Open in de app Alle boeken Job ← 8 10 → Job 9 Job: er is geen scheidsrechter
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Hoe kan een mens gelijk krijgen bij El? 1 Job antwoordde en zei:
וַיַּ֥עַן
(vayaan)
en antwoordde
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2 „Zeker, ik weet dat het zo is. Maar hoe kan een mens rechtvaardig zijn bij El?
יָדַ֣עְתִּי
(yadati)
ik weet
יִּצְדַּ֖ק
(yitsdaq)
is rechtvaardig
אֱנ֣וֹשׁ
(enosh)
een sterveling
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Job stemt in met Bildad (8:3): Elohim is rechtvaardig.
Maar hij trekt een andere conclusie: dan kan een mens nooit gelijk krijgen tegenover Hem.
3 Als hij een rechtszaak met Hem wil voeren, kan hij op duizend vragen er niet één beantwoorden.
יַ֭חְפֹּץ
(yachpots)
hij wil
יַ֝עֲנֶ֗נּוּ
(yaanenu)
kan hij Hem antwoorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het beeld is dat van een rechtszaak (רִיב , riv).
Job denkt dat hij Elohim voor het gerecht kan dagen, maar dat hij op geen van de duizend vragen zou kunnen antwoorden.
In hoofdstuk 38–41 gebeurt precies dat: Elohim stelt de vragen.
4 Wijs van hart en sterk van kracht: wie heeft zich tegen Hem verhard en bleef ongedeerd?
וְאַמִּ֣יץ
(veamits)
en sterk van
הִקְשָׁ֥ה
(hiqsha)
verhardde zich
וַיִּשְׁלָֽם
(vayishlam)
en bleef ongedeerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5 Hij verplaatst bergen zonder dat ze het weten, en keert ze om in Zijn toorn.
הַמַּעְתִּ֣יק
(hamatiq)
Hij die verplaatst
יָדָ֑עוּ
(yadau)
weten ze het
הֲפָכָ֣ם
(hafakham)
ze omkeert
בְּאַפּֽוֹ
(beapo)
in Zijn toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6 Hij doet de aarde beven op haar plaats, en haar pilaren schudden.
הַמַּרְגִּ֣יז
(hamargiz)
Hij die doet beven
מִמְּקוֹמָ֑הּ
(mimeqomah)
van haar plaats
וְ֝עַמּוּדֶ֗יהָ
(veamudeiha)
en haar pilaren
יִתְפַלָּצֽוּן
(yitfalatsun)
schudden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7 Hij spreekt tot de zon en ze gaat niet op, en Hij verzegelt de sterren.
הָאֹמֵ֣ר
(haomer)
Hij die zegt
לַ֭חֶרֶס
(lacheres)
tot de zon
יִזְרָ֑ח
(yizrach)
gaat ze op
כּוֹכָבִ֣ים
(kokhavim)
sterren
יַחְתֹּֽם
(yachtom)
verzegelt Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֶרֶס (cheres), ‘zon’, is een dichterlijk woord.
De zon gaat niet op als Hij het zegt, en de sterren worden verzegeld, dus afgesloten.
8 Hij alleen spant de hemel uit en betreedt de hoogten van de zee.
נֹטֶ֣ה
(note)
Hij die uitspant
וְ֝דוֹרֵ֗ךְ
(vedorekh)
en betreedt
בָּ֥מֳתֵי
(bamotei)
hoogten van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9 Hij maakt de Beer, Orion en de Plejaden, en de kamers van het zuiden.
עֹֽשֶׂה
(ose)
Hij die maakt
וְכִימָ֗ה
(vekhima)
en de Plejaden
וְחַדְרֵ֥י
(vechadrei)
en kamers van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָשׁ (ash), כְּסִיל (kesil) en כִּימָה (kimah) zijn sterrenbeelden.
De gebruikelijke vertaling is Beer (of Arcturus), Orion en de Plejaden; de identificatie is niet zeker.
