Elohim Bijbel

Lucas 9

123456789101112131415161718192021222324

De uitzending van de twaalf, de broden voor 5000, de belijdenis van Petrus, de verheerlijking en de weg naar Jeruzalem

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De twaalf worden uitgezonden

1Hij riep de twaalf bij elkaar en gaf hun kracht en gezag over alle demonen en om ziekten te genezen.
Συγκαλεσάμενος
(Synkalesamenos)
samengeroepen hebbend
δὲ
(de)
maar
τοὺς
(tous)
de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
αὐτοῖς
(autois)
hun
δύναμιν
(dynamin)
kracht
καὶ
(kai)
en
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
ἐπὶ
(epi)
over
πάντα
(panta)
alle
τὰ
(ta)
de
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
καὶ
(kai)
en
νόσους
(nosous)
ziekten
θεραπεύειν
(therapeuein)
te genezen
Bron: SBLGNT
Uitleg

οἱ δώδεκα (hoi dodeka), ‘de twaalf’: de kring van de twaalf leerlingen.

Zie ook Matt. 10:1; Mark. 6:7.

2Hij zond hen uit om het koninkrijk van Elohim te verkondigen en de zieken te genezen.
καὶ
(kai)
en
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
αὐτοὺς
(autous)
hen
κηρύσσειν
(keryssein)
te verkondigen
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
ἰᾶσθαι
(iasthai)
te genezen
τοὺς
(tous)
de
ἀσθενεῖς
(astheneis)
zieken
Bron: SBLGNT
3Hij zei tegen hen: „Neem niets mee voor onderweg: geen staf, geen reistas, geen brood, geen zilver, en geen twee hemden per persoon.
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tot
αὐτούς
(autous)
hen
Μηδὲν
(Meden)
niets
αἴρετε
(airete)
neemt
εἰς
(eis)
op
τὴν
(ten)
de
ὁδόν
(hodon)
weg
μήτε
(mete)
noch
ῥάβδον
(rhabdon)
staf
μήτε
(mete)
noch
πήραν
(peran)
reistas
μήτε
(mete)
noch
ἄρτον
(arton)
brood
μήτε
(mete)
noch
ἀργύριον
(argyrion)
zilver
μήτε
(mete)
noch
ἀνὰ
(ana)
per
δύο
(dyo)
twee
χιτῶνας
(chitonas)
hemden
ἔχειν
(echein)
te hebben
Bron: SBLGNT
Uitleg

πήρα (pera), ‘reistas’: een tas voor proviant. ἀργύριον (argyrion), ‘zilver’: zilvergeld. χιτών (chiton), ‘hemd’: het kledingstuk dat onder de mantel gedragen werd.

Zie ook Matt. 10:9–10; Mark. 6:8–9; Luc. 10:4.

4In welk huis jullie ook binnengaan, blijf daar en vertrek vandaar weer.
καὶ
(kai)
en
εἰς
(eis)
in
ἣν
(hen)
welk
ἂν
(an)
ook
οἰκίαν
(oikian)
huis
εἰσέλθητε
(eiselthete)
jullie binnengaan
ἐκεῖ
(ekei)
daar
μένετε
(menete)
blijft
καὶ
(kai)
en
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
ἐξέρχεσθε
(exerchesthe)
vertrekt
Bron: SBLGNT
5Waar men jullie niet ontvangt: ga uit die stad weg en schud het stof van jullie voeten als getuigenis tegen hen.”
καὶ
(kai)
en
ὅσοι
(hosoi)
zovelen
ἂν
(an)
ook
μὴ
(me)
niet
δέχωνται
(dechontai)
ontvangen
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἐξερχόμενοι
(exerchomenoi)
uitgaand
ἀπὸ
(apo)
uit
τῆς
(tes)
de
πόλεως
(poleos)
stad
ἐκείνης
(ekeines)
die
τὸν
(ton)
het
κονιορτὸν
(koniorton)
stof
ἀπὸ
(apo)
van
τῶν
(ton)
de
ποδῶν
(podon)
voeten
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἀποτινάσσετε
(apotinassete)
schudt af
εἰς
(eis)
tot
μαρτύριον
(martyrion)
getuigenis
ἐπ’
(ep’)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het stof afschudden van de voeten is een teken dat men met een plaats niets meer te maken wil hebben.

Zie ook Matt. 10:14; Mark. 6:11.

6Zij vertrokken en trokken door de dorpen. Overal brachten zij de goede boodschap en genazen zij.
ἐξερχόμενοι
(exerchomenoi)
uitgaand
δὲ
(de)
maar
διήρχοντο
(dierchonto)
trokken door
κατὰ
(kata)
langs
τὰς
(tas)
de
κώμας
(komas)
dorpen
εὐαγγελιζόμενοι
(euangelizomenoi)
goede boodschap brengend
καὶ
(kai)
en
θεραπεύοντες
(therapeuontes)
genezend
πανταχοῦ
(pantachou)
overal
Bron: SBLGNT

Herodes is in verwarring

7Herodes, de viervorst, hoorde alles wat er gebeurde en wist niet wat hij ervan moest denken. Want sommigen zeiden dat Johannes uit de doden was opgewekt,
Ἤκουσεν
(Ekousen)
hoorde
δὲ
(de)
maar
Ἡρῴδης
(Herodes)
Herodes
ὁ
(ho)
de
τετραάρχης
(tetraarches)
viervorst
τὰ
(ta)
wat
γινόμενα
(ginomena)
gebeurde
πάντα
(panta)
alles
καὶ
(kai)
en
διηπόρει
(dieporei)
was in verwarring
διὰ
(dia)
omdat
τὸ
(to)
het
λέγεσθαι
(legesthai)
gezegd werd
ὑπό
(hypo)
door
τινων
(tinon)
sommigen
ὅτι
(hoti)
dat
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
ἠγέρθη
(egerthe)
is opgewekt
ἐκ
(ek)
uit
νεκρῶν
(nekron)
doden
Bron: SBLGNT
Uitleg

τετραάρχης (tetraarches), ‘viervorst’: letterlijk heerser over een vierde deel.

Herodes Antipas bestuurde Galilea en Perea.

Zie ook Matt. 14:1–2; Mark. 6:14–16.

8anderen dat Elia verschenen was, en weer anderen dat een van de profeten van vroeger was opgestaan.
ὑπό
(hypo)
door
τινων
(tinon)
sommigen
δὲ
(de)
maar
ὅτι
(hoti)
dat
Ἠλίας
(Elias)
Elia
ἐφάνη
(ephane)
is verschenen
ἄλλων
(allon)
anderen
δὲ
(de)
maar
ὅτι
(hoti)
dat
προφήτης
(prophetes)
profeet
τις
(tis)
een
τῶν
(ton)
van de
ἀρχαίων
(archaion)
vroegere
ἀνέστη
(aneste)
is opgestaan
Bron: SBLGNT
Uitleg

Elia werd volgens Mal. 3:23 (in de Nederlandse telling 4:5) verwacht vóór de komst van de dag van Yahweh.

