Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Hizkia gaat naar het huis van Yahweh
1Toen koning Hizkia het hoorde, scheurde hij zijn kleren. Hij bedekte zich met een rouwkleed en ging het huis van Yahweh binnen.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כִּשְׁמֹ֨עַ֙
(kishmoa)
toen hoorde
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
חִזְקִיָּ֔הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
וַיִּקְרַ֖ע
(vayiqra)
en scheurde
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדָ֑יו
(begadav)
zijn kleren
וַיִּתְכַּ֣ס
(vayitkas)
en bedekte zich
בַּשָּׂ֔ק
(basaq)
met een rouwkleed
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en ging
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׂק (saq), ‘rouwkleed’: grove kleding als teken van rouw, zoals in 1 Kon. 21:27.
Hizkia scheurt zijn kleren, zoals de mannen in 18:37.
2Hij stuurde Eljakim, die over het huis was, Sjebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters naar de profeet Jesaja, de zoon van Amoz. Zij waren bedekt met rouwkleden.
וַ֠יִּשְׁלַח
(vayishlach)
en stuurde
אֶת
(et)
(obj.)
אֶלְיָקִ֨ים
(elyaqim)
Eljakim
אֲשֶׁר
(asher)
die
עַל
(al)
over
הַבַּ֜יִת
(habayit)
het huis
וְשֶׁבְנָ֣א
(veshevna)
en Sjebna
הַסֹּפֵ֗ר
(hasofer)
de schrijver
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
de oudsten van
הַכֹּֽהֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
מִתְכַּסִּ֖ים
(mitkasim)
bedekt
בַּשַּׂקִּ֑ים
(basaqim)
met rouwkleden
אֶל
(el)
naar
יְשַֽׁעְיָ֥הוּ
(yeshayahu)
Jesaja
הַנָּבִ֖יא
(hanavi)
de profeet
בֶּן
(ben)
zoon van
אָמֽוֹץ
(amots)
Amoz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְשַׁעְיָהוּ (Yesha’yahu), ‘Jesaja’: de profeet.
Zijn vader heet אָמוֹץ (Amots), ‘Amoz’.
Dat is niet dezelfde naam als die van de profeet Amos.
3Zij zeiden tegen hem: „Zo zegt Hizkia: Deze dag is een dag van nood, van terechtwijzing en van smaad. Want kinderen zijn tot aan de geboorte gekomen, maar er is geen kracht om te baren.
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֵלָ֗יו
(elav)
tegen hem
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
חִזְקִיָּ֔הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
יוֹם
(yom)
dag van
צָרָ֧ה
(tsara)
nood
וְתוֹכֵחָ֛ה
(vetokhecha)
en terechtwijzing
וּנְאָצָ֖ה
(uneatsa)
en smaad
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
כִּ֣י
(ki)
want
בָ֤אוּ
(bau)
zijn gekomen
בָנִים֙
(banim)
kinderen
עַד
(ad)
tot
מַשְׁבֵּ֔ר
(mashber)
de geboortestoel
וְכֹ֥חַ
(vekhoach)
en kracht
אַ֖יִן
(ayin)
er is niet
לְלֵדָֽה
(leleda)
om te baren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַשְׁבֵּר (mashber), ‘geboortestoel’: de plek waar een kind geboren wordt.
Het beeld: de kinderen zijn aan de geboorte toe, maar de moeder heeft geen kracht meer.
Zo staat het volk machteloos.
תוֹכֵחָה (tokhechah), ‘terechtwijzing’, en נְאָצָה (ne’atsah), ‘smaad’: een dag waarop Elohim terechtwijst en het volk gehoond wordt.
4Misschien hoort Yahweh, jouw Elohim, alle woorden van de Rabsake, die zijn heer, de koning van Assyrië, heeft gestuurd om de levende Elohim te smaden. Misschien straft Hij om de woorden die Yahweh, jouw Elohim, heeft gehoord. Doe dan een gebed opgaan voor het overblijfsel dat nog gevonden wordt.”
