Elohim Bijbel

2 Kronieken 19

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Josafat stelt rechters aan

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jehu berispt Josafat

1Josafat, de koning van Juda, keerde in vrede terug naar zijn huis in Jeruzalem.
וַ֠יָּשָׁב
(vayashav)
en keerde terug
יְהוֹשָׁפָ֨ט
(yehoshafat)
Josafat
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֧ה
(yehuda)
Juda
אֶל
(el)
naar
בֵּית֛וֹ
(beito)
zijn huis
בְּשָׁל֖וֹם
(beshalom)
in vrede
לִֽירוּשָׁלִָֽם
(lirushaliam)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

2Jehu, de zoon van Chanani, de ziener, ging hem tegemoet. Hij zei tegen koning Josafat: „Moet je de goddeloze helpen? Moet je liefhebben wie Yahweh haten? Daarom rust er toorn op je van Yahweh.
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en ging uit
אֶל
(el)
naar
פָּנָ֗יו
(panav)
zijn aangezicht
יֵה֣וּא
(yehu)
Jehu
בֶן
(ben)
zoon van
חֲנָ֘נִי֮
(chanani)
Chanani
הַחֹזֶה֒
(hachoze)
de ziener
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tegen
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
יְהוֹשָׁפָ֔ט
(yehoshafat)
Josafat
הֲלָרָשָׁ֣ע
(halarasha)
aan de goddeloze
לַעְזֹ֔ר
(lazor)
om te helpen
וּלְשֹׂנְאֵ֥י
(ulesoneei)
en wie haten
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תֶּאֱהָ֑ב
(teehav)
heb je lief
וּבָזֹאת֙
(uvazot)
en hierom
עָלֶ֣יךָ
(aleikha)
over jou
קֶּ֔צֶף
(qetsef)
toorn
מִלִּפְנֵ֖י
(milifnei)
van voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹזֶה (choze), ‘ziener’: iemand die ziet wat Yahweh laat zien.

Jehu, de zoon van Chanani, komt ook voor in 1 Kon. 16:1.

Zijn vader Chanani, ook een ziener, is in 2 Kron. 16:7–10 door Asa in de gevangenis gezet.

De goddeloze is Achab, met wie Josafat zich had verbonden (2 Kron. 18:1–3).

מִלִּפְנֵי יְהוָה (millifnei Yahweh), ‘van Yahweh’: letterlijk ‘van voor het aangezicht van Yahweh’.

3Toch zijn er ook goede dingen bij je gevonden. Want je hebt de heilige palen uit het land verwijderd. Je hebt je hart erop gericht Elohim te zoeken.”
אֲבָ֕ל
(aval)
maar
דְּבָרִ֥ים
(devarim)
dingen
טוֹבִ֖ים
(tovim)
goede
נִמְצְא֣וּ
(nimtseu)
zijn gevonden
עִמָּ֑ךְ
(imakh)
bij jou
כִּֽי
(ki)
want
בִעַ֤רְתָּ
(biarta)
je hebt verwijderd
הָאֲשֵׁרוֹת֙
(haasherot)
de heilige palen
מִן
(min)
uit
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וַהֲכִינ֥וֹתָ
(vahakhinota)
en je hebt gericht
לְבָבְךָ֖
(levavekha)
je hart
לִדְרֹ֥שׁ
(lidrosh)
om te zoeken
הָֽאֱלֹהִֽים
(haElohim)
de Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲשֵׁרוֹת (asherot), ‘heilige palen’: meervoud van אֲשֵׁרָה (asjerah), ‘heilige paal’.

Dat is een houten paal of boom bij een heiligdom, ook de naam van een godin, Asjera.

Zo vertalen wij het ook in Deut. 16:21.

בִּעַרְתָּ (bi’arta), ‘je hebt verwijderd’: letterlijk ‘je hebt weggebrand’, dus helemaal opgeruimd. Zie ook 2 Kron. 17:6.

הֲכִינוֹתָ לְבָבְךָ (hakhinota levavkha), ‘je hebt je hart erop gericht’: letterlijk ‘je hebt je hart vastgezet’. Hetzelfde werkwoord staat in 2 Kron. 20:33.