Zie ookMal 3:23
9Herodes zei: „Johannes heb ik laten onthoofden. Wie is dan deze, over wie ik zulke dingen hoor?” En hij probeerde Hem te zien.
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
(de)
Ἡρῴδης
(Herodes)
Herodes
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
ἐγὼ
(ego)
ik
ἀπεκεφάλισα
(apekephalisa)
liet onthoofden
τίς
(tis)
wie
δέ
(de)
maar
ἐστιν
(estin)
is
οὗτος
(houtos)
deze
περὶ
(peri)
over
οὗ
(hou)
wie
ἀκούω
(akouo)
ik hoor
τοιαῦτα
(toiauta)
zulke dingen
καὶ
(kai)
en
ἐζήτει
(ezetei)
probeerde
ἰδεῖν
(idein)
te zien
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπεκεφάλισα (apekephalisa), ‘ik liet onthoofden’: letterlijk ‘ik onthoofdde’; Herodes gaf het bevel.

Zie ook Matt. 14:3–12; Mark. 6:17–29.

Yeshua geeft 5000 mannen te eten

10Toen de apostelen terugkwamen, vertelden zij Hem alles wat zij gedaan hadden. Hij nam hen mee en trok zich met hen apart terug naar een stad die Betsaïda heet.
Καὶ
(Kai)
en
ὑποστρέψαντες
(hypostrepsantes)
teruggekeerd
οἱ
(hoi)
de
ἀπόστολοι
(apostoloi)
apostelen
διηγήσαντο
(diegesanto)
vertelden
αὐτῷ
(auto)
Hem
ὅσα
(hosa)
wat
ἐποίησαν
(epoiesan)
zij deden
καὶ
(kai)
en
παραλαβὼν
(paralabon)
meegenomen hebbend
αὐτοὺς
(autous)
hen
ὑπεχώρησεν
(hypechoresen)
trok zich terug
κατ’
(kat’)
in
ἰδίαν
(idian)
afzondering
εἰς
(eis)
naar
πόλιν
(polin)
stad
καλουμένην
(kaloumenen)
genaamd
Βηθσαϊδά
(Bethsaida)
Betsaïda
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Betsaïda: Betsaïda lag aan de noordkant van het meer van Galilea, vermoedelijk bij et-Tell, bij de monding van de Jordaan.

Ook el-Araj is voorgesteld.

Uitleg

ἀπόστολοι (apostoloi), ‘apostelen’: ‘gezondenen’, van ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’ (9:2).

Zie ook Matt. 14:13; Mark. 6:30–32; Joh. 6:1.

Lezing

Sommige handschriften hebben ‘naar een verlaten plaats bij een stad die Betsaïda heet’.

Wij volgen de SBLGNT.

11Toen de menigten dat merkten, volgden zij Hem. Hij ontving hen, sprak met hen over het koninkrijk van Elohim en genas wie genezing nodig hadden.
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
γνόντες
(gnontes)
gemerkt hebbend
ἠκολούθησαν
(ekolouthesan)
volgden
αὐτῷ
(auto)
Hem
καὶ
(kai)
en
ἀποδεξάμενος
(apodexamenos)
ontvangen hebbend
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἐλάλει
(elalei)
sprak
αὐτοῖς
(autois)
met hen
περὶ
(peri)
over
τῆς
(tes)
het
βασιλείας
(basileias)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
degenen die
χρείαν
(chreian)
behoefte
ἔχοντας
(echontas)
hadden aan
θεραπείας
(therapeias)
genezing
ἰᾶτο
(iato)
genas
Bron: SBLGNT
12De dag begon te dalen. De twaalf kwamen naar Hem toe en zeiden: „Stuur de menigte weg. Dan kunnen zij naar de dorpen en landerijen in de omtrek gaan om onderdak en voedsel te vinden. Want wij zijn hier in een afgelegen streek.”
Ἡ
(He)
de
δὲ
(de)
maar
ἡμέρα
(hemera)
dag
ἤρξατο
(erxato)
begon
κλίνειν
(klinein)
te dalen
προσελθόντες
(proselthontes)
genaderd
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
Hem
Ἀπόλυσον
(Apolyson)
stuur weg
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
ἵνα
(hina)
opdat
πορευθέντες
(poreuthentes)
gegaan
εἰς
(eis)
naar
τὰς
(tas)
de
κύκλῳ
(kyklo)
omliggende
κώμας
(komas)
dorpen
καὶ
(kai)
en
ἀγροὺς
(agrous)
landerijen
καταλύσωσιν
(katalysosin)
zij onderdak vinden
καὶ
(kai)
en
εὕρωσιν
(heurosin)
zij vinden
ἐπισιτισμόν
(episitismon)
voedsel
ὅτι
(hoti)
omdat
ὧδε
(hode)
hier
ἐν
(en)
in
ἐρήμῳ
(eremo)
afgelegen
τόπῳ
(topo)
plaats
ἐσμέν
(esmen)
wij zijn
Bron: SBLGNT
13Hij zei tegen hen: „Geef jullie hun te eten.” Zij zeiden: „Wij hebben niet meer dan 5 broden en 2 vissen, tenzij wij zelf gaan en voor heel dit volk voedsel kopen.”
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
tot
αὐτούς
(autous)
hen
Δότε
(Dote)
geeft
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
φαγεῖν
(phagein)
te eten
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Οὐκ
(Ouk)
niet
εἰσὶν
(eisin)
zijn
ἡμῖν
(hemin)
ons
πλεῖον
(pleion)
meer
ἢ
(e)
dan
ἄρτοι
(artoi)
broden
πέντε
(pente)
vijf
καὶ
(kai)
en
ἰχθύες
(ichthyes)
vissen
δύο
(dyo)
twee
εἰ
(ei)
tenzij
μήτι
(meti)
misschien
πορευθέντες
(poreuthentes)
gegaan
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
ἀγοράσωμεν
(agorasomen)
kopen
εἰς
(eis)
voor
πάντα
(panta)
heel
τὸν
(ton)
het
λαὸν
(laon)
volk
τοῦτον
(touton)
dit
βρώματα
(bromata)
voedsel
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Geef jullie hun te eten’: ‘jullie’ is nadrukkelijk (ὑμεῖς, hymeis).

Zie ook Matt. 14:15–21; Mark. 6:35–44; Joh. 6:5–13.

14Het waren namelijk ongeveer 5000 mannen. Hij zei tegen Zijn leerlingen: „Laat hen gaan zitten, ongeveer 50 per groep.”
ἦσαν
(esan)
waren
γὰρ
(gar)
want
ὡσεὶ
(hosei)
ongeveer
ἄνδρες
(andres)
mannen
πεντακισχίλιοι
(pentakischilioi)
vijfduizend
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
tot
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Κατακλίνατε
(Kataklinate)
laat zitten
αὐτοὺς
(autous)
hen
κλισίας
(klisias)
groepen
ὡσεὶ
(hosei)
ongeveer
ἀνὰ
(ana)
per
πεντήκοντα
(pentekonta)
vijftig
Bron: SBLGNT
Uitleg

κλισία (klisia), ‘groep’: een groep mensen die samen aanliggen aan tafel.

