Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het beleg van Rabba
1Bij de jaarwisseling, in de tijd dat koningen ten strijde trekken, stuurde David Joab erop uit. Hij stuurde ook zijn dienaren mee en heel Israël. Zij richtten de zonen van Ammon te gronde en belegerden Rabba. David bleef in Jeruzalem.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
לִתְשׁוּבַ֨ת
(litshuvat)
bij de terugkeer van
הַשָּׁנָ֜ה
(hashana)
het jaar
לְעֵ֣ת
(leet)
in de tijd van
צֵ֣את
(tset)
uittrekken van
הַמַּלְאֿכִ֗ים
(hamalkhim)
de koningen
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en stuurde
דָּוִ֡ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹאָב֩
(yoav)
Joab
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲבָדָ֨יו
(avadav)
zijn dienaren
עִמּ֜וֹ
(imo)
met hem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וַיַּשְׁחִ֨תוּ֙
(vayashchitu)
en zij richtten te gronde
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
עַמּ֔וֹן
(amon)
Ammon
וַיָּצֻ֖רוּ
(vayatsuru)
en zij belegerden
עַל
(al)
tegen
רַבָּ֑ה
(raba)
Rabba
וְדָוִ֖ד
(vedavid)
en David
יוֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
zittend
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Rabba is de hoofdstad van de zonen van Ammon, het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Lezing
De geschreven tekst heeft הַמַּלְאָכִים (hammal’akhim), ‘de boden’.
Het teken boven de aleph geeft aan dat de aleph niet gelezen wordt: de gelezen vorm is הַמְּלָכִים (hammelakhim), ‘de koningen’.
2Tegen de avond stond David op van zijn bed. Hij liep rond op het dak van het huis van de koning. Vanaf het dak zag hij een vrouw die zich waste. De vrouw was zeer mooi om te zien.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
לְעֵ֣ת
(leet)
in de tijd van
הָעֶ֗רֶב
(haerev)
de avond
וַיָּ֨קָם
(vayaqam)
en stond op
דָּוִ֜ד
(david)
David
מֵעַ֤ל
(meal)
van op
מִשְׁכָּבוֹ֙
(mishkavo)
zijn bed
וַיִּתְהַלֵּךְ֙
(vayithalekh)
en liep rond
עַל
(al)
op
גַּ֣ג
(gag)
dak van
בֵּית
(beit)
huis van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en zag
אִשָּׁ֛ה
(isha)
een vrouw
רֹחֶ֖צֶת
(rochetset)
zich wassend
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
הַגָּ֑ג
(hagag)
het dak
וְהָ֣אִשָּׁ֔ה
(vehaisha)
en de vrouw
טוֹבַ֥ת
(tovat)
goed van
מַרְאֶ֖ה
(mare)
uiterlijk
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De huizen hadden een plat dak, waar men in de koelte van de avond kon lopen.
4David stuurde boden en liet haar halen. Zij kwam bij hem en hij lag met haar. Zij was bezig zich te heiligen na haar onreinheid. Daarna keerde zij terug naar haar huis.
וַיִּשְׁלַח֩
(vayishlach)
en stuurde
דָּוִ֨ד
(david)
David
מַלְאָכִ֜ים
(malakhim)
boden
וַיִּקָּחֶ֗הָ
(vayiqacheha)
en nam haar
וַתָּב֤וֹא
(vatavo)
en zij kwam
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
וַיִּשְׁכַּ֣ב
(vayishkav)
en hij lag
עִמָּ֔הּ
(imah)
met haar
וְהִ֥יא
(vehi)
en zij
מִתְקַדֶּ֖שֶׁת
(mitqadeshet)
zich heiligend
מִטֻּמְאָתָ֑הּ
(mitumatah)
van haar onreinheid
וַתָּ֖שָׁב
(vatashav)
en zij keerde terug
אֶל
(el)
naar
בֵּיתָֽהּ
(beitah)
haar huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִתְקַדֶּשֶׁת (mitqaddesjet), ‘zich heiligen’: zich reinigen na de onreinheid van de maandelijkse bloeding (Lev. 15:19–30).
Zo blijkt dat het kind van David is en niet van haar man.
Voor overspel staat in de wet de doodstraf (Exod. 20:14; Lev. 20:10).
