Habakuk 2
Het visioen en de vijf wee-roepen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De profeet wacht op antwoord
מִשְׁמַרְתִּי (mishmarti), ‘mijn wachtpost’ en מָצוֹר (matsor), ‘de vestingmuur’: de profeet doet alsof hij een wachter is op de muur van een stad.
Hij wacht op een antwoord van Yahweh.
Vergelijk Jes. 21:8.
תּוֹכַחְתִּי (tokhachti), ‘mijn bezwaar’: het woord betekent ‘terechtwijzing’ of ‘aanklacht’. Het kan zijn klacht tegen Yahweh zijn (zoals in hoofdstuk 1), maar ook de terechtwijzing die hij zelf ontvangt. Sommige oude vertalingen lezen ‘hun’ of ‘zijn’; wij volgen de Hebreeuwse tekst.
Het antwoord van Yahweh: het visioen
Vanaf hier spreekt Yahweh zelf, tot en met vers 5.
‘Yahweh antwoordde mij en zei’ staat zwart; de rede is rood.
חָזוֹן (chazon), ‘visioen’: het woord van Yahweh dat de profeet te zien kreeg.
הַלֻּחוֹת (haluchot), ‘de tafelen’: vlakke stukken steen of hout om op te schrijven (zoals Exod. 24:12).
יָרוּץ קוֹרֵא בוֹ (yarutz qore bo), ‘zodat wie het leest erdoor kan rennen’: het Hebreeuws kan zijn dat de lezer er snel doorheen kan lezen. Het kan ook zijn dat de lezer ermee wegrent om het te vertellen. Wij laten beide open.
לַמּוֹעֵד (lamo'ed), ‘voor de vastgestelde tijd’: mo'ed is een tijd die Yahweh bepaalt.
וְיָפֵחַ (veyafeach), ‘het snakt’: een zeldzaam werkwoord; het is eigenlijk ‘hijgen’ of ‘blazen’. Het visioen verlangt naar zijn vervulling.
לַקֵּץ (laqetz), ‘naar het einde’: qets is het einde van de tijd van wachten.
בֹא יָבֹא (bo yavo), ‘het komt zeker’: een nadrukkelijke vorm, letterlijk ‘komen zal het komen’. Hebr. 10:37 haalt dit aan.
עֻפְּלָה (uphelah), ‘opgeblazen’: een zeldzame vorm, afgeleid van het werkwoord afal, ‘opzwellen’.
Zo wordt de trotse beschreven die zich boven recht en zwakte verheft.
Vergelijk Num. 14:44.
בֶּאֱמוּנָתוֹ (be'emunato), ‘door zijn trouw’: emunah betekent vastheid en betrouwbaarheid. Het is een trouw die blijft staan, ook als de tijd lang wordt. Wij vertalen ‘trouw’. De vrijheid van de rechtvaardige ligt in het vasthouden aan Yahweh. Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Het Nieuwe Testament haalt dit vers aan (Rom. 1:17; Gal. 3:11; Hebr. 10:38).
יִחְיֶה (yichyeh), ‘zal leven’: ook ‘zal in leven blijven’.
הַיַּיִן בּוֹגֵד (hayayin boged), ‘de wijn is trouweloos’: sommige oude vertalingen lezen anders, namelijk ‘rijkdom’ in plaats van ‘wijn’.
De wijn staat hier voor het genot waarmee de machtige zich verdooft.
יִנְוֶה (yinveh), ‘blijft rustig’: het werkwoord navah betekent ‘thuis blijven’ of ‘rustig wonen’. De betekenis is hier niet zeker.
הִרְחִיב כִּשְׁאוֹל נַפְשׁוֹ (hirchiv kisheol nafsho), ‘hij sperrt zijn keel wijd open als de Sjeol’: nefesh is hier ‘keel’ of ‘begeerte’. De Sjeol, het dodenrijk, krijgt nooit genoeg (Spr. 27:20; 30:16).
Hiermee eindigt de rode rede.
Wee-roepen over de onderdrukker
Vanaf hier begint het spotvers over de onderdrukker, tot en met vers 19.
Er zijn vijf wee-roepen: vers 6, 9, 12, 15 en 19.
Wij zetten de verzen zwart.
Het Hebreeuws zegt niet uitdrukkelijk wie het spotvers uitspreekt: de volken, de profeet of Yahweh.
מָשָׁל (mashal), ‘spotvers’ en וּמְלִיצָה (melitsah), ‘spotlied’: een spreekwoordelijke spotrede. חִידוֹת (chidot), ‘raadsels’: scherpe, verborgen woorden.
הוֹי (hoy), ‘wee’: een roep die klaagt en aanklaagt. Zie ook Jes. 5:8–23.
עַבְטִיט (avtit), ‘pandgoed’: een zeldzaam woord, dat elders niet voorkomt. De betekenis is onzeker. Het kan ‘zware pandgoederen’ of ‘schuld’ zijn.
נֹשְׁכֶיךָ (noshekha), ‘je bijters’: het werkwoord nashach betekent ‘bijten’.
Het woord is verwant aan neshech, ‘rente’ (Deut. 23:20; NL 23:19).
Het gaat om schuldeisers die toebijten.
מְזַעְזְעֶיךָ (meza'ze'ekha), ‘zij die je wakker schudden’: het werkwoord zua betekent ‘beven’ en ‘doen beven’.
לִמְשִׁסּוֹת (limshissot), ‘een buit’: wie geplunderd wordt.
יֶתֶר עַמִּים (yeter ammim), ‘de overigen van de volkeren’: de volken die overblijven na de plundering.