Ongeveer 5000 mannen: vrouwen en kinderen zijn niet meegeteld (zie Matt. 14:21).

Zie ookMat 14:21
15Zij deden dat en lieten allen gaan zitten.
καὶ
(kai)
en
ἐποίησαν
(epoiesan)
deden
οὕτως
(houtos)
zo
καὶ
(kai)
en
κατέκλιναν
(kateklinan)
lieten zitten
ἅπαντας
(hapantas)
allen
Bron: SBLGNT
16Hij nam de 5 broden en de 2 vissen, keek op naar de hemel en sprak de zegen erover uit. Hij brak ze en gaf ze aan de leerlingen om aan de menigte uit te delen.
λαβὼν
(labon)
genomen hebbend
δὲ
(de)
maar
τοὺς
(tous)
de
πέντε
(pente)
vijf
ἄρτους
(artous)
broden
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
δύο
(dyo)
twee
ἰχθύας
(ichthyas)
vissen
ἀναβλέψας
(anablepsas)
opgekeken hebbend
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
οὐρανὸν
(ouranon)
hemel
εὐλόγησεν
(eulogesen)
zegende
αὐτοὺς
(autous)
die
καὶ
(kai)
en
κατέκλασεν
(kateklasen)
brak
καὶ
(kai)
en
ἐδίδου
(edidou)
gaf
τοῖς
(tois)
aan de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
παραθεῖναι
(paratheinai)
voor te zetten
τῷ
(to)
aan de
ὄχλῳ
(ochlo)
menigte
Bron: SBLGNT
Uitleg

εὐλόγησεν (eulogesen), ‘sprak de zegen uit’: een lofprijzing over het brood. κατέκλασεν (kateklasen), ‘brak’.

17Zij aten en werden allen verzadigd. Wat zij overhadden aan stukken werd opgeraapt: twaalf manden.
καὶ
(kai)
en
ἔφαγον
(ephagon)
aten
καὶ
(kai)
en
ἐχορτάσθησαν
(echortasthesan)
werden verzadigd
πάντες
(pantes)
allen
καὶ
(kai)
en
ἤρθη
(erthe)
werd opgeraapt
τὸ
(to)
wat
περισσεῦσαν
(perisseusan)
overbleef
αὐτοῖς
(autois)
hun
κλασμάτων
(klasmaton)
van stukken
κόφινοι
(kophinoi)
manden
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
Bron: SBLGNT
Uitleg

κόφινος (kophinos), ‘mand’: een stevige mand.

Ook Joh. 6:13 noemt twaalf manden.

Zie ookJoh 6:13

Petrus belijdt dat Yeshua de Messias is

18Toen Hij een keer alleen aan het bidden was, waren de leerlingen bij Hem. Hij vroeg hun: „Wie zeggen de menigten dat Ik ben?”
Καὶ
(Kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
het gebeurde
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
εἶναι
(einai)
zijn
αὐτὸν
(auton)
Hem
προσευχόμενον
(proseuchomenon)
biddend
κατὰ
(kata)
in
μόνας
(monas)
eenzaamheid
συνῆσαν
(synesan)
waren bij
αὐτῷ
(auto)
Hem
οἱ
(hoi)
de
μαθηταί
(mathetai)
leerlingen
καὶ
(kai)
en
ἐπηρώτησεν
(eperotesen)
vroeg
αὐτοὺς
(autous)
hen
λέγων
(legon)
zeggend
Τίνα
(Tina)
wie
με
(me)
mij
οἱ
(hoi)
de
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
εἶναι
(einai)
te zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

κατὰ μόνας (kata monas), ‘alleen’: letterlijk ‘op eenzame wijze’.

Zie ook Matt. 16:13–20; Mark. 8:27–30.

19Zij antwoordden: „Johannes de Doper. Anderen zeggen Elia, en weer anderen dat een van de profeten van vroeger is opgestaan.”
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθέντες
(apokrithentes)
antwoordend
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
τὸν
(ton)
de
βαπτιστήν
(baptisten)
Doper
ἄλλοι
(alloi)
anderen
δὲ
(de)
maar
Ἠλίαν
(Elian)
Elia
ἄλλοι
(alloi)
anderen
δὲ
(de)
maar
ὅτι
(hoti)
dat
προφήτης
(prophetes)
profeet
τις
(tis)
een
τῶν
(ton)
van de
ἀρχαίων
(archaion)
vroegere
ἀνέστη
(aneste)
is opgestaan
Bron: SBLGNT
20Hij zei tegen hen: „En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?” Petrus antwoordde: „De Messias van Elohim.”
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Ὑμεῖς
(Hymeis)
jullie
δὲ
(de)
maar
τίνα
(tina)
wie
με
(me)
mij
λέγετε
(legete)
zeggen jullie
εἶναι
(einai)
te zijn
Πέτρος
(Petros)
Petrus
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
Τὸν
(Ton)
de
χριστὸν
(christon)
Messias
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

χριστός (christos), ‘Messias’: zie 2:11.

21Hij bestrafte hen en gebood hun dit aan niemand te zeggen.
Ὁ
(Ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
ἐπιτιμήσας
(epitimesas)
bestraft hebbend
αὐτοῖς
(autois)
hen
παρήγγειλεν
(parengeilen)
gebood
μηδενὶ
(medeni)
aan niemand
λέγειν
(legein)
te zeggen
τοῦτο
(touto)
dit
Bron: SBLGNT
22Hij zei dat de Mensenzoon veel moest lijden en door de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen moest worden. De Mensenzoon moest gedood worden en op de derde dag opgewekt worden.
εἰπὼν
(eipon)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
Δεῖ
(Dei)
moet
τὸν
(ton)
de
υἱὸν
(huion)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
πολλὰ
(polla)
veel
παθεῖν
(pathein)
lijden
καὶ
(kai)
en
ἀποδοκιμασθῆναι
(apodokimasthenai)
verworpen worden
ἀπὸ
(apo)
door
τῶν
(ton)
de
πρεσβυτέρων
(presbyteron)
oudsten
καὶ
(kai)
en
ἀρχιερέων
(archiereon)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
γραμματέων
(grammateon)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
ἀποκτανθῆναι
(apoktanthenai)
gedood worden
καὶ
(kai)
en
τῇ
(te)
op de
τρίτῃ
(trite)
derde
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
ἐγερθῆναι
(egerthenai)
opgewekt worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

δεῖ (dei), ‘moest’: ‘het is nodig, het moet’.

‘De Mensenzoon’: zie 5:24.

Zie ook Matt. 16:21; Mark. 8:31.

