De zonde van Juda, de twee mannen, het hart, Jeremia's gebed en de sabbat
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De zonde van Juda is gegrift
1„De zonde van Juda is geschreven met een ijzeren stift, met een punt van diamant. Ze is gegrift op de tafel van hun hart en op de hoorns van jullie altaren.
חַטַּ֣את
(chatat)
de zonde van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
כְּתוּבָ֛ה
(ketuva)
is geschreven
בְּעֵ֥ט
(beet)
met een stift van
בַּרְזֶ֖ל
(barzel)
ijzer
בְּצִפֹּ֣רֶן
(betsiporen)
met een punt van
שָׁמִ֑יר
(shamir)
diamant
חֲרוּשָׁה֙
(charusha)
gegrift
עַל
(al)
op
ל֣וּחַ
(luach)
de tafel van
לִבָּ֔ם
(libam)
hun hart
וּלְקַרְנ֖וֹת
(uleqarnot)
en op de hoorns van
מִזְבְּחוֹתֵיכֶֽם
(mizbechoteikhem)
jullie altaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֵט בַּרְזֶל (et barzel), ‘ijzeren stift’: een schrijfstift van ijzer waarmee men in steen of metaal graveert, zoals in Job 19:24.
צִפֹּרֶן שָׁמִיר (tsipporen shamir), ‘punt van diamant’: שָׁמִיר (shamir) is een zeer harde steen. De betekenis ‘diamant’ is niet zeker.
קַרְנוֹת (qarnot), ‘hoorns’: de uitsteeksels op de hoeken van het altaar (Exod. 27:2). Op die hoorns werd bloed gesmeerd; hier staat de zonde erop gegrift.
Het Hebreeuws zegt niet wie hier spreekt. De woorden ‘Mijn toorn’ in vers 4 laten zien dat Yahweh spreekt. Daarom staan vers 1–4 rood.
4Door jezelf zul je je erfdeel moeten loslaten, dat Ik je gegeven heb. Ik laat je je vijanden dienen in een land dat je niet kent. Want een vuur hebben jullie aangestoken in Mijn toorn. Voor eeuwig zal het branden.
וְשָׁמַטְתָּ֗ה
(veshamatta)
en je zult loslaten
וּבְךָ֙
(uvekha)
en in jou
מִנַּחֲלָֽתְךָ֙
(minachalatekha)
van je erfdeel
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
נָתַ֣תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
לָ֔ךְ
(lakh)
aan jou
וְהַעֲבַדְתִּ֨יךָ֙
(vehaavadtikha)
en Ik zal je laten dienen
אֶת
(et)
(obj.)
אֹ֣יְבֶ֔יךָ
(oyeveikha)
je vijanden
בָּאָ֖רֶץ
(baarets)
in het land
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
יָדָ֑עְתָּ
(yadata)
je kent
כִּֽי
(ki)
want
אֵ֛שׁ
(esh)
een vuur
קְדַחְתֶּ֥ם
(qedachtem)
jullie hebben aangestoken
בְּאַפִּ֖י
(beapi)
in Mijn toorn
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֥ם
(olam)
eeuwigheid
תּוּקָֽד
(tuqad)
zal branden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְשָׁמַטְתָּ וּבְךָ (veshamatta uvekha), ‘door jezelf zul je loslaten’: het werkwoord שָׁמַט (shamat) betekent ‘loslaten, laten vallen’, zoals het loslaten van schulden in het zevende jaar (Deut. 15:2).
‘In jou’ wil zeggen: door je eigen schuld.
עַד־עוֹלָם (ad olam), ‘voor eeuwig’: het vuur van Yahweh’s toorn dooft niet.
6Hij zal zijn als een struik in de steppe. Hij ziet het goede niet komen. Hij woont op dorre plaatsen in de woestijn, in een zoutland dat onbewoond blijft.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en hij zal zijn
כְּעַרְעָ֣ר
(kearar)
als een struik
בָּֽעֲרָבָ֔ה
(baarava)
in de steppe
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִרְאֶ֖ה
(yire)
zal hij zien
כִּי
(ki)
wanneer
יָב֣וֹא
(yavo)
komt
ט֑וֹב
(tov)
het goede
וְשָׁכַ֤ן
(veshakhan)
en hij woont
חֲרֵרִים֙
(charerim)
op dorre plaatsen
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מְלֵחָ֖ה
(melecha)
zout
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תֵשֵֽׁב
(teshev)
wordt bewoond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַרְעָר (ar’ar), ‘struik’: een struik die in dor land groeit.
