Elohim Bijbel

Matteüs 9

12345678910111213141516171819202122232425262728

Vergeving, de roeping van Matteüs, opwekking en genezingen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua vergeeft en geneest een verlamde

1Hij stapte in een boot, stak over en kwam in Zijn eigen stad.
Καὶ
(Kai)
en
ἐμβὰς
(embas)
instappend
εἰς
(eis)
in
πλοῖον
(ploion)
boot
διεπέρασεν
(dieperasen)
stak over
καὶ
(kai)
en
ἦλθεν
(elthen)
kwam
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
ἰδίαν
(idian)
eigen
πόλιν
(polin)
stad
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Kapernaüm (Zijn eigen stad): Met ‘Zijn eigen stad’ wordt waarschijnlijk Kapernaüm bedoeld (zie Matteüs 4:13), aan de noordwestkant van het meer van Galilea.

De naam staat hier niet in de tekst.

Uitleg

‘Zijn eigen stad’ is Kapernaüm; zie 4:13.

2En zie: zij brachten een verlamde bij Hem, liggend op een bed. Toen Yeshua hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde: „Heb moed, kind. Je zonden worden vergeven.”
Καὶ
(Kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
προσέφερον
(prosepheron)
brachten
αὐτῷ
(auto)
bij Hem
παραλυτικὸν
(paralytikon)
verlamde
ἐπὶ
(epi)
op
κλίνης
(klines)
bed
βεβλημένον
(beblemenon)
liggend
καὶ
(kai)
en
ἰδὼν
(idon)
ziend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τὴν
(ten)
het
πίστιν
(pistin)
geloof
αὐτῶν
(auton)
hun
εἶπεν
(eipen)
zei
τῷ
(to)
tegen de
παραλυτικῷ
(paralytiko)
verlamde
Θάρσει
(Tharsei)
heb moed
τέκνον
(teknon)
kind
ἀφίενταί
(aphientai)
worden vergeven
σου
(sou)
jouw
αἱ
(hai)
de
ἁμαρτίαι
(hamartiai)
zonden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀφίημι (aphiemi), ‘vergeven’: letterlijk ‘loslaten, wegsturen’. παραλυτικός (paralytikos), ‘verlamde’.

Zie ook Mark. 2:1–12; Luc. 5:17–26.

3En zie: enkele schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: „Deze lastert.”
καὶ
(kai)
en
ἰδού
(idou)
zie
τινες
(tines)
enkele
τῶν
(ton)
van de
γραμματέων
(grammateon)
schriftgeleerden
εἶπαν
(eipan)
zeiden
ἐν
(en)
bij
ἑαυτοῖς
(heautois)
zichzelf
Οὗτος
(Houtos)
deze
βλασφημεῖ
(blasphemei)
lastert
Bron: SBLGNT
Uitleg

βλασφημέω (blasphemeo), ‘lasteren’: kwaad spreken, hier over Elohim, omdat alleen Elohim zonden vergeeft.

4Yeshua kende hun gedachten en zei: „Waarom denken jullie kwaad in jullie harten?
καὶ
(kai)
en
εἰδὼς
(eidos)
wetend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τὰς
(tas)
de
ἐνθυμήσεις
(enthymeseis)
gedachten
αὐτῶν
(auton)
hun
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἱνατί
(Hinati)
waarom
ἐνθυμεῖσθε
(enthymeisthe)
denken jullie
πονηρὰ
(ponera)
kwaad
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
καρδίαις
(kardiais)
harten
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
5Wat is gemakkelijker: te zeggen ‘Je zonden worden vergeven’, of te zeggen ‘Sta op en loop’?
τί
(ti)
wat
γάρ
(gar)
want
ἐστιν
(estin)
is
εὐκοπώτερον
(eukopoteron)
gemakkelijker
εἰπεῖν
(eipein)
te zeggen
Ἀφίενταί
(Aphientai)
worden vergeven
σου
(sou)
jouw
αἱ
(hai)
de
ἁμαρτίαι
(hamartiai)
zonden
ἢ
(e)
of
εἰπεῖν
(eipein)
te zeggen
Ἔγειρε
(Egeire)
sta op
καὶ
(kai)
en
περιπάτει
(peripatei)
loop
Bron: SBLGNT
6Maar opdat jullie weten dat de Mensenzoon op de aarde gezag heeft om zonden te vergeven —” zei Hij toen tegen de verlamde: „Sta op, pak je bed en ga naar huis.”
ἵνα
(hina)
opdat
δὲ
(de)
maar
εἰδῆτε
(eidete)
jullie weten
ὅτι
(hoti)
dat
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
ἔχει
(echei)
heeft
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
aarde
ἀφιέναι
(aphienai)
te vergeven
ἁμαρτίας
(hamartias)
zonden
τότε
(tote)
toen
λέγει
(legei)
zegt
τῷ
(to)
tegen de
παραλυτικῷ
(paralytiko)
verlamde
Ἐγερθεὶς
(Egertheis)
opgestaan
ἆρόν
(aron)
pak
σου
(sou)
jouw
τὴν
(ten)
het
κλίνην
(klinen)
bed
καὶ
(kai)
en
ὕπαγε
(hypage)
ga heen
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
het
οἶκόν
(oikon)
huis
σου
(sou)
jouw
Bron: SBLGNT
Uitleg