Wat het kost om Yeshua te volgen

23Hij zei tegen allen: „Als iemand achter Mij aan wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, elke dag zijn kruis opnemen en Mij volgen.
Ἔλεγεν
(Elegen)
zei
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
tot
πάντας
(pantas)
allen
Εἴ
(Ei)
als
τις
(tis)
iemand
θέλει
(thelei)
wil
ὀπίσω
(opiso)
achter
μου
(mou)
mij
ἔρχεσθαι
(erchesthai)
komen
ἀρνησάσθω
(arnesastho)
laat hem verloochenen
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
καὶ
(kai)
en
ἀράτω
(arato)
opnemen
τὸν
(ton)
het
σταυρὸν
(stauron)
kruis
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καθ’
(kath’)
per
ἡμέραν
(hemeran)
dag
καὶ
(kai)
en
ἀκολουθείτω
(akoloutheito)
volgen
μοι
(moi)
mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het kruis opnemen: de veroordeelde droeg zelf de dwarsbalk naar de plaats van terechtstelling.

Hier is het een beeld voor bereidheid tot lijden.

Zie ook Matt. 16:24–28; Mark. 8:34–9:1.

24Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, die zal het redden.
ὃς
(hos)
wie
γὰρ
(gar)
want
ἂν
(an)
ook
θέλῃ
(thele)
wil
τὴν
(ten)
het
ψυχὴν
(psychen)
leven
αὐτοῦ
(autou)
zijn
σῶσαι
(sosai)
redden
ἀπολέσει
(apolesei)
zal verliezen
αὐτήν
(auten)
het
ὃς
(hos)
wie
δ’
(d’)
maar
ἂν
(an)
ook
ἀπολέσῃ
(apolese)
verliest
τὴν
(ten)
het
ψυχὴν
(psychen)
leven
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἕνεκεν
(heneken)
omwille van
ἐμοῦ
(emou)
Mij
οὗτος
(houtos)
die
σώσει
(sosei)
zal redden
αὐτήν
(auten)
het
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψυχή (psyche), ‘leven’: het woord betekent ook ‘ziel, mens zelf’.

25Want wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of schade lijdt?
τί
(ti)
wat
γὰρ
(gar)
want
ὠφελεῖται
(opheleitai)
heeft eraan
ἄνθρωπος
(anthropos)
een mens
κερδήσας
(kerdesas)
gewonnen hebbend
τὸν
(ton)
de
κόσμον
(kosmon)
wereld
ὅλον
(holon)
hele
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
δὲ
(de)
maar
ἀπολέσας
(apolesas)
verloren hebbend
ἢ
(e)
of
ζημιωθείς
(zemiotheis)
schade geleden hebbend
Bron: SBLGNT
26Want wie zich schaamt voor Mij en voor Mijn woorden, voor die zal de Mensenzoon zich schamen. Dat zal zijn wanneer Hij komt in Zijn heerlijkheid en in die van de Vader en van de heilige engelen.
ὃς
(hos)
wie
γὰρ
(gar)
want
ἂν
(an)
ook
ἐπαισχυνθῇ
(epaischynthe)
zich schaamt
με
(me)
mij
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
ἐμοὺς
(emous)
mijn
λόγους
(logous)
woorden
τοῦτον
(touton)
voor die
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
ἐπαισχυνθήσεται
(epaischynthesetai)
zal zich schamen
ὅταν
(hotan)
wanneer
ἔλθῃ
(elthe)
Hij komt
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
δόξῃ
(doxe)
heerlijkheid
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
τοῦ
(tou)
van de
πατρὸς
(patros)
Vader
καὶ
(kai)
en
τῶν
(ton)
van de
ἁγίων
(hagion)
heilige
ἀγγέλων
(angelon)
engelen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 16:27; Mark. 8:38.

27Ik zeg jullie in waarheid: sommigen van hen die hier staan, zullen de dood zeker niet proeven voordat zij het koninkrijk van Elohim gezien hebben.”
λέγω
(lego)
ik zeg
δὲ
(de)
maar
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἀληθῶς
(alethos)
in waarheid
εἰσίν
(eisin)
zijn
τινες
(tines)
sommigen
τῶν
(ton)
van de
αὐτοῦ
(autou)
hier
ἑστηκότων
(hestekoton)
staanden
οἳ
(hoi)
die
οὐ
(ou)
zeker
μὴ
(me)
niet
γεύσωνται
(geusontai)
zullen proeven
θανάτου
(thanatou)
dood
ἕως
(heos)
totdat
ἂν
(an)
ooit
ἴδωσιν
(idosin)
zij zien
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

οὐ μὴ γεύσωνται θανάτου (ou me geusontai thanatou), ‘de dood zeker niet proeven’: een uitdrukking voor sterven.

Yeshua verheerlijkt op de berg

28Ongeveer 8 dagen na deze woorden nam Hij Petrus, Johannes en Jakobus mee en ging de berg op om te bidden.
Ἐγένετο
(Egeneto)
het gebeurde
δὲ
(de)
maar
μετὰ
(meta)
na
τοὺς
(tous)
de
λόγους
(logous)
woorden
τούτους
(toutous)
deze
ὡσεὶ
(hosei)
ongeveer
ἡμέραι
(hemerai)
dagen
ὀκτὼ
(okto)
acht
καὶ
(kai)
en
παραλαβὼν
(paralabon)
meegenomen hebbend
Πέτρον
(Petron)
Petrus
καὶ
(kai)
en
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
καὶ
(kai)
en
Ἰάκωβον
(Iakobon)
Jakobus
ἀνέβη
(anebe)
ging op
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
ὄρος
(oros)
berg
προσεύξασθαι
(proseuxasthai)
om te bidden
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ongeveer 8 dagen: Matteüs en Markus hebben ‘na 6 dagen’ (Matt. 17:1; Mark. 9:2).

Zie ook Matt. 17:1–8; Mark. 9:2–8.

29Terwijl Hij bad, veranderde het uiterlijk van Zijn gezicht en werd Zijn kleding wit en schitterend.
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
het gebeurde
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
προσεύχεσθαι
(proseuchesthai)
bidden
αὐτὸν
(auton)
Hem
τὸ
(to)
het
εἶδος
(eidos)
uiterlijk
τοῦ
(tou)
van het
προσώπου
(prosopou)
gezicht
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἕτερον
(heteron)
anders
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
ἱματισμὸς
(himatismos)
kleding
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
λευκὸς
(leukos)
wit
ἐξαστράπτων
(exastrapton)
schitterend
Bron: SBLGNT
30En zie: twee mannen spraken met Hem. Het waren Mozes en Elia.
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἄνδρες
(andres)
mannen
δύο
(dyo)
twee
συνελάλουν
(synelaloun)
spraken met
αὐτῷ
(auto)
Hem
οἵτινες
(hoitines)
die
ἦσαν
(esan)
waren
Μωϋσῆς
(Moyses)
Mozes
καὶ
(kai)
en
Ἠλίας
(Elias)
Elia
Bron: SBLGNT
31Zij verschenen in heerlijkheid en spraken over Zijn heengaan, dat Hij in Jeruzalem zou volbrengen.
οἳ
(hoi)
die
ὀφθέντες
(ophthentes)
verschenen
ἐν
(en)
in
δόξῃ
(doxe)
heerlijkheid
ἔλεγον
(elegon)
spraken over
τὴν
(ten)
het
ἔξοδον
(exodon)
heengaan
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἣν
(hen)
dat
ἤμελλεν
(emellen)
Hij zou
πληροῦν
(pleroun)
volbrengen
ἐν
(en)
in
Ἰερουσαλήμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

ἔξοδον (exodon), ‘heengaan’: letterlijk ‘uitgang’, hier de dood van Yeshua, die in Jeruzalem volbracht wordt.