De soort is onzeker.
עֲרָבָה (aravah), ‘steppe’: de droge vlakte. Het woord is ook de naam van de Araba, het dal ten zuiden van de Dode Zee.
חֲרֵרִים (chararim), ‘dorre plaatsen’: dit woord komt alleen hier voor. Het hoort bij een werkwoord dat ‘verbranden’ betekent.
אֶרֶץ מְלֵחָה (erets melechah), ‘zoutland’: grond waarop niets groeit (zie Deut. 29:22 en Ps. 107:34).
8Hij zal zijn als een boom, geplant aan het water, die zijn wortels uitstrekt naar de stroom. Hij ziet de hitte niet komen, en zijn blad blijft groen. In een jaar van droogte maakt hij zich geen zorgen, en hij houdt niet op vrucht te dragen.
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en hij zal zijn
כְּעֵ֣ץ
(keets)
als een boom
שָׁת֣וּל
(shatul)
geplant
עַל
(al)
aan
מַ֗יִם
(mayim)
water
וְעַל
(veal)
en aan
יוּבַל֙
(yuval)
een stroom
יְשַׁלַּ֣ח
(yeshalach)
hij strekt uit
שָֽׁרָשָׁ֔יו
(sharashav)
zijn wortels
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יִרְאֶה֙
(yire)
zal hij zien
כִּֽי
(ki)
wanneer
יָבֹ֣א
(yavo)
komt
חֹ֔ם
(chom)
hitte
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en zal zijn
עָלֵ֖הוּ
(alehu)
zijn blad
רַֽעֲנָ֑ן
(raanan)
groen
וּבִשְׁנַ֤ת
(uvishnat)
en in het jaar van
בַּצֹּ֨רֶת֙
(batsoret)
droogte
לֹ֣א
(lo)
niet
יִדְאָ֔ג
(yidag)
maakt hij zich zorgen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָמִ֖ישׁ
(yamish)
houdt hij op
מֵעֲשׂ֥וֹת
(measot)
met het maken van
פֶּֽרִי
(peri)
vrucht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יוּבַל (yuval), ‘stroom’: een waterloop, zoals in Jes. 30:25.
Het beeld van de boom aan het water staat ook in Ps. 1:3.
בַּצֹּרֶת (batstsoret), ‘in droogte’: een jaar zonder regen.
Lezing
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) יִרְאֶה (yireh), ‘hij ziet’, zoals in vers 6.
De geschreven tekst (ketiv) heeft יִרָא (yira), ‘hij vreest’: ‘hij vreest niet als de hitte komt’.
11Een patrijs broedt wat hij niet heeft gebaard. Zo is wie rijkdom maakt, maar niet met recht. In de helft van zijn dagen verlaat die rijkdom hem, en aan zijn einde is hij een dwaas.
קֹרֵ֤א
(qore)
patrijs
דָגַר֙
(dagar)
broedt
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָלָ֔ד
(yalad)
heeft gebaard
עֹ֥שֶׂה
(ose)
maakt
עֹ֖שֶׁר
(osher)
rijkdom
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
בְמִשְׁפָּ֑ט
(bemishpat)
met recht
בַּחֲצִ֤י
(bachatsi)
in de helft van
יָמָיו֙
(yamav)
zijn dagen
יַעַזְבֶ֔נּוּ
(yaazvenu)
zal het hem verlaten
וּבְאַחֲרִית֖וֹ
(uveacharito)
en aan zijn einde
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal hij zijn
נָבָֽל
(naval)
dwaas
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קֹרֵא (qore), ‘patrijs’: een vogel die in de bergen leeft.
Het beeld is onzeker.
Er zijn twee verklaringen: de vogel broedt eieren uit die niet van hem zijn, of hij verzamelt eieren die hij niet gelegd heeft.
Wij laten het Hebreeuws kort.
דָּגַר (dagar), ‘broeden’: het werkwoord komt alleen hier voor.
Vers 11 is geen duidelijk woord van Yahweh in de eerste persoon. Daarom staat het zwart, als spreuk van de profeet.
13Yahweh, hoop van Israël! Allen die U verlaten, worden beschaamd. Wie van mij afwijken, worden in de aarde geschreven, want zij hebben Yahweh verlaten, de bron van levend water.