De Mensenzoon: zie 8:20.

De zin breekt na ‘vergeven’ af en gaat verder met de woorden tot de verlamde; wij laten dat zo staan (ook Mark. 2:10 doet dat). ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: zie 8:9.

Zie ookMar 2:10
7En hij stond op en ging naar zijn huis.
καὶ
(kai)
en
ἐγερθεὶς
(egertheis)
opgestaan
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
het
οἶκον
(oikon)
huis
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
8Toen de menigten dit zagen, werden zij bevreesd. Zij verheerlijkten Elohim, die zulk gezag aan mensen had gegeven.
ἰδόντες
(idontes)
ziende
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
ἐφοβήθησαν
(ephobethesan)
werden bevreesd
καὶ
(kai)
en
ἐδόξασαν
(edoxasan)
verheerlijkten
τὸν
(ton)
de
θεὸν
(theon)
Elohim
τὸν
(ton)
de
δόντα
(donta)
gegeven hebbende
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
τοιαύτην
(toiauten)
zulk
τοῖς
(tois)
aan de
ἀνθρώποις
(anthropois)
mensen
Bron: SBLGNT

De roeping van Matteüs

9Terwijl Yeshua vandaar verderging, zag Hij een man zitten bij het tolkantoor, die Matteüs genoemd werd. Hij zei tegen hem: „Volg Mij.” En hij stond op en volgde Hem.
Καὶ
(Kai)
en
παράγων
(paragon)
voorbijgaand
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
εἶδεν
(eiden)
zag
ἄνθρωπον
(anthropon)
man
καθήμενον
(kathemenon)
zittend
ἐπὶ
(epi)
bij
τὸ
(to)
het
τελώνιον
(telonion)
tolkantoor
Μαθθαῖον
(Maththaion)
Matteüs
λεγόμενον
(legomenon)
genoemd
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ἀκολούθει
(Akolouthei)
volg
μοι
(moi)
Mij
καὶ
(kai)
en
ἀναστὰς
(anastas)
opgestaan
ἠκολούθησεν
(ekolouthesen)
volgde
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

τελώνης (telones), ‘tollenaar’: iemand die voor de Romeinse overheid belasting en tol innde.

In Matt. 10:3 heet Matteüs ‘de tollenaar’.

Zie ook Mark. 2:13–17; Luc. 5:27–32.

10Toen Hij in het huis aan tafel zat, zie: veel tollenaars en zondaars kwamen en zaten met Yeshua en Zijn leerlingen aan tafel.
Καὶ
(Kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
het gebeurde
αὐτοῦ
(autou)
Hij
ἀνακειμένου
(anakeimenou)
aan tafel zittend
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
οἰκίᾳ
(oikia)
huis
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
πολλοὶ
(polloi)
veel
τελῶναι
(telonai)
tollenaars
καὶ
(kai)
en
ἁμαρτωλοὶ
(hamartoloi)
zondaars
ἐλθόντες
(elthontes)
gekomen
συνανέκειντο
(synanekeinto)
zaten mee aan tafel
τῷ
(to)
met de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
τοῖς
(tois)
met de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie 8:11 voor ‘aan tafel zitten’.

