Elohim Bijbel

Lucas 14

123456789101112131415161718192021222324

Genezing op de sabbat, de ereplaatsen, het grote maal en de prijs van het volgen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Genezing van een man met waterzucht

1Het gebeurde dat Hij op een sabbat het huis van een van de leiders van de Farizeeën binnenging om brood te eten. Zij letten op Hem.
Καὶ
(Kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
het gebeurde
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
ἐλθεῖν
(elthein)
binnengaan
αὐτὸν
(auton)
Hij
εἰς
(eis)
in
οἶκόν
(oikon)
huis
τινος
(tinos)
van een
τῶν
(ton)
van de
ἀρχόντων
(archonton)
leiders
τῶν
(ton)
van de
Φαρισαίων
(Pharisaion)
Farizeeën
σαββάτῳ
(sabbato)
op een sabbat
φαγεῖν
(phagein)
te eten
ἄρτον
(arton)
brood
καὶ
(kai)
en
αὐτοὶ
(autoi)
zij
ἦσαν
(esan)
waren
παρατηρούμενοι
(parateroumenoi)
lettend op
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

φαγεῖν ἄρτον (phagein arton), ‘brood eten’: een maaltijd gebruiken. ἄρχων (archon), ‘leider’. παρατηρέω (paratereo), ‘letten op’: nauwkeurig in de gaten houden, zoals in Luc. 6:7.

Zie ookLuc 6:7
2En zie, voor Hem was er een man die aan waterzucht leed.
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἄνθρωπός
(anthropos)
een man
τις
(tis)
zekere
ἦν
(en)
was
ὑδρωπικὸς
(hydropikos)
met waterzucht
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voor
αὐτοῦ
(autou)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὑδρωπικός (hydropikos), ‘iemand met waterzucht’: een ziekte waarbij het lichaam vocht vasthoudt en opzwelt.

3Yeshua antwoordde en zei tegen de wetgeleerden en de Farizeeën: „Is het geoorloofd op de sabbat te genezen, of niet?”
καὶ
(kai)
en
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tegen
τοὺς
(tous)
de
νομικοὺς
(nomikous)
wetgeleerden
καὶ
(kai)
en
Φαρισαίους
(Pharisaious)
Farizeeën
λέγων
(legon)
zeggend
Ἔξεστιν
(Exestin)
is het geoorloofd
τῷ
(to)
op de
σαββάτῳ
(sabbato)
sabbat
θεραπεῦσαι
(therapeusai)
te genezen
ἢ
(e)
of
οὔ
(ou)
niet
Bron: SBLGNT
Uitleg

νομικός (nomikos), ‘wetgeleerde’: zie Matt. 22:35. ἔξεστιν (exestin), ‘het is geoorloofd’.

Dezelfde vraag staat in Matt. 12:10.

4Zij zwegen. Hij pakte hem vast, genas hem en liet hem gaan.
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἡσύχασαν
(hesychasan)
zwegen
καὶ
(kai)
en
ἐπιλαβόμενος
(epilabomenos)
vastpakkend
ἰάσατο
(iasato)
genas
αὐτὸν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
ἀπέλυσεν
(apelysen)
liet gaan
Bron: SBLGNT
5Toen zei Hij tegen hen: „Wie van jullie — als zijn zoon of zijn os in een put valt — trekt hem niet meteen eruit op de dag van de sabbat?”
καὶ
(kai)
en
πρὸς
(pros)
tot
αὐτοὺς
(autous)
hen
εἶπεν
(eipen)
zei Hij
Τίνος
(Tinos)
van wie
ὑμῶν
(hymon)
van jullie
υἱὸς
(huios)
zoon
ἢ
(e)
of
βοῦς
(bous)
os
εἰς
(eis)
in
φρέαρ
(phrear)
put
πεσεῖται
(peseitai)
zal vallen
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
εὐθέως
(eutheos)
meteen
ἀνασπάσει
(anaspasei)
zal eruit trekken
αὐτὸν
(auton)
hem
ἐν
(en)
op
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
τοῦ
(tou)
van de
σαββάτου
(sabbatou)
sabbat
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks zegt letterlijk: ‘Van wie van jullie zal een zoon of een os in een put vallen, en zal hij hem niet meteen eruit trekken?’

Wij maken er twee zinsdelen van.

Vergelijk Matt. 12:11–12; Deut. 22:4.

Lezing

In sommige handschriften staat ‘ezel’ in plaats van ‘zoon’.