Josafat brengt het volk terug naar Yahweh

4Josafat woonde in Jeruzalem. Daarna ging hij weer uit onder het volk, van Beër-Sjeba tot het bergland van Efraïm. Hij bracht hen terug naar Yahweh, de Elohim van hun vaderen.
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
יְהוֹשָׁפָ֖ט
(yehoshafat)
Josafat
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וַיָּ֜שָׁב
(vayashav)
en keerde weer
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en ging uit
בָעָ֗ם
(baam)
onder het volk
מִבְּאֵ֥ר
(mibeer)
van Beër
שֶׁ֨בַע֙
(sheva)
Sjeba
עַד
(ad)
tot
הַ֣ר
(har)
berg
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
וַיְשִׁיבֵ֕ם
(vayshivem)
en bracht hen terug
אֶל
(el)
naar
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
אֲבוֹתֵיהֶֽם
(avoteihem)
hun vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

Uitleg

Beër-Sjeba lag in het uiterste zuiden van Juda, bij het huidige Tel Beër-Sjeva, vlak bij de stad Beër-Sjeba in Israël.

Het bergland van Efraïm is het middengebied ten noorden van Juda, in het huidige Westelijke Jordaanoever.

De tekst noemt het zuidelijke en het noordelijke einde van het land: zo reisde Josafat door het hele gebied van zijn volk.

Rechters in de steden van Juda

5Hij stelde rechters aan in het land, in alle versterkte steden van Juda, voor elke stad.
וַיַּעֲמֵ֨ד
(vayaamed)
en stelde aan
שֹֽׁפְטִ֜ים
(shofetim)
rechters
בָּאָ֗רֶץ
(baarets)
in het land
בְּכָל
(bekhal)
in alle
עָרֵ֧י
(arei)
steden van
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
הַבְּצֻר֖וֹת
(habetsurot)
de versterkte
לְעִ֥יר
(leir)
voor stad
וָעִֽיר
(vair)
en stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit komt overeen met Deut. 16:18, waar Mozes gebiedt rechters en beambten aan te stellen in alle steden.

6Hij zei tegen de rechters: „Let op wat jullie doen. Want jullie spreken geen recht voor mensen, maar voor Yahweh. Hij is bij jullie als het om recht gaat.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tegen
הַשֹּֽׁפְטִ֗ים
(hashofetim)
de rechters
רְאוּ֙
(reu)
ziet
מָֽה
(ma)
wat
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
עֹשִׂ֔ים
(osim)
doende
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֧א
(lo)
niet
לְאָדָ֛ם
(leadam)
voor een mens
תִּשְׁפְּט֖וּ
(tishpetu)
spreekt jullie recht
כִּ֣י
(ki)
want
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְעִמָּכֶ֖ם
(veimakhem)
en met jullie
בִּדְבַ֥ר
(bidvar)
in de zaak van
מִשְׁפָּֽט
(mishpat)
recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דְּבַר מִשְׁפָּט (devar mishpat), ‘als het om recht gaat’: letterlijk ‘in de zaak van recht’.

Het werkwoord ‘is’ ontbreekt; wij vullen het aan.

7Laat daarom de schrik voor Yahweh op jullie rusten. Wees zorgvuldig en handel. Want bij Yahweh, onze Elohim, is geen onrecht, geen voortrekken van mensen en geen aannemen van steekpenningen.”
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
יְהִ֥י
(yehi)
laat zijn
פַֽחַד
(pachad)
schrik van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיכֶ֑ם
(aleikhem)
over jullie
שִׁמְר֣וּ
(shimru)
let op
וַעֲשׂ֔וּ
(vaasu)
en doe
כִּֽי
(ki)
want
אֵ֞ין
(ein)
er is niet
עִם
(im)
bij
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֗ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
עַוְלָ֛ה
(avla)
onrecht
וּמַשֹּׂ֥א
(umaso)
en het opheffen van
פָנִ֖ים
(panim)
gezicht
וּמִקַּח
(umiqach)
en het aannemen van
שֹֽׁחַד
(shochad)
geschenk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פַּחַד יְהוָה (pachad Yahweh), ‘schrik voor Yahweh’: het gaat om ontzag dat voor onrecht behoedt.