Hetzelfde woord kan ook ‘uittocht’ betekenen, zoals de uittocht uit Egypte.

32Petrus en wie bij hem waren, waren door slaap overmand. Toen zij wakker werden, zagen zij Zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Πέτρος
(Petros)
Petrus
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
zij die
σὺν
(syn)
met
αὐτῷ
(auto)
Hem
ἦσαν
(esan)
waren
βεβαρημένοι
(bebaremenoi)
bezwaard
ὕπνῳ
(hypno)
door slaap
διαγρηγορήσαντες
(diagregoresantes)
wakker geworden
δὲ
(de)
maar
εἶδον
(eidon)
zagen
τὴν
(ten)
de
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
δύο
(dyo)
twee
ἄνδρας
(andras)
mannen
τοὺς
(tous)
die
συνεστῶτας
(synestotas)
stonden bij
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

διαγρηγορήσαντες (diagregoresantes), ‘wakker geworden’: het Grieks kan ook ‘wakker gebleven’ betekenen.

Het woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor.

33Toen die van Hem weggingen, zei Petrus tegen Yeshua: „Meester, het is goed dat wij hier zijn. Laten wij 3 hutten maken: een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.” Hij wist niet wat hij zei.
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
het gebeurde
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
διαχωρίζεσθαι
(diachorizesthai)
weggaan
αὐτοὺς
(autous)
zij
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτοῦ
(autou)
Hem
εἶπεν
(eipen)
zei
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
πρὸς
(pros)
tot
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
Ἐπιστάτα
(Epistata)
Meester
καλόν
(kalon)
goed
ἐστιν
(estin)
is
ἡμᾶς
(hemas)
dat wij
ὧδε
(hode)
hier
εἶναι
(einai)
zijn
καὶ
(kai)
en
ποιήσωμεν
(poiesomen)
laten wij maken
σκηνὰς
(skenas)
hutten
τρεῖς
(treis)
drie
μίαν
(mian)
een
σοὶ
(soi)
voor U
καὶ
(kai)
en
μίαν
(mian)
een
Μωϋσεῖ
(Moysei)
voor Mozes
καὶ
(kai)
en
μίαν
(mian)
een
Ἠλίᾳ
(Elia)
voor Elia
μὴ
(me)
niet
εἰδὼς
(eidos)
wetend
ὃ
(ho)
wat
λέγει
(legei)
hij zegt
Bron: SBLGNT
Uitleg

σκηνή (skene), ‘hut’: een tijdelijke verblijfplaats van takken. ἐπιστάτης (epistates), ‘Meester’; zie 8:24.

34Terwijl hij dit zei, kwam er een wolk die hen overschaduwde. Zij werden bang toen zij de wolk ingingen.
ταῦτα
(tauta)
dit
δὲ
(de)
maar
αὐτοῦ
(autou)
hij
λέγοντος
(legontos)
sprekend
ἐγένετο
(egeneto)
kwam
νεφέλη
(nephele)
wolk
καὶ
(kai)
en
ἐπεσκίαζεν
(epeskiazen)
overschaduwde
αὐτούς
(autous)
hen
ἐφοβήθησαν
(ephobethesan)
werden bang
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnengaan
αὐτοὺς
(autous)
zij
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
νεφέλην
(nephelen)
wolk
Bron: SBLGNT
35En uit de wolk kwam een stem: „Dit is Mijn Zoon, de Uitverkorene. Luister naar Hem.”
καὶ
(kai)
en
φωνὴ
(phone)
stem
ἐγένετο
(egeneto)
kwam
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
νεφέλης
(nepheles)
wolk
λέγουσα
(legousa)
zeggend
Οὗτός
(Houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
υἱός
(huios)
Zoon
μου
(mou)
Mijn
ὁ
(ho)
de
ἐκλελεγμένος
(eklelegmenos)
Uitverkorene
αὐτοῦ
(autou)
naar Hem
ἀκούετε
(akouete)
luistert
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὁ ἐκλελεγμένος (ho eklelegmenos), ‘de Uitverkorene’: letterlijk ‘de uitgekozene’; vergelijk Jes. 42:1.

Zie ook Matt. 17:5; Mark. 9:7.

Lezing

Sommige handschriften hebben ‘de geliefde’ (ἀγαπητός, agapetos), zoals in Matt. 17:5.

Wij volgen de SBLGNT.

36Toen de stem klonk, bleek Yeshua alleen te zijn. Zij zwegen en vertelden in die dagen aan niemand iets van wat zij gezien hadden.
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
γενέσθαι
(genesthai)
komen
τὴν
(ten)
de
φωνὴν
(phonen)
stem
εὑρέθη
(heurethe)
werd bevonden
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
μόνος
(monos)
alleen
καὶ
(kai)
en
αὐτοὶ
(autoi)
zij
ἐσίγησαν
(esigesan)
zwegen
καὶ
(kai)
en
οὐδενὶ
(oudeni)
aan niemand
ἀπήγγειλαν
(apengeilan)
vertelden
ἐν
(en)
in
ἐκείναις
(ekeinais)
die
ταῖς
(tais)
de
ἡμέραις
(hemerais)
dagen
οὐδὲν
(ouden)
niets
ὧν
(hon)
van wat
ἑώρακαν
(heorakan)
zij hebben gezien
Bron: SBLGNT

Yeshua geneest de jongen met de onreine geest

37De dag daarna, toen zij van de berg afgekomen waren, kwam een grote menigte Hem tegemoet.
Ἐγένετο
(Egeneto)
het gebeurde
δὲ
(de)
maar
τῇ
(te)
op de
ἑξῆς
(hexes)
volgende
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
κατελθόντων
(katelthonton)
afgekomen
αὐτῶν
(auton)
zij
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
ὄρους
(orous)
berg
συνήντησεν
(synentesen)
kwam tegemoet
αὐτῷ
(auto)
Hem
ὄχλος
(ochlos)
menigte
πολύς
(polys)
grote
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 17:14–21; Mark. 9:14–29.

