗ים
(beriim)
gemeste
וְעֶשְׂרִ֥ים
(veesrim)
en twintig
בָּקָ֛ר
(baqar)
runderen
רְעִ֖י
(rei)
van de weide
וּמֵ֣אָה
(umea)
en honderd
צֹ֑אן
(tson)
kleinvee
לְ֠בַד
(levad)
afgezien van
מֵֽאַיָּ֤ל
(meayal)
hert
וּצְבִי֙
(utsevi)
en gazelle
וְיַחְמ֔וּר
(veyachmur)
en ree
וּבַרְבֻּרִ֖ים
(uvarburim)
en vogels
אֲבוּסִֽים
(avusim)
gemeste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַיָּל (ayyal), ‘hert’; צְבִי (tsevi), ‘gazelle’; יַחְמוּר (yachmur), ‘ree’.

De betekenis van het laatste woord is onzeker.

בַּרְבֻּרִים אֲבוּסִים (barburim avusim), ‘gemeste vogels’: de betekenis van בַּרְבֻּרִים is onzeker.

Het gaat om gevogelte.

צֹאן (tson), ‘kleinvee’: schapen en geiten.

4Want hij heerste over het hele gebied aan de overkant van de Rivier, van Tifsach tot Gaza. Hij heerste over alle koningen aan de overkant van de Rivier. Hij had vrede aan al zijn kanten rondom.
כִּי
(ki)
want
ה֞וּא
(hu)
hij
רֹדֶ֣ה
(rode)
heerste
בְּכָל
(bekhal)
over heel
עֵ֣בֶר
(ever)
de overkant van
הַנָּהָ֗ר
(hanahar)
de Rivier
מִתִּפְסַח֙
(mitifsach)
van Tifsach
וְעַד
(vead)
en tot
עַזָּ֔ה
(aza)
Gaza
בְּכָל
(bekhal)
over alle
מַלְכֵ֖י
(malkhei)
koningen van
עֵ֣בֶר
(ever)
de overkant van
הַנָּהָ֑ר
(hanahar)
de Rivier
וְשָׁל֗וֹם
(veshalom)
en vrede
הָ֥יָה
(haya)
was
ל֛וֹ
(lo)
voor hem
מִכָּל
(mikal)
van al
עֲבָרָ֖יו
(avarav)
zijn kanten
מִסָּבִֽיב
(misaviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tifsach ligt aan de Eufraat, in het huidige Syrië; de ligging is onzeker.

Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van Israël (nu de Gazastrook).

Uitleg

עֵבֶר הַנָּהָר (ever hannahar), ‘de overkant van de Rivier’: gezien vanuit het oosten is dat het gebied ten westen van de Eufraat.

5Juda en Israël woonden veilig, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, van Dan tot Beër-Sjeba, al de dagen van Salomo.
וַיֵּשֶׁב֩
(vayeshev)
en woonde
יְהוּדָ֨ה
(yehuda)
Juda
וְיִשְׂרָאֵ֜ל
(veyisrael)
en Israël
לָבֶ֗טַח
(lavetach)
veilig
אִ֣ישׁ
(ish)
man
תַּ֤חַת
(tachat)
onder
גַּפְנוֹ֙
(gafno)
zijn wijnstok
וְתַ֣חַת
(vetachat)
en onder
תְּאֵֽנָת֔וֹ
(teenato)
zijn vijgenboom
מִדָּ֖ן
(midan)
van Dan
וְעַד
(vead)
en tot
בְּאֵ֣ר
(beer)
Beër
שָׁ֑בַע
(shava)
Sjeba
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Dan ligt in het uiterste noorden en Beër-Sjeba in het uiterste zuiden van het land.

Uitleg

Dit beeld van veiligheid, ieder onder zijn wijnstok en vijgenboom, komt ook voor in Micha 4:4.

6Salomo had 40.000 stallen met paarden voor zijn wagens en 12.000 ruiters.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en was
לִשְׁלֹמֹ֗ה
(lishlomo)
voor Salomo
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
אֻרְוֺ֥ת
(urvot)
stallen van
סוּסִ֖ים
(susim)
paarden
לְמֶרְכָּב֑וֹ
(lemerkavo)
voor zijn wagens
וּשְׁנֵים
(usheneim)
en twee
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
פָּרָשִֽׁים
(parashim)
ruiters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֻרְוֹת (urvot), ‘stallen’: plaatsen voor paarden.