מִקְוֵ֤ה
(miqve)
hoop van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כָּל
(kal)
allen
עֹזְבֶ֖יךָ
(ozeveikha)
die U verlaten
יֵבֹ֑שׁוּ
(yevoshu)
zullen beschaamd worden
וְסוּרַי֙
(vesuray)
en die van mij afwijken
בָּאָ֣רֶץ
(baarets)
in de aarde
יִכָּתֵ֔בוּ
(yikatevu)
zullen worden geschreven
כִּ֥י
(ki)
want
עָזְב֛וּ
(azevu)
zij hebben verlaten
מְק֥וֹר
(meqor)
bron van
מַֽיִם
(mayim)
water
חַיִּ֖ים
(chayim)
levend
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִקְוֵה (miqveh), ‘hoop’: het woord kan ook ‘verzameling water’ betekenen (Gen. 1:10).
Daarom past het bij het slot: Yahweh is de bron van levend water.
וְסוּרַי (vesurai), ‘en wie van mij afwijken’: waarschijnlijk de tegenstanders van de profeet (vers 15). Sommige oude vertalingen lezen hier anders.
יִכָּתֵבוּ בָּאָרֶץ (yikkatevu ba’arets), ‘zij worden in de aarde geschreven’: wat in de aarde staat, wordt uitgewist. Hun naam blijft niet.
מְקוֹר מַיִם חַיִּים (meqor mayim chayyim), ‘bron van levend water’: zoals in Jer. 2:13.
16Maar ik heb mij niet onttrokken aan het herder zijn, achter U aan. De dag van het ongeluk heb ik niet begeerd. U weet het: wat van mijn lippen kwam, was voor Uw aangezicht.
וַאֲנִ֞י
(vaani)
maar ik
לֹא
(lo)
niet
אַ֣צְתִּי
(atsti)
heb mij onttrokken
מֵרֹעֶ֣ה
(meroe)
uit het herder zijn
אַחֲרֶ֗יךָ
(achareikha)
achter U
וְי֥וֹם
(veyom)
en de dag van
אָנ֛וּשׁ
(anush)
ongeluk
לֹ֥א
(lo)
niet
הִתְאַוֵּ֖יתִי
(hitaveiti)
heb ik begeerd
אַתָּ֣ה
(ata)
U
יָדָ֑עְתָּ
(yadata)
weet het
מוֹצָ֣א
(motsa)
wat uitging van
שְׂפָתַ֔י
(sefatay)
mijn lippen
נֹ֥כַח
(nokhach)
voor
פָּנֶ֖יךָ
(paneikha)
Uw aangezicht
הָיָֽה
(haya)
was
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מֵרֹעֶה (mero’eh), ‘uit het herder zijn’: letterlijk ‘van een herder’.
De betekenis is onzeker.
Sommige oude vertalingen lezen anders.
Het kan ook ‘van het kwaad’ zijn.
אֲחֲרֶיךָ (acharekha), ‘achter U aan’: Jeremia volgt Yahweh en voert Zijn woorden uit.
יוֹם אָנוּשׁ (yom anush), ‘de dag van het ongeluk’: zie vers 9, waar hetzelfde woord ‘ongeneeslijk’ betekent.
18Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden. Laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden. Breng de dag van onheil over hen en verbrijzel hen met dubbele verbrijzeling.
יֵבֹ֤שׁוּ
(yevoshu)
laat beschaamd worden
רֹדְפַי֙
(rodefay)
mijn vervolgers
וְאַל
(veal)
en niet
אֵבֹ֣שָׁה
(evosha)
laat beschaamd worden
אָ֔נִי
(ani)
ik
יֵחַ֣תּוּ
(yechatu)
laat verschrikt worden
הֵ֔מָּה
(hema)
zij
וְאַל
(veal)
en niet
אֵחַ֖תָּה
(echata)
laat verschrikt worden
אָ֑נִי
(ani)
ik
הָבִ֤יא
(havi)
breng
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
over hen
י֣וֹם
(yom)
dag van
רָעָ֔ה
(raa)
onheil
וּמִשְׁנֶ֥ה
(umishne)
en dubbele
שִׁבָּר֖וֹן
(shibaron)
verbrijzeling
שָׁבְרֵֽם
(shaverem)
verbrijzel hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשְׁנֶה שִׁבָּרוֹן (mishneh shibbaron), ‘dubbele verbrijzeling’: zie Jer. 16:18 voor het woord מִשְׁנֶה (mishneh), ‘het dubbele’.
Jeremia bidt dat zijn vervolgers het oordeel krijgen dat hij heeft aangekondigd.
19Zo zegt Yahweh tot mij: „Ga heen en ga staan in de poort van de zonen van het volk, waardoor de koningen van Juda in- en uitgaan. Ga ook staan in alle poorten van Jeruzalem.
