Elohim Bijbel

Job 42

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Jobs antwoord en het herstel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Job: Nu heeft mijn oog U gezien

1Job antwoordde Yahweh en zei:
וַיַּ֖עַן
(vayaan)
en antwoordde
אִיּ֥וֹב
(iyov)
Job
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In dit laatste hoofdstuk geeft Job zijn laatste antwoord (vers 1–6), spreekt Yahweh over de vrienden (7–9) en volgt de epiloog in proza (10–17), net als het proza van hoofdstuk 1–2.

2„Ik weet dat U alles kunt, en dat geen plan voor U onuitvoerbaar is.
יָ֭דַעְתִּי
(yadati)
ik weet
כִּי
(ki)
dat
כֹ֣ל
(kol)
alles
תּוּכָ֑ל
(tukhal)
U kunt
וְלֹא
(velo)
en niet
יִבָּצֵ֖ר
(yibatser)
is onuitvoerbaar
מִמְּךָ֣
(mimekha)
voor U
מְזִמָּֽה
(mezima)
een plan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3‘Wie is dit die de raad verbergt zonder kennis?’ Zo heb ik gesproken zonder te begrijpen: over wonderen die te groot voor mij zijn, en die ik niet kende.
מִ֤י
(mi)
wie
זֶ֨ה
(ze)
is dit
מַעְלִ֥ים
(malim)
die verbergt
עֵצָ֗ה
(etsa)
raad
בְּֽלִ֫י
(beli)
zonder
דָ֥עַת
(daat)
kennis
לָכֵ֣ן
(lakhen)
daarom
הִ֭גַּדְתִּי
(higadti)
heb ik gesproken
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אָבִ֑ין
(avin)
begreep ik
נִפְלָא֥וֹת
(niflaot)
wonderen
מִ֝מֶּ֗נִּי
(mimeni)
te groot voor mij
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֵדָֽע
(eda)
kende ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job herhaalt de vraag van Yahweh uit 38:2 en erkent dat hij heeft gesproken over wat hij niet begreep.

Hij geeft Yahweh gelijk, maar neemt zijn onschuld niet terug: wat hij erkent, is dat hij het plan van Elohim niet kon overzien.

4‘Hoor toch, en Ik zal spreken; Ik zal je vragen, en maak het Mij bekend.’
שְֽׁמַֽע
(shema)
hoor
נָ֭א
(na)
toch
וְאָנֹכִ֣י
(veanokhi)
en ik
אֲדַבֵּ֑ר
(adaber)
zal spreken
אֶ֝שְׁאָלְךָ֗
(eshalekha)
Ik zal je vragen
וְהוֹדִיעֵֽנִי
(vehodieni)
en maak Mij bekend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Van horen zeggen had ik van U gehoord, maar nu heeft mijn oog U gezien.
לְשֵֽׁמַע
(leshema)
van horen van
אֹ֥זֶן
(ozen)
het oor
שְׁמַעְתִּ֑יךָ
(shematikha)
had ik van U gehoord
וְ֝עַתָּ֗ה
(veata)
maar nu
עֵינִ֥י
(eini)
mijn oog
רָאָֽתְךָ
(raatekha)
heeft U gezien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Van horen zeggen … maar nu heeft mijn oog U gezien’: Job had de Naam gekend uit de traditie en uit de dialogen, nu ontmoet hij Hem Zelf.

Vergelijk 19:26–27 (‘mijn ogen zullen Hem zien’).

6Daarom neem ik terug wat ik zei, en ik heb berouw, in stof en as.”
עַל
(al)
daarom
כֵּ֭ן
(ken)
zo
אֶמְאַ֣ס
(emas)
neem ik terug
וְנִחַ֑מְתִּי
(venichamti)
en ik heb berouw
עַל
(al)
in
עָפָ֥ר
(afar)
stof
וָאֵֽפֶר
(vaefer)
en as
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Dit vers is een van de moeilijkste.

אֶמְאַס (em’as) betekent ‘ik verwerp’ of ‘ik trek in’ (zonder uitdrukkelijk voorwerp: zichzelf, mijn woorden of mijn eis); וְנִחַמְתִּי (venichamti) betekent ‘en ik heb berouw’ of ‘en ik laat me troosten, ik zie ervan af’ (vergelijk Gen. 6:6–7; Ex. 32:14; Jona 3:10).

Wij vertalen: ‘Daarom neem ik terug wat ik zei, en ik heb berouw, in stof en as.’

Job zit in stof en as (2:8) en verandert van houding, zonder zijn onschuld te ontkennen (vergelijk 42:7: ‘zoals Mijn dienaar Job’).