Lezing

Het getal 40.000 is hoog.

In 1 Kon. 10:26 staan 1.400 wagens en 12.000 ruiters.

Sommige oude vertalingen hebben hier een ander getal.

Wij volgen de Masoretische tekst letterlijk.

7Deze bestuurders zorgden voor koning Salomo en voor iedereen die aan de tafel van koning Salomo kwam, ieder in zijn eigen maand. Zij lieten niets ontbreken.
וְכִלְכְּלוּ֩
(vekhilkelu)
en zij voorzagen
הַנִּצָּבִ֨ים
(hanitsavim)
de bestuurders
הָאֵ֜לֶּה
(haele)
deze
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
וְאֵ֧ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
iedereen
הַקָּרֵ֛ב
(haqarev)
die nadert
אֶל
(el)
tot
שֻׁלְחַ֥ן
(shulchan)
de tafel van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
אִ֣ישׁ
(ish)
man
חָדְשׁ֑וֹ
(chadesho)
zijn maand
לֹ֥א
(lo)
niet
יְעַדְּר֖וּ
(yeaderu)
zij lieten ontbreken
דָּבָֽר
(davar)
iets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8De gerst en het stro voor de paarden en de rijdieren brachten zij naar de plaats waar het moest zijn. Ieder deed dat zoals voor hem bepaald was.
וְהַשְּׂעֹרִ֣ים
(vehaseorim)
en de gerst
וְהַתֶּ֔בֶן
(vehateven)
en het stro
לַסּוּסִ֖ים
(lasusim)
voor de paarden
וְלָרָ֑כֶשׁ
(velarakhesh)
en voor de rijdieren
יָבִ֗אוּ
(yaviu)
zij brachten
אֶל
(el)
naar
הַמָּקוֹם֙
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
שָּׁ֔ם
(sham)
daar
אִ֖ישׁ
(ish)
man
כְּמִשְׁפָּטֽוֹ
(kemishpato)
volgens zijn bepaling
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֶכֶשׁ (rekesh), ‘rijdieren’: snelle dieren, vermoedelijk paarden of muildieren.

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘bepaling’: wat voor ieder van hen was vastgesteld. Het Hebreeuws zegt niet wie of wat ‘daar zal zijn’. Wij laten het zo staan.

De wijsheid van Salomo

9Elohim gaf Salomo wijsheid en inzicht, heel veel, en een hart zo wijd als het zand aan de oever van de zee.
וַיִּתֵּן֩
(vayiten)
en gaf
אֱלֹהִ֨ים
(Elohim)
Elohim
חָכְמָ֧ה
(chakhema)
wijsheid
לִשְׁלֹמֹ֛ה
(lishlomo)
aan Salomo
וּתְבוּנָ֖ה
(utevuna)
en inzicht
הַרְבֵּ֣ה
(harbe)
veel
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וְרֹ֣חַב
(verochav)
en wijdte van
לֵ֔ב
(lev)
hart
כַּח֕וֹל
(kachol)
als het zand
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
עַל
(al)
aan
שְׂפַ֥ת
(sefat)
de oever van
הַיָּֽם
(hayam)
de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹחַב לֵב (rochav lev), ‘wijdte van hart’: een hart dat veel kan omvatten.

Het hart is hier de plaats van het verstand.

תְּבוּנָה (tevunah), ‘inzicht’.

10De wijsheid van Salomo was groter dan de wijsheid van alle zonen van het oosten en dan alle wijsheid van Egypte.
וַתֵּ֨רֶב֙
(vaterev)
en was groot
חָכְמַ֣ת
(chakhemat)
de wijsheid van
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
מֵֽחָכְמַ֖ת
(mechakhemat)
dan de wijsheid van
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵי
(benei)
zonen van
קֶ֑דֶם
(qedem)
het oosten
וּמִכֹּ֖ל
(umikol)
en dan alle
חָכְמַ֥ת
(chakhemat)
wijsheid van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

בְּנֵי־קֶדֶם (bene-qedem), ‘zonen van het oosten’: de volken ten oosten van Israël, bekend om hun wijsheid.