11Toen de Farizeeën dit zagen, zeiden zij tegen Zijn leerlingen: „Waarom eet jullie leraar met de tollenaars en zondaars?”
καὶ
(kai)
en
ἰδόντες
(idontes)
ziende
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
τοῖς
(tois)
tegen de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Διὰ
(Dia)
waarom
τί
(ti)
(waarom)
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
τελωνῶν
(telonon)
tollenaars
καὶ
(kai)
en
ἁμαρτωλῶν
(hamartolon)
zondaars
ἐσθίει
(esthiei)
eet
ὁ
(ho)
de
διδάσκαλος
(didaskalos)
leraar
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
12Toen Hij het hoorde, zei Hij: „Wie gezond zijn, hebben geen arts nodig, maar wie ziek zijn.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀκούσας
(akousas)
horend
εἶπεν
(eipen)
zei
Οὐ
(Ou)
niet
χρείαν
(chreian)
behoefte
ἔχουσιν
(echousin)
hebben
οἱ
(hoi)
de
ἰσχύοντες
(ischyontes)
gezonden
ἰατροῦ
(iatrou)
van een arts
ἀλλὰ
(alla)
maar
οἱ
(hoi)
de
κακῶς
(kakos)
slecht
ἔχοντες
(echontes)
hebbenden
Bron: SBLGNT
13Ga heen en leer wat dit betekent: ‘Barmhartigheid wil Ik, en geen slachtoffer.’ Want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.”
πορευθέντες
(poreuthentes)
gegaan zijnde
δὲ
(de)
maar
μάθετε
(mathete)
leer
τί
(ti)
wat
ἐστιν
(estin)
is
Ἔλεος
(Eleos)
barmhartigheid
θέλω
(thelo)
Ik wil
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
θυσίαν
(thysian)
slachtoffer
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
ἦλθον
(elthon)
ik kwam
καλέσαι
(kalesai)
te roepen
δικαίους
(dikaious)
rechtvaardigen
ἀλλὰ
(alla)
maar
ἁμαρτωλούς
(hamartolous)
zondaars
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Hos. 6:6.

Het Hebreeuws heeft ‘Ik heb behagen in trouw (חֶסֶד, chesed) en niet in slachtoffers (זֶבַח, zevach)’; de Griekse tekst heeft ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’, en θυσία (thysia), ‘slachtoffer’.

Wij vertalen ἔλεος overal als ‘barmhartigheid’ (zo ook 5:7, 12:7 en 23:23).

δίκαιος (dikaios), ‘rechtvaardige’.

Lezing

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat na ‘zondaars’ nog ‘tot bekering’; de SBLGNT heeft dat niet.

Zie ookHos 6:6

Over het vasten

14Toen kwamen de leerlingen van Johannes naar Hem toe en zeiden: „Waarom vasten wij en de Farizeeën vaak, maar vasten Uw leerlingen niet?”
Τότε
(Tote)
toen
προσέρχονται
(proserchontai)
komen naar
αὐτῷ
(auto)
Hem
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
Ἰωάννου
(Ioannou)
van Johannes
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Διὰ
(Dia)
waarom
τί
(ti)
(waarom)
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
νηστεύομεν
(nesteuomen)
vasten
πολλά
(polla)
vaak
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
μαθηταί
(mathetai)
leerlingen
σου
(sou)
Uw
οὐ
(ou)
niet
νηστεύουσιν
(nesteuousin)
vasten
Bron: SBLGNT
Uitleg

νηστεύω (nesteuo), ‘vasten’: een tijd lang niet eten, om Elohim te zoeken of te rouwen.

Zie ook Mark. 2:18–22; Luc. 5:33–39.