אוּלַ֡י
(ulay)
misschien
יִשְׁמַע֩
(yishma)
hoort
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֜יךָ
(eloheikha)
jouw Elohim
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
woorden van
רַב
(rav)
de overste van
שָׁקֵ֗ה
(shaqe)
de schenkers
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
שְׁלָח֨וֹ
(shelacho)
stuurde hem
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֤וּר
(ashur)
Assyrië
אֲדֹנָיו֙
(adonav)
zijn heer
לְחָרֵף֙
(lecharef)
om te smaden
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
Elohim
חַ֔י
(chay)
levende
וְהוֹכִ֨יחַ֙
(vehokhiach)
en Hij zal terechtwijzen
בַּדְּבָרִ֔ים
(badevarim)
om de woorden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שָׁמַ֖ע
(shama)
hoorde
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
jouw Elohim
וְנָשָׂ֣אתָ
(venasata)
en doe opgaan
תְפִלָּ֔ה
(tefila)
een gebed
בְּעַ֥ד
(bead)
ten behoeve van
הַשְּׁאֵרִ֖ית
(hasheerit)
het overblijfsel
הַנִּמְצָאָֽה
(hanimtsaa)
dat gevonden wordt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
שְׁאֵרִית (she’erit), ‘overblijfsel’: wie van Juda nog over is nadat Sanherib de steden heeft ingenomen (18:13).
הוֹכִיחַ (hokhiach), ‘terechtwijzen, straffen’: het Hebreeuws noemt geen voorwerp. Wij laten dat zo.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Het antwoord van Jesaja
6Jesaja zei tegen hen: „Zo moeten jullie zeggen tegen jullie heer. Zo zegt Yahweh: ‘Wees niet bang voor de woorden die je hebt gehoord. De jongens van de koning van Assyrië hebben Mij ermee gelasterd.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶם֙
(lahem)
tot hen
יְשַֽׁעְיָ֔הוּ
(yeshayahu)
Jesaja
כֹּ֥ה
(ko)
zo
תֹאמְר֖וּן
(tomrun)
moeten jullie zeggen
אֶל
(el)
tegen
אֲדֹֽנֵיכֶ֑ם
(adoneikhem)
jullie heer
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אַל
(al)
niet
תִּירָא֙
(tira)
wees bang
מִפְּנֵ֤י
(mipenei)
voor
הַדְּבָרִים֙
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שָׁמַ֗עְתָּ
(shamata)
je hoorde
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
waarmee
גִּדְּפ֛וּ
(gidefu)
hebben gelasterd
נַעֲרֵ֥י
(naarei)
de jongens van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
אֹתִֽי
(oti)
Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
Jesaja spreekt hier namens Yahweh.
Zijn woorden zijn niet rood, maar zwart: een profeet citeert Yahweh, zoals in 1 Kon. 20:13.
De woorden van Yahweh staan daarom tussen enkele aanhalingstekens.
נְעָרִים (ne’arim), ‘jongens’: de dienaren van de koning van Assyrië. Zo ook in 1 Kon. 20:14.
9Hij hoorde over Tirhaka, de koning van Kush, zeggen: „Zie, hij is uitgetrokken om tegen u te strijden.” Hij stuurde opnieuw boden naar Hizkia met de woorden:
וַיִּשְׁמַ֗ע
(vayishma)
en hij hoorde
אֶל
(el)
over
תִּרְהָ֤קָה
(tirhaqa)
Tirhaka
מֶֽלֶך
(melekh)
koning van
כּוּשׁ֙
(kush)
Kush
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
יָצָ֖א
(yatsa)
hij is uitgetrokken
לְהִלָּחֵ֣ם
(lehilachem)
om te strijden
אִתָּ֑ךְ
(itakh)
tegen u
וַיָּ֨שָׁב֙
(vayashav)
en hij keerde terug
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en stuurde
מַלְאָכִ֔ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
naar
חִזְקִיָּ֖הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan.
Uitleg
תִּרְהָקָה (Tirhaqah), ‘Tirhaka’: koning van Kush.
Kush ligt ten zuiden van Egypte, in het gebied van het huidige Soedan.