38En zie: een man uit de menigte riep: „Leraar, ik smeek U, kijk naar mijn zoon om, want hij is mijn enige.
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἀνὴρ
(aner)
man
ἀπὸ
(apo)
uit
τοῦ
(tou)
de
ὄχλου
(ochlou)
menigte
ἐβόησεν
(eboesen)
riep
λέγων
(legon)
zeggend
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
δέομαί
(deomai)
ik smeek
σου
(sou)
U
ἐπιβλέψαι
(epiblepsai)
kijk om
ἐπὶ
(epi)
naar
τὸν
(ton)
de
υἱόν
(huion)
zoon
μου
(mou)
mijn
ὅτι
(hoti)
omdat
μονογενής
(monogenes)
enige
μοί
(moi)
mij
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
39En zie: een geest grijpt hem. Plotseling schreeuwt die en schudt hem hevig heen en weer, met schuim op de mond. Met moeite gaat die van hem weg en maakt hem daarbij kapot.
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
πνεῦμα
(pneuma)
geest
λαμβάνει
(lambanei)
grijpt
αὐτόν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
ἐξαίφνης
(exaiphnes)
plotseling
κράζει
(krazei)
schreeuwt
καὶ
(kai)
en
σπαράσσει
(sparassei)
schudt hevig heen en weer
αὐτὸν
(auton)
hem
μετὰ
(meta)
met
ἀφροῦ
(aphrou)
schuim
καὶ
(kai)
en
μόγις
(mogis)
met moeite
ἀποχωρεῖ
(apochorei)
gaat weg
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτοῦ
(autou)
hem
συντρῖβον
(syntribon)
kapotmakend
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

πνεῦμα (pneuma), ‘geest’: hier een boze geest die de jongen in zijn greep heeft.

40Ik heb Uw leerlingen gesmeekt hem uit te drijven, maar zij konden het niet.”
καὶ
(kai)
en
ἐδεήθην
(edeethen)
ik smeekte
τῶν
(ton)
de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
σου
(sou)
Uw
ἵνα
(hina)
opdat
ἐκβάλωσιν
(ekbalosin)
zij uitdreven
αὐτό
(auto)
hem
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἠδυνήθησαν
(edynethesan)
konden zij
Bron: SBLGNT
41Yeshua antwoordde: „O ongelovige en verdraaide generatie, hoelang moet Ik nog bij jullie zijn en jullie verdragen? Breng je zoon hier.”
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
Ὦ
(O)
o
γενεὰ
(genea)
generatie
ἄπιστος
(apistos)
ongelovige
καὶ
(kai)
en
διεστραμμένη
(diestrammene)
verdraaide
ἕως
(heos)
tot
πότε
(pote)
wanneer
ἔσομαι
(esomai)
zal ik zijn
πρὸς
(pros)
bij
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
καὶ
(kai)
en
ἀνέξομαι
(anexomai)
zal verdragen
ὑμῶν
(hymon)
jullie
προσάγαγε
(prosagage)
breng
ὧδε
(hode)
hier
τὸν
(ton)
de
υἱόν
(huion)
zoon
σου
(sou)
je
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Deut. 32:5: ‘een verdraaid en kronkelig geslacht’.

Zie ook Matt. 17:17; Mark. 9:19.

42Terwijl hij nog naar Hem toe kwam, wierp de demon hem neer en trok hem krampachtig heen en weer. Yeshua bestrafte de onreine geest, genas de jongen en gaf hem terug aan zijn vader.
ἔτι
(eti)
nog
δὲ
(de)
maar
προσερχομένου
(proserchomenou)
naderend
αὐτοῦ
(autou)
hij
ἔρρηξεν
(errexen)
wierp neer
αὐτὸν
(auton)
hem
τὸ
(to)
de
δαιμόνιον
(daimonion)
demon
καὶ
(kai)
en
συνεσπάραξεν
(synesparaxen)
trok krampachtig heen en weer
ἐπετίμησεν
(epetimesen)
bestrafte
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τῷ
(to)
aan de
πνεύματι
(pneumati)
geest
τῷ
(to)
de
ἀκαθάρτῳ
(akatharto)
onreine
καὶ
(kai)
en
ἰάσατο
(iasato)
genas
τὸν
(ton)
de
παῖδα
(paida)
jongen
καὶ
(kai)
en
ἀπέδωκεν
(apedoken)
gaf terug
αὐτὸν
(auton)
hem
τῷ
(to)
aan de
πατρὶ
(patri)
vader
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

παῖς (pais), ‘jongen’: het woord betekent ook ‘kind, knecht’; hier is het de zoon van de man uit 9:38.

De Mensenzoon staat op het punt overgeleverd te worden

43Allen stonden versteld van de grootheid van Elohim. Terwijl allen zich verwonderden over alles wat Hij deed, zei Hij tegen Zijn leerlingen:
ἐξεπλήσσοντο
(exeplessonto)
stonden versteld
δὲ
(de)
maar
πάντες
(pantes)
allen
ἐπὶ
(epi)
over
τῇ
(te)
de
μεγαλειότητι
(megaleioteti)
grootheid
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Πάντων
(Panton)
allen
δὲ
(de)
maar
θαυμαζόντων
(thaumazonton)
zich verwonderend
ἐπὶ
(epi)
over
πᾶσιν
(pasin)
alles
οἷς
(hois)
wat
ἐποίει
(epoiei)
Hij deed
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tot
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

μεγαλειότης (megaleiotes), ‘grootheid’: de majesteit van Elohim.

44„Laat jullie zelf deze woorden in jullie oren zinken: de Mensenzoon staat op het punt overgeleverd te worden in de handen van mensen.”
Θέσθε
(Thesthe)
laat zinken
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
εἰς
(eis)
in
τὰ
(ta)
de
ὦτα
(ota)
oren
ὑμῶν
(hymon)
jullie
τοὺς
(tous)
de
λόγους
(logous)
woorden
τούτους
(toutous)
deze
ὁ
(ho)
de
γὰρ
(gar)
want
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
μέλλει
(mellei)
staat op het punt
παραδίδοσθαι
(paradidosthai)
overgeleverd te worden
εἰς
(eis)
in
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἀνθρώπων
(anthropon)
van mensen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Θέσθε εἰς τὰ ὦτα (thesthe eis ta ota), letterlijk ‘leg in de oren’: wij schrijven ‘laat in jullie oren zinken’, dus goed onthouden. μέλλει (mellei), ‘staat op het punt’.

Zie ook Matt. 17:22–23; Mark. 9:30–32.

45Maar zij begrepen dit woord niet. Het was voor hen verborgen, zodat zij het niet zouden begrijpen, en zij waren bang Hem over dit woord te vragen.
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἠγνόουν
(egnooun)
begrepen niet
τὸ
(to)
het
ῥῆμα
(rhema)
woord
τοῦτο
(touto)
dit
καὶ
(kai)
en
ἦν
(en)
was
παρακεκαλυμμένον
(parakekalymmenon)
verborgen
ἀπ’
(ap’)
voor
αὐτῶν
(auton)
hen
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
αἴσθωνται
(aisthontai)
zij zouden begrijpen
αὐτό
(auto)
het
καὶ
(kai)
en
ἐφοβοῦντο
(ephobounto)
waren bang
ἐρωτῆσαι
(erotesai)
te vragen
αὐτὸν
(auton)
Hem
περὶ
(peri)
over
τοῦ
(tou)
het
ῥήματος
(rhematos)
woord
τούτου
(toutou)
dit
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Het was voor hen verborgen’: het Grieks laat open door wie (παρακεκαλυμμένον, parakekalymmenon); het kan op Elohim wijzen.