15Yeshua zei tegen hen: „Kunnen de bruiloftsgasten rouwen zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen dagen komen dat de bruidegom van hen weggenomen wordt. Dan zullen zij vasten.
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Μὴ
(Me)
toch niet
δύνανται
(dynantai)
kunnen
οἱ
(hoi)
de
υἱοὶ
(huioi)
zonen
τοῦ
(tou)
van de
νυμφῶνος
(nymphonos)
bruidskamer
πενθεῖν
(penthein)
rouwen
ἐφ’
(eph’)
zolang
ὅσον
(hoson)
als
μετ’
(met’)
met
αὐτῶν
(auton)
hen
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
νυμφίος
(nymphios)
bruidegom
ἐλεύσονται
(eleusontai)
zullen komen
δὲ
(de)
maar
ἡμέραι
(hemerai)
dagen
ὅταν
(hotan)
wanneer
ἀπαρθῇ
(aparthe)
weggenomen wordt
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
ὁ
(ho)
de
νυμφίος
(nymphios)
bruidegom
καὶ
(kai)
en
τότε
(tote)
dan
νηστεύσουσιν
(nesteusousin)
zullen vasten
Bron: SBLGNT
Uitleg

Letterlijk ‘de zonen van de bruidskamer’: de gasten bij de bruiloft. νυμφίος (nymphios), ‘bruidegom’.

16Niemand zet een lap ongekrompen stof op een oude mantel. Want de lap scheurt los van de mantel, en de scheur wordt erger.
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
δὲ
(de)
maar
ἐπιβάλλει
(epiballei)
zet
ἐπίβλημα
(epiblema)
lap
ῥάκους
(rhakous)
van stof
ἀγνάφου
(agnaphou)
ongekrompen
ἐπὶ
(epi)
op
ἱματίῳ
(himatio)
mantel
παλαιῷ
(palaio)
oude
αἴρει
(airei)
neemt weg
γὰρ
(gar)
want
τὸ
(to)
de
πλήρωμα
(pleroma)
aanvulling
αὐτοῦ
(autou)
ervan
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
ἱματίου
(himatiou)
mantel
καὶ
(kai)
en
χεῖρον
(cheiron)
erger
σχίσμα
(schisma)
scheur
γίνεται
(ginetai)
wordt
Bron: SBLGNT
Uitleg

ῥάκος ἄγναφον (rakos agnaphon), ‘lap ongekrompen stof’: stof die nog niet gewassen en gevold was en daarom bij het wassen inkrimpt. πλήρωμα (pleroma) is wat iets opvult, hier de ingezette lap. ἱμάτιον (himation), ‘mantel’: het bovenkleed.

17Men doet ook geen nieuwe wijn in oude wijnzakken. Anders scheuren de zakken, loopt de wijn eruit en gaan de zakken verloren. Maar men doet nieuwe wijn in nieuwe wijnzakken, en beide blijven bewaard.”
οὐδὲ
(oude)
ook niet
βάλλουσιν
(ballousin)
doen
οἶνον
(oinon)
wijn
νέον
(neon)
nieuwe
εἰς
(eis)
in
ἀσκοὺς
(askous)
wijnzakken
παλαιούς
(palaious)
oude
εἰ
(ei)
anders
δὲ
(de)
maar
μή
(me)
niet
γε
(ge)
althans
ῥήγνυνται
(rhegnyntai)
scheuren
οἱ
(hoi)
de
ἀσκοί
(askoi)
wijnzakken
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
οἶνος
(oinos)
wijn
ἐκχεῖται
(ekcheitai)
wordt uitgegoten
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀσκοὶ
(askoi)
wijnzakken
ἀπόλλυνται
(apollyntai)
gaan verloren
ἀλλὰ
(alla)
maar
βάλλουσιν
(ballousin)
doen
οἶνον
(oinon)
wijn
νέον
(neon)
nieuwe
εἰς
(eis)
in
ἀσκοὺς
(askous)
wijnzakken
καινούς
(kainous)
nieuwe
καὶ
(kai)
en
ἀμφότεροι
(amphoteroi)
beide
συντηροῦνται
(synterountai)
blijven bewaard
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀσκός (askos), ‘wijnzak’: een zak van dierenhuid waarin wijn bewaard werd.

Nieuwe wijn gist nog en rekt de huid uit; een oude, harde zak scheurt dan.