In de Egyptische bronnen heet hij Taharqa.
הִנֵּה יָצָא (hinneh yatsa), ‘zie, hij is uitgetrokken’: de tekst zegt niet wie dit bericht brengt. Het is een rechtstreeks citaat.
10„Zo moeten jullie zeggen tegen Hizkia, de koning van Juda. Laat je Elohim, op wie je vertrouwt, je niet misleiden met de woorden: ‘Jeruzalem zal niet in de hand van de koning van Assyrië worden gegeven.’
כֹּ֣ה
(ko)
zo
תֹאמְר֗וּן
(tomrun)
moeten jullie zeggen
אֶל
(el)
tegen
חִזְקִיָּ֤הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אַל
(al)
niet
יַשִּׁאֲךָ֣
(yashiakha)
laat misleiden
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
op wie
אַתָּ֛ה
(ata)
jij
בֹּטֵ֥חַ
(boteach)
vertrouwt
בּ֖וֹ
(bo)
op Hem
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לֹ֤א
(lo)
niet
תִנָּתֵן֙
(tinaten)
zal worden gegeven
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
בְּיַ֖ד
(beyad)
in de hand van
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
Sanherib stuurt boden met een tweede boodschap.
Ook hier staat de formule van een bode: ‘Zo moeten jullie zeggen’.
Vanaf hier is het de boodschap zelf.
Het Hebreeuws gebruikt het woord ‘vertrouwen’ weer (בָּטַח, batach); zie 18:5.
14Hizkia nam de brieven uit de hand van de boden en las ze. Hij ging op naar het huis van Yahweh. Hizkia spreidde ze uit voor het aangezicht van Yahweh.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
חִזְקִיָּ֧הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
אֶת
(et)
(obj.)
הַסְּפָרִ֛ים
(hasefarim)
de brieven
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
הַמַּלְאָכִ֖ים
(hamalakhim)
de boden
וַיִּקְרָאֵ֑ם
(vayiqraem)
en las ze
וַיַּ֨עַל֙
(vayaal)
en ging op
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּפְרְשֵׂ֥הוּ
(vayifresehu)
en spreidde ze uit
חִזְקִיָּ֖הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hizkia brengt de brieven naar het huis van Yahweh en legt ze voor Yahweh neer.
Daarna bidt hij.
Lezing
Het Hebreeuws heeft ‘de brieven’ (meervoud) en daarna ‘hij spreidde het uit’ (enkelvoud).
15Hizkia bad voor het aangezicht van Yahweh. Hij zei: „Yahweh, Elohim van Israël, die troont op de cherubs, U alleen bent de Elohim over alle koninkrijken van de aarde. U hebt de hemel en de aarde gemaakt.
וַיִּתְפַּלֵּ֨ל
(vayitpalel)
en bad
חִזְקִיָּ֜הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמַר֒
(vayomar)
en zei
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
die troont
הַכְּרֻבִ֔ים
(hakeruvim)
op de cherubs
אַתָּה
(ata)
U
ה֤וּא
(hu)
bent Hij
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
de Elohim
לְבַדְּךָ֔
(levadekha)
U alleen
לְכֹ֖ל
(lekhol)
over alle
מַמְלְכ֣וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
אַתָּ֣ה
(ata)
U
עָשִׂ֔יתָ
(asita)
hebt gemaakt
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יֹשֵׁב הַכְּרֻבִים (yoshev hakeruvim), ‘die troont op de cherubs’: zoals in 1 Sam. 4:4.
De cherubs staan op de ark; Yahweh spreekt van boven het verzoendeksel (Exod. 25:22).
אַתָּה הוּא הָאֱלֹהִים (attah hu ha’Elohim), ‘U bent de Elohim’: met lidwoord, zoals in Deut. 4:35.
18Zij hebben hun goden in het vuur geworpen. Want zij waren geen goden, maar slechts het werk van mensenhanden: hout en steen. Zij hebben ze vernietigd.