Yahweh spreekt over de vrienden

7Nadat Yahweh deze woorden tot Job had gesproken, zei Yahweh tot Elifaz de Temaniet: „Mijn toorn is ontbrand tegen jou en tegen je twee vrienden. Want jullie hebben niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job dat deed.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het geschiedde
אַחַ֨ר
(achar)
nadat
דִּבֶּ֧ר
(diber)
sprak
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֥ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
אֶל
(el)
tot
אִיּ֑וֹב
(iyov)
Job
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
dat zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
אֱלִיפַ֣ז
(elifaz)
Elifaz
הַתֵּֽימָנִ֗י
(hateimani)
de Temaniet
חָרָ֨ה
(chara)
ontbrand is
אַפִּ֤י
(api)
Mijn toorn
בְךָ֙
(bekha)
tegen jou
וּבִשְׁנֵ֣י
(uvishnei)
en tegen twee van
רֵעֶ֔יךָ
(reeikha)
je vrienden
כִּ֠י
(ki)
omdat
לֹ֣א
(lo)
niet
דִבַּרְתֶּ֥ם
(dibartem)
hebben jullie gesproken
אֵלַ֛י
(elay)
tot Mij
נְכוֹנָ֖ה
(nekhona)
wat juist is
כְּעַבְדִּ֥י
(keavdi)
zoals Mijn dienaar
אִיּֽוֹב
(iyov)
Job
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Elifaz kwam uit Teman (zie 2:11).

Uitleg

Yahweh spreekt Elifaz aan, de eerste van de drie vrienden die sprak, en zegt dat zij ‘niet juist’ over Hem hebben gesproken (nekonah, ‘wat vaststaat’), ‘zoals Mijn dienaar Job’.

Job wordt daarmee beschreven als dienaar van Yahweh (1:8; 2:3) en als degene die de waarheid sprak, ook toen hij klaagde.

Elihu wordt niet genoemd.

8Neem nu zeven stieren en zeven rammen, ga naar Mijn dienaar Job en offer een brandoffer voor jullie zelf. Mijn dienaar Job zal voor jullie bidden, want zijn aangezicht zal Ik aannemen, zodat Ik jullie niet naar jullie dwaasheid behandel. Want jullie hebben niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job dat deed.”
וְעַתָּ֡ה
(veata)
en nu
קְחֽוּ
(qechu)
neem
לָכֶ֣ם
(lakhem)
voor jullie
שִׁבְעָֽה
(shiva)
zeven
פָרִים֩
(parim)
stieren
וְשִׁבְעָ֨ה
(veshiva)
en zeven
אֵילִ֜ים
(eilim)
rammen
וּלְכ֣וּ
(ulekhu)
en ga
אֶל
(el)
naar
עַבְדִּ֣י
(avdi)
Mijn dienaar
אִיּ֗וֹב
(iyov)
Job
וְהַעֲלִיתֶ֤ם
(vehaalitem)
en offer
עוֹלָה֙
(ola)
een brandoffer
בַּֽעַדְכֶ֔ם
(baadkhem)
voor jullie zelf
וְאִיּ֣וֹב
(veiyov)
en Job
עַבְדִּ֔י
(avdi)
Mijn dienaar
יִתְפַּלֵּ֖ל
(yitpalel)
zal bidden
עֲלֵיכֶ֑ם
(aleikhem)
voor jullie
כִּ֧י
(ki)
want
אִם
(im)
indien niet
פָּנָ֣יו
(panav)
zijn aangezicht
אֶשָּׂ֗א
(esa)
Ik zal aannemen
לְבִלְתִּ֞י
(levilti)
opdat niet
עֲשׂ֤וֹת
(asot)
te doen
עִמָּכֶם֙
(imakhem)
met jullie
נְבָלָ֔ה
(nevala)
dwaasheid
כִּ֠י
(ki)
omdat
לֹ֣א
(lo)
niet
דִבַּרְתֶּ֥ם
(dibartem)
hebben jullie gesproken
אֵלַ֛י
(elay)
tot Mij
נְכוֹנָ֖ה
(nekhona)
wat juist is
כְּעַבְדִּ֥י
(keavdi)
zoals Mijn dienaar
אִיּֽוֹב
(iyov)
Job
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשָׂא פָּנִים (nasa panim), letterlijk ‘het gezicht opheffen’, is: iemand gunstig aanzien en zijn gebed aannemen.

Wij vertalen ‘het aangezicht aannemen’ (ook in vers 9).

Zeven stieren en zeven rammen: een groot offer (Num. 23:1, 29). Job, de ‘dienaar’, treedt op als voorbidder voor de drie die hem veroordeeld hadden (vergelijk 1:5 waar Job zelf offers brengt voor zijn kinderen; Gen. 20:7; Jak. 5:16).