Wie is de grootste?

46Er ontstond een discussie onder hen over wie van hen de grootste was.
Εἰσῆλθεν
(Eiselthen)
kwam op
δὲ
(de)
maar
διαλογισμὸς
(dialogismos)
discussie
ἐν
(en)
onder
αὐτοῖς
(autois)
hen
τὸ
(to)
de
τίς
(tis)
wie
ἂν
(an)
ook
εἴη
(eie)
zou zijn
μείζων
(meizon)
grootste
αὐτῶν
(auton)
van hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 18:1–5; Mark. 9:33–37.

47Yeshua kende de gedachten van hun hart. Hij nam een kind, zette het naast Zich
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἰδὼς
(eidos)
wetend
τὸν
(ton)
de
διαλογισμὸν
(dialogismon)
discussie
τῆς
(tes)
van het
καρδίας
(kardias)
hart
αὐτῶν
(auton)
hun
ἐπιλαβόμενος
(epilabomenos)
genomen hebbend
παιδίον
(paidion)
kind
ἔστησεν
(estesen)
zette
αὐτὸ
(auto)
het
παρ’
(par’)
naast
ἑαυτῷ
(heauto)
Zich
Bron: SBLGNT
48en zei tegen hen: „Wie dit kind ontvangt in Mijn naam, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft. Want wie de kleinste is onder jullie allen, die is groot.”
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Ὃς
(Hos)
wie
ἂν
(an)
ook
δέξηται
(dexetai)
ontvangt
τοῦτο
(touto)
dit
τὸ
(to)
het
παιδίον
(paidion)
kind
ἐπὶ
(epi)
in
τῷ
(to)
de
ὀνόματί
(onomati)
naam
μου
(mou)
Mijn
ἐμὲ
(eme)
Mij
δέχεται
(dechetai)
ontvangt
καὶ
(kai)
en
ὃς
(hos)
wie
ἂν
(an)
ook
ἐμὲ
(eme)
Mij
δέξηται
(dexetai)
ontvangt
δέχεται
(dechetai)
ontvangt
τὸν
(ton)
Hem die
ἀποστείλαντά
(aposteilanta)
gezonden heeft
με
(me)
Mij
ὁ
(ho)
de
γὰρ
(gar)
want
μικρότερος
(mikroteros)
kleinste
ἐν
(en)
onder
πᾶσιν
(pasin)
allen
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὑπάρχων
(hyparchon)
zijnde
οὗτός
(houtos)
die
ἐστιν
(estin)
is
μέγας
(megas)
groot
Bron: SBLGNT
Uitleg

Een kind was in die tijd van weinig aanzien; wie zo iemand ontvangt, ontvangt Yeshua zelf.

Wie niet tegen jullie is

49Johannes antwoordde: „Meester, wij hebben iemand gezien die in Uw naam demonen uitdreef, en wij hebben hem tegengehouden, omdat hij ons niet volgt.”
Ἀποκριθεὶς
(Apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
maar
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἐπιστάτα
(Epistata)
Meester
εἴδομέν
(eidomen)
wij zagen
τινα
(tina)
iemand
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ὀνόματί
(onomati)
naam
σου
(sou)
Uw
ἐκβάλλοντα
(ekballonta)
uitdrijvend
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
καὶ
(kai)
en
ἐκωλύομεν
(ekolyomen)
wij hielden tegen
αὐτὸν
(auton)
hem
ὅτι
(hoti)
omdat
οὐκ
(ouk)
niet
ἀκολουθεῖ
(akolouthei)
volgt
μεθ’
(meth’)
met
ἡμῶν
(hemon)
ons
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Mark. 9:38–40.

50Yeshua zei tegen hem: „Houd hem niet tegen. Want wie niet tegen jullie is, is voor jullie.”
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
tot
αὐτὸν
(auton)
hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Μὴ
(Me)
niet
κωλύετε
(kolyete)
houdt tegen
ὃς
(hos)
wie
γὰρ
(gar)
want
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
καθ’
(kath’)
tegen
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ὑπὲρ
(hyper)
voor
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Luc. 11:23, waar Yeshua het omgekeerde zegt: ‘Wie niet met Mij is, is tegen Mij.’

Zie ookLuc 11:23

Yeshua gaat naar Jeruzalem

51Toen de dagen van Zijn opneming vervuld werden, richtte Hij vastberaden Zijn gezicht om naar Jeruzalem te gaan.
Ἐγένετο
(Egeneto)
het gebeurde
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
συμπληροῦσθαι
(symplerousthai)
vervuld worden
τὰς
(tas)
de
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
τῆς
(tes)
van de
ἀναλήμψεως
(analempseos)
opneming
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
τὸ
(to)
het
πρόσωπον
(prosopon)
gezicht
ἐστήρισεν
(esterisen)
richtte vastberaden
τοῦ
(tou)
van het
πορεύεσθαι
(poreuesthai)
gaan
εἰς
(eis)
naar
Ἰερουσαλήμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

ἀνάλημψις (analempsis), ‘opneming’: Yeshua’s heengaan naar de hemel.

Het woord komt alleen hier voor. τὸ πρόσωπον ἐστήρισεν (to prosopon esterisen), ‘richtte vastberaden Zijn gezicht’: een Hebreeuwse uitdrukking voor een vaste koers (vergelijk Jes. 50:7).

Zie ookJes 50:7
52Hij zond boden voor Zich uit. Zij gingen een Samaritaans dorp binnen om alles voor Hem klaar te maken.
καὶ
(kai)
en
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
ἀγγέλους
(angelous)
boden
πρὸ
(pro)
voor
προσώπου
(prosopou)
gezicht
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
πορευθέντες
(poreuthentes)
gegaan
εἰσῆλθον
(eiselthon)
gingen binnen
εἰς
(eis)
in
κώμην
(komen)
dorp
Σαμαριτῶν
(Samariton)
van Samaritanen
ὡς
(hos)
om
ἑτοιμάσαι
(hetoimasai)
klaar te maken
αὐτῷ
(auto)
voor Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀγγέλους (angelous), ‘boden’: hetzelfde woord betekent ook ‘engelen’. Σαμαρίται (Samaritai), ‘Samaritanen’: de bewoners van Samaria, die de Joden niet als broeders zagen en op de berg Gerizim aanbaden (zie Joh. 4:20).

Zie ookJoh 4:20
53Maar zij ontvingen Hem niet, omdat Hij met Zijn gezicht naar Jeruzalem op weg was.
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἐδέξαντο
(edexanto)
ontvingen
αὐτόν
(auton)
Hem
ὅτι
(hoti)
omdat
τὸ
(to)
het
πρόσωπον
(prosopon)
gezicht
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἦν
(en)
was
πορευόμενον
(poreuomenon)
gaand
εἰς
(eis)
naar
Ἰερουσαλήμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Een pelgrim naar Jeruzalem werd door Samaritanen niet gastvrij ontvangen.