De dochter van de leider en de vrouw met bloedvloeiing

18Terwijl Hij dit tegen hen zei, zie: een leider kwam, boog zich voor Hem neer en zei: „Mijn dochter is zojuist gestorven. Maar kom, leg Uw hand op haar, en zij zal leven.”
Ταῦτα
(Tauta)
dit
αὐτοῦ
(autou)
Hij
λαλοῦντος
(lalountos)
sprekend
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἄρχων
(archon)
leider
εἷς
(heis)
een
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen
προσεκύνει
(prosekynei)
boog zich neer
αὐτῷ
(auto)
voor Hem
λέγων
(legon)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
Ἡ
(He)
de
θυγάτηρ
(thygater)
dochter
μου
(mou)
mijn
ἄρτι
(arti)
zojuist
ἐτελεύτησεν
(eteleutesen)
is gestorven
ἀλλὰ
(alla)
maar
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen
ἐπίθες
(epithes)
leg
τὴν
(ten)
de
χεῖρά
(cheira)
hand
σου
(sou)
Uw
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτήν
(auten)
haar
καὶ
(kai)
en
ζήσεται
(zesetai)
zal leven
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄρχων (archon), ‘leider’: wij vertalen het woord zo ook in 9:34.

De man komt Yeshua vragen om zijn dochter. προσκυνέω: zie 2:2.

Zie ook Mark. 5:21–43; Luc. 8:40–56.

19Yeshua stond op en volgde hem, en Zijn leerlingen ook.
καὶ
(kai)
en
ἐγερθεὶς
(egertheis)
opgestaan
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἠκολούθει
(ekolouthei)
volgde
αὐτῷ
(auto)
hem
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
20En zie: een vrouw die twaalf jaar bloedvloeiing had, kwam van achteren naar Hem toe en raakte de kwast van Zijn mantel aan.
Καὶ
(Kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
γυνὴ
(gyne)
vrouw
αἱμορροοῦσα
(haimorroousa)
bloedvloeiing hebbend
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
ἔτη
(ete)
jaren
προσελθοῦσα
(proselthousa)
naderend
ὄπισθεν
(opisthen)
van achteren
ἥψατο
(hepsato)
raakte aan
τοῦ
(tou)
de
κρασπέδου
(kraspedou)
kwast
τοῦ
(tou)
van de
ἱματίου
(himatiou)
mantel
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Een vrouw met langdurig bloedverlies was volgens de wet onrein (Lev. 15:25–27). κράσπεδον (kraspedon), ‘kwast’: de kwasten aan de hoeken van het bovenkleed (Num. 15:38–39; Deut. 22:12).

21Want zij zei bij zichzelf: „Als ik alleen maar Zijn mantel aanraak, zal ik gered worden.”
ἔλεγεν
(elegen)
zei
γὰρ
(gar)
want
ἐν
(en)
bij
ἑαυτῇ
(heaute)
zichzelf
Ἐὰν
(Ean)
als
μόνον
(monon)
alleen
ἅψωμαι
(hapsomai)
ik aanraak
τοῦ
(tou)
de
ἱματίου
(himatiou)
mantel
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
σωθήσομαι
(sothesomai)
zal gered worden
Bron: SBLGNT
22Yeshua draaide Zich om, zag haar en zei: „Heb moed, dochter. Je geloof heeft je gered.” En vanaf dat uur werd de vrouw gered.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
στραφεὶς
(strapheis)
omgedraaid
καὶ
(kai)
en
ἰδὼν
(idon)
ziend
αὐτὴν
(auten)
haar
εἶπεν
(eipen)
zei
Θάρσει
(Tharsei)
heb moed
θύγατερ
(thygater)
dochter
ἡ
(he)
het
πίστις
(pistis)
geloof
σου
(sou)
jouw
σέσωκέν
(sesoken)
heeft gered
σε
(se)
je
καὶ
(kai)
en
ἐσώθη
(esothe)
werd gered
ἡ
(he)
de
γυνὴ
(gyne)
vrouw
ἀπὸ
(apo)
vanaf
τῆς
(tes)
het
ὥρας
(horas)
uur
ἐκείνης
(ekeines)
dat
Bron: SBLGNT
Uitleg

σῴζω (sozo), ‘redden’: het woord kan ook ‘genezen’ betekenen.

Wij vertalen het overal als ‘redden’.

