Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Salomo wordt sterk
1Salomo, de zoon van David, werd sterk in zijn koningschap. Yahweh, zijn Elohim, was met hem en maakte hem zeer groot.
וַיִּתְחַזֵּ֛ק
(vayitchazeq)
en werd sterk
שְׁלֹמֹ֥ה
(shelomo)
Salomo
בֶן
(ben)
zoon van
דָּוִ֖יד
(david)
David
עַל
(al)
over
מַלְכוּת֑וֹ
(malkhuto)
zijn koningschap
וַיהוָ֤ה
(vaYahweh)
en Yahweh
אֱלֹהָיו֙
(elohav)
zijn Elohim
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
וַֽיְגַדְּלֵ֖הוּ
(vaygadelehu)
en maakte hem groot
לְמָֽעְלָה
(lemaela)
in hoge mate
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁלֹמֹה (Shelomoh), ‘Salomo’: 2 Kronieken begint met de regering van Salomo.
Het verhaal loopt parallel met 1 Kon. 3–10.
Wij houden de vorm van Kronieken aan en noemen de afwijkingen in de voetnoten.
וַיְגַדְּלֵהוּ לְמָעְלָה (wayegaddelehu lema’lah), ‘en maakte hem groot in hoge mate’: letterlijk ‘groot naar boven’.
2Salomo sprak tot heel Israël: tot de oversten van duizend en van honderd, tot de rechters en tot elke leider in heel Israël, de hoofden van de vaderhuizen.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en sprak
שְׁלֹמֹ֣ה
(shelomo)
Salomo
לְכָל
(lekhal)
tot heel
יִשְׂרָאֵ֡ל
(yisrael)
Israël
לְשָׂרֵי֩
(lesarei)
tot de oversten van
הָאֲלָפִ֨ים
(haalafim)
de duizenden
וְהַמֵּא֜וֹת
(vehameot)
en de honderden
וְלַשֹּֽׁפְטִ֗ים
(velashofetim)
en tot de rechters
וּלְכֹ֛ל
(ulekhol)
en tot elke
נָשִׂ֥יא
(nasi)
leider
לְכָל
(lekhal)
in heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
רָאשֵׁ֥י
(rashei)
hoofden van
הָאָבֽוֹת
(haavot)
de vaderhuizen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׂרֵי הָאֲלָפִים וְהַמֵּאוֹת (sare ha’alafim wehamme’ot), ‘de oversten van de duizenden en de honderden’: de bevelhebbers over groepen van duizend en van honderd.
3Toen gingen Salomo en heel de vergadering met hem naar de hoogte die in Gibeon was. Want daar stond de tent van samenkomst van Elohim, die Mozes, de dienaar van Yahweh, in de woestijn had gemaakt.
וַיֵּלְכ֗וּ
(vayelekhu)
en gingen
שְׁלֹמֹה֙
(shelomo)
Salomo
וְכָל
(vekhal)
en heel
הַקָּהָ֣ל
(haqahal)
de vergadering
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
לַבָּמָ֖ה
(labama)
naar de hoogte
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּגִבְע֑וֹן
(begivon)
in Gibeon
כִּי
(ki)
want
שָׁ֣ם
(sham)
daar
הָיָ֗ה
(haya)
was
אֹ֤הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵד֙
(moed)
samenkomst
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
van Elohim
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשָׂ֛ה
(asa)
maakte
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
עֶֽבֶד
(eved)
dienaar van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gibeon (גִּבְעוֹן) is waarschijnlijk el-Jib, ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).
Hier stond de tabernakel van Mozes met het koperen altaar (vers 5–6).
Zie ook 1 Kron. 16:39 en 21:29.
Uitleg
בָּמָה (bamah), ‘hoogte’: een offerplaats op een verhoging.
Wij vertalen bamot met ‘hoogten’.
De tent van samenkomst is de tabernakel uit Exod. 26 en 40; Mozes heeft die ‘in de woestijn’ gemaakt (Exod. 35–40).
4De ark van Elohim had David wel uit Kirjat-Jearim omhoog gebracht, naar de plaats die David voor haar had klaargemaakt. Want hij had er in Jeruzalem een tent voor opgezet.
אֲבָ֗ל
(aval)
maar
אֲר֤וֹן
(aron)
ark van
הָאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
הֶעֱלָ֤ה
(heela)
bracht omhoog
דָוִיד֙
(david)
David
מִקִּרְיַ֣ת
(miqiryat)
uit Kirjat
יְעָרִ֔ים
(yearim)
Jearim
בַּֽהֵכִ֥ין
(bahekhin)
bij het klaarmaken
ל֖וֹ
(lo)
voor haar
דָּוִ֑יד
(david)
David
כִּ֧י
(ki)
want
נָֽטָה
(nata)
hij had opgezet
ל֛וֹ
(lo)
voor haar
אֹ֖הֶל
(ohel)
een tent
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Kirjat-Jearim (קִרְיַת יְעָרִים) lag ongeveer 15 km ten westen van Jeruzalem, waarschijnlijk bij het huidige Abu Gosh (Israël).