De slotwoorden van dit vers staan gelijk in vers 17.
בֶּצַע רָע (betsa ra), ‘kwade winst’: winst die ten koste van anderen gaat.
קִנּוֹ (qinno), ‘zijn nest’: het beeld van de hoogte komt ook voor in Obad. 4 en Jer. 49:16, waar Edom zijn nest hoog maakt en toch wordt neergehaald.
מִכַּף רָע (mikkaf ra), ‘aan de greep van het kwaad’: letterlijk ‘uit de palm van het kwaad’.
יָעַצְתָּ (ya'atsta), ‘je hebt beraamd’: van etsah, ‘raad’.
Een etsah van mensen vertalen wij met ‘raad’; hier is het werkwoord ‘beramen’.
קְצוֹת (qetsot), ‘vernietigen’: letterlijk ‘afsnijden’.
נַפְשֶׁךָ (nafshekha), ‘jezelf’: letterlijk ‘je ziel’.
וְכָפִיס (kafis), ‘balk’: een zeldzaam woord, dat nergens anders voorkomt.
De betekenis ‘balk’ of ‘dwarsbalk’ is niet zeker.
De stenen en balken van het gebouw getuigen tegen de bouwer. Het onrecht zit in de muren.
בְּדָמִים (bedamim), ‘met bloed’: bloedvergieten.
בְּעַוְלָה (be'avlah), ‘met onrecht’: avlah is onrecht.
Vergelijk Jer. 22:13 en Micha 3:10.
יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): tsevaot betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’.
Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’.
Zie ook Ps. 24:10 en Jes. 1:9.
וְיִיגְעוּ עַמִּים בְּדֵי אֵשׁ וּלְאֻמִּים בְּדֵי רִיק יִעָפוּ (vayyig'u amim bedei esh ule'ummim bedei rik ya'afu), ‘volken sloven zich af voor het vuur, en natiën raken uitgeput voor niets’: dezelfde woorden staan, in omgekeerde volgorde, in Jer. 51:58.
Dit vers lijkt op Jes. 11:9, ‘de aarde is vol van de kennis van Yahweh, zoals de wateren de zee bedekken’.
Hier staat ‘de kennis van de heerlijkheid van Yahweh’ (kavod Yahweh).
Zie ook Num. 14:21.
Het vers staat tegenover de vijand die zich verheft: uiteindelijk bedekt de heerlijkheid van Yahweh de aarde.
מְסַפֵּחַ (mesapeach), ‘wie erbij uitstort’: een zeldzame vorm van het werkwoord safach.
חֲמָתְךָ (chamatkha), ‘je grimmigheid’: het woord chamah betekent ‘woede’.
Sommigen lezen hier chemet, ‘waterzak’: ‘die je waterzak uitgiet’.
Wij volgen ‘grimmigheid’.
מְעוֹרֵיהֶם (me'oreihem), ‘hun naaktheid’: zoals Noach dronken werd en bloot lag (Gen. 9:21–22).
וְהֵעָרֵל (vehe'arel), ‘en toon je voorhuid’: de onbesneden.
Sommige oude vertalingen lezen anders, namelijk ‘en waggel’.
Beide passen bij de dronkenschap.
כּוֹס יְמִין יְהוָה (kos yemin Yahweh), ‘de beker in de rechterhand van Yahweh’: de beker van Yahweh’s toorn (Jer. 25:15; Ps. 75:9, NL 75:8).
וְקִיקָלוֹן (veqiqalon), ‘walgelijke schande’: een zeldzaam woord, dat elders niet voorkomt. De betekenis is niet zeker; mogelijk gaat het om braaksel.
לְבָנוֹן (Levanon), ‘Libanon’: het gebergte met zijn cederbossen, dat door de Chaldeeën werd geplunderd (zie ook Jes. 14:8).
Het kan ook gaan om de tempel, die van Libanons hout was gebouwd.
De betekenis is niet zeker.
יְחִיתַן (yechitan), ‘doet hen schrikken’: van chatat, ‘ontzet zijn’. De dieren schrikken van wie hen verwoest.
De laatste woorden staan gelijk in vers 8.
פֶּסֶל (fesel), ‘gesneden beeld’ en מַסֵּכָה (massekhah), ‘gegoten beeld’: afgodsbeelden, uit hout gesneden of uit metaal gegoten.
וּמוֹרֶה שָּׁקֶר (moreh sheqer), ‘leraar van leugen’: het beeld leert niets dan leugen.
אֱלִילִים אִלְּמִים (elilim illemim), ‘stomme nietige goden’: elil is een ‘nietig god’. Het woord illem betekent ‘stom’; het beeld kan niet spreken.
יוֹרֶה (hu yoreh), ‘zou die onderwijzen?’: letterlijk ‘hij zal onderwijzen’.
Het is een retorische vraag; het beeld leert niets (vers 18).
תָּפוּשׂ (tafus), ‘overtrokken’: het hout of de steen heeft een laag goud en zilver.
רוּחַ (ruach), ‘adem’: er is geen levensadem in. Vergelijk Ps. 135:17.
Yahweh in Zijn heilige tempel
וַיהוָה בְּהֵיכַל קָדְשׁוֹ (veYahweh beheikhal qodsho), ‘maar Yahweh is in Zijn heilige tempel’: tegenover de beelden die niets zijn, is Yahweh aanwezig.
Het kan de tempel in Jeruzalem zijn, maar ook de hemel (Ps. 11:4).
הַס (has), ‘wees stil’: een roep tot zwijgen, als voor een koning. Zie ook Zef. 1:7 en Zach. 2:17 (NL 2:13).