In vers 9 staat een ander woord, יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘de vrees voor Yahweh’.

Het woord pachad staat ook in 2 Kron. 17:10 en 20:29, waar de schrik van Yahweh of Elohim over de volken komt.

עַוְלָה (avlah), ‘onrecht’, מַשָּׂא פָנִים (massa fanim), ‘voortrekken’ (letterlijk ‘het opheffen van het gezicht’) en מִקַּח שֹׁחַד (miqqach shochad), ‘steekpenning aannemen’ (letterlijk ‘het aannemen van een geschenk’): zie Deut. 10:17 en 16:19.

Rechters in Jeruzalem

8Ook in Jeruzalem stelde Josafat enkele Levieten en priesters aan, en enkele familiehoofden van Israël. Zij moesten het recht van Yahweh uitspreken en geschillen beslechten. Zij keerden terug naar Jeruzalem.
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
בִּ֠ירוּשָׁלִַם
(birushaliam)
in Jeruzalem
הֶעֱמִ֨יד
(heemid)
stelde aan
יְהוֹשָׁפָ֜ט
(yehoshafat)
Josafat
מִן
(min)
uit
הַלְוִיִּ֣ם
(halviyim)
de Levieten
וְהַכֹּהֲנִ֗ים
(vehakohanim)
en de priesters
וּמֵרָאשֵׁ֤י
(umerashei)
en uit de hoofden van
הָאָבוֹת֙
(haavot)
de families
לְיִשְׂרָאֵ֔ל
(leyisrael)
van Israël
לְמִשְׁפַּ֥ט
(lemishpat)
voor het recht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלָרִ֑יב
(velariv)
en voor geschil
וַיָּשֻׁ֖בוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

רִיב (riv), ‘geschil’: een rechtszaak tussen twee partijen.

Zie ook Deut. 17:8–9, waar het hoogste gerecht bij de priesters en de rechter hoort.

וַיָּשֻׁבוּ (vayyashuvu), ‘zij keerden terug’: het werkwoord שׁוּב (shuv) betekent ‘terugkeren’. Het kan ook gelezen worden als ‘zij woonden’ (van יָשַׁב, yashav). Wij volgen de klinkers van de tekst.

9Hij gaf hun de opdracht: „Zo moeten jullie handelen, in de vrees voor Yahweh, met betrouwbaarheid en met een volledig hart.
וַיְצַ֥ו
(vaytsav)
en gebood
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
hun
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֤ה
(ko)
zo
תַעֲשׂוּן֙
(taasun)
zullen jullie doen
בְּיִרְאַ֣ת
(beyirat)
in de vrees voor
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בֶּאֱמוּנָ֖ה
(beemuna)
met betrouwbaarheid
וּבְלֵבָ֥ב
(uvelevav)
en met hart
שָׁלֵֽם
(shalem)
volledig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּאֱמוּנָה (be’emunah), ‘met betrouwbaarheid’: dat wat vaststaat en waarop men kan bouwen.

לֵבָב שָׁלֵם (levav shalem), ‘een volledig hart’: een hart dat helemaal bij Yahweh blijft.