Zie Job 1:3.

11Hij was wijzer dan alle mensen, wijzer dan Etan, de Ezrachiet, en dan Heman, Kalkol en Darda, de zonen van Machol. Zijn naam was bekend onder alle volken rondom.
וַיֶּחְכַּם֮
(vayechkam)
en hij was wijzer
מִכָּל
(mikal)
dan alle
הָֽאָדָם֒
(haadam)
de mens
מֵאֵיתָ֣ן
(meeitan)
dan Etan
הָאֶזְרָחִ֗י
(haezrachi)
de Ezrachiet
וְהֵימָ֧ן
(veheiman)
en Heman
וְכַלְכֹּ֛ל
(vekhalkol)
en Kalkol
וְדַרְדַּ֖ע
(vedarda)
en Darda
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
מָח֑וֹל
(machol)
Machol
וַיְהִֽי
(vayhi)
en was
שְׁמ֥וֹ
(shemo)
zijn naam
בְכָֽל
(bekhal)
onder alle
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
de volken
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶזְרָחִי (ezrachi), ‘Ezrachiet’.

Psalm 88 en Psalm 89 noemen Heman en Etan met die titel.

In 1 Kron. 2:6 staan Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Dara als zonen van Zerach.

Hier staat Darda (דַּרְדַּע) en zijn zij ‘zonen van Machol’.

Lezing

מָחוֹל (machol) is hier waarschijnlijk een persoonsnaam.

Het woord betekent ook ‘reidans’.

Wij nemen het als naam.

12Hij sprak 3.000 spreuken. Zijn liederen waren 1.005 in getal.
וַיְדַבֵּ֕ר
(vaydaber)
en hij sprak
שְׁלֹ֥שֶׁת
(sheloshet)
drie
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
מָשָׁ֑ל
(mashal)
spreuk
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en was
שִׁיר֖וֹ
(shiro)
zijn lied
חֲמִשָּׁ֥ה
(chamisha)
vijf
וָאָֽלֶף
(vaalef)
en duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָשָׁל (mashal), ‘spreuk’: een kort wijs gezegde of vergelijking.

Zie het boek Spreuken.

13Hij sprak over de bomen, van de ceder op de Libanon tot de hysop die uit de muur groeit. Hij sprak over het vee, de vogels, de kruipende dieren en de vissen.
וַיְדַבֵּר֮
(vaydaber)
en hij sprak
עַל
(al)
over
הָֽעֵצִים֒
(haetsim)
de bomen
מִן
(min)
van
הָאֶ֨רֶז֙
(haerez)
de ceder
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּלְּבָנ֔וֹן
(balevanon)
op de Libanon
וְעַד֙
(vead)
en tot
הָאֵז֔וֹב
(haezov)
de hysop
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יֹצֵ֖א
(yotse)
uitkomt
בַּקִּ֑יר
(baqir)
uit de muur
וַיְדַבֵּר֙
(vaydaber)
en hij sprak
עַל
(al)
over
הַבְּהֵמָ֣ה
(habehema)
het vee
וְעַל
(veal)
en over
הָע֔וֹף
(haof)
de vogels
וְעַל
(veal)
en over
הָרֶ֖מֶשׂ
(haremes)
het kruipende
וְעַל
(veal)
en over
הַדָּגִֽים
(hadagim)
de vissen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.

Uitleg

אֵזוֹב (ezov), ‘hysop’: een kleine struik, het kleinste gewas dat in een muur groeit.

De hysop staat hier tegenover de ceder.

רֶמֶשׂ (remes), ‘kruipende dieren’, zoals in Gen. 1:24.

14Uit alle volken kwamen mensen om de wijsheid van Salomo te horen, namens alle koningen van de aarde die over zijn wijsheid hadden gehoord.
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en zij kwamen
מִכָּל
(mikal)
uit alle
הָ֣עַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
לִשְׁמֹ֕עַ
(lishmoa)
om te horen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
חָכְמַ֣ת
(chakhemat)
wijsheid van
שְׁלֹמֹ֑ה
(shelomo)
Salomo
מֵאֵת֙
(meet)
namens
כָּל
(kal)
alle
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שָׁמְע֖וּ
(shameu)
hadden gehoord
אֶת
(et)
(obj.)
חָכְמָתֽוֹ
(chakhemato)
zijn wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵאֵת (me’et), ‘namens’: letterlijk ‘van bij’.