8David zei tegen Uria: „Ga naar je huis en was je voeten.” Uria ging het huis van de koning uit. Er werd een geschenk van de koning achter hem aan gebracht.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִד֙
(david)
David
לְא֣וּרִיָּ֔ה
(leuriya)
tot Uria
רֵ֥ד
(red)
daal af
לְבֵיתְךָ֖
(leveitekha)
naar je huis
וּרְחַ֣ץ
(urechats)
en was
רַגְלֶ֑יךָ
(ragleikha)
je voeten
וַיֵּצֵ֤א
(vayetse)
en ging uit
אֽוּרִיָּה֙
(uriya)
Uria
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַתֵּצֵ֥א
(vatetse)
en ging uit
אַחֲרָ֖יו
(acharav)
achter hem
מַשְׂאַ֥ת
(masat)
geschenk van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
David wil dat Uria naar huis gaat en bij zijn vrouw slaapt.
‘Was je voeten’ is een uitnodiging om thuis uit te rusten.
מַשְׂאַת (masjat), ‘geschenk’: letterlijk ‘wat opgeheven wordt’; een portie of gift van de tafel van de koning (vergelijk Gen. 43:34).
10Men meldde aan David: „Uria is niet naar zijn huis gegaan.” David zei tegen Uria: „Kom je niet van een reis? Waarom ben je niet naar je huis gegaan?”
וַיַּגִּ֤דוּ
(vayagidu)
en men meldde
לְדָוִד֙
(ledavid)
aan David
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֹֽא
(lo)
niet
יָרַ֥ד
(yarad)
ging naar beneden
אוּרִיָּ֖ה
(uriya)
Uria
אֶל
(el)
naar
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֜ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
אוּרִיָּ֗ה
(uriya)
Uria
הֲל֤וֹא
(halo)
niet
מִדֶּ֨רֶךְ֙
(miderekh)
van een reis
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
בָ֔א
(ba)
komende
מַדּ֖וּעַ
(madua)
waarom
לֹֽא
(lo)
niet
יָרַ֥דְתָּ
(yaradta)
ben je naar beneden gegaan
אֶל
(el)
naar
בֵּיתֶֽךָ
(beitekha)
je huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Uria zei tegen David: „De ark, Israël en Juda wonen in hutten. Mijn heer Joab en de dienaren van mijn heer kamperen in het open veld. En ik zou naar mijn huis gaan om te eten, te drinken en bij mijn vrouw te slapen? Zo waar u leeft en zo waar uw ziel leeft: ik zal dit niet doen!”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אוּרִיָּ֜ה
(uriya)
Uria
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֗ד
(david)
David
הָ֠אָרוֹן
(haaron)
de ark
וְיִשְׂרָאֵ֨ל
(veyisrael)
en Israël
וִֽיהוּדָ֜ה
(vihuda)
en Juda
יֹשְׁבִ֣ים
(yoshevim)
wonend
בַּסֻּכּ֗וֹת
(basukot)
in hutten
וַאדֹנִ֨י
(vadoni)
en mijn heer
יוֹאָ֜ב
(yoav)
Joab
וְעַבְדֵ֤י
(veavdei)
en de dienaren van
אֲדֹנִ֨י
(adoni)
mijn heer
עַל
(al)
op
פְּנֵ֤י
(penei)
oppervlak van
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
חֹנִ֔ים
(chonim)
kampeerders
וַאֲנִ֞י
(vaani)
en ik
אָב֧וֹא
(avo)
zal gaan
אֶל
(el)
naar
בֵּיתִ֛י
(beiti)
mijn huis
לֶאֱכֹ֥ל
(leekhol)
om te eten
וְלִשְׁתּ֖וֹת
(velishtot)
en te drinken
וְלִשְׁכַּ֣ב
(velishkav)
en te liggen
עִם
(im)
met
אִשְׁתִּ֑י
(ishti)
mijn vrouw
חַיֶּ֨ךָ֙
(chayekha)
bij uw leven
וְחֵ֣י
(vechei)
en bij het leven van
נַפְשֶׁ֔ךָ
(nafshekha)
uw ziel
אִֽם
(im)
indien
אֶעֱשֶׂ֖ה
(eese)
ik zal doen
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָאָרוֹן (ha’aron), ‘de ark’: de ark was dus bij het leger, in het veld.