De SBLGNT heeft ‘zoon’.

6En zij konden hierop niet antwoorden.
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἴσχυσαν
(ischysan)
konden
ἀνταποκριθῆναι
(antapokrithenai)
antwoorden
πρὸς
(pros)
op
ταῦτα
(tauta)
dit
Bron: SBLGNT

Ereplaatsen en gasten

7Hij vertelde de genodigden een gelijkenis, terwijl Hij lette op hoe zij de ereplaatsen uitkozen. Hij zei tegen hen:
Ἔλεγεν
(Elegen)
vertelde Hij
δὲ
(de)
en
πρὸς
(pros)
aan
τοὺς
(tous)
de
κεκλημένους
(keklemenous)
genodigden
παραβολήν
(parabolen)
een gelijkenis
ἐπέχων
(epechon)
lettend op
πῶς
(pos)
hoe
τὰς
(tas)
de
πρωτοκλισίας
(protoklisias)
ereplaatsen
ἐξελέγοντο
(exelegonto)
zij uitkozen
λέγων
(legon)
zeggend
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

πρωτοκλισία (protoklisia), ‘ereplaats’: zie Matt. 23:6.

Zie ookMat 23:6
8„Wanneer je door iemand voor een bruiloft wordt uitgenodigd, ga dan niet op de ereplaats zitten. Misschien is iemand die meer geëerd is dan jij, door hem uitgenodigd,
Ὅταν
(Hotan)
wanneer
κληθῇς
(klethes)
je wordt uitgenodigd
ὑπό
(hypo)
door
τινος
(tinos)
iemand
εἰς
(eis)
naar
γάμους
(gamous)
een bruiloft
μὴ
(me)
niet
κατακλιθῇς
(kataklithes)
ga zitten
εἰς
(eis)
op
τὴν
(ten)
de
πρωτοκλισίαν
(protoklisian)
ereplaats
μήποτε
(mepote)
misschien
ἐντιμότερός
(entimoteros)
meer geëerd
σου
(sou)
dan jij
ᾖ
(e)
is
κεκλημένος
(keklemenos)
uitgenodigd
ὑπ’
(hyp’)
door
αὐτοῦ
(autou)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

κατακλίνομαι (kataklinomai), ‘gaan zitten’: bij een maaltijd lag men aan tafel; zie Matt. 8:11. γάμοι (gamoi), ‘bruiloft’: het woord staat in het meervoud, zoals in Matt. 22:2.

μήποτε (mepote), ‘misschien’: het woord zegt letterlijk ‘opdat niet ooit’ en geeft aan wat Hij wil voorkomen.

9en komt degene die jou en hem heeft uitgenodigd en zegt tegen je: ‘Geef deze man plaats.’ Dan zul je met schaamte beginnen de laatste plaats in te nemen.
καὶ
(kai)
en
ἐλθὼν
(elthon)
komend
ὁ
(ho)
degene die
σὲ
(se)
jou
καὶ
(kai)
en
αὐτὸν
(auton)
hem
καλέσας
(kalesas)
heeft uitgenodigd
ἐρεῖ
(erei)
zal zeggen
σοι
(soi)
tegen je
Δὸς
(Dos)
geef
τούτῳ
(touto)
aan deze
τόπον
(topon)
plaats
καὶ
(kai)
en
τότε
(tote)
dan
ἄρξῃ
(arxe)
je zult beginnen
μετὰ
(meta)
met
αἰσχύνης
(aischynes)
schaamte
τὸν
(ton)
de
ἔσχατον
(eschaton)
laatste
τόπον
(topon)
plaats
κατέχειν
(katechein)
in te nemen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks zegt Δὸς τούτῳ τόπον (dos touto topon), ‘geef aan deze plaats’; ‘man’ vult het Nederlands aan.