וְנָתְנ֥וּ
(venatenu)
en zij wierpen
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהֵיהֶ֖ם
(eloheihem)
hun goden
בָּאֵ֑שׁ
(baesh)
in het vuur
כִּי֩
(ki)
want
לֹ֨א
(lo)
niet
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
goden
הֵ֗מָּה
(hema)
zij
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
slechts
מַעֲשֵׂ֧ה
(maase)
werk van
יְדֵֽי
(yedei)
handen van
אָדָ֛ם
(adam)
mensen
עֵ֥ץ
(ets)
hout
וָאֶ֖בֶן
(vaeven)
en steen
וַֽיְאַבְּדֽוּם
(vayabedum)
en zij vernietigden ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hizkia zegt dat de goden van de volken geen echte goden zijn, maar ‘werk van mensenhanden, hout en steen’.
20Jesaja, de zoon van Amoz, stuurde een boodschap naar Hizkia. Hij zei: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Wat je tot Mij hebt gebeden over Sanherib, de koning van Assyrië, heb Ik gehoord.’
וַיִּשְׁלַח֙
(vayishlach)
en stuurde
יְשַֽׁעְיָ֣הוּ
(yeshayahu)
Jesaja
בֶן
(ben)
zoon van
אָמ֔וֹץ
(amots)
Amoz
אֶל
(el)
naar
חִזְקִיָּ֖הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
הִתְפַּלַּ֧לְתָּ
(hitpalalta)
je hebt gebeden
אֵלַ֛י
(elay)
tot Mij
אֶל
(el)
over
סַנְחֵרִ֥ב
(sancheriv)
Sanherib
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
שָׁמָֽעְתִּי
(shamati)
Ik heb gehoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
סַנְחֵרִב (Sancherev), ‘Sanherib’: hier staat de naam zonder de letter yod.
In de verzen 16 en 36 staat hij met de yod (סַנְחֵרִיב).
Het is dezelfde koning.
Jesaja’s woorden zijn de woorden van een profeet die Yahweh citeert. Daarom zijn ze zwart. De woorden van Yahweh staan tussen enkele aanhalingstekens. Het gedeelte tot en met vers 34 is één lange boodschap van Jesaja.
21Dit is het woord dat Yahweh over hem heeft gesproken: ‘De maagd, de dochter van Sion, veracht je en bespot je. Achter je rug schudt de dochter van Jeruzalem het hoofd.
זֶ֣ה
(ze)
dit
הַדָּבָ֔ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
דִּבֶּ֥ר
(diber)
sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עָלָ֑יו
(alav)
over hem
בָּזָ֨ה
(baza)
zij veracht
לְךָ֜
(lekha)
jou
לָעֲגָ֣ה
(laaga)
zij bespot
לְךָ֗
(lekha)
jou
בְּתוּלַת֙
(betulat)
de maagd
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
אַחֲרֶ֨יךָ֙
(achareikha)
achter je rug
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd
הֵנִ֔יעָה
(henia)
zij schudt
בַּ֖ת
(bat)
dochter van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Vanaf vers 21 volgt een gedicht, een spotlied op Sanherib.
Het loopt tot en met vers 28.
בְּתוּלַת בַּת צִיּוֹן (betulat bat Tsiyyon), ‘de maagd, de dochter van Sion’: een beeld voor Jeruzalem als een jonge vrouw.
23Door je boden heb je mijn Heer gehoond. Je hebt gezegd: „Met de menigte van mijn wagens ben ik de hoogte van de bergen opgetrokken, de uiterste hoeken van de Libanon. Ik hak zijn hoogste cederen om, zijn beste cypressen. Ik kom bij zijn verste verblijfplaats, het woud van zijn boomgaard.