Zie ook 38:31–32 en Amos 5:8.
‘De kamers van het zuiden’ zijn de sterren aan de zuidelijke hemel.
10 Hij doet grote dingen die niemand kan doorgronden, wonderen zonder getal.
גְ֭דֹלוֹת
(gedolot)
grote dingen
וְנִפְלָא֗וֹת
(veniflaot)
en wonderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11 Zie, Hij gaat langs mij, maar ik zie Hem niet. Hij glijdt voorbij en ik merk Hem niet op.
יַעֲבֹ֣ר
(yaavor)
Hij gaat voorbij
אֶרְאֶ֑ה
(ere)
zie ik (Hem)
וְ֝יַחֲלֹ֗ף
(veyachalof)
en Hij glijdt weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12 Zie, Hij grist weg. Wie kan Hem terughouden? Wie zal tegen Hem zeggen: ‘Wat doet U?’
יַ֭חְתֹּף
(yachtof)
Hij grist weg
יְשִׁיבֶ֑נּוּ
(yeshivenu)
kan Hem terughouden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13 Eloah houdt Zijn toorn niet in. Onder Hem bukken de helpers van Rahab.
תַּחְתָּ֥יו
(tachtav)
onder Hem
שָׁ֝חֲח֗וּ
(shachachu)
bukken
עֹ֣זְרֵי
(ozerei)
helpers van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רַהַב (Rahav), ‘Rahab’, is een zeemonster uit de oudoosterse overlevering, een beeld van de chaos (26:12; Ps. 89:11; Jes. 51:9).
Zelfs de helpers van dit monster bukken voor Eloah.
14 Hoeveel te minder kan ik Hem antwoorden en mijn woorden tegenover Hem kiezen.
אֶֽעֱנֶ֑נּוּ
(eenenu)
zal Hem antwoorden
אֶבְחֲרָ֖ה
(evchara)
zal kiezen
דְבָרַ֣י
(devaray)
mijn woorden
עִמּֽוֹ
(imo)
tegenover Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15 Zelfs als ik gelijk had, zou ik Hem niet kunnen antwoorden. Ik kan alleen mijn rechter om genade smeken.
צָ֭דַקְתִּי
(tsadaqti)
ik had gelijk
אֶעֱנֶ֑ה
(eene)
zou ik antwoorden
לִ֝מְשֹׁפְטִ֗י
(limshofeti)
mijn rechter
אֶתְחַנָּֽן
(etchanan)
zou ik smeken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Job noemt Elohim hier zijn ‘rechter’ (מְשֹׁפְטִי , meshofeti): tegelijk de partij tegen wie hij procedeert en de rechter die moet beslissen.
16 Als ik riep en Hij antwoordde, zou ik niet geloven dat Hij naar mijn stem luisterde.
וַֽיַּעֲנֵ֑נִי
(vayaaneni)
en Hij antwoordde mij
אַ֝אֲמִ֗ין
(aamin)
zou ik geloven
יַאֲזִ֥ין
(yaazin)
Hij luisterde
קוֹלִֽי
(qoli)
naar mijn stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17 Hij verplettert mij met een storm en vermenigvuldigt mijn wonden zonder reden.
בִּשְׂעָרָ֥ה
(bisara)
in een storm
יְשׁוּפֵ֑נִי
(yeshufeni)
verplettert mij
וְהִרְבָּ֖ה
(vehirba)
en vermenigvuldigt
פְצָעַ֣י
(petsaay)
mijn wonden
חִנָּֽם
(chinam)
zonder reden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
בִּשְׂעָרָה (bis’arah) kan ‘in een storm’ of ‘om een haar’ (een kleinigheid) betekenen: het woord שְׂעָרָה /שַׂעֲרָה is beide.
Wij kiezen ‘storm’, zoals ook in 38:1 Elohim uit de storm antwoordt.
In beide lezingen voelt Job zich zonder reden getroffen.