10Maar wanneer je wordt uitgenodigd, ga heen en ga zitten op de laatste plaats. Zo zal degene die je heeft uitgenodigd, wanneer hij komt, tegen je zeggen: ‘Vriend, kom hogerop.’ Dan zul je eer hebben in het bijzijn van allen die met je aan tafel zitten.
ἀλλ’
(all’)
maar
ὅταν
(hotan)
wanneer
κληθῇς
(klethes)
je wordt uitgenodigd
πορευθεὶς
(poreutheis)
gaand
ἀνάπεσε
(anapese)
ga zitten
εἰς
(eis)
op
τὸν
(ton)
de
ἔσχατον
(eschaton)
laatste
τόπον
(topon)
plaats
ἵνα
(hina)
opdat
ὅταν
(hotan)
wanneer
ἔλθῃ
(elthe)
komt
ὁ
(ho)
degene die
κεκληκώς
(keklekos)
heeft uitgenodigd
σε
(se)
je
ἐρεῖ
(erei)
zal zeggen
σοι
(soi)
tegen je
Φίλε
(Phile)
vriend
προσανάβηθι
(prosanabethi)
kom omhoog
ἀνώτερον
(anoteron)
hoger
τότε
(tote)
dan
ἔσται
(estai)
zal zijn
σοι
(soi)
voor je
δόξα
(doxa)
eer
ἐνώπιον
(enopion)
in het bijzijn van
πάντων
(panton)
allen
τῶν
(ton)
de
συνανακειμένων
(synanakeimenon)
tafelgenoten
σοι
(soi)
met je
Bron: SBLGNT
Uitleg

δόξα (doxa), ‘eer’: hier de eer die mensen elkaar geven. ἐνώπιον (enopion), ‘in het bijzijn van’.

Vergelijk Spr. 25:6–7.

11Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.”
ὅτι
(hoti)
want
πᾶς
(pas)
ieder
ὁ
(ho)
die
ὑψῶν
(hypson)
verhoogt
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
ταπεινωθήσεται
(tapeinothesetai)
zal vernederd worden
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
wie
ταπεινῶν
(tapeinon)
vernedert
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
ὑψωθήσεται
(hypsothesetai)
zal verhoogd worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’; ταπεινόω (tapeinoo), ‘vernederen’.

Het Grieks heeft hier twee lijdende vormen die bij Elohim als handelende passen.

Zie ook Matt. 23:12; Luc. 18:14.

Wie je moet uitnodigen

12Hij zei ook tegen degene die Hem had uitgenodigd: „Wanneer je een middagmaaltijd of een avondmaaltijd geeft, nodig dan niet je vrienden, je broers, je familieleden of rijke buren uit. Misschien nodigen ook zij jou op hun beurt uit, en krijg je zo een terugbetaling.
Ἔλεγεν
(Elegen)
zei Hij
δὲ
(de)
en
καὶ
(kai)
ook
τῷ
(to)
tegen degene die
κεκληκότι
(keklekoti)
had uitgenodigd
αὐτόν
(auton)
Hem
Ὅταν
(Hotan)
wanneer
ποιῇς
(poies)
je maakt
ἄριστον
(ariston)
middagmaaltijd
ἢ
(e)
of
δεῖπνον
(deipnon)
maaltijd
μὴ
(me)
niet
φώνει
(phonei)
nodig uit
τοὺς
(tous)
de
φίλους
(philous)
vrienden
σου
(sou)
je
μηδὲ
(mede)
en ook niet
τοὺς
(tous)
de
ἀδελφούς
(adelphous)
broers
σου
(sou)
je
μηδὲ
(mede)
en ook niet
τοὺς
(tous)
de
συγγενεῖς
(syngeneis)
familieleden
σου
(sou)
je
μηδὲ
(mede)
en ook niet
γείτονας
(geitonas)
buren
πλουσίους
(plousious)
rijke
μήποτε
(mepote)
misschien
καὶ
(kai)
ook
αὐτοὶ
(autoi)
zij
ἀντικαλέσωσίν
(antikalesosin)
nodigen terug uit
σε
(se)
je
καὶ
(kai)
en
γένηται
(genetai)
komt
ἀνταπόδομά
(antapodoma)
terugbetaling
σοι
(soi)
voor je
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄριστον (ariston), ‘middagmaaltijd’: de maaltijd rond het midden van de dag; in Matt. 22:4 vertalen wij hetzelfde woord met ‘maaltijd’. δεῖπνον (deipnon), ‘avondmaaltijd’: elders in dit hoofdstuk schrijven wij ‘maaltijd’.

φωνέω (phoneo), ‘roepen’: hier ‘uitnodigen’; in vers 13 staat καλέω (kaleo), ‘uitnodigen’. ἀντικαλέω (antikaleo), ‘op zijn beurt uitnodigen’.