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
הָלֹ֤ךְ
(halokh)
ga
וְעָֽמַדְתָּ֙
(veamadta)
en ga staan
בְּשַׁ֣עַר
(beshaar)
in de poort van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
door welke
יָבֹ֤אוּ
(yavou)
binnenkomen
בוֹ֙
(bo)
erdoor
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
de koningen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וַאֲשֶׁ֖ר
(vaasher)
en door welke
יֵ֣צְאוּ
(yetseu)
zij uitgaan
ב֑וֹ
(bo)
erdoor
וּבְכֹ֖ל
(uvekhol)
en in alle
שַׁעֲרֵ֥י
(shaarei)
poorten van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
שַׁעַר בְּנֵי הָעָם (sha’ar benei ha’am), ‘poort van de zonen van het volk’: de plaats van deze poort is niet bekend.
21Zo zegt Yahweh: Pas op voor jullie leven. Draag geen last op de sabbatdag en breng niets binnen door de poorten van Jeruzalem.
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִשָּׁמְר֖וּ
(hishameru)
hoedt
בְּנַפְשֽׁוֹתֵיכֶ֑ם
(benafshoteikhem)
voor jullie levens
וְאַל
(veal)
en niet
תִּשְׂא֤וּ
(tisu)
draagt
מַשָּׂא֙
(masa)
een last
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
הַשַּׁבָּ֔ת
(hashabat)
de sabbat
וַהֲבֵאתֶ֖ם
(vahavetem)
en brengt in
בְּשַׁעֲרֵ֥י
(beshaarei)
door de poorten van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
מַשָּׂא (massa), ‘last’: iets wat men draagt, een vracht.
Het woord komt van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’.
Hetzelfde woord is in Jer. 23:33–40 de ‘last’ van een profetisch woord; zie de Uitleg bij Jer. 23:33.
Hier gaat het om wat men op de sabbatdag draagt.
בְּנַפְשׁוֹתֵיכֶם (benafshoteikhem), ‘voor jullie leven’: letterlijk ‘voor jullie zielen’. Het woord נֶפֶשׁ (nefesh) staat voor het leven of de persoon.
24Maar als jullie goed naar Mij luisteren, godsspraak van Yahweh, en op de sabbatdag geen last door de poorten van deze stad brengen, de sabbatdag heiligen en daarop geen enkel werk doen,
וְ֠הָיָה
(vehaya)
en het zal zijn
אִם
(im)
indien
שָׁמֹ֨עַ
(shamoa)
goed luisteren
תִּשְׁמְע֤וּן
(tishmeun)
jullie luisteren
אֵלַי֙
(elay)
naar Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְבִלְתִּ֣י
(levilti)
door niet
הָבִ֣יא
(havi)
te brengen
מַשָּׂ֗א
(masa)
een last
בְּשַׁעֲרֵ֛י
(beshaarei)
door de poorten van
הָעִ֥יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
הַשַּׁבָּ֑ת
(hashabat)
de sabbat
וּלְקַדֵּשׁ֙
(uleqadesh)
en te heiligen
אֶת
(et)
(obj.)
י֣וֹם
(yom)
de dag van
הַשַּׁבָּ֔ת
(hashabat)
de sabbat
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
door niet
עֲשֽׂוֹת
(asot)
te doen
בּ֖וֹ
(bo)
daarop
כָּל
(kal)
enig
מְלָאכָֽה
(melakha)
werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8.
שָׁמֹעַ תִּשְׁמְעוּן (shamoa tishme’un), ‘goed luisteren’: letterlijk ‘luisterend zullen jullie luisteren’. Het gaat om echt luisteren.
25dan zullen er koningen en oversten door de poorten van deze stad binnenkomen. Zij zitten op de troon van David, rijden in wagens en op paarden, zij en hun oversten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. Deze stad zal voor eeuwig bewoond worden.
וּבָ֣אוּ
(uvau)
en zullen binnenkomen
בְשַׁעֲרֵ֣י
(beshaarei)
door de poorten van
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֡את
(hazot)
deze
מְלָכִ֣ים
(melakhim)
koningen
וְשָׂרִ֡ים
(vesarim)
en oversten
יֹשְׁבִים֩
(yoshevim)
zittend
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֨א
(kise)
de troon van
דָוִ֜ד
(david)
David
רֹכְבִ֣ים
(rokhevim)
rijdend
בָּרֶ֣כֶב
(barekhev)
in wagens
וּבַסּוּסִ֗ים
(uvasusim)
en op paarden
הֵ֚מָּה
(hema)
zij
וְשָׂ֣רֵיהֶ֔ם
(vesareihem)
en hun oversten
אִ֥ישׁ
(ish)
de mannen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וְיֹשְׁבֵ֣י
(veyoshevei)
en de inwoners van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְיָשְׁבָ֥ה
(veyasheva)
en zal bewoond worden
הָֽעִיר
(hair)
de stad
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Wie de sabbat heiligt, krijgt een stad met koningen op de troon van David.