בְּיַ֣ד
(beyad)
door de hand van
מַלְאָכֶיךָ֮
(malakheikha)
je boden
חֵרַ֣פְתָּ
(cherafta)
heb je gehoond
אֲדֹנָי֒
(adonay)
mijn Heer
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en je zei
בְּרֹ֥ב
(berov)
met de menigte van
רִכְבִּ֛י
(rikhbi)
mijn wagens
אֲנִ֥י
(ani)
ik
עָלִ֛יתִי
(aliti)
ben opgetrokken
מְר֥וֹם
(merom)
hoogte van
הָרִ֖ים
(harim)
bergen
יַרְכְּתֵ֣י
(yarketei)
uiterste hoeken van
לְבָנ֑וֹן
(levanon)
Libanon
וְאֶכְרֹ֞ת
(veekhrot)
en ik zal omhakken
קוֹמַ֤ת
(qomat)
hoogte van
אֲרָזָיו֙
(arazav)
zijn cederen
מִבְח֣וֹר
(mivchor)
beste van
בְּרֹשָׁ֔יו
(beroshav)
zijn cypressen
וְאָב֨וֹאָה֙
(veavoa)
en ik zal komen
מְל֣וֹן
(melon)
verblijfplaats van
קִצֹּ֔ה
(qitso)
zijn uiterste
יַ֖עַר
(yaar)
woud van
כַּרְמִלּֽוֹ
(karmilo)
zijn boomgaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.
Uitleg
אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: zoals bij 1 Kon. 3:10.
Het is hier de aanspreektitel van Yahweh.
כַּרְמֶל (Karmel), ‘boomgaard’: het woord is ook de naam van een berg. Hier gaat het om een vruchtbaar woud.
Vanaf ‘Met de menigte’ spreekt Sanherib. Zijn woorden zijn een citaat binnen het citaat van Yahweh, dat weer binnen Jesaja’s boodschap staat. Wij zetten ze daarom tussen „ ”, op het derde niveau.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘met de wagen van mijn wagens’ (בְּרֹכֶב).
De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘met de menigte van mijn wagens’ (בְּרֹב).
25Heb je niet gehoord? Van lang geleden heb Ik het gedaan, van de dagen van vroeger heb Ik het gevormd. Nu heb Ik het laten komen. Het diende om versterkte steden tot hopen puin te maken.
הֲלֹֽא
(halo)
is het niet
שָׁמַ֤עְתָּ
(shamata)
heb je gehoord
לְמֵֽרָחוֹק֙
(lemerachoq)
van ver
אֹתָ֣הּ
(otah)
het
עָשִׂ֔יתִי
(asiti)
heb Ik gedaan
לְמִ֥ימֵי
(lemimei)
van de dagen van
קֶ֖דֶם
(qedem)
vroeger
וִֽיצַרְתִּ֑יהָ
(vitsartiha)
en Ik heb het gevormd
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
הֲבֵיאתִ֗יהָ
(haveitiha)
heb Ik het laten komen
וּתְהִ֗י
(utehi)
en het werd
לַהְשׁ֛וֹת
(lahshot)
om te maken tot
גַּלִּ֥ים
(galim)
hopen
נִצִּ֖ים
(nitsim)
puin
עָרִ֥ים
(arim)
steden
בְּצֻרֽוֹת
(betsurot)
versterkte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
וַתְּהִי (vattehi), ‘en het werd’: het Hebreeuws is hier moeilijk.
Het werkwoord staat in het vrouwelijk enkelvoud en de zin heeft geen duidelijk onderwerp.
Wij lezen: ‘Het diende om versterkte steden tot hopen puin te maken.’
Dat past bij wat Yahweh zegt: Hij heeft Sanherib gebruikt.
26Hun bewoners waren machteloos, ontzet en beschaamd. Zij werden als gras van het veld, als groen jong gras, als gras op de daken en als verschroeid koren, voordat het opschiet.
וְיֹֽשְׁבֵיהֶן֙
(veyosheveihen)
en hun bewoners
קִצְרֵי
(qitsrei)
kort van
יָ֔ד
(yad)
hand
חַ֖תּוּ
(chatu)
waren ontzet
וַיֵּבֹ֑שׁוּ
(vayevoshu)
en werden beschaamd
הָי֞וּ
(hayu)
zij werden
עֵ֤שֶׂב
(esev)
gras van
שָׂדֶה֙
(sade)
veld
וִ֣ירַק
(viraq)
en groen
דֶּ֔שֶׁא
(deshe)
jong gras
חֲצִ֣יר
(chatsir)
gras van
גַּגּ֔וֹת
(gagot)
daken
וּשְׁדֵפָ֖ה
(ushedefa)
en verschroeid koren
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
vóór
קָמָֽה
(qama)
het opschieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Gras op de daken verdort snel omdat het geen diepe wortels heeft.