סֻכּוֹת (sukkot), ‘hutten’: tijdelijke onderkomens van takken. Het kan ook de plaats Sukkot zijn; wij nemen ‘hutten’.
חֵי נַפְשֶׁךָ (chei nafsjeka), ‘zo waar uw ziel leeft’: een eed. De Hebreeuwse נֶפֶשׁ (nefesj) is ‘ziel’ of ‘leven’.
13David riep hem. Uria at en dronk voor zijn ogen en David maakte hem dronken. 's Avonds ging Uria weg om op zijn bed te slapen, bij de dienaren van zijn heer. Hij ging niet naar zijn huis.
וַיִּקְרָא
(vayiqra)
en riep
ל֣וֹ
(lo)
hem
דָוִ֗ד
(david)
David
וַיֹּ֧אכַל
(vayokhal)
en hij at
לְפָנָ֛יו
(lefanav)
voor hem
וַיֵּ֖שְׁתְּ
(vayesht)
en dronk
וַֽיְשַׁכְּרֵ֑הוּ
(vayshakerehu)
en hij maakte hem dronken
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en ging uit
בָעֶ֗רֶב
(baerev)
's avonds
לִשְׁכַּ֤ב
(lishkav)
om te liggen
בְּמִשְׁכָּבוֹ֙
(bemishkavo)
op zijn bed
עִם
(im)
met
עַבְדֵ֣י
(avdei)
dienaren van
אֲדֹנָ֔יו
(adonav)
zijn heer
וְאֶל
(veel)
en naar
בֵּית֖וֹ
(beito)
zijn huis
לֹ֥א
(lo)
niet
יָרָֽד
(yarad)
ging naar beneden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיְשַׁכְּרֵהוּ (vajesjakkerehu), ‘hij maakte hem dronken’: David zette Uria aan tot drinken, in de hoop dat hij naar zijn vrouw zou gaan.
15Hij schreef in de brief: „Zet Uria vooraan, waar de strijd het zwaarst is. Trek jullie dan achter hem terug, zodat hij neergeslagen wordt en sterft.”
וַיִּכְתֹּ֥ב
(vayikhtov)
en schreef
בַּסֵּ֖פֶר
(basefer)
in de brief
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הָב֣וּ
(havu)
zet
אֶת
(et)
(obj.)
אֽוּרִיָּ֗ה
(uriya)
Uria
אֶל
(el)
naar
מוּל֙
(mul)
tegenover
פְּנֵ֤י
(penei)
gezicht van
הַמִּלְחָמָה֙
(hamilchama)
de strijd
הַֽחֲזָקָ֔ה
(hachazaqa)
de sterke
וְשַׁבְתֶּ֥ם
(veshavtem)
en keer terug
מֵאַחֲרָ֖יו
(meacharav)
van achter hem
וְנִכָּ֥ה
(venika)
en hij zal geslagen worden
וָמֵֽת
(vamet)
en sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
David geeft Joab de opdracht om Uria te laten sneuvelen.
Het gaat om een moord met een brief; vergelijk Exod. 20:13.
18Joab stuurde een bode en liet David alles weten over het verloop van de strijd.
וַיִּשְׁלַ֖ח
(vayishlach)
en stuurde
יוֹאָ֑ב
(yoav)
Joab
וַיַּגֵּ֣ד
(vayaged)
en vertelde
לְדָוִ֔ד
(ledavid)
aan David
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
zaken van
הַמִּלְחָמָֽה
(hamilchama)
de strijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Hij gaf de bode deze opdracht: „Als je de koning alles over de strijd hebt verteld,
וַיְצַ֥ו
(vaytsav)
en hij gebood
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּלְאָ֖ךְ
(hamalakh)
de bode
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כְּכַלּוֹתְךָ֗
(kekhalotekha)
als je klaar bent
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
zaken van
הַמִּלְחָמָ֖ה
(hamilchama)
de strijd
לְדַבֵּ֥ר
(ledaber)
met spreken
אֶל
(el)
tot
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20kan hij kwaad worden en tegen je zeggen: ‘Waarom zijn jullie zo dicht bij de stad gekomen om te strijden? Wisten jullie niet dat zij vanaf de muur schieten?