13Maar wanneer je een feestmaal geeft, nodig dan armen, verminkten, kreupelen en blinden uit.
ἀλλ’
(all’)
maar
ὅταν
(hotan)
wanneer
δοχὴν
(dochen)
feestmaal
ποιῇς
(poies)
je maakt
κάλει
(kalei)
nodig uit
πτωχούς
(ptochous)
armen
ἀναπείρους
(anapeirous)
verminkten
χωλούς
(cholous)
kreupelen
τυφλούς
(typhlous)
blinden
Bron: SBLGNT
Uitleg

δοχή (doche), ‘feestmaal’: een ontvangst met gasten. ἀνάπειρος (anapeiros), ‘verminkt’; in Matt. 15:30–31 staat κυλλός (kyllos), eveneens ‘verminkt’.

In vers 21 staat de opsomming in een andere volgorde: ‘blinden en kreupelen’.

14En je zult gelukkig zijn, omdat zij het jou niet kunnen terugbetalen. Want het zal je terugbetaald worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.”
καὶ
(kai)
en
μακάριος
(makarios)
gelukkig
ἔσῃ
(ese)
je zult zijn
ὅτι
(hoti)
omdat
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχουσιν
(echousin)
zij hebben
ἀνταποδοῦναί
(antapodounai)
terug te betalen
σοι
(soi)
aan je
ἀνταποδοθήσεται
(antapodothesetai)
het zal terugbetaald worden
γάρ
(gar)
want
σοι
(soi)
aan je
ἐν
(en)
bij
τῇ
(te)
de
ἀναστάσει
(anastasei)
opstanding
τῶν
(ton)
van de
δικαίων
(dikaion)
rechtvaardigen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀνάστασις τῶν δικαίων (anastasis ton dikaion), ‘opstanding van de rechtvaardigen’: vergelijk Dan. 12:2, ‘velen die slapen in de stofgrond zullen ontwaken’. ἀνταποδίδωμι (antapodidomi), ‘terugbetalen’.

Zie ookDan 12:2

De gelijkenis van het grote maal

15Een van de tafelgenoten hoorde dit en zei tegen Hem: „Gelukkig wie brood zal eten in het koninkrijk van Elohim!”
Ἀκούσας
(Akousas)
horend
δέ
(de)
en
τις
(tis)
iemand
τῶν
(ton)
van de
συνανακειμένων
(synanakeimenon)
tafelgenoten
ταῦτα
(tauta)
dit
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Μακάριος
(Makarios)
gelukkig
ὅστις
(hostis)
wie
φάγεται
(phagetai)
zal eten
ἄρτον
(arton)
brood
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
βασιλείᾳ
(basileia)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het eten van brood in het koninkrijk doet denken aan het feestmaal dat Yahweh voor alle volken bereidt: Jes. 25:6.

Zie ook Matt. 8:11.

16Hij zei tegen hem: „Een man gaf een grote maaltijd en nodigde velen uit.
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ἄνθρωπός
(Anthropos)
een man
τις
(tis)
zekere
ἐποίει
(epoiei)
maakte
δεῖπνον
(deipnon)
maaltijd
μέγα
(mega)
grote
καὶ
(kai)
en
ἐκάλεσεν
(ekalesen)
nodigde uit
πολλούς
(pollous)
velen
Bron: SBLGNT
Uitleg

De gelijkenis lijkt op die van de bruiloft in Matt. 22:1–14, maar verschilt sterk.

δεῖπνον (deipnon), ‘maaltijd’: zie Joh. 13:2.

17Op het uur van de maaltijd zond hij zijn knecht om tegen de genodigden te zeggen: ‘Kom, want het is al klaar.’
καὶ
(kai)
en
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
τὸν
(ton)
de
δοῦλον
(doulon)
knecht
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τῇ
(te)
op
ὥρᾳ
(hora)
het uur
τοῦ
(tou)
van de
δείπνου
(deipnou)
maaltijd
εἰπεῖν
(eipein)
om te zeggen
τοῖς
(tois)
aan de
κεκλημένοις
(keklemenois)
genodigden
Ἔρχεσθε
(Erchesthe)
komt
ὅτι
(hoti)
want
ἤδη
(ede)
al
ἕτοιμά
(hetoima)
klaar
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
18Maar allen begonnen op dezelfde manier zich te verontschuldigen. De eerste zei tegen hem: ‘Ik heb een akker gekocht en moet erheen gaan om hem te bekijken. Ik vraag u: houd mij voor verontschuldigd.’
καὶ
(kai)
en
ἤρξαντο
(erxanto)
begonnen
ἀπὸ
(apo)
vanuit
μιᾶς
(mias)
één
πάντες
(pantes)
allen
παραιτεῖσθαι
(paraiteisthai)
zich te verontschuldigen
ὁ
(ho)
de
πρῶτος
(protos)
eerste
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ἀγρὸν
(Agron)
een akker
ἠγόρασα
(egorasa)
ik kocht
καὶ
(kai)
en
ἔχω
(echo)
ik heb
ἀνάγκην
(ananken)
noodzaak
ἐξελθὼν
(exelthon)
weggaand
ἰδεῖν
(idein)
te bekijken
αὐτόν
(auton)
hem
ἐρωτῶ
(eroto)
ik vraag
σε
(se)
u
ἔχε
(eche)
houd
με
(me)
mij
παρῃτημένον
(paretemenon)
verontschuldigd
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπὸ μιᾶς (apo mias), letterlijk ‘vanuit één’: het Grieks vult het woord erbij niet in.