Zo ook in Ps. 129:6.
קִצְרֵי יָד (qitsrei yad), ‘kort van hand’: machteloos.
28Omdat je razernij tegen Mij en je overmoed tot Mijn oren zijn opgestegen, zal Ik Mijn haak in je neus leggen. Mijn bit leg Ik tussen je lippen. Ik zal je terugvoeren over de weg waarop je gekomen bent.’
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
הִתְרַגֶּזְךָ֣
(hitragezkha)
je razernij
אֵלַ֔י
(elay)
tegen Mij
וְשַׁאֲנַנְךָ֖
(veshaanankha)
en je overmoed
עָלָ֣ה
(ala)
is opgestegen
בְאָזְנָ֑י
(beazenay)
in Mijn oren
וְשַׂמְתִּ֨י
(vesamti)
en Ik zal leggen
חַחִ֜י
(chachi)
Mijn haak
בְּאַפֶּ֗ךָ
(beapekha)
in je neus
וּמִתְגִּי֙
(umitgi)
en Mijn bit
בִּשְׂפָתֶ֔יךָ
(bisfateikha)
in je lippen
וַהֲשִׁ֣בֹתִ֔יךָ
(vahashivotikha)
en Ik zal je doen terugkeren
בַּדֶּ֖רֶךְ
(baderekh)
op de weg
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֥אתָ
(bata)
je kwam
בָּֽהּ
(bah)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַח (chach), ‘haak’, en מֶתֶג (meteg), ‘bit’: zo leidt men dieren en gevangenen.
Yahweh behandelt Sanherib als een dier dat teruggevoerd wordt.
שַׁאֲנַן (sha’anan), ‘overmoed’: het woord betekent letterlijk ‘rust, zorgeloosheid’. Hier is het zorgeloze trots.
29‘Dit is voor jou het teken: eet dit jaar wat vanzelf groeit, en in het tweede jaar wat daaruit opkomt. In het derde jaar: zaai en oogst, plant wijngaarden en eet hun vrucht.
וְזֶה
(veze)
en dit
לְּךָ֣
(lekha)
voor jou
הָא֔וֹת
(haot)
het teken
אָכ֤וֹל
(akhol)
eet
הַשָּׁנָה֙
(hashana)
dit jaar
סָפִ֔יחַ
(safiach)
wat vanzelf groeit
וּבַשָּׁנָ֥ה
(uvashana)
en in het jaar
הַשֵּׁנִ֖ית
(hashenit)
tweede
סָחִ֑ישׁ
(sachish)
wat daaruit opkomt
וּבַשָּׁנָ֣ה
(uvashana)
en in het jaar
הַשְּׁלִישִׁ֗ית
(hashelishit)
derde
זִרְע֧וּ
(ziru)
zaai
וְקִצְר֛וּ
(veqitsru)
en oogst
וְנִטְע֥וּ
(venitu)
en plant
כְרָמִ֖ים
(keramim)
wijngaarden
וְאִכְל֥וּ
(veikhlu)
en eet
פִרְיָֽם
(piryam)
hun vrucht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סָפִיחַ (safiach), ‘wat vanzelf groeit’: wat na de oogst uit gevallen graan opkomt (Lev. 25:5).
סָחִישׁ (sachish), ‘wat daaruit opkomt’: dit woord komt alleen hier voor; de betekenis volgt uit de samenhang.
In de eerste twee jaar eet het volk wat vanzelf groeit.
Pas in het derde jaar zaait en oogst het weer.
אוֹת (ot), ‘teken’: een teken is een zekerheid vooraf dat Yahweh zal doen wat Hij zegt.