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
אִֽם
(im)
als
תַּעֲלֶה֙
(taale)
opkomt
חֲמַ֣ת
(chamat)
woede van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְאָמַ֣ר
(veamar)
en hij zegt
לְךָ֔
(lekha)
tot jou
מַדּ֛וּעַ
(madua)
waarom
נִגַּשְׁתֶּ֥ם
(nigashtem)
zijn jullie genaderd
אֶל
(el)
tot
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
לְהִלָּחֵ֑ם
(lehilachem)
om te strijden
הֲל֣וֹא
(halo)
niet
יְדַעְתֶּ֔ם
(yedatem)
wisten jullie
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יֹר֖וּ
(yoru)
zij schieten
מֵעַ֥ל
(meal)
van boven
הַחוֹמָֽה
(hachoma)
de muur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Wie versloeg Abimelech, de zoon van Jerubbesjet? Wierp niet een vrouw een stuk van een molensteen op hem, van de muur af, zodat hij stierf in Tebets? Waarom zijn jullie zo dicht bij de muur gekomen?’ Dan zeg je: ‘Ook uw dienaar Uria, de Hethiet, is dood.’”
מִֽי
(mi)
wie
הִכָּ֞ה
(hika)
sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבִימֶ֣לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
בֶּן
(ben)
zoon van
יְרֻבֶּ֗שֶׁת
(yerubeshet)
Jerubbesjet
הֲלֽוֹא
(halo)
niet
אִשָּׁ֡ה
(isha)
een vrouw
הִשְׁלִ֣יכָה
(hishlikha)
wierp
עָלָיו֩
(alav)
op hem
פֶּ֨לַח
(pelach)
stuk van
רֶ֜כֶב
(rekhev)
molensteen
מֵעַ֤ל
(meal)
van boven
הַֽחוֹמָה֙
(hachoma)
de muur
וַיָּ֣מָת
(vayamat)
en hij stierf
בְּתֵבֵ֔ץ
(betevets)
in Tebets
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
נִגַּשְׁתֶּ֖ם
(nigashtem)
zijn jullie genaderd
אֶל
(el)
tot
הַֽחוֹמָ֑ה
(hachoma)
de muur
וְאָ֣מַרְתָּ֔
(veamarta)
en je zult zeggen
גַּ֗ם
(gam)
ook
עַבְדְּךָ֛
(avdekha)
uw dienaar
אוּרִיָּ֥ה
(uriya)
Uria
הַחִתִּ֖י
(hachiti)
de Hethiet
מֵֽת
(met)
is gestorven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Tebets ligt waarschijnlijk bij het huidige Tubas, ten noordoosten van Sichem, op de Westelijke Jordaanoever.
Zie Richt. 9:50–53.
Uitleg
Abimelech, de zoon van Jerubbesjet, is Abimelech de zoon van Gideon.
Jerubbesjet is een andere vorm van Jerubbaal, de andere naam van Gideon (Richt. 6:32; 9:1).
De naam bevat בֹּשֶׁת (bosjet), ‘schaamte’, in plaats van Baäl.
22De bode ging, kwam bij David en vertelde hem alles waarvoor Joab hem had gestuurd.
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en ging
הַמַּלְאָ֑ךְ
(hamalakh)
de bode
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
וַיַּגֵּ֣ד
(vayaged)
en vertelde
לְדָוִ֔ד
(ledavid)
aan David
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
שְׁלָח֖וֹ
(shelacho)
had gestuurd hem
יוֹאָֽב
(yoav)
Joab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23De bode zei tegen David: „De mannen waren sterker dan wij. Zij kwamen naar ons toe het veld op. Wij kwamen op hen af, tot aan de ingang van de poort.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמַּלְאָךְ֙
(hamalakh)
de bode
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֔ד
(david)
David
כִּֽי
(ki)
want
גָבְר֤וּ
(gaveru)
waren sterker
עָלֵ֨ינוּ֙
(aleinu)
dan wij
הָֽאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
וַיֵּצְא֥וּ
(vayetseu)
en zij trokken uit
אֵלֵ֖ינוּ
(eleinu)
naar ons
הַשָּׂדֶ֑ה
(hasade)
het veld
וַנִּהְיֶ֥ה
(vanihye)
en wij waren
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
op hen
עַד
(ad)
tot
פֶּ֥תַח
(petach)
ingang van
הַשָּֽׁעַר
(hashaar)
de poort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24De schutters schoten van de muur af op uw dienaren. Sommigen van de dienaren van de koning stierven. Ook uw dienaar Uria, de Hethiet, is gestorven.”
