Elohim Bijbel

Job 9

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Job: er is geen scheidsrechter

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Hoe kan een mens gelijk krijgen bij El?

1Job antwoordde en zei:
וַיַּ֥עַן
(vayaan)
en antwoordde
אִיּ֗וֹב
(iyov)
Job
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Zeker, ik weet dat het zo is. Maar hoe kan een mens rechtvaardig zijn bij El?
אָ֭מְנָם
(amenam)
waarlijk
יָדַ֣עְתִּי
(yadati)
ik weet
כִי
(ki)
dat
כֵ֑ן
(ken)
zo
וּמַה
(uma)
en hoe
יִּצְדַּ֖ק
(yitsdaq)
is rechtvaardig
אֱנ֣וֹשׁ
(enosh)
een sterveling
עִם
(im)
bij
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job stemt in met Bildad (8:3): Elohim is rechtvaardig.

Maar hij trekt een andere conclusie: dan kan een mens nooit gelijk krijgen tegenover Hem.

3Als hij een rechtszaak met Hem wil voeren, kan hij op duizend vragen er niet één beantwoorden.
אִם
(im)
indien
יַ֭חְפֹּץ
(yachpots)
hij wil
לָרִ֣יב
(lariv)
twisten
עִמּ֑וֹ
(imo)
met Hem
לֹֽא
(lo)
niet
יַ֝עֲנֶ֗נּוּ
(yaanenu)
kan hij Hem antwoorden
אַחַ֥ת
(achat)
één
מִנִּי
(mini)
van
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het beeld is dat van een rechtszaak (רִיב, riv).

Job denkt dat hij Elohim voor het gerecht kan dagen, maar dat hij op geen van de duizend vragen zou kunnen antwoorden.

In hoofdstuk 38–41 gebeurt precies dat: Elohim stelt de vragen.

4Wijs van hart en sterk van kracht: wie heeft zich tegen Hem verhard en bleef ongedeerd?
חֲכַ֣ם
(chakham)
wijs van
לֵ֭בָב
(levav)
hart
וְאַמִּ֣יץ
(veamits)
en sterk van
כֹּ֑חַ
(koach)
kracht
מִֽי
(mi)
wie
הִקְשָׁ֥ה
(hiqsha)
verhardde zich
אֵ֝לָ֗יו