32Daarom zegt Yahweh zo over de koning van Assyrië: ‘Hij zal deze stad niet binnenkomen. Hij zal daar geen pijl afschieten. Geen schild zal haar tegemoet komen, en geen belegeringswal zal tegen haar worden opgeworpen.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
over
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
לֹ֤א
(lo)
niet
יָבֹא֙
(yavo)
zal binnenkomen
אֶל
(el)
in
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יוֹרֶ֥ה
(yore)
zal schieten
שָׁ֖ם
(sham)
daar
חֵ֑ץ
(chets)
pijl
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יְקַדְּמֶ֣נָּה
(yeqademena)
zal tegemoet komen
מָגֵ֔ן
(magen)
schild
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִשְׁפֹּ֥ךְ
(yishpokh)
zal worden opgeworpen
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
tegen haar
סֹלְלָֽה
(solela)
belegeringswal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
סֹלְלָה (sollelah), ‘belegeringswal’: een helling van aarde die tegen een stadsmuur wordt gebouwd om hem te bestormen.
35In die nacht ging de engel van Yahweh uit. Hij sloeg 185.000 man in het kamp van Assyrië. Toen men ’s morgens vroeg opstond, zie, allen waren dode lichamen.
וַיְהִי֮
(vayhi)
en het was
בַּלַּ֣יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַהוּא֒
(hahu)
die
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en ging uit
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּךְ֙
(vayakh)
en sloeg
בְּמַחֲנֵ֣ה
(bemachane)
in het kamp van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
מֵאָ֛ה
(mea)
honderd
שְׁמוֹנִ֥ים
(shemonim)
tachtig
וַחֲמִשָּׁ֖ה
(vachamisha)
en vijf
אָ֑לֶף
(alef)
duizend
וַיַּשְׁכִּ֣ימוּ
(vayashkimu)
en men stond vroeg op
בַבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
כֻלָּ֖ם
(kulam)
allen
פְּגָרִ֥ים
(pegarim)
lijken
מֵתִֽים
(metim)
dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
מַלְאַךְ יְהוָה (mal’akh Yahweh), ‘engel van Yahweh’: wij vertalen neutraal.
De tekst zegt niet wie de engel is.
Zie ook 2 Sam. 24:16 en 2 Kron. 32:21.
בַּלַּיְלָה הַהוּא (ballaylah hahu), ‘in die nacht’: de tekst zegt niet welke nacht. Het getal 185.000 staat zo in de Masoretische tekst; het woord ‘man’ staat er niet.
37Terwijl hij zich neerboog in het huis van Nisroch, zijn god, sloegen Adrammelech en Sarezer hem met het zwaard. Zij ontkwamen naar het land Ararat. Esarhaddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
ה֨וּא
(hu)
hij
מִֽשְׁתַּחֲוֶ֜ה
(mishtachave)
zich neerbuigend
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
נִסְרֹ֣ךְ
(nisrokh)
Nisroch
אֱלֹהָ֗יו
(elohav)
zijn god
וְֽאַדְרַמֶּ֨לֶךְ
(veadramelekh)
en Adrammelech
וְשַׂרְאֶ֤צֶר
(vesaretser)
en Sarezer
הִכֻּ֣הוּ
(hikuhu)
sloegen hem
בַחֶ֔רֶב
(bacherev)
met het zwaard
וְהֵ֥מָּה
(vehema)
en zij
נִמְלְט֖וּ
(nimletu)
ontkwamen
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land
אֲרָרָ֑ט
(ararat)
Ararat
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
אֵֽסַר
(esar)
Esar
חַדֹּ֥ן
(chadon)
Haddon
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Ararat: Ararat is Urartu, het bergland rond het Vanmeer in het oosten van het huidige Turkije.
Uitleg
Het land Ararat is het bergland van Urartu, in het huidige oosten van Turkije en Armenië.
Zie ook Gen. 8:4.
נִסְרֹךְ (Nisrokh), ‘Nisroch’: een god van wie wij niets meer weten. אֵסַר חַדֹּן (Esar-Haddon), ‘Esarhaddon’: een koning van Assyrië.
Lezing
Het Hebreeuws heeft hier niet ‘zijn zonen’ bij Adrammelech en Sarezer.