Wij schrijven ‘op dezelfde manier’. παραιτέομαι (paraiteomai), ‘zich verontschuldigen’: zich laten ontslaan van een verplichting.

19En een ander zei: ‘Ik heb 5 span ossen gekocht en ga ze keuren. Ik vraag u: houd mij voor verontschuldigd.’
καὶ
(kai)
en
ἕτερος
(heteros)
een ander
εἶπεν
(eipen)
zei
Ζεύγη
(Zeuge)
spannen
βοῶν
(boon)
van ossen
ἠγόρασα
(egorasa)
ik kocht
πέντε
(pente)
5
καὶ
(kai)
en
πορεύομαι
(poreuomai)
ik ga
δοκιμάσαι
(dokimasai)
te keuren
αὐτά
(auta)
ze
ἐρωτῶ
(eroto)
ik vraag
σε
(se)
u
ἔχε
(eche)
houd
με
(me)
mij
παρῃτημένον
(paretemenon)
verontschuldigd
Bron: SBLGNT
Uitleg

ζεῦγος (zeugos), ‘span’: een paar ossen onder één juk; 5 span zijn dus 10 ossen. δοκιμάζω (dokimazo), ‘keuren’: beproeven of ze goed zijn.

20En weer een ander zei: ‘Ik ben met een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.’
καὶ
(kai)
en
ἕτερος
(heteros)
een ander
εἶπεν
(eipen)
zei
Γυναῖκα
(Gynaika)
een vrouw
ἔγημα
(egema)
ik trouwde
καὶ
(kai)
en
διὰ
(dia)
om
τοῦτο
(touto)
dit
οὐ
(ou)
niet
δύναμαι
(dynamai)
ik kan
ἐλθεῖν
(elthein)
komen
Bron: SBLGNT
21De knecht kwam en meldde dit aan zijn heer. Toen werd de heer van het huis boos. Hij zei tegen zijn knecht: ‘Ga snel naar de pleinen en straten van de stad en breng de armen, verminkten, blinden en kreupelen hierheen.’
καὶ
(kai)
en
παραγενόμενος
(paragenomenos)
aangekomen
ὁ
(ho)
de
δοῦλος
(doulos)
knecht
ἀπήγγειλεν
(apengeilen)
meldde
τῷ
(to)
aan de
κυρίῳ
(kyrio)
heer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ταῦτα
(tauta)
dit
τότε
(tote)
toen
ὀργισθεὶς
(orgistheis)
boos geworden
ὁ
(ho)
de
οἰκοδεσπότης
(oikodespotes)
heer van het huis
εἶπεν
(eipen)
zei
τῷ
(to)
tegen de
δούλῳ
(doulo)
knecht
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Ἔξελθε
(Exelthe)
ga naar buiten
ταχέως
(tacheos)
snel
εἰς
(eis)
naar
τὰς
(tas)
de
πλατείας
(plateias)
pleinen
καὶ
(kai)
en
ῥύμας
(rhymas)
straten
τῆς
(tes)
van de
πόλεως
(poleos)
stad
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
πτωχοὺς
(ptochous)
armen
καὶ
(kai)
en
ἀναπείρους
(anapeirous)
verminkten
καὶ
(kai)
en
τυφλοὺς
(typhlous)
blinden
καὶ
(kai)
en
χωλοὺς
(cholous)
kreupelen
εἰσάγαγε
(eisagage)
breng binnen
ὧδε
(hode)
hierheen
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριος (kyrios), ‘heer’: de eigenaar van het huis, niet Yeshua; zie Matt. 25:11. οἰκοδεσπότης (oikodespotes) is ‘heer van het huis’ (Matt. 10:25).