23Toen Yeshua in het huis van de leider kwam, zag Hij de fluitspelers en de menigte in opschudding.
καὶ
(kai)
en
ἐλθὼν
(elthon)
komend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
οἰκίαν
(oikian)
huis
τοῦ
(tou)
van de
ἄρχοντος
(archontos)
leider
καὶ
(kai)
en
ἰδὼν
(idon)
ziend
τοὺς
(tous)
de
αὐλητὰς
(auletas)
fluitspelers
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
θορυβούμενον
(thoryboumenon)
in opschudding
Bron: SBLGNT
Uitleg

αὐλητής (auletes), ‘fluitspeler’: bij een begrafenis werden fluitspelers en klaagvrouwen ingehuurd.

24Hij zei: „Ga weg, want het meisje is niet gestorven, maar slaapt.” En zij lachten Hem uit.
ἔλεγεν
(elegen)
zei
Ἀναχωρεῖτε
(Anachoreite)
ga weg
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
ἀπέθανεν
(apethanen)
is gestorven
τὸ
(to)
het
κοράσιον
(korasion)
meisje
ἀλλὰ
(alla)
maar
καθεύδει
(katheudei)
slaapt
καὶ
(kai)
en
κατεγέλων
(kategelon)
lachten uit
αὐτοῦ
(autou)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀναχωρέω (anachoreo): zie 2:12, ‘vertrekken’; hier als bevel ‘ga weg’.

25Toen de menigte naar buiten was gebracht, ging Hij naar binnen en pakte haar hand. En het meisje stond op.
ὅτε
(hote)
toen
δὲ
(de)
maar
ἐξεβλήθη
(exeblethe)
werd uitgedreven
ὁ
(ho)
de
ὄχλος
(ochlos)
menigte
εἰσελθὼν
(eiselthon)
binnengaand
ἐκράτησεν
(ekratesen)
pakte
τῆς
(tes)
de
χειρὸς
(cheiros)
hand
αὐτῆς
(autes)
haar
καὶ
(kai)
en
ἠγέρθη
(egerthe)
stond op
τὸ
(to)
het
κοράσιον
(korasion)
meisje
Bron: SBLGNT
26Het bericht hierover ging uit over heel dat land.
καὶ
(kai)
en
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
ἡ
(he)
het
φήμη
(pheme)
bericht
αὕτη
(haute)
dit
εἰς
(eis)
naar
ὅλην
(holen)
hele
τὴν
(ten)
het
γῆν
(gen)
land
ἐκείνην
(ekeinen)
dat
Bron: SBLGNT

Twee blinden en een stomme man

27Terwijl Yeshua vandaar verderging, volgden twee blinden Hem. Zij schreeuwden en zeiden: „Ontferm U over ons, Zoon van David!”
Καὶ
(Kai)
en
παράγοντι
(paragonti)
voorbijgaand
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
τῷ
(to)
aan de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
ἠκολούθησαν
(ekolouthesan)
volgden
αὐτῷ
(auto)
Hem
δύο
(dyo)
twee
τυφλοὶ
(typhloi)
blinden
κράζοντες
(krazontes)
schreeuwend
καὶ
(kai)
en
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ἐλέησον
(Eleeson)
ontferm U over
ἡμᾶς
(hemas)
ons
υἱὲ
(huie)
Zoon
Δαυίδ
(Dauid)
van David
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Zoon van David’ is een titel van de verwachte koning uit het huis van David (2 Sam. 7:12–16; zie Matt. 1:1). ἐλεέω (eleeo), ‘zich ontfermen’: verwant met ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’ in 9:13.