18 Hij laat mij geen adem halen, maar verzadigt mij met bitterheid.
יִ֭תְּנֵנִי
(yiteneni)
geeft Hij mij
הָשֵׁ֣ב
(hashev)
te herstellen
יַ֝שְׂבִּעַ֗נִי
(yasbiani)
verzadigt mij
מַמְּרֹרִֽים
(mamerorim)
met bitterheden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19 Gaat het om kracht, zie, Hij is machtig. Gaat het om recht, wie zal Mij dagvaarden?
לְכֹ֣חַ
(lekhoach)
over kracht
לְ֝מִשְׁפָּ֗ט
(lemishpat)
over recht
יוֹעִידֵֽנִי
(yoideni)
zal Mij dagvaarden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
יוֹעִידֵנִי (yo’idenni) betekent in de Masoretische tekst ‘zal mij dagvaarden’.
Wij laten Elohim hier zelf spreken: ‘wie zal Mij dagvaarden?’ (vergelijk Jer. 49:19).
Anderen lezen ‘Hem’ (Job spreekt): wie durft Elohim te dagvaarden?
20 Al kreeg ik gelijk, mijn eigen mond zou mij schuldig verklaren. Ben ik onberispelijk, dan verdraait Hij het.
אֶ֭צְדָּק
(etsdaq)
ik gelijk heb
יַרְשִׁיעֵ֑נִי
(yarshieni)
verklaart mij schuldig
וַֽיַּעְקְשֵֽׁנִי
(vayaqesheni)
dan verdraait Hij het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21 Ik ben onberispelijk. Ik ken mezelf niet meer, ik verwerp mijn leven.
חַיָּֽי
(chayay)
mijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22 Het is allemaal hetzelfde. Daarom zeg ik: de onberispelijke en de goddeloze maakt Hij beiden een einde.
אָמַ֑רְתִּי
(amarti)
zei ik
תָּ֥ם
(tam)
de onberispelijke
וְ֝רָשָׁ֗ע
(verasha)
en de goddeloze
מְכַלֶּֽה
(mekhale)
maakt een einde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23 Als een gesel plotseling doodt, lacht Hij om de wanhoop van onschuldigen.
פִּתְאֹ֑ם
(pitom)
plotseling
לְמַסַּ֖ת
(lemasat)
om de wanhoop van
נְקִיִּ֣ם
(neqiyim)
onschuldigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24 De aarde is in de hand van een goddeloze gegeven. Het gezicht van haar rechters bedekt Hij. Als Hij het niet is, wie dan?
נִתְּנָ֬ה
(nitena)
is gegeven
בְֽיַד
(beyad)
in de hand van
רָשָׁ֗ע
(rasha)
een goddeloze
פְּנֵֽי
(penei)
gezicht van
שֹׁפְטֶ֥יהָ
(shofeteiha)
haar rechters
יְכַסֶּ֑ה
(yekhase)
bedekt Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Een van de scherpste uitspraken van Job: de aarde is aan de goddeloze gegeven, en Elohim bedekt het gezicht van de rechters, zodat ze het recht niet zien.
Het slot, ‘Als Hij het niet is, wie dan?’, maakt Elohim verantwoordelijk.
Mijn dagen vliegen voorbij 25 Mijn dagen zijn sneller dan een renner. Ze vluchten, ze zien geen geluk.
וְיָמַ֣י
(veyamay)
en mijn dagen
קַ֭לּוּ
(qalu)
zijn sneller
בָּֽ֝רְח֗וּ
(barechu)
ze vluchten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26 Ze glijden voorbij als rietboten, als een arend die op zijn prooi duikt.
חָ֭לְפוּ
(chalefu)
glijden voorbij
אֳנִיּ֣וֹת
(oniyot)
schepen van
כְּ֝נֶ֗שֶׁר
(kenesher)
als een arend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲנִיּוֹת אֵבֶה (aniyyot eve) zijn ‘rietboten’ of ‘snelle schepen’.
De betekenis van אֵבֶה (eve) is onzeker.