πλατεῖαι (plateiai), ‘pleinen’: letterlijk ‘brede straten’. ῥύμαι (rhymai), ‘straten’.

Zie ook Matt. 22:9–10.

22De knecht zei: ‘Heer, wat u bevolen hebt, is gebeurd, en er is nog plaats.’
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
ὁ
(ho)
de
δοῦλος
(doulos)
knecht
Κύριε
(Kyrie)
heer
γέγονεν
(gegonen)
is gebeurd
ὃ
(ho)
wat
ἐπέταξας
(epetaxas)
u hebt bevolen
καὶ
(kai)
en
ἔτι
(eti)
nog
τόπος
(topos)
plaats
ἐστίν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
23De heer zei tegen de knecht: ‘Ga naar de wegen en de heggen en dwing hen binnen te komen, zodat mijn huis vol wordt.
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
heer
πρὸς
(pros)
tegen
τὸν
(ton)
de
δοῦλον
(doulon)
knecht
Ἔξελθε
(Exelthe)
ga naar buiten
εἰς
(eis)
naar
τὰς
(tas)
de
ὁδοὺς
(hodous)
wegen
καὶ
(kai)
en
φραγμοὺς
(phragmous)
heggen
καὶ
(kai)
en
ἀνάγκασον
(anankason)
dwing
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnen te komen
ἵνα
(hina)
opdat
γεμισθῇ
(gemisthe)
vol wordt
μου
(mou)
mijn
ὁ
(ho)
het
οἶκος
(oikos)
huis
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀναγκάζω (anankazo), ‘dwingen’: zie Matt. 14:22. φραγμός (phragmos), ‘heg’: een omheining langs een akker of wijngaard.

Zie ookMat 14:22
24Want ik zeg jullie: niemand van die genodigde mannen zal van mijn maaltijd proeven.’”
λέγω
(lego)
ik zeg
γὰρ
(gar)
want
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
τῶν
(ton)
van de
ἀνδρῶν
(andron)
mannen
ἐκείνων
(ekeinon)
die
τῶν
(ton)
de
κεκλημένων
(keklemenon)
genodigden
γεύσεταί
(geusetai)
zal proeven
μου
(mou)
mijn
τοῦ
(tou)
de
δείπνου
(deipnou)
maaltijd
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft hier het meervoud ὑμῖν (hymin), ‘jullie’, terwijl de heer in de verzen 21–23 tot één knecht sprak.

Het kunnen dus ook de woorden van Yeshua zijn, gericht tot de genodigden aan tafel.

Wij laten het bij de heer in de gelijkenis.

De prijs van het volgen van Yeshua

25Grote menigten gingen met Hem mee. Hij draaide zich om en zei tegen hen:
Συνεπορεύοντο
(Syneporeuonto)
gingen mee
δὲ
(de)
en
αὐτῷ
(auto)
met Hem
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
πολλοί
(polloi)
grote
καὶ
(kai)
en
στραφεὶς
(strapheis)
zich omdraaiend
εἶπεν
(eipen)
zei Hij
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
26„Als iemand naar Mij toe komt en zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zussen niet haat, ja zelfs zijn eigen leven niet, dan kan hij niet Mijn leerling zijn.
Εἴ
(Ei)
als
τις
(tis)
iemand
ἔρχεται
(erchetai)
komt
πρός
(pros)
naar
με
(me)
Mij
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
μισεῖ
(misei)
haat
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
vader
ἑαυτοῦ
(heautou)
zijn eigen
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
μητέρα
(metera)
moeder
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
τέκνα
(tekna)
kinderen
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
ἀδελφοὺς
(adelphous)
broers
καὶ
(kai)
en
τὰς
(tas)
de
ἀδελφάς
(adelphas)
zussen
ἔτι
(eti)
nog
τε
(te)
bovendien
καὶ
(kai)
ook
τὴν
(ten)
de
ψυχὴν
(psychen)
leven
ἑαυτοῦ
(heautou)
zijn eigen
οὐ
(ou)
niet
δύναται
(dynatai)
kan
εἶναί
(einai)
zijn
μου
(mou)
Mijn
μαθητής
(mathetes)
leerling
Bron: SBLGNT
Uitleg

μισέω (miseo), ‘haten’: wij vertalen letterlijk, zoals in Joh. 12:25.