28Toen Hij in het huis gekomen was, kwamen de blinden naar Hem toe. Yeshua zei tegen hen: „Geloven jullie dat Ik dit kan doen?” Zij zeiden tegen Hem: „Ja, Heer.”
ἐλθόντι
(elthonti)
gekomen zijnde
δὲ
(de)
maar
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
οἰκίαν
(oikian)
huis
προσῆλθον
(proselthon)
kwamen naar
αὐτῷ
(auto)
Hem
οἱ
(hoi)
de
τυφλοί
(typhloi)
blinden
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Πιστεύετε
(Pisteuete)
geloven jullie
ὅτι
(hoti)
dat
δύναμαι
(dynamai)
ik kan
τοῦτο
(touto)
dit
ποιῆσαι
(poiesai)
doen
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Ναί
(Nai)
ja
κύριε
(kyrie)
Heer
Bron: SBLGNT
29Toen raakte Hij hun ogen aan en zei: „Laat het jullie gebeuren overeenkomstig jullie geloof.”
τότε
(tote)
toen
ἥψατο
(hepsato)
raakte aan
τῶν
(ton)
de
ὀφθαλμῶν
(ophthalmon)
ogen
αὐτῶν
(auton)
hun
λέγων
(legon)
zeggend
Κατὰ
(Kata)
naar
τὴν
(ten)
het
πίστιν
(pistin)
geloof
ὑμῶν
(hymon)
jullie
γενηθήτω
(genetheto)
laat gebeuren
ὑμῖν
(hymin)
jullie
Bron: SBLGNT
30Hun ogen gingen open. Yeshua sprak hen streng toe en zei: „Pas op dat niemand het te weten komt.”
καὶ
(kai)
en
ἠνεῴχθησαν
(eneochthesan)
gingen open
αὐτῶν
(auton)
hun
οἱ
(hoi)
de
ὀφθαλμοί
(ophthalmoi)
ogen
καὶ
(kai)
en
ἐνεβριμήθη
(enebrimethe)
sprak streng toe
αὐτοῖς
(autois)
hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
λέγων
(legon)
zeggend
Ὁρᾶτε
(Horate)
pas op
μηδεὶς
(medeis)
niemand
γινωσκέτω
(ginosketo)
laat weten
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐμβριμάομαι (embrimaomai), ‘streng toespreken’: letterlijk ‘snuiven’, een sterk, waarschuwend bevel.

31Maar zij gingen weg en maakten Hem bekend in heel dat land.
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
ἐξελθόντες
(exelthontes)
uitgegaan
διεφήμισαν
(diephemisan)
maakten bekend
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐν
(en)
in
ὅλῃ
(hole)
hele
τῇ
(te)
het
γῇ
(ge)
land
ἐκείνῃ
(ekeine)
dat
Bron: SBLGNT
32Terwijl zij weggingen, zie: zij brachten een stomme man bij Hem, die door een demon bezeten was.
Αὐτῶν
(Auton)
zij
δὲ
(de)
maar
ἐξερχομένων
(exerchomenon)
uitgaand
ἰδοὺ
(idou)
zie
προσήνεγκαν
(prosenenkan)
brachten
αὐτῷ
(auto)
bij Hem
ἄνθρωπον
(anthropon)
man
κωφὸν
(kophon)
stomme
δαιμονιζόμενον
(daimonizomenon)
door een demon bezeten
Bron: SBLGNT
Uitleg

κωφός (kophos), ‘stom’; het woord kan ook ‘doof’ betekenen.

Hier spreekt de man na zijn genezing (vers 33), dus wij vertalen ‘stom’.

Zie ook Matt. 12:22–24; Luc. 11:14–15.

33Toen de demon was uitgedreven, sprak de stomme. De menigten verwonderden zich en zeiden: „Nog nooit is zoiets in Israël te zien geweest.”
καὶ
(kai)
en
ἐκβληθέντος
(ekblethentos)
uitgedreven zijnde
τοῦ
(tou)
de
δαιμονίου
(daimoniou)
demon
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
ὁ
(ho)
de
κωφός
(kophos)
stomme
καὶ
(kai)
en
ἐθαύμασαν
(ethaumasan)
verwonderden zich
οἱ
(hoi)
de
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Οὐδέποτε
(Oudepote)
nooit
ἐφάνη
(ephane)
is verschenen
οὕτως
(houtos)
zo
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
Ἰσραήλ
(Israel)
Israël
Bron: SBLGNT
34Maar de Farizeeën zeiden: „Door de leider van de demonen drijft Hij de demonen uit.”
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Ἐν
(En)
door
τῷ
(to)
de
ἄρχοντι
(archonti)
leider
τῶν
(ton)
van de
δαιμονίων
(daimonion)
demonen
ἐκβάλλει
(ekballei)
drijft uit
τὰ
(ta)
de
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘De leider van de demonen’: zie Matt. 10:25, Beëlzebul.