10Er kan een geschil bij jullie komen van jullie broeders die in hun steden wonen. Het kan gaan om bloed tegen bloed, of om wet, gebod, voorschriften en rechtsregels. Dan moeten jullie hen waarschuwen, zodat zij zich niet schuldig maken tegenover Yahweh. Anders komt er toorn over jullie en over jullie broeders. Doe zo, dan maken jullie je niet schuldig.
וְכָל
(vekhal)
en elk
רִיב֩
(riv)
geschil
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יָב֨וֹא
(yavo)
komt
עֲלֵיכֶ֜ם
(aleikhem)
naar jullie
מֵאֲחֵיכֶ֣ם
(meacheikhem)
van jullie broeders
הַיֹּשְׁבִ֣ים
(hayoshevim)
die wonen
בְּעָרֵיהֶ֗ם
(beareihem)
in hun steden
בֵּֽין
(bein)
tussen
דָּ֣ם
(dam)
bloed
לְדָם֮
(ledam)
en bloed
בֵּין
(bein)
tussen
תּוֹרָ֣ה
(tora)
wet
לְמִצְוָה֮
(lemitsva)
en gebod
לְחֻקִּ֣ים
(lechuqim)
en voorschriften
וּלְמִשְׁפָּטִים֒
(ulemishpatim)
en rechtsregels
וְהִזְהַרְתֶּ֣ם
(vehizhartem)
en jullie zullen waarschuwen
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יֶאְשְׁמוּ֙
(yeshemu)
zullen schuldig worden
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
tegenover Yahweh
וְהָֽיָה
(vehaya)
en zal zijn
קֶ֥צֶף
(qetsef)
toorn
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
over jullie
וְעַל
(veal)
en over
אֲחֵיכֶ֑ם
(acheikhem)
jullie broeders
כֹּ֥ה
(ko)
zo
תַעֲשׂ֖וּן
(taasun)
zullen jullie doen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תֶאְשָֽׁמוּ
(teshamu)
zullen jullie schuldig worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderricht’.

Hier staat het naast מִצְוָה (mitsvah), ‘gebod’, חֻקִּים (chuqqim), ‘voorschriften’, en מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtsregels’.

בֵּין דָּם לְדָם (bein dam ledam), ‘bloed tegen bloed’: zaken van bloedvergieten, zoals in Deut. 17:8.

11Zie, Amarja, de hoofdpriester, is over jullie gesteld voor alles wat Yahweh aangaat. Zebadja, de zoon van Jisjmaël, de leider van het huis van Juda, is gesteld voor alles wat de koning aangaat. Ook de Levieten zijn voor jullie als beambten. Wees sterk en handel. Moge Yahweh met de goede zijn.”
וְהִנֵּ֡ה
(vehine)
en zie
אֲמַרְיָ֣הוּ
(amaryahu)
Amarja
כֹהֵן֩
(kohen)
priester
הָרֹ֨אשׁ
(harosh)
het hoofd
עֲלֵיכֶ֜ם
(aleikhem)
over jullie
לְכֹ֣ל
(lekhol)
voor alles
דְּבַר
(devar)
wat betreft
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וּזְבַדְיָ֨הוּ
(uzevadyahu)
en Zebadja
בֶן
(ben)
zoon van
יִשְׁמָעֵ֜אל
(yishmael)
Jisjmaël
הַנָּגִ֤יד
(hanagid)
de leider
לְבֵית
(leveit)
van het huis van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
לְכֹ֣ל
(lekhol)
voor alles
דְּבַר
(devar)
wat betreft
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְשֹׁטְרִ֥ים
(veshoterim)
en beambten
הַלְוִיִּ֖ם
(halviyim)
de Levieten
לִפְנֵיכֶ֑ם
(lifneikhem)
voor jullie
חִזְק֣וּ
(chizqu)
wees sterk
וַעֲשׂ֔וּ
(vaasu)
en doe
וִיהִ֥י
(vihi)
en moge zijn
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עִם
(im)
met
הַטּֽוֹב
(hatov)
de goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַכֹּהֵן הָרֹאשׁ (hakkohen harosh), ‘de priester, het hoofd’: wij vertalen ‘hoofdpriester’.

De ‘hogepriester’ (הַכֹּהֵן הַגָּדוֹל, hakkohen hagadol) is een ander woord.

Amarja komt ook voor in 1 Kron. 5:33.

נָגִיד (nagid), ‘leider’: de leider van de stam Juda.

יִשְׁמָעֵאל (Yishmael), ‘Jisjmaël’: dit is dezelfde naam als Ismaël, de zoon van Abraham. In 2 Kon. en 2 Kron. schrijven wij Jisjmaël. Zebadja is zijn zoon; zie ook 1 Kron. 8:38.

שֹׁטְרִים (shoterim), ‘beambten’: mensen die helpen het recht uit te voeren, zoals in Deut. 16:18.

וִיהִי יְהוָה עִם הַטּוֹב (vihi Yahweh im hattov), ‘moge Yahweh met de goede zijn’: de vorm kan ook betekenen ‘Yahweh zal met de goede zijn’. ‘De goede’ is wie goed handelt.