27 Als ik zeg: ‘Ik zal mijn klacht vergeten, mijn gezicht veranderen en vrolijk kijken’,
אֶשְׁכְּחָ֣ה
(eshkecha)
ik wil vergeten
שִׂיחִ֑י
(sichi)
mijn klacht
אֶעֶזְבָ֖ה
(eezva)
ik wil laten varen
פָנַ֣י
(panay)
mijn gezicht
וְאַבְלִֽיגָה
(veavliga)
en opvrolijken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28 dan ben ik bang voor al mijn pijnen. Ik weet dat U mij niet onschuldig verklaart.
יָגֹ֥רְתִּי
(yagorti)
ik vrees
עַצְּבֹתָ֑י
(atsevotay)
mijn pijnen
יָ֝דַ֗עְתִּי
(yadati)
ik weet
תְנַקֵּֽנִי
(tenaqeni)
U verklaart mij onschuldig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29 Ik zal toch schuldig zijn. Waarom dan nog tevergeefs moeite doen?
אֶרְשָׁ֑ע
(ersha)
zal schuldig zijn
אִיגָֽע
(iga)
zou ik moeite doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30 Als ik mij zou wassen met sneeuwwater en mijn handen reinigde met zeep,
הִתְרָחַ֥צְתִּי
(hitrachatsti)
ik mij waste
בְמֵי
(bemei)
met water van
וַ֝הֲזִכּ֗וֹתִי
(vahazikoti)
en reinigde
כַּפָּֽי
(kapay)
mijn handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֹּר (bor), ‘zeep’, is hier een reinigingsmiddel, bijvoorbeeld loog of potas.
31 dan nog zou U mij in de put dompelen, zodat mijn kleren een afschuw van mij hebben.
בַּשַּׁ֣חַת
(bashachat)
in de put
תִּטְבְּלֵ֑נִי
(titbeleni)
dompelt U mij
וְ֝תִֽעֲב֗וּנִי
(vetiavuni)
en verafschuwen mij
שַׂלְמוֹתָֽי
(salmotay)
mijn kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Er is geen scheidsrechter 32 Want Hij is geen mens zoals ik, dat ik Hem zou antwoorden, dat wij samen voor de rechter zouden komen.
כָּמֹ֣נִי
(kamoni)
zoals ik
אֶֽעֱנֶ֑נּוּ
(eenenu)
dat ik Hem antwoord
נָב֥וֹא
(navo)
dat wij komen
בַּמִּשְׁפָּֽט
(bamishpat)
in het gericht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33 Er is geen scheidsrechter tussen ons, die zijn hand op ons beiden legt.
בֵּינֵ֣ינוּ
(beineinu)
tussen ons
מוֹכִ֑יחַ
(mokhiach)
een scheidsrechter
שְׁנֵֽינוּ
(sheneinu)
ons beiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מוֹכִיחַ (mokiach) is een scheidsrechter of bemiddelaar die beide partijen aan zich bindt door zijn hand op hen te leggen.
Job wenst zo iemand (vergelijk 16:19–21; 19:25).
In het Nieuwe Testament wordt Christus de bemiddelaar tussen Elohim en mensen genoemd (1 Tim. 2:5).
34 Hij moet Zijn stok van mij wegnemen. Zijn schrikbeeld mag mij niet verschrikken.
יָסֵ֣ר
(yaser)
laat Hij wegnemen
שִׁבְט֑וֹ
(shivto)
Zijn stok
וְ֝אֵמָת֗וֹ
(veemato)
en Zijn schrik
תְּבַעֲתַֽנִּי
(tevaatani)
verschrikke mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35 Dan zou ik spreken en Hem niet vrezen. Maar zo ben ik niet bij mijzelf.”
אַֽ֭דַבְּרָה
(adabera)
ik zou spreken
אִירָאֶ֑נּוּ
(iraenu)
zou ik Hem vrezen
עִמָּדִֽי
(imadi)
bij mezelf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)