De koningen stuurden mensen om naar Salomo te luisteren.

Salomo en Hiram van Tyrus

15Hiram, de koning van Tyrus, stuurde zijn dienaren naar Salomo. Want hij had gehoord dat zij Salomo tot koning hadden gezalfd in plaats van zijn vader. Want Hiram had David al die dagen liefgehad.
וַ֠יִּשְׁלַח
(vayishlach)
en stuurde
חִירָ֨ם
(chiram)
Hiram
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
צ֤וֹר
(tsor)
Tyrus
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
אֶל
(el)
naar
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
כִּ֣י
(ki)
want
שָׁמַ֔ע
(shama)
hij had gehoord
כִּ֥י
(ki)
dat
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
מָשְׁח֥וּ
(mashechu)
zij hadden gezalfd
לְמֶ֖לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
אָבִ֑יהוּ
(avihu)
zijn vader
כִּ֣י
(ki)
want
אֹהֵ֗ב
(ohev)
liefhebbend
הָיָ֥ה
(haya)
was
חִירָ֛ם
(chiram)
Hiram
לְדָוִ֖ד
(ledavid)
voor David
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tyrus (צֹר, Tsor) was een havenstad in Fenicië, aan de kust van de Middellandse Zee (nu Tyrus of Sur, Libanon).

Uitleg

De Nederlandse telling heeft hier 5:1.

Hiram (חִירָם) heet in 1 Kron. 14:1 Churam.

16Salomo stuurde een boodschap naar Hiram:
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en stuurde
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
אֶל
(el)
naar
חִירָ֖ם
(chiram)
Hiram
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ook2 Kron 2:2
17„Jij weet dat mijn vader David geen huis kon bouwen voor de naam van Yahweh, zijn Elohim. Dat kwam door de oorlog rondom hem, totdat Yahweh hen onder de zolen van mijn voeten legde.
אַתָּ֨ה
(ata)
jij
יָדַ֜עְתָּ
(yadata)
weet
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֗י
(avi)
mijn vader
כִּ֣י
(ki)
dat
לֹ֤א
(lo)
niet
יָכֹל֙
(yakhol)
kon hij
לִבְנ֣וֹת
(livnot)
om te bouwen
בַּ֗יִת
(bayit)
een huis
לְשֵׁם֙
(leshem)
voor de naam van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֔יו
(elohav)
zijn Elohim
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
vanwege
הַמִּלְחָמָ֖ה
(hamilchama)
de oorlog
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
סְבָבֻ֑הוּ
(sevavuhu)
omringde hem
עַ֤ד
(ad)
totdat
תֵּת
(tet)
gaf
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
כַּפּ֥וֹת
(kapot)
de zolen van
רַגְלָֽי
(raglay)
mijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּיִת (bayit), ‘huis’: het huis voor de naam van Yahweh is de tempel in Jeruzalem.

Salomo spreekt over David, ‘zijn Elohim’: de Elohim van David.

מְלָחָמָה (milchamah), ‘oorlog’: zie 2 Sam. 7:1 en 1 Kron. 22:8.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft רַגְלוֹ (raglo), ‘zijn voeten’, de voeten van David.

De voorgelezen tekst (qere) heeft רַגְלָי (ragli), ‘mijn voeten’.

Wij volgen de qere.

De ketiv past beter bij de zin.

אֹתָם (otam), ‘hen’: de vijanden van David. De tekst noemt ze niet.

18Nu heeft Yahweh, mijn Elohim, mij rust gegeven rondom. Er is geen tegenstander en geen onheil.
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
הֵנִ֨יחַ
(heniach)
heeft laten rusten
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהַ֛י
(elohay)
mijn Elohim
לִ֖י
(li)
mij
מִסָּבִ֑יב
(misaviv)
rondom
אֵ֣ין
(ein)
geen
שָׂטָ֔ן
(satan)
tegenstander
וְאֵ֖ין
(veein)
en geen
פֶּ֥גַע
(pega)
onheil
רָֽע
(ra)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’: iemand die zich tegen een ander verzet.

Het is hier geen eigennaam.

Vergelijk 1 Kron. 21:1.

פֶּגַע רָע (pega ra), ‘onheil’: letterlijk ‘een kwade ontmoeting’, iets slechts dat iemand treft.

19Zie, ik ben van plan een huis te bouwen voor de naam van Yahweh, mijn Elohim. Zo heeft Yahweh tot mijn vader David gesproken: ‘Je zoon, die Ik in jouw plaats op jouw troon zal zetten, hij zal het huis bouwen voor Mijn naam.’
וְהִנְנִ֣י
(vehinni)
en zie mij
אֹמֵ֔ר
(omer)
zeggend
לִבְנ֣וֹת
(livnot)
om te bouwen
בַּ֔יִת
(bayit)
een huis
לְשֵׁ֖ם
(leshem)
voor de naam van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֑י
(elohay)
mijn Elohim
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֣ר
(diber)
sprak
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֤ד
(david)
David
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בִּנְךָ֗
(binkha)
je zoon
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אֶתֵּ֤ן
(eten)
Ik zal geven
תַּחְתֶּ֨יךָ֙
(tachteikha)
in jouw plaats
עַל
(al)
op
כִּסְאֶ֔ךָ
(kisekha)
jouw troon
הֽוּא
(hu)
hij
יִבְנֶ֥ה
(yivne)
zal bouwen
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
לִשְׁמִֽי
(lishmi)
voor Mijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Salomo citeert de belofte van Yahweh aan David, zie 2 Sam. 7:12–13.

De woorden staan in zwart, met enkele aanhalingstekens, omdat Salomo ze aanhaalt.

20Geef dus bevel dat zij voor mij ceders kappen op de Libanon. Mijn dienaren zullen bij jouw dienaren zijn. Het loon voor jouw dienaren geef ik je, helemaal zoals jij zegt. Want jij weet dat niemand bij ons bomen kan kappen zoals de Sidoniërs.”
וְעַתָּ֡ה
(veata)
en nu
צַוֵּה֩
(tsave)
geef bevel
וְיִכְרְתוּ
(veyikhretu)
en zij zullen kappen
לִ֨י
(li)
voor mij
אֲרָזִ֜ים
(arazim)
cederen
מִן
(min)
van
הַלְּבָנ֗וֹן
(halevanon)
de Libanon
וַֽעֲבָדַי֙
(vaavaday)
en mijn dienaren
יִהְי֣וּ
(yihyu)
zullen zijn
עִם
(im)
met
עֲבָדֶ֔יךָ
(avadeikha)
jouw dienaren
וּשְׂכַ֤ר
(usekhar)
en het loon van
עֲבָדֶ֨יךָ֙
(avadeikha)
jouw dienaren
אֶתֵּ֣ן
(eten)
zal ik geven
לְךָ֔
(lekha)
aan jou
כְּכֹ֖ל
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
תֹּאמֵ֑ר
(tomer)
je zegt
כִּ֣י
(ki)
want
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
יָדַ֗עְתָּ
(yadata)
weet
כִּ֣י
(ki)
dat
אֵ֥ין
(ein)
niet is
בָּ֛נוּ
(banu)
onder ons
אִ֛ישׁ
(ish)
man
יֹדֵ֥עַ
(yodea)
die weet
לִכְרָת
(likhrat)
om te kappen
עֵצִ֖ים
(etsim)
bomen
כַּצִּדֹנִֽים
(katsidonim)
zoals de Sidoniërs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Sidoniërs woonden in Sidon, een havenstad aan de kust van het huidige Libanon.

Zij staan hier bekend als bekwame houtkappers.

Uitleg

De Libanon is het berggebied in het huidige Libanon, waar de ceders groeien.

21Toen Hiram de woorden van Salomo hoorde, was hij zeer verheugd. Hij zei: „Gezegend zij Yahweh vandaag, die David een wijze zoon heeft gegeven over dit grote volk.”
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
כִּשְׁמֹ֧עַ
(kishmoa)
toen hoorde
חִירָ֛ם
(chiram)
Hiram
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
וַיִּשְׂמַ֣ח
(vayismach)
en hij was blij
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
בָּר֤וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
נָתַ֤ן
(natan)
gaf
לְדָוִד֙
(ledavid)
aan David
בֵּ֣ן
(ben)
zoon
חָכָ֔ם
(chakham)
wijze
עַל
(al)
over
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הָרָ֖ב
(harav)
het grote
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּרוּךְ יְהוָה (baruch Yahweh), ‘gezegend zij Yahweh’: een lofspraak.

Hiram, een koning van Tyrus, spreekt zo over Yahweh.

22Hiram stuurde een boodschap naar Salomo: „Ik heb gehoord wat je mij hebt gestuurd. Ik zal heel jouw wens vervullen met cederhout en cypressenhout.
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en stuurde
חִירָם֙
(chiram)
Hiram
אֶל
(el)
naar
שְׁלֹמֹ֣ה
(shelomo)
Salomo
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
שָׁמַ֕עְתִּי
(shamati)
ik heb gehoord
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
שָׁלַ֖חְתָּ
(shalachta)
je stuurde
אֵלָ֑י
(elay)
naar mij
אֲנִ֤י
(ani)
ik
אֶֽעֱשֶׂה֙
(eese)
ik zal doen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
חֶפְצְךָ֔
(cheftsekha)
jouw wens
בַּעֲצֵ֥י
(baatsei)
met bomen van
אֲרָזִ֖ים
(arazim)
ceder
וּבַעֲצֵ֥י
(uvaatsei)
en met bomen van
בְרוֹשִֽׁים
(beroshim)
cypres
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּרוֹשִׁים (berosim), ‘cypressen’: een boom met hard, geurig hout.

De soort is niet met zekerheid vast te stellen.

23Mijn dienaren dalen van de Libanon af naar de zee. Ik maak er vlotten van op zee, tot de plaats die jij mij opgeeft. Daar maak ik ze los, en jij neemt ze mee. Jij vervult mijn wens: je geeft voedsel aan mijn huis.”
עֲ֠בָדַי
(avaday)
mijn dienaren
יֹרִ֨דוּ
(yoridu)
zullen afdalen
מִן
(min)
van
הַלְּבָנ֜וֹן
(halevanon)
de Libanon
יָ֗מָּה
(yama)
naar zee
וַ֠אֲנִי
(vaani)
en ik
אֲשִׂימֵ֨ם
(asimem)
zal hen maken
דֹּבְר֤וֹת
(doverot)
vlotten
בַּיָּם֙
(bayam)
op zee
עַֽד
(ad)
tot
הַמָּק֞וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waar
תִּשְׁלַ֥ח
(tishlach)
je zult sturen
אֵלַ֛י
(elay)
naar mij
וְנִפַּצְתִּ֥ים
(venipatstim)
en ik zal hen losmaken
שָׁ֖ם
(sham)
daar
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
תִשָּׂ֑א
(tisa)
zult wegnemen
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
תַּעֲשֶׂ֣ה
(taase)
zult doen
אֶת
(et)
(obj.)
חֶפְצִ֔י
(cheftsi)
mijn wens
לָתֵ֖ת
(latet)
om te geven
לֶ֥חֶם
(lechem)
brood
בֵּיתִֽי
(beiti)
mijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.

Uitleg

דֹּבְרוֹת (dovrot), ‘vlotten’: bijeengebonden stammen die over zee gesleept worden.

De betekenis van het woord is onzeker.

לֶחֶם (lechem), ‘brood’: hier ‘voedsel’. Zie vers 25.

24Zo gaf Hiram aan Salomo cederhout en cypressenhout, helemaal naar zijn wens.
וַיְהִ֨י
(vayhi)
en was
חִיר֜וֹם
(chirom)
Hiram
נֹתֵ֣ן
(noten)
gaf
לִשְׁלֹמֹ֗ה
(lishlomo)
aan Salomo
עֲצֵ֧י
(atsei)
bomen van
אֲרָזִ֛ים
(arazim)
ceder
וַעֲצֵ֥י
(vaatsei)
en bomen van
בְרוֹשִׁ֖ים
(beroshim)
cypres
כָּל
(kal)
al
חֶפְצֽוֹ
(cheftso)
zijn wens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tekst schrijft de naam van Hiram hier als חִירוֹם (Chirom).

Dat is een andere spelling van dezelfde naam.

25Salomo gaf Hiram 20.000 kor tarwe als voedsel voor zijn huis en 20 kor gestoten olie. Zo gaf Salomo aan Hiram, jaar na jaar.
וּשְׁלֹמֹה֩
(ushelomo)
en Salomo
נָתַ֨ן
(natan)
gaf
לְחִירָ֜ם
(lechiram)
aan Hiram
עֶשְׂרִים֩
(esrim)
twintig
אֶ֨לֶף
(elef)
duizend
כֹּ֤ר
(kor)
kor
חִטִּים֙
(chitim)
tarwe
מַכֹּ֣לֶת
(makolet)
als voedsel
לְבֵית֔וֹ
(leveito)
voor zijn huis
וְעֶשְׂרִ֥ים
(veesrim)
en twintig
כֹּ֖ר
(kor)
kor
שֶׁ֣מֶן
(shemen)
olie
כָּתִ֑ית
(katit)
gestoten
כֹּֽה
(ko)
zo
יִתֵּ֧ן
(yiten)
gaf
שְׁלֹמֹ֛ה
(shelomo)
Salomo
לְחִירָ֖ם
(lechiram)
aan Hiram
שָׁנָ֥ה
(shana)
jaar
בְשָׁנָֽה
(beshana)
per jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een kor is ongeveer 220 liter (zie vers 2). 20.000 kor tarwe is dus ongeveer 4.400.000 liter.

כָּתִית (katit), ‘gestoten’: olie uit gestampte olijven, zoals in Exod. 27:20.

26Yahweh gaf Salomo wijsheid, zoals Hij tot hem had gesproken. Er was vrede tussen Hiram en Salomo. De twee sloten een verbond.
וַיהוָ֗ה
(vaYahweh)
en Yahweh
נָתַ֤ן
(natan)
gaf
חָכְמָה֙
(chakhema)
wijsheid
לִשְׁלֹמֹ֔ה
(lishlomo)
aan Salomo
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּר
(diber)
Hij had gesproken
ל֑וֹ
(lo)
tot hem
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en was
שָׁלֹ֗ם
(shalom)
vrede
בֵּ֤ין
(bein)
tussen
חִירָם֙
(chiram)
Hiram
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
וַיִּכְרְת֥וּ
(vayikhretu)
en zij sloten
בְרִ֖ית
(berit)
verbond
שְׁנֵיהֶֽם
(sheneihem)
zij beiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh had Salomo wijsheid beloofd.

Zie 1 Kon. 3:12.

De dwangarbeiders en de steenhouwers

27Koning Salomo hief dwangarbeid uit heel Israël. De dwangarbeid telde 30.000 man.
וַיַּ֨עַל
(vayaal)
en liet opkomen
הַמֶּ֧לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֛ה
(shelomo)
Salomo
מַ֖ס
(mas)
dwangarbeid
מִכָּל
(mikal)
uit heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en was
הַמַּ֔ס
(hamas)
de dwangarbeid
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּעַל (vaja’al), ‘en hij liet opkomen’: hij hief of riep op. 1 Kon. 9:22 zegt dat Salomo van de zonen van Israël geen dienaar maakte.

Wij laten beide teksten staan.

28Hij stuurde hen naar de Libanon, 10.000 per maand, in wisselbeurten. Een maand waren ze op de Libanon, twee maanden thuis. Adoniram was over de dwangarbeid.
וַיִּשְׁלָחֵ֣ם
(vayishlachem)
en hij stuurde hen
לְבָנ֗וֹנָה
(levanona)
naar de Libanon
עֲשֶׂ֨רֶת
(aseret)
tien
אֲלָפִ֤ים
(alafim)
duizend
בַּחֹ֨דֶשׁ֙
(bachodesh)
per maand
חֲלִיפ֔וֹת
(chalifot)
in wisselbeurten
חֹ֚דֶשׁ
(chodesh)
een maand
יִהְי֣וּ
(yihyu)
zij waren
בַלְּבָנ֔וֹן
(balevanon)
op de Libanon
שְׁנַ֥יִם
(shenayim)
twee
חֳדָשִׁ֖ים
(chodashim)
maanden
בְּבֵית֑וֹ
(beveito)
in hun huis
וַאֲדֹנִירָ֖ם
(vaadoniram)
en Adoniram
עַל
(al)
over
הַמַּֽס
(hamas)
de dwangarbeid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.

Uitleg

Adoniram is de man over de dwangarbeid, zoals in 4:6.

In 2 Sam. 20:24 heet hij Adoram.

29Salomo had 70.000 lastdragers en 80.000 steenhouwers in het gebergte.
וַיְהִ֧י
(vayhi)
en was
לִשְׁלֹמֹ֛ה
(lishlomo)
voor Salomo
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
נֹשֵׂ֣א
(nose)
dragend
סַבָּ֑ל
(sabal)
last
וּשְׁמֹנִ֥ים
(ushemonim)
en tachtig
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
חֹצֵ֥ב
(chotsev)
houwend
בָּהָֽר
(bahar)
in het gebergte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֹשֵׂא סַבָּל (nose sabbal), ‘draagt last’: dragers van zware lasten.

חֹצֵב (chotsev), ‘houwer’: iemand die steen uit de rots houwt.

30Afgezien daarvan waren er 3.300 oversten van de bestuurders van Salomo over het werk. Zij hadden gezag over het volk dat het werk deed.
לְ֠בַד
(levad)
afgezien van
מִשָּׂרֵ֨י
(misarei)
de oversten van
הַנִּצָּבִ֤ים
(hanitsavim)
de bestuurders
לִשְׁלֹמֹה֙
(lishlomo)
van Salomo
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
over
הַמְּלָאכָ֔ה
(hamelakha)
het werk
שְׁלֹ֥שֶׁת
(sheloshet)
drie
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
וּשְׁלֹ֣שׁ
(ushelosh)
en drie
מֵא֑וֹת
(meot)
honderd
הָרֹדִ֣ים
(harodim)
de heersenden
בָּעָ֔ם
(baam)
over het volk
הָעֹשִׂ֖ים
(haosim)
die doen
בַּמְּלָאכָֽה
(bamelakha)
het werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het getal 3.300 staat hier.

In 1 Kon. 9:23 staan 550 oversten over het werk.

Sommige oude vertalingen hebben hier een ander getal.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Wij laten beide getallen staan.

31De koning gaf bevel. Zij braken grote stenen los, kostbare stenen, om het huis te funderen met gehouwen steen.
וַיְצַ֣ו
(vaytsav)
en gebood
הַמֶּ֡לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיַּסִּעוּ֩
(vayasiu)
en zij braken los
אֲבָנִ֨ים
(avanim)
stenen
גְּדֹל֜וֹת
(gedolot)
grote
אֲבָנִ֧ים
(avanim)
stenen
יְקָר֛וֹת
(yeqarot)
kostbare
לְיַסֵּ֥ד
(leyased)
om te funderen
הַבָּ֖יִת
(habayit)
het huis
אַבְנֵ֥י
(avnei)
stenen van
גָזִֽית
(gazit)
gehouwen steen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַבְנֵי גָזִית (avne gazit), ‘gehouwen stenen’: stenen die in de groeve al op maat zijn gehouwen (zie 6:7).

32De mannen van Salomo, de mannen van Hiram en de Gebalieten hieuwen en maakten het hout en de stenen klaar om het huis te bouwen.
וַֽיִּפְסְל֞וּ
(vayifselu)
en hieuwen
בֹּנֵ֧י
(bonei)
mannen van
שְׁלֹמֹ֛ה
(shelomo)
Salomo
וּבֹנֵ֥י
(uvonei)
en mannen van
חִיר֖וֹם
(chirom)
Hiram
וְהַגִּבְלִ֑ים
(vehagivlim)
en de Gebalieten
וַיָּכִ֛ינוּ
(vayakhinu)
en maakten klaar
הָעֵצִ֥ים
(haetsim)
het hout
וְהָאֲבָנִ֖ים
(vehaavanim)
en de stenen
לִבְנ֥וֹת
(livnot)
om te bouwen
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gebal (Byblos, nu Jbeil) ligt aan de kust van Libanon, ten noorden van Beiroet.

Lezing

Het Hebreeuws heeft hier בְּנֵי (bene), ‘zonen van’ Salomo en ‘zonen van’ Hiram.

Dat betekent hier de mannen die voor hen werkten.

Wij vertalen ‘de mannen van’.

Het Hebreeuws zegt niet welk materiaal zij hieuwen.

Wij laten dat open.