9Elifaz de Temaniet, Bildad de Sjuchiet en Zofar de Naämatiet gingen en deden wat Yahweh tot hen gesproken had, en Yahweh nam Jobs aangezicht aan.
וַיֵּלְכוּ֩
(vayelekhu)
en gingen
אֱלִיפַ֨ז
(elifaz)
Elifaz
הַתֵּֽימָנִ֜י
(hateimani)
de Temaniet
וּבִלְדַּ֣ד
(uvildad)
en Bildad
הַשּׁוּחִ֗י
(hashuchi)
de Sjuchiet
צֹפַר֙
(tsofar)
Zofar
הַנַּ֣עֲמָתִ֔י
(hanaamati)
de Naämatiet
וַֽיַּעֲשׂ֔וּ
(vayaasu)
en deden
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
sprak
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
tot hen
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּשָּׂ֥א
(vayisa)
en nam aan
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
אִיּֽוֹב
(iyov)
Job
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Elifaz kwam uit Teman, Bildad uit Sjuach en Zofar uit Naäma, waarvan de ligging onbekend is (zie 2:11).

Yahweh keert Jobs lot

10Yahweh keerde het lot van Job toen hij voor zijn vrienden bad, en Yahweh gaf Job alles wat hij had gehad dubbel terug.
וַֽיהוָ֗ה
(vaYahweh)
en Yahweh
שָׁ֚ב
(shav)
keerde
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁב֣וּת
(shevut)
het lot van
אִיּ֔וֹב
(iyov)
Job
בְּהִֽתְפַּֽלְל֖וֹ
(behitpallo)
toen hij bad
בְּעַ֣ד
(bead)
voor
רֵעֵ֑הוּ
(reehu)
zijn vrienden
וַ֧יֹּסֶף
(vayosef)
en vermeerderde
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
לְאִיּ֖וֹב
(leiyov)
van Job
לְמִשְׁנֶֽה
(lemishne)
dubbel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het lot keren (shuv shevut) is een uitdrukking voor herstel: Deut. 30:3; Ps. 14:7; Jer. 29:14.

Job wordt hersteld op het moment dat hij voor zijn vrienden bidt: zijn vergevingsgezindheid gaat aan zijn herstel vooraf.

Zie ook Jak. 5:11.

11Al zijn broers, al zijn zusters en al zijn vroegere bekenden kwamen bij hem. Ze aten brood met hem in zijn huis, toonden medeleven en troostten hem over al het onheil dat Yahweh over hem had gebracht. Ieder gaf hem een kesita en een gouden ring.
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en kwamen
אֵ֠לָיו
(elav)
tot hem
כָּל
(kal)
al
אֶחָ֨יו
(echav)
zijn broers
וְכָל
(vekhal)
en al
אַחְיוֹתָ֜יו
(achyotav)
zijn zusters
וְכָל
(vekhal)
en al
יֹדְעָ֣יו
(yodeav)
zijn bekenden
לְפָנִ֗ים
(lefanim)
van tevoren
וַיֹּאכְל֨וּ
(vayokhlu)
en aten
עִמּ֣וֹ
(imo)
met hem
לֶחֶם֮
(lechem)
brood
בְּבֵיתוֹ֒
(beveito)
in zijn huis
וַיָּנֻ֤דוּ
(vayanudu)
en toonden medeleven
לוֹ֙
(lo)
hem
וַיְנַחֲמ֣וּ
(vaynachamu)
en troostten
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
עַ֚ל
(al)
over
כָּל
(kal)
al
הָ֣רָעָ֔ה
(haraa)
het onheil
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הֵבִ֥יא
(hevi)
had gebracht
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עָלָ֑יו
(alav)
over hem
וַיִּתְּנוּ
(vayitenu)
en gaven
ל֗וֹ
(lo)
hem
אִ֚ישׁ
(ish)
ieder
קְשִׂיטָ֣ה
(qesita)
een kesita
אֶחָ֔ת
(echat)
één
וְאִ֕ישׁ
(veish)
en ieder
נֶ֥זֶם
(nezem)
een ring van
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een kesita (קְשִׂיטָה, qesitah) is een betaalstuk van onbekende waarde, ook in Gen. 33:19 en Joz. 24:32 genoemd voor de koop van grond bij Sichem.

De gouden ring (nezem) is een neus- of oorring (Gen. 24:22).