וַיֹּר֨וּ
(vayoru)
en schoten
הַמּוֹרִ֤ים
(hamorim)
de schutters
אֶל
(el)
op
עֲבָדֶ֨ךָ֙
(avadekha)
uw dienaar
מֵעַ֣ל
(meal)
van boven
הַחוֹמָ֔ה
(hachoma)
de muur
וַיָּמ֖וּתוּ
(vayamutu)
en stierven
מֵעַבְדֵ֣י
(meavdei)
van de dienaren van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְגַ֗ם
(vegam)
en ook
עַבְדְּךָ֛
(avdekha)
uw dienaar
אוּרִיָּ֥ה
(uriya)
Uria
הַחִתִּ֖י
(hachiti)
de Hethiet
מֵֽת
(met)
is gestorven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De geschreven tekst heeft וַיֹּרְאוּ הַמּוֹרְאִים (vajjore’u hammore’im), met een extra aleph in beide woorden.
De betekenis is gelijk: ‘de schutters schoten’.
Wij volgen de gelezen vorm.
25David zei tegen de bode: „Zeg zo tegen Joab: ‘Laat deze zaak je niet verdrieten. Want het zwaard verslindt nu eens de een, dan weer de ander. Zet je strijd tegen de stad krachtiger voort en verwoest haar.’ Moedig hem zo aan.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֜ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
הַמַּלְאָ֗ךְ
(hamalakh)
de bode
כֹּֽה
(ko)
zo
תֹאמַ֤ר
(tomar)
zul je zeggen
אֶל
(el)
tot
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
אַל
(al)
niet
יֵרַ֤ע
(yera)
laat het verdrieten
בְּעֵינֶ֨יךָ֙
(beeineikha)
in jouw ogen
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
כִּֽי
(ki)
want
כָזֹ֥ה
(kazo)
zo
וְכָזֶ֖ה
(vekhaze)
en zo
תֹּאכַ֣ל
(tokhal)
verslindt
הֶחָ֑רֶב
(hecharev)
het zwaard
הַחֲזֵ֨ק
(hachazeq)
maak sterk
מִלְחַמְתְּךָ֧
(milchamtekha)
je strijd
אֶל
(el)
tegen
הָעִ֛יר
(hair)
de stad
וְהָרְסָ֖הּ
(veharesah)
en verwoest haar
וְחַזְּקֵֽהוּ
(vechazeqehu)
en moedig hem aan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כָּזֶה וְכָזֶה (kazeh vekhazeh), ‘de een zo, de ander zo’: het zwaard kiest geen vaste kant.
Zo troost David Joab.
Lezing
Het laatste Hebreeuwse woord וְחַזְּקֵהוּ (vechazzekehu) is ‘en maak hem sterk’.
Wij lezen het als een opdracht aan de bode: moedig Joab aan.
27Toen de rouwtijd voorbij was, stuurde David iemand en liet haar in zijn huis opnemen. Zij werd zijn vrouw en beviel hem van een zoon. Maar wat David gedaan had, was kwaad in de ogen van Yahweh.
וַיַּעֲבֹ֣ר
(vayaavor)
en ging voorbij
הָאֵ֗בֶל
(haevel)
de rouw
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en stuurde
דָּוִ֜ד
(david)
David
וַיַּאַסְפָ֤הּ
(vayaasfah)
en nam haar op
אֶל
(el)
in
בֵּיתוֹ֙
(beito)
zijn huis
וַתְּהִי
(vatehi)
en zij werd
ל֣וֹ
(lo)
voor hem
לְאִשָּׁ֔ה
(leisha)
tot vrouw
וַתֵּ֥לֶד
(vateled)
en zij baarde
ל֖וֹ
(lo)
hem
בֵּ֑ן
(ben)
een zoon
וַיֵּ֧רַע
(vayera)
en was kwaad
הַדָּבָ֛ר
(hadavar)
de zaak
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֥ה
(asa)
deed
דָוִ֖ד
(david)
David
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רַע (ra), ‘kwaad’: hetzelfde woord als ‘onheil’ in 2 Sam. 12:11.
De verteller geeft hier het oordeel van Yahweh over wat David deed.