In het Hebreeuws kan ‘haten’ ook ‘achterstellen’ betekenen: vergelijk Deut. 21:15, ‘de ene bemind en de andere gehaat’, en Gen. 29:30–31 (het Hebreeuws heeft in 29:31 ‘gehaat’; wij schrijven daar ‘niet bemind’).

Matteüs schrijft ‘meer liefhebben dan Mij’.

ψυχή (psyche), ‘leven’: zie Matt. 10:39.

Zie ook Matt. 10:37.

27Wie zijn eigen kruis niet draagt en achter Mij aan komt, kan niet Mijn leerling zijn.
ὅστις
(hostis)
wie
οὐ
(ou)
niet
βαστάζει
(bastazei)
draagt
τὸν
(ton)
het
σταυρὸν
(stauron)
kruis
ἑαυτοῦ
(heautou)
zijn eigen
καὶ
(kai)
en
ἔρχεται
(erchetai)
komt
ὀπίσω
(opiso)
achter
μου
(mou)
Mij
οὐ
(ou)
niet
δύναται
(dynatai)
kan
εἶναί
(einai)
zijn
μου
(mou)
Mijn
μαθητής
(mathetes)
leerling
Bron: SBLGNT
Uitleg

σταυρός (stauros), ‘kruis’: zie Matt. 10:38.

Zie ook Matt. 10:38; 16:24; Mark. 8:34.

28Want wie van jullie een toren wil bouwen, gaat niet eerst zitten om de kosten te berekenen? Heeft hij genoeg om hem af te maken?
τίς
(tis)
wie
γὰρ
(gar)
want
ἐξ
(ex)
van
ὑμῶν
(hymon)
jullie
θέλων
(thelon)
willend
πύργον
(pyrgon)
een toren
οἰκοδομῆσαι
(oikodomesai)
bouwen
οὐχὶ
(ouchi)
niet
πρῶτον
(proton)
eerst
καθίσας
(kathisas)
gaan zitten
ψηφίζει
(psephizei)
berekent
τὴν
(ten)
de
δαπάνην
(dapanen)
kosten
εἰ
(ei)
of
ἔχει
(echei)
hij heeft
εἰς
(eis)
voor
ἀπαρτισμόν
(apartismon)
voltooiing
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψηφίζω (psephizo), ‘berekenen’: rekenen met steentjes. πύργος (pyrgos), ‘toren’.

29Anders, als hij een fundament heeft gelegd en het niet kan afmaken, zullen allen die het zien beginnen hem te bespotten,
ἵνα
(hina)
opdat
μήποτε
(mepote)
niet misschien
θέντος
(thentos)
gelegd hebbend
αὐτοῦ
(autou)
hij
θεμέλιον
(themelion)
fundament
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
ἰσχύοντος
(ischyontos)
kunnend
ἐκτελέσαι
(ektelesai)
af te maken
πάντες
(pantes)
allen
οἱ
(hoi)
die
θεωροῦντες
(theorountes)
kijken
ἄρξωνται
(arxontai)
zullen beginnen
αὐτῷ
(auto)
hem
ἐμπαίζειν
(empaizein)
te bespotten
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἵνα μήποτε (hina mepote), letterlijk ‘opdat niet ooit’: wij schrijven ‘Anders’. ἐμπαίζω (empaizo), ‘bespotten’: zie Matt. 20:19.

Zie ookMat 20:19
30en zeggen: ‘Deze man is begonnen te bouwen en kon het niet afmaken.’
λέγοντες
(legontes)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
Οὗτος
(Houtos)
deze
ὁ
(ho)
de
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
ἤρξατο
(erxato)
is begonnen
οἰκοδομεῖν
(oikodomein)
te bouwen
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἴσχυσεν
(ischysen)
kon
ἐκτελέσαι
(ektelesai)
af te maken
Bron: SBLGNT
31Of welke koning gaat op weg om de strijd aan te gaan met een andere koning? Gaat hij niet eerst zitten om te overleggen of hij in staat is met 10.000 tegemoet te treden wie met 20.000 tegen hem optrekt?
ἢ
(e)
of
τίς
(tis)
welke
βασιλεὺς
(basileus)
koning
πορευόμενος
(poreuomenos)
op weg gaand
ἑτέρῳ
(hetero)
met een andere
βασιλεῖ
(basilei)
koning
συμβαλεῖν
(symbalein)
de strijd aan te gaan
εἰς
(eis)
in
πόλεμον
(polemon)
oorlog
οὐχὶ
(ouchi)
niet
καθίσας
(kathisas)
gaan zitten
πρῶτον
(proton)
eerst
βουλεύσεται
(bouleusetai)
zal overleggen
εἰ
(ei)
of
δυνατός
(dynatos)
in staat
ἐστιν
(estin)
is
ἐν
(en)
met
δέκα
(deka)
10
χιλιάσιν
(chiliasin)
duizendtallen
ὑπαντῆσαι
(hypantesai)
tegemoet te treden
τῷ
(to)
aan hem
μετὰ
(meta)
met
εἴκοσι
(eikosi)
20
χιλιάδων
(chiliadon)
duizendtallen
ἐρχομένῳ
(erchomeno)
komend
ἐπ’
(ep’)
tegen
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks zegt ‘met tienduizend’ en ‘met twintigduizend’, zonder het woord ‘man’.