Zie ook Mark. 3:22.

De oogst is groot

35Yeshua trok alle steden en dorpen door. Hij onderwees in hun synagogen, verkondigde de goede boodschap van het koninkrijk en genas elke ziekte en elke kwaal.
Καὶ
(Kai)
en
περιῆγεν
(periegen)
trok rond
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τὰς
(tas)
de
πόλεις
(poleis)
steden
πάσας
(pasas)
alle
καὶ
(kai)
en
τὰς
(tas)
de
κώμας
(komas)
dorpen
διδάσκων
(didaskon)
onderwijzend
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
συναγωγαῖς
(synagogais)
synagogen
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
κηρύσσων
(kerysson)
verkondigend
τὸ
(to)
de
εὐαγγέλιον
(euangelion)
goede boodschap
τῆς
(tes)
van het
βασιλείας
(basileias)
koninkrijk
καὶ
(kai)
en
θεραπεύων
(therapeuon)
genezend
πᾶσαν
(pasan)
elke
νόσον
(noson)
ziekte
καὶ
(kai)
en
πᾶσαν
(pasan)
elke
μαλακίαν
(malakian)
kwaal
Bron: SBLGNT
Uitleg

Bijna dezelfde woorden als in 4:23.

Zie ook Mark. 6:6.

Zie ookMar 6:6
36Toen Hij de menigten zag, kreeg Hij medelijden met hen, omdat zij afgemat en neergeworpen waren, als schapen zonder herder.
Ἰδὼν
(Idon)
ziend
δὲ
(de)
maar
τοὺς
(tous)
de
ὄχλους
(ochlous)
menigten
ἐσπλαγχνίσθη
(esplanchnisthe)
kreeg medelijden
περὶ
(peri)
over
αὐτῶν
(auton)
hen
ὅτι
(hoti)
omdat
ἦσαν
(esan)
waren
ἐσκυλμένοι
(eskylmenoi)
afgemat
καὶ
(kai)
en
ἐρριμμένοι
(errimmenoi)
neergeworpen
ὡσεὶ
(hosei)
als
πρόβατα
(probata)
schapen
μὴ
(me)
niet
ἔχοντα
(echonta)
hebbende
ποιμένα
(poimena)
herder
Bron: SBLGNT
Uitleg

σπλαγχνίζομαι (splanchnizomai), ‘medelijden krijgen’: van σπλάγχνα (splanchna), ‘ingewanden’, waar men de diepste gevoelens zocht; vergelijk het Hebreeuwse רַחֲמִים (rachamim).

Schapen zonder herder: Num. 27:17; 1 Kon. 22:17; Ezech. 34:5. ἐσκυλμένοι (eskylmenoi) kan ‘afgemat, mishandeld’ betekenen; ἐρριμμένοι (errimmenoi) ‘neergeworpen, verlaten’.

Zie ook Mark. 6:34.

37Toen zei Hij tegen Zijn leerlingen: „De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders.
τότε
(tote)
toen
λέγει
(legei)
zegt
τοῖς
(tois)
tegen de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Ὁ
(Ho)
de
μὲν
(men)
enerzijds
θερισμὸς
(therismos)
oogst
πολύς
(polys)
groot
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
anderzijds
ἐργάται
(ergatai)
arbeiders
ὀλίγοι
(oligoi)
weinig
Bron: SBLGNT
38Vraag dus aan de Heer van de oogst of Hij arbeiders wil uitsturen naar Zijn oogst.”
δεήθητε
(deethete)
vraag
οὖν
(oun)
dus
τοῦ
(tou)
aan de
κυρίου
(kyriou)
Heer
τοῦ
(tou)
van de
θερισμοῦ
(therismou)
oogst
ὅπως
(hopos)
opdat
ἐκβάλῃ
(ekbale)
Hij uitstuurt
ἐργάτας
(ergatas)
arbeiders
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
θερισμὸν
(therismon)
oogst
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘De Heer van de oogst’ is Elohim. ἐκβάλλω (ekballo) betekent meestal ‘uitdrijven’, hier ‘uitsturen’.

Zie ook Luc. 10:2.

Zie ookLuc 10:2