Zie 2 Sam. 7:16.
De belofte geldt ‘voor eeuwig’ (לְעוֹלָם, le’olam), maar hangt hier af van het luisteren.
26Zij zullen komen uit de steden van Juda, uit de omgeving van Jeruzalem, uit het land van Benjamin, uit de Sefela, uit het bergland en uit de Negev. Zij brengen brandoffer, slachtoffer, graanoffer en wierook, en zij brengen dankoffer naar het huis van Yahweh.
וּבָ֣אוּ
(uvau)
en zij zullen komen
מֵעָרֵֽי
(mearei)
uit de steden van
יְ֠הוּדָה
(yehuda)
Juda
וּמִסְּבִיב֨וֹת
(umisevivot)
en uit de omgeving van
יְרוּשָׁלִַ֜ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וּמֵאֶ֣רֶץ
(umeerets)
en uit het land van
בִּנְיָמִ֗ן
(binyamin)
Benjamin
וּמִן
(umin)
en uit
הַשְּׁפֵלָ֤ה
(hashefela)
de Sefela
וּמִן
(umin)
en uit
הָהָר֙
(hahar)
het bergland
וּמִן
(umin)
en uit
הַנֶּ֔גֶב
(hanegev)
de Negev
מְבִאִ֛ים
(meviim)
brengend
עוֹלָ֥ה
(ola)
brandoffer
וְזֶ֖בַח
(vezevach)
en slachtoffer
וּמִנְחָ֣ה
(umincha)
en graanoffer
וּלְבוֹנָ֑ה
(ulevona)
en wierook
וּמְבִאֵ֥י
(umeviei)
en brengend
תוֹדָ֖ה
(toda)
dankoffer
בֵּ֥ית
(beit)
naar het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda.
Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.
Uitleg
הַשְּׁפֵלָה (hashefelah), ‘de Sefela’: het heuvelland ten westen van Juda.
הָהָר (hahar), ‘het bergland’: het bergland van Juda.
27Maar als jullie niet naar Mij luisteren om de sabbatdag te heiligen, geen last te dragen en niet door de poorten van Jeruzalem binnen te komen op de sabbatdag, dan steek Ik een vuur aan in haar poorten. Het zal de paleizen van Jeruzalem verteren en niet worden gedoofd.’”
וְאִם
(veim)
en indien
לֹ֨א
(lo)
niet
תִשְׁמְע֜וּ
(tishmeu)
jullie luisteren
אֵלַ֗י
(elay)
naar Mij
לְקַדֵּשׁ֙
(leqadesh)
om te heiligen
אֶת
(et)
(obj.)
י֣וֹם
(yom)
de dag van
הַשַּׁבָּ֔ת
(hashabat)
de sabbat
וּלְבִלְתִּ֣י
(ulevilti)
en om niet
שְׂאֵ֣ת
(seet)
te dragen
מַשָּׂ֗א
(masa)
een last
וּבֹ֛א
(uvo)
en binnen te komen
בְּשַׁעֲרֵ֥י
(beshaarei)
door de poorten van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
הַשַּׁבָּ֑ת
(hashabat)
de sabbat
וְהִצַּ֧תִּי
(vehitsati)
dan zal Ik aansteken
אֵ֣שׁ
(esh)
een vuur
בִּשְׁעָרֶ֗יהָ
(bishareiha)
in haar poorten
וְאָֽכְלָ֛ה
(veakhela)
en het zal verteren
אַרְמְנ֥וֹת
(armenot)
paleizen van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִכְבֶּֽה
(tikhbe)
zal worden gedoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
וְהִצַּתִּי־אֵשׁ (vehitsatti esh), ‘dan steek Ik een vuur aan’: het vuur verteert de poorten en de paleizen.
Het oordeel is hetzelfde als in 2 Kon. 25:9.
אַרְמְנוֹת (armenot), ‘paleizen’: de burchten en grote huizen van de stad.
לֹא תִכְבֶּה (lo tikhbeh), ‘niet worden gedoofd’: niemand kan het vuur blussen.