54Toen de leerlingen Jakobus en Johannes dat zagen, zeiden zij: „Heer, wilt U dat wij zeggen dat er vuur uit de hemel neerkomt en hen verteert?”
ἰδόντες
(idontes)
gezien hebbend
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
Ἰάκωβος
(Iakobos)
Jakobus
καὶ
(kai)
en
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Κύριε
(Kyrie)
Heer
θέλεις
(theleis)
wilt U
εἴπωμεν
(eipomen)
laten wij zeggen
πῦρ
(pyr)
vuur
καταβῆναι
(katabenai)
neer te komen
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
καὶ
(kai)
en
ἀναλῶσαι
(analosai)
te verteren
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk 2 Kon. 1:10–12, waar Elia vuur uit de hemel laat neerkomen.

Lezing

Sommige handschriften voegen toe: ‘zoals ook Elia deed’.

Wij volgen de SBLGNT.

55Hij draaide Zich om en bestrafte hen.
στραφεὶς
(strapheis)
gedraaid
δὲ
(de)
maar
ἐπετίμησεν
(epetimesen)
bestrafte
αὐτοῖς
(autois)
hen
Bron: SBLGNT
Lezing

Sommige handschriften hebben hier verder: ‘en zei: Jullie weten niet van welke geest jullie zijn.

De Mensenzoon is niet gekomen om mensenlevens te verderven, maar te redden’ (aan het eind van 9:55 en in 9:56).

Wij volgen de SBLGNT, die dit niet heeft.

56Zij gingen naar een ander dorp.
καὶ
(kai)
en
ἐπορεύθησαν
(eporeuthesan)
gingen
εἰς
(eis)
naar
ἑτέραν
(heteran)
ander
κώμην
(komen)
dorp
Bron: SBLGNT

Wie wil Yeshua volgen?

57Terwijl zij onderweg waren, zei iemand tegen Hem: „Ik zal U volgen, waar U ook heen gaat.”
Καὶ
(Kai)
en
πορευομένων
(poreuomenon)
onderweg zijnd
αὐτῶν
(auton)
zij
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
de
ὁδῷ
(hodo)
weg
εἶπέν
(eipen)
zei
τις
(tis)
iemand
πρὸς
(pros)
tot
αὐτόν
(auton)
Hem
Ἀκολουθήσω
(Akoloutheso)
ik zal volgen
σοι
(soi)
U
ὅπου
(hopou)
waar
ἐὰν
(ean)
ook
ἀπέρχῃ
(aperche)
U heengaat
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 8:19–22.

58Yeshua zei tegen hem: „De vossen hebben holen en de vogels van de hemel nesten. Maar de Mensenzoon heeft geen plaats waar Hij Zijn hoofd kan neerleggen.”
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tot hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Αἱ
(Hai)
de
ἀλώπεκες
(alopekes)
vossen
φωλεοὺς
(pholeous)
holen
ἔχουσιν
(echousin)
hebben
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
πετεινὰ
(peteina)
vogels
τοῦ
(tou)
van de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
κατασκηνώσεις
(kataskenoseis)
nesten
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχει
(echei)
heeft
ποῦ
(pou)
waar
τὴν
(ten)
het
κεφαλὴν
(kephalen)
hoofd
κλίνῃ
(kline)
Hij kan neerleggen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vossen en vogels hebben een vaste plaats; de Mensenzoon niet.

Zie ook Matt. 8:20.

Zie ookMat 8:20
59Tegen een ander zei Hij: „Volg Mij.” Maar die zei: „Heer, sta mij toe eerst heen te gaan en mijn vader te begraven.”
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
tot
ἕτερον
(heteron)
een ander
Ἀκολούθει
(Akolouthei)
volg
μοι
(moi)
Mij
ὁ
(ho)
hij
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Κύριε
(Kyrie)
Heer
ἐπίτρεψόν
(epitrepson)
sta toe
μοι
(moi)
mij
ἀπελθόντι
(apelthonti)
heengegaan
πρῶτον
(proton)
eerst
θάψαι
(thapsai)
te begraven
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
vader
μου
(mou)
mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Mijn vader begraven’: wellicht dat de vader nog leefde en de man wilde wachten tot hij gestorven was; dat is niet zeker.

60Hij zei tegen hem: „Laat de doden hun eigen doden begraven. Maar jij, ga heen en maak het koninkrijk van Elohim bekend.”
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
αὐτῷ
(auto)
tot hem
Ἄφες
(Aphes)
laat
τοὺς
(tous)
de
νεκροὺς
(nekrous)
doden
θάψαι
(thapsai)
begraven
τοὺς
(tous)
de
ἑαυτῶν
(heauton)
van zichzelf
νεκρούς
(nekrous)
doden
σὺ
(sy)
jij
δὲ
(de)
maar
ἀπελθὼν
(apelthon)
weggegaan
διάγγελλε
(diangelle)
maak bekend
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘De doden hun eigen doden’: met de eerste ‘doden’ bedoelt Yeshua waarschijnlijk mensen die Zijn roep niet volgen. διαγγέλλω (diangello), ‘bekendmaken’.

61Weer een ander zei: „Ik zal U volgen, Heer, maar sta mij toe eerst afscheid te nemen van wie in mijn huis zijn.”
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
ἕτερος
(heteros)
een ander
Ἀκολουθήσω
(Akoloutheso)
ik zal volgen
σοι
(soi)
U
κύριε
(kyrie)
Heer
πρῶτον
(proton)
eerst
δὲ
(de)
maar
ἐπίτρεψόν
(epitrepson)
sta toe
μοι
(moi)
mij
ἀποτάξασθαι
(apotaxasthai)
afscheid te nemen
τοῖς
(tois)
van hen
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
het
οἶκόν
(oikon)
huis
μου
(mou)
mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk 1 Kon. 19:19–21, waar Elisa afscheid neemt van zijn ouders voordat hij Elia volgt.

62Yeshua zei tegen hem: „Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en omkijkt naar wat achter hem ligt, is geschikt voor het koninkrijk van Elohim.”
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Οὐδεὶς
(Oudeis)
niemand
ἐπιβαλὼν
(epibalon)
gelegd hebbend
τὴν
(ten)
de
χεῖρα
(cheira)
hand
ἐπ’
(ep’)
op
ἄροτρον
(arotron)
ploeg
καὶ
(kai)
en
βλέπων
(blepon)
kijkend
εἰς
(eis)
naar
τὰ
(ta)
de
ὀπίσω
(opiso)
achterliggende dingen
εὔθετός
(euthetos)
geschikt
ἐστιν
(estin)
is
τῇ
(te)
voor het
βασιλείᾳ
(basileia)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

Een ploeger die omkijkt, trekt een kromme voor.

Het beeld vraagt om ongedeelde toewijding.