Het latere leven van Job

12Yahweh zegende het latere leven van Job meer dan zijn begin: hij kreeg veertienduizend schapen, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen.
וַֽיהוָ֗ה
(vaYahweh)
en Yahweh
בֵּרַ֛ךְ
(berakh)
zegende
אֶת
(et)
(obj.)
אַחֲרִ֥ית
(acharit)
het einde van
אִיּ֖וֹב
(iyov)
Job
מֵרֵאשִׁת֑וֹ
(mereshito)
meer dan zijn begin
וַֽיְהִי
(vayhi)
en waren
ל֡וֹ
(lo)
hem
אַרְבָּעָה֩
(arbaa)
vier
עָשָׂ֨ר
(asar)
tien
אֶ֜לֶף
(elef)
duizend
צֹ֗אן
(tson)
schapen
וְשֵׁ֤שֶׁת
(vesheshet)
en zes
אֲלָפִים֙
(alafim)
duizenden
גְּמַלִּ֔ים
(gemalim)
kamelen
וְאֶֽלֶף
(veelef)
en duizend
צֶ֥מֶד
(tsemed)
span
בָּקָ֖ר
(baqar)
runderen
וְאֶ֥לֶף
(veelef)
en duizend
אֲתוֹנֽוֹת
(atonot)
ezelinnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De getallen zijn precies het dubbele van die in 1:3: 7000 schapen worden 14.000, 3000 kamelen worden 6000, 500 span runderen worden 1000, 500 ezelinnen worden 1000.

13Zeven zonen en drie dochters kreeg hij.
וַֽיְהִי
(vayhi)
en waren
ל֛וֹ
(lo)
hem
שִׁבְעָ֥נָה
(shivana)
zeven
בָנִ֖ים
(banim)
zonen
וְשָׁל֥וֹשׁ
(veshalosh)
en drie
בָּנֽוֹת
(banot)
dochters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14De eerste noemde hij Jemima, de tweede Kesia en de derde Keren-Happoech.
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en hij noemde
שֵׁם
(shem)
de naam van
הָֽאַחַת֙
(haachat)
de eerste
יְמִימָ֔ה
(yemima)
Jemima
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
הַשֵּׁנִ֖ית
(hashenit)
de tweede
קְצִיעָ֑ה
(qetsia)
Kesia
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
הַשְּׁלִישִׁ֖ית
(hashelishit)
de derde
קֶ֥רֶן
(qeren)
Keren
הַפּֽוּךְ
(hapukh)
Happoech
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De namen van de dochters: Jemima (יְמִימָה, yemimah) wordt gewoonlijk verklaard als ‘dag’ of ‘duif’; Kesia (קְצִיעָה, qetsiah) is ‘kassia’, een specerij (Ps. 45:9); Keren-Happoech (קֶרֶן הַפּוּךְ, qeren happukh) is ‘hoorn van oogschaduw’ (antimoon), een cosmetisch middel.

De namen verwijzen naar schoonheid.

Zie ookPs 45:10
15In heel het land vond men geen vrouwen zo mooi als de dochters van Job, en hun vader gaf hun een erfdeel te midden van hun broers.
וְלֹ֨א
(velo)
en niet
נִמְצָ֜א
(nimtsa)
werden gevonden
נָשִׁ֥ים
(nashim)
vrouwen
יָפ֛וֹת
(yafot)
mooie
כִּבְנ֥וֹת
(kivnot)
zoals de dochters van
אִיּ֖וֹב
(iyov)
Job
בְּכָל
(bekhal)
in heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en gaf
לָהֶ֧ם
(lahem)
hun
אֲבִיהֶ֛ם
(avihem)
hun vader
נַחֲלָ֖ה
(nachala)
een erfdeel
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
אֲחֵיהֶֽם
(acheihem)
hun broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jobs dochters krijgen een erfdeel ‘te midden van hun broers’, wat ongebruikelijk is in Israël (Num. 27:1–11 regelt het alleen als er geen zonen zijn).

16Daarna leefde Job 140 jaar, en hij zag zijn zonen en de zonen van zijn zonen, vier generaties.
וַיְחִ֤י
(vaychi)
en leefde
אִיּוֹב֙
(iyov)
Job
אַֽחֲרֵי
(acharei)
na
זֹ֔את
(zot)
dit
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
וְאַרְבָּעִ֖ים
(vearbaim)
en veertig
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וַיִּרְאֶ֗ה
(vayire)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
בָּנָיו֙
(banav)
zijn zonen
וְאֶת
(veet)
en
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
בָנָ֔יו
(banav)
zijn zonen
אַרְבָּעָ֖ה
(arbaa)
vier
דֹּרֽוֹת
(dorot)
generaties
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

140 jaar is het dubbele van de gewone ‘zeventig jaar’ (Ps. 90:10).

‘Vier generaties’ (dorot): Job ziet zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen.

17Toen stierf Job, oud en verzadigd van dagen.
וַיָּ֣מָת
(vayamat)
en stierf
אִיּ֔וֹב
(iyov)
Job
זָקֵ֖ן
(zaqen)
oud
וּשְׂבַ֥ע
(useva)
en verzadigd van
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Oud en verzadigd van dagen’ is dezelfde uitdrukking als bij Abraham (Gen. 25:8), Isaak (Gen. 35:29) en David (1 Kron. 29:28).

De Septuaginta voegt hier een lange aanvulling toe (over Jobs herkomst en nageslacht), die in de Masoretische tekst ontbreekt.