32Zo niet, dan zendt hij, terwijl de ander nog ver weg is, een gezantschap en vraagt om vredesvoorwaarden.
εἰ
(ei)
als
δὲ
(de)
maar
μήγε
(mege)
niet
ἔτι
(eti)
nog
αὐτοῦ
(autou)
hij
πόρρω
(porro)
ver weg
ὄντος
(ontos)
zijnde
πρεσβείαν
(presbeian)
gezantschap
ἀποστείλας
(aposteilas)
zendend
ἐρωτᾷ
(erota)
vraagt
τὰ
(ta)
de dingen
πρὸς
(pros)
tot
εἰρήνην
(eirenen)
vrede
Bron: SBLGNT
Uitleg

τὰ πρὸς εἰρήνην (ta pros eirenen), letterlijk ‘de dingen tot vrede’: wij schrijven ‘vredesvoorwaarden’. πρεσβεία (presbeia), ‘gezantschap’.

33Zo kan dus ieder van jullie die niet afstand doet van alles wat hij bezit, niet Mijn leerling zijn.
οὕτως
(houtos)
zo
οὖν
(oun)
dus
πᾶς
(pas)
ieder
ἐξ
(ex)
van
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ὃς
(hos)
die
οὐκ
(ouk)
niet
ἀποτάσσεται
(apotassetai)
afstand doet
πᾶσιν
(pasin)
van alles
τοῖς
(tois)
wat
ἑαυτοῦ
(heautou)
van zichzelf
ὑπάρχουσιν
(hyparchousin)
bezit
οὐ
(ou)
niet
δύναται
(dynatai)
kan
εἶναί
(einai)
zijn
μου
(mou)
Mijn
μαθητής
(mathetes)
leerling
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀποτάσσομαι (apotassomai), ‘afstand doen van’: letterlijk ‘afscheid nemen van’; zie Mark. 6:46.

Zie ookMar 6:46

Het zout

34Zout is dus goed. Maar als ook het zout smaakloos wordt, waarmee zal het smaak krijgen?
Καλὸν
(Kalon)
goed
οὖν
(oun)
dus
τὸ
(to)
het
ἅλας
(halas)
zout
ἐὰν
(ean)
als
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
τὸ
(to)
het
ἅλας
(halas)
zout
μωρανθῇ
(moranthe)
smaakloos wordt
ἐν
(en)
met
τίνι
(tini)
wat
ἀρτυθήσεται
(artythesetai)
zal smaak krijgen
Bron: SBLGNT
Uitleg

μωραίνω (moraino), ‘smaakloos worden’: zie Matt. 5:13. ἀρτύω (artyo), ‘smaak geven’: zie Mark. 9:50.

Zie ook Matt. 5:13; Mark. 9:50.

35Het is noch voor de grond noch voor de mesthoop geschikt; men gooit het buiten. Wie oren heeft om te horen, laat hem horen.”
οὔτε
(oute)
noch
εἰς
(eis)
voor
γῆν
(gen)
grond
οὔτε
(oute)
noch
εἰς
(eis)
voor
κοπρίαν
(koprian)
mesthoop
εὔθετόν
(eutheton)
geschikt
ἐστιν
(estin)
is
ἔξω
(exo)
buiten
βάλλουσιν
(ballousin)
zij gooien
αὐτό
(auto)
het
ὁ
(ho)
wie
ἔχων
(echon)
heeft
ὦτα
(ota)
oren
ἀκούειν
(akouein)
om te horen
ἀκουέτω
(akoueto)
laat horen
Bron: SBLGNT
Uitleg

κοπρία (kopria), ‘mesthoop’.

De slotzin staat ook in Mark. 4:9.

Zie ookMar 4:9