Zie 1 Kron. 13:5–6.
Uitleg
בַּהֵכִין לוֹ (bahekin lo), ‘bij het klaarmaken voor haar’: wij nemen dit als ‘naar de plaats die David voor haar had klaargemaakt’.
Zie 1 Kron. 15:1–3.
Het vers zet de ark in Jeruzalem tegenover de tabernakel in Gibeon.
5Het koperen altaar dat Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, had gemaakt, had hij voor de tabernakel van Yahweh gezet. Salomo en de vergadering zochten het op.
וּמִזְבַּ֣ח
(umizbach)
en het altaar van
הַנְּחֹ֗שֶׁת
(hanechoshet)
het koper
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
עָשָׂה֙
(asa)
maakte
בְּצַלְאֵל֙
(betsalel)
Bezaleël
בֶּן
(ben)
zoon van
אוּרִ֣י
(uri)
Uri
בֶן
(ben)
zoon van
ח֔וּר
(chur)
Chur
שָׂ֕ם
(sam)
hij had gezet
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
מִשְׁכַּ֣ן
(mishkan)
tabernakel van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּדְרְשֵׁ֥הוּ
(vayidreshehu)
en zocht het op
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
וְהַקָּהָֽל
(vehaqahal)
en de vergadering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּצַלְאֵל (Bezal’el), ‘Bezaleël’: de ambachtsman van de tabernakel, zie Exod. 31:2 en 38:22.
Uri en Chur: zie Exod. 31:2 en 1 Kron. 2:19–20.
מִשְׁכַּן יְהוָה (mishkan Yahweh), ‘tabernakel van Yahweh’: hetzelfde als de tent van samenkomst in vers 3.
Lezing
שָׂם (sam), ‘hij had gezet’: het onderwerp is Bezaleël.
Het achtervoegsel in וַיִּדְרְשֵׁהוּ (wayyidreshehu), ‘en zocht het op’, kan naar het altaar wijzen of naar Yahweh zelf (‘zochten Hem’).
9Nu, Yahweh Elohim, laat Uw woord aan mijn vader David bevestigd worden. Want U hebt mij koning gemaakt over een volk zo talrijk als het stof van de aarde.
עַתָּה֙
(ata)
nu
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
יֵֽאָמֵן֙
(yeamen)
laat bevestigd worden
דְּבָ֣רְךָ֔
(devarekha)
Uw woord
עִ֖ם
(im)
met
דָּוִ֣יד
(david)
David
אָבִ֑י
(avi)
mijn vader
כִּ֤י
(ki)
want
אַתָּה֙
(ata)
U
הִמְלַכְתַּ֔נִי
(himlakhtani)
hebt mij koning gemaakt
עַל
(al)
over
עַ֕ם
(am)
volk
רַ֖ב
(rav)
talrijk
כַּעֲפַ֥ר
(kaafar)
als het stof van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יֵאָמֵן דְּבָרְךָ (ye’amen dibarkha), ‘laat Uw woord bevestigd worden’: de belofte aan David, zie 2 Sam. 7:12–16 en 1 Kron. 17:11–14.
11Elohim zei tegen Salomo: „Omdat dit in je hart was, en je geen rijkdom, bezittingen of eer hebt gevraagd, en ook niet de ziel van wie je haten, en ook geen lang leven hebt gevraagd, maar voor jezelf wijsheid en kennis hebt gevraagd om Mijn volk recht te spreken, waarover Ik je koning heb gemaakt,
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
Elohim
לִשְׁלֹמֹ֡ה
(lishlomo)
tegen Salomo
יַ֣עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁר֩
(asher)
dat
הָיְתָ֨ה
(hayeta)
was
זֹ֜את
(zot)
dit
עִם
(im)
met
לְבָבֶ֗ךָ
(levavekha)
je hart
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שָׁ֠אַלְתָּ
(shaalta)
je hebt gevraagd
עֹ֣שֶׁר
(osher)
rijkdom
נְכָסִ֤ים
(nekhasim)
bezittingen
וְכָבוֹד֙
(vekhavod)
en eer
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
ziel van
שֹׂנְאֶ֔יךָ
(soneeikha)
wie je haten
וְגַם
(vegam)
en ook
יָמִ֥ים
(yamim)
dagen
רַבִּ֖ים
(rabim)
vele
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁאָ֑לְתָּ
(shaalta)
je hebt gevraagd
וַתִּֽשְׁאַל
(vatishal)
en je vroeg
לְךָ֙
(lekha)
voor jezelf
חָכְמָ֣ה
(chakhema)
wijsheid
וּמַדָּ֔ע
(umada)
en kennis
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
opdat
תִּשְׁפּוֹט֙
(tishpot)
je recht zult spreken
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
over wie
הִמְלַכְתִּ֖יךָ
(himlakhtikha)
Ik je koning heb gemaakt
עָלָֽיו
(alav)
over hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: ‘de ziel van wie je haten’ betekent het leven van je vijanden.
