Salomo's rijk, zijn wijsheid en de voorbereiding van de bouw
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het rijk en de tafel van Salomo
1Salomo was heerser over alle koninkrijken, van de Rivier tot het land van de Filistijnen en tot de grens van Egypte. Zij brachten geschenken en dienden Salomo al de dagen van zijn leven.
וּשְׁלֹמֹ֗ה
(ushelomo)
en Salomo
הָיָ֤ה
(haya)
was
מוֹשֵׁל֙
(moshel)
heerser
בְּכָל
(bekhal)
over alle
הַמַּמְלָכ֔וֹת
(hamamlakhot)
de koninkrijken
מִן
(min)
van
הַנָּהָר֙
(hanahar)
de Rivier
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
גְּב֣וּל
(gevul)
de grens van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
מַגִּשִׁ֥ים
(magishim)
brengende
מִנְחָ֛ה
(mincha)
geschenken
וְעֹבְדִ֥ים
(veovedim)
en dienende
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
חַיָּֽיו
(chayav)
zijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
In de Nederlandse telling zijn de verzen 1–14 van dit hoofdstuk de verzen 4:21–34, en de verzen 15–32 zijn 5:1–18.
Wij volgen de Hebreeuwse telling.
הַנָּהָר (hannahar), ‘de Rivier’: de Eufraat, zoals in Gen. 15:18. מִנְחָה (minchah) heeft hier niet de betekenis ‘graanoffer’ maar ‘geschenk’: gaven die onderworpen koningen brachten.
מוֹשֵׁל (moshel), ‘heerser’: iemand die gezag voert over een gebied.
4Want hij heerste over het hele gebied aan de overkant van de Rivier, van Tifsach tot Gaza. Hij heerste over alle koningen aan de overkant van de Rivier. Hij had vrede aan al zijn kanten rondom.
כִּי
(ki)
want
ה֞וּא
(hu)
hij
רֹדֶ֣ה
(rode)
heerste
בְּכָל
(bekhal)
over heel
עֵ֣בֶר
(ever)
de overkant van
הַנָּהָ֗ר
(hanahar)
de Rivier
מִתִּפְסַח֙
(mitifsach)
van Tifsach
וְעַד
(vead)
en tot
עַזָּ֔ה
(aza)
Gaza
בְּכָל
(bekhal)
over alle
מַלְכֵ֖י
(malkhei)
koningen van
עֵ֣בֶר
(ever)
de overkant van
הַנָּהָ֑ר
(hanahar)
de Rivier
וְשָׁל֗וֹם
(veshalom)
en vrede
הָ֥יָה
(haya)
was
ל֛וֹ
(lo)
voor hem
מִכָּל
(mikal)
van al
עֲבָרָ֖יו
(avarav)
zijn kanten
מִסָּבִֽיב
(misaviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Tifsach ligt aan de Eufraat, in het huidige Syrië; de ligging is onzeker.
Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van Israël (nu de Gazastrook).
Uitleg
עֵבֶר הַנָּהָר (ever hannahar), ‘de overkant van de Rivier’: gezien vanuit het oosten is dat het gebied ten westen van de Eufraat.
7Deze bestuurders zorgden voor koning Salomo en voor iedereen die aan de tafel van koning Salomo kwam, ieder in zijn eigen maand. Zij lieten niets ontbreken.
וְכִלְכְּלוּ֩
(vekhilkelu)
en zij voorzagen
הַנִּצָּבִ֨ים
(hanitsavim)
de bestuurders
הָאֵ֜לֶּה
(haele)
deze
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
וְאֵ֧ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
iedereen
הַקָּרֵ֛ב
(haqarev)
die nadert
אֶל
(el)
tot
שֻׁלְחַ֥ן
(shulchan)
de tafel van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
אִ֣ישׁ
(ish)
man
חָדְשׁ֑וֹ
(chadesho)
zijn maand
לֹ֥א
(lo)
niet
יְעַדְּר֖וּ
(yeaderu)
zij lieten ontbreken
דָּבָֽר
(davar)
iets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8De gerst en het stro voor de paarden en de rijdieren brachten zij naar de plaats waar het moest zijn. Ieder deed dat zoals voor hem bepaald was.
וְהַשְּׂעֹרִ֣ים
(vehaseorim)
en de gerst
וְהַתֶּ֔בֶן
(vehateven)
en het stro
לַסּוּסִ֖ים
(lasusim)
voor de paarden
וְלָרָ֑כֶשׁ
(velarakhesh)
en voor de rijdieren
יָבִ֗אוּ
(yaviu)
zij brachten
אֶל
(el)
naar
הַמָּקוֹם֙
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
שָּׁ֔ם
(sham)
daar
אִ֖ישׁ
(ish)
man
כְּמִשְׁפָּטֽוֹ
(kemishpato)
volgens zijn bepaling
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רֶכֶשׁ (rekesh), ‘rijdieren’: snelle dieren, vermoedelijk paarden of muildieren.
מִשְׁפָּט (mishpat), ‘bepaling’: wat voor ieder van hen was vastgesteld. Het Hebreeuws zegt niet wie of wat ‘daar zal zijn’. Wij laten het zo staan.
11Hij was wijzer dan alle mensen, wijzer dan Etan, de Ezrachiet, en dan Heman, Kalkol en Darda, de zonen van Machol. Zijn naam was bekend onder alle volken rondom.
וַיֶּחְכַּם֮
(vayechkam)
en hij was wijzer
מִכָּל
(mikal)
dan alle
הָֽאָדָם֒
(haadam)
de mens
מֵאֵיתָ֣ן
(meeitan)
dan Etan
הָאֶזְרָחִ֗י
(haezrachi)
de Ezrachiet
וְהֵימָ֧ן
(veheiman)
en Heman
וְכַלְכֹּ֛ל
(vekhalkol)
en Kalkol
וְדַרְדַּ֖ע
(vedarda)
en Darda
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
מָח֑וֹל
(machol)
Machol
וַיְהִֽי
(vayhi)
en was
שְׁמ֥וֹ
(shemo)
zijn naam
בְכָֽל
(bekhal)
onder alle
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
de volken
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶזְרָחִי (ezrachi), ‘Ezrachiet’.
Psalm 88 en Psalm 89 noemen Heman en Etan met die titel.
In 1 Kron. 2:6 staan Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Dara als zonen van Zerach.
Hier staat Darda (דַּרְדַּע) en zijn zij ‘zonen van Machol’.
Lezing
מָחוֹל (machol) is hier waarschijnlijk een persoonsnaam.
13Hij sprak over de bomen, van de ceder op de Libanon tot de hysop die uit de muur groeit. Hij sprak over het vee, de vogels, de kruipende dieren en de vissen.
וַיְדַבֵּר֮
(vaydaber)
en hij sprak
עַל
(al)
over
הָֽעֵצִים֒
(haetsim)
de bomen
מִן
(min)
van
הָאֶ֨רֶז֙
(haerez)
de ceder
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּלְּבָנ֔וֹן
(balevanon)
op de Libanon
וְעַד֙
(vead)
en tot
הָאֵז֔וֹב
(haezov)
de hysop
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יֹצֵ֖א
(yotse)
uitkomt
בַּקִּ֑יר
(baqir)
uit de muur
וַיְדַבֵּר֙
(vaydaber)
en hij sprak
עַל
(al)
over
הַבְּהֵמָ֣ה
(habehema)
het vee
וְעַל
(veal)
en over
הָע֔וֹף
(haof)
de vogels
וְעַל
(veal)
en over
הָרֶ֖מֶשׂ
(haremes)
het kruipende
וְעַל
(veal)
en over
הַדָּגִֽים
(hadagim)
de vissen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.
Uitleg
אֵזוֹב (ezov), ‘hysop’: een kleine struik, het kleinste gewas dat in een muur groeit.
De hysop staat hier tegenover de ceder.
רֶמֶשׂ (remes), ‘kruipende dieren’, zoals in Gen. 1:24.
15Hiram, de koning van Tyrus, stuurde zijn dienaren naar Salomo. Want hij had gehoord dat zij Salomo tot koning hadden gezalfd in plaats van zijn vader. Want Hiram had David al die dagen liefgehad.
וַ֠יִּשְׁלַח
(vayishlach)
en stuurde
חִירָ֨ם
(chiram)
Hiram
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
צ֤וֹר
(tsor)
Tyrus
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
אֶל
(el)
naar
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
כִּ֣י
(ki)
want
שָׁמַ֔ע
(shama)
hij had gehoord
כִּ֥י
(ki)
dat
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
מָשְׁח֥וּ
(mashechu)
zij hadden gezalfd
לְמֶ֖לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
אָבִ֑יהוּ
(avihu)
zijn vader
כִּ֣י
(ki)
want
אֹהֵ֗ב
(ohev)
liefhebbend
הָיָ֥ה
(haya)
was
חִירָ֛ם
(chiram)
Hiram
לְדָוִ֖ד
(ledavid)
voor David
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Tyrus (צֹר, Tsor) was een havenstad in Fenicië, aan de kust van de Middellandse Zee (nu Tyrus of Sur, Libanon).
17„Jij weet dat mijn vader David geen huis kon bouwen voor de naam van Yahweh, zijn Elohim. Dat kwam door de oorlog rondom hem, totdat Yahweh hen onder de zolen van mijn voeten legde.
אַתָּ֨ה
(ata)
jij
יָדַ֜עְתָּ
(yadata)
weet
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֗י
(avi)
mijn vader
כִּ֣י
(ki)
dat
לֹ֤א
(lo)
niet
יָכֹל֙
(yakhol)
kon hij
לִבְנ֣וֹת
(livnot)
om te bouwen
בַּ֗יִת
(bayit)
een huis
לְשֵׁם֙
(leshem)
voor de naam van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֔יו
(elohav)
zijn Elohim
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
vanwege
הַמִּלְחָמָ֖ה
(hamilchama)
de oorlog
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
סְבָבֻ֑הוּ
(sevavuhu)
omringde hem
עַ֤ד
(ad)
totdat
תֵּת
(tet)
gaf
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
כַּפּ֥וֹת
(kapot)
de zolen van
רַגְלָֽי
(raglay)
mijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַּיִת (bayit), ‘huis’: het huis voor de naam van Yahweh is de tempel in Jeruzalem.
Salomo spreekt over David, ‘zijn Elohim’: de Elohim van David.
19Zie, ik ben van plan een huis te bouwen voor de naam van Yahweh, mijn Elohim. Zo heeft Yahweh tot mijn vader David gesproken: ‘Je zoon, die Ik in jouw plaats op jouw troon zal zetten, hij zal het huis bouwen voor Mijn naam.’
וְהִנְנִ֣י
(vehinni)
en zie mij
אֹמֵ֔ר
(omer)
zeggend
לִבְנ֣וֹת
(livnot)
om te bouwen
בַּ֔יִת
(bayit)
een huis
לְשֵׁ֖ם
(leshem)
voor de naam van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֑י
(elohay)
mijn Elohim
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֣ר
(diber)
sprak
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֤ד
(david)
David
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בִּנְךָ֗
(binkha)
je zoon
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אֶתֵּ֤ן
(eten)
Ik zal geven
תַּחְתֶּ֨יךָ֙
(tachteikha)
in jouw plaats
עַל
(al)
op
כִּסְאֶ֔ךָ
(kisekha)
jouw troon
הֽוּא
(hu)
hij
יִבְנֶ֥ה
(yivne)
zal bouwen
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
לִשְׁמִֽי
(lishmi)
voor Mijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Salomo citeert de belofte van Yahweh aan David, zie 2 Sam. 7:12–13.
De woorden staan in zwart, met enkele aanhalingstekens, omdat Salomo ze aanhaalt.
20Geef dus bevel dat zij voor mij ceders kappen op de Libanon. Mijn dienaren zullen bij jouw dienaren zijn. Het loon voor jouw dienaren geef ik je, helemaal zoals jij zegt. Want jij weet dat niemand bij ons bomen kan kappen zoals de Sidoniërs.”
וְעַתָּ֡ה
(veata)
en nu
צַוֵּה֩
(tsave)
geef bevel
וְיִכְרְתוּ
(veyikhretu)
en zij zullen kappen
לִ֨י
(li)
voor mij
אֲרָזִ֜ים
(arazim)
cederen
מִן
(min)
van
הַלְּבָנ֗וֹן
(halevanon)
de Libanon
וַֽעֲבָדַי֙
(vaavaday)
en mijn dienaren
יִהְי֣וּ
(yihyu)
zullen zijn
עִם
(im)
met
עֲבָדֶ֔יךָ
(avadeikha)
jouw dienaren
וּשְׂכַ֤ר
(usekhar)
en het loon van
עֲבָדֶ֨יךָ֙
(avadeikha)
jouw dienaren
אֶתֵּ֣ן
(eten)
zal ik geven
לְךָ֔
(lekha)
aan jou
כְּכֹ֖ל
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
תֹּאמֵ֑ר
(tomer)
je zegt
כִּ֣י
(ki)
want
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
יָדַ֗עְתָּ
(yadata)
weet
כִּ֣י
(ki)
dat
אֵ֥ין
(ein)
niet is
בָּ֛נוּ
(banu)
onder ons
אִ֛ישׁ
(ish)
man
יֹדֵ֥עַ
(yodea)
die weet
לִכְרָת
(likhrat)
om te kappen
עֵצִ֖ים
(etsim)
bomen
כַּצִּדֹנִֽים
(katsidonim)
zoals de Sidoniërs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Sidoniërs woonden in Sidon, een havenstad aan de kust van het huidige Libanon.
Zij staan hier bekend als bekwame houtkappers.
Uitleg
De Libanon is het berggebied in het huidige Libanon, waar de ceders groeien.
21Toen Hiram de woorden van Salomo hoorde, was hij zeer verheugd. Hij zei: „Gezegend zij Yahweh vandaag, die David een wijze zoon heeft gegeven over dit grote volk.”
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
כִּשְׁמֹ֧עַ
(kishmoa)
toen hoorde
חִירָ֛ם
(chiram)
Hiram
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
וַיִּשְׂמַ֣ח
(vayismach)
en hij was blij
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
בָּר֤וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
נָתַ֤ן
(natan)
gaf
לְדָוִד֙
(ledavid)
aan David
בֵּ֣ן
(ben)
zoon
חָכָ֔ם
(chakham)
wijze
עַל
(al)
over
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הָרָ֖ב
(harav)
het grote
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בָּרוּךְ יְהוָה (baruch Yahweh), ‘gezegend zij Yahweh’: een lofspraak.
Hiram, een koning van Tyrus, spreekt zo over Yahweh.
23Mijn dienaren dalen van de Libanon af naar de zee. Ik maak er vlotten van op zee, tot de plaats die jij mij opgeeft. Daar maak ik ze los, en jij neemt ze mee. Jij vervult mijn wens: je geeft voedsel aan mijn huis.”
עֲ֠בָדַי
(avaday)
mijn dienaren
יֹרִ֨דוּ
(yoridu)
zullen afdalen
מִן
(min)
van
הַלְּבָנ֜וֹן
(halevanon)
de Libanon
יָ֗מָּה
(yama)
naar zee
וַ֠אֲנִי
(vaani)
en ik
אֲשִׂימֵ֨ם
(asimem)
zal hen maken
דֹּבְר֤וֹת
(doverot)
vlotten
בַּיָּם֙
(bayam)
op zee
עַֽד
(ad)
tot
הַמָּק֞וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waar
תִּשְׁלַ֥ח
(tishlach)
je zult sturen
אֵלַ֛י
(elay)
naar mij
וְנִפַּצְתִּ֥ים
(venipatstim)
en ik zal hen losmaken
שָׁ֖ם
(sham)
daar
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
תִשָּׂ֑א
(tisa)
zult wegnemen
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
תַּעֲשֶׂ֣ה
(taase)
zult doen
אֶת
(et)
(obj.)
חֶפְצִ֔י
(cheftsi)
mijn wens
לָתֵ֖ת
(latet)
om te geven
לֶ֥חֶם
(lechem)
brood
בֵּיתִֽי
(beiti)
mijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.
Uitleg
דֹּבְרוֹת (dovrot), ‘vlotten’: bijeengebonden stammen die over zee gesleept worden.
De betekenis van het woord is onzeker.
לֶחֶם (lechem), ‘brood’: hier ‘voedsel’. Zie vers 25.
28Hij stuurde hen naar de Libanon, 10.000 per maand, in wisselbeurten. Een maand waren ze op de Libanon, twee maanden thuis. Adoniram was over de dwangarbeid.
וַיִּשְׁלָחֵ֣ם
(vayishlachem)
en hij stuurde hen
לְבָנ֗וֹנָה
(levanona)
naar de Libanon
עֲשֶׂ֨רֶת
(aseret)
tien
אֲלָפִ֤ים
(alafim)
duizend
בַּחֹ֨דֶשׁ֙
(bachodesh)
per maand
חֲלִיפ֔וֹת
(chalifot)
in wisselbeurten
חֹ֚דֶשׁ
(chodesh)
een maand
יִהְי֣וּ
(yihyu)
zij waren
בַלְּבָנ֔וֹן
(balevanon)
op de Libanon
שְׁנַ֥יִם
(shenayim)
twee
חֳדָשִׁ֖ים
(chodashim)
maanden
בְּבֵית֑וֹ
(beveito)
in hun huis
וַאֲדֹנִירָ֖ם
(vaadoniram)
en Adoniram
עַל
(al)
over
הַמַּֽס
(hamas)
de dwangarbeid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.
Uitleg
Adoniram is de man over de dwangarbeid, zoals in 4:6.