Zie 1 Kon. 3:11.
Wij vertalen nefesh overal met ‘ziel’.
חָכְמָה וּמַדָּע (chokmah umadda), ‘wijsheid en kennis’: in 1 Kon. 3:9 vraagt Salomo om een ‘luisterend hart’. Hier vraagt hij om wijsheid en kennis.
Het vers is één lange zin die doorloopt in vers 12. Wij laten de zin zo staan.
12de wijsheid en de kennis zijn je gegeven. Rijkdom, bezittingen en eer geef Ik je ook. Zo is het bij de koningen vóór jou niet geweest, en na jou zal het ook niet zo zijn.”
הַֽחָכְמָ֥ה
(hachakhema)
de wijsheid
וְהַמַּדָּ֖ע
(vehamada)
en de kennis
נָת֣וּן
(natun)
zijn gegeven
לָ֑ךְ
(lakh)
aan jou
וְעֹ֨שֶׁר
(veosher)
en rijkdom
וּנְכָסִ֤ים
(unekhasim)
en bezittingen
וְכָבוֹד֙
(vekhavod)
en eer
אֶתֶּן
(eten)
Ik zal geven
לָ֔ךְ
(lakh)
aan jou
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
zoals
לֹא
(lo)
niet
הָ֣יָה
(haya)
was
כֵ֗ן
(ken)
zo
לַמְּלָכִים֙
(lamelakhim)
voor de koningen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
vóór jou
וְאַחֲרֶ֖יךָ
(veachareikha)
en na jou
לֹ֥א
(lo)
niet
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
כֵּֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vergelijk 1 Kon. 3:12–14.
Dat Elohim ook rijkdom, bezittingen en eer geeft, staat in beide boeken.
De voorwaarde van een lang leven (1 Kon. 3:14) laat Kronieken weg.
15De koning maakte het zilver en het goud in Jeruzalem zo gewoon als stenen. De cederbomen maakte hij zo talrijk als de wilde vijgenbomen in de Sefela.
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en gaf
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֧סֶף
(hakesef)
het zilver
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַזָּהָ֛ב
(hazahav)
het goud
בִּירוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
כָּאֲבָנִ֑ים
(kaavanim)
als stenen
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
הָאֲרָזִ֗ים
(haarazim)
de cederbomen
נָתַ֛ן
(natan)
hij gaf
כַּשִּׁקְמִ֥ים
(kashiqmim)
als wilde vijgenbomen
אֲשֶׁר
(asher)
die
בַּשְּׁפֵלָ֖ה
(bashefela)
in de Sefela
לָרֹֽב
(larov)
in menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Sefela (שְׁפֵלָה) is het heuvelland tussen het bergland van Juda en de kustvlakte (Israël).
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
17Een wagen haalden zij uit Egypte voor 600 sikkel zilver en een paard voor 150. Zo voerden zij ze ook uit naar alle koningen van de Hethieten en de koningen van Aram: door hun handen.
וַֽ֠יַּעֲלוּ
(vayaalu)
en zij brachten omhoog
וַיּוֹצִ֨יאוּ
(vayotsiu)
en haalden uit
מִמִּצְרַ֤יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
מֶרְכָּבָה֙
(merkava)
een wagen
בְּשֵׁ֣שׁ
(beshesh)
voor zes
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
כֶּ֔סֶף
(kesef)
zilver
וְס֖וּס
(vesus)
en een paard
בַּחֲמִשִּׁ֣ים
(bachamishim)
voor vijftig
וּמֵאָ֑ה
(umea)
en honderd
וְ֠כֵן
(vekhen)
en zo
לְכָל
(lekhal)
voor alle
מַלְכֵ֧י
(malkhei)
koningen van
הַֽחִתִּ֛ים
(hachitim)
de Hethieten
וּמַלְכֵ֥י
(umalkhei)
en koningen van
אֲרָ֖ם
(aram)
Aram
בְּיָדָ֥ם
(beyadam)
door hun hand
יוֹצִֽיאוּ
(yotsiu)
zij voerden uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Uitleg
Het Hebreeuws zegt alleen ‘zes honderd zilver’ en ‘honderd en vijftig’.
Wij vullen ‘sikkel’ aan, zoals in 1 Kon. 10:29.
Een sikkel is ongeveer 11,4 gram. 600 sikkel is ongeveer 6,8 kilogram zilver.
חִתִּים (chittim), ‘Hethieten’: hier waarschijnlijk de koninkrijken in Noord-Syrië en het gebied daarboven. De ligging is onzeker. Wij houden de spelling van 1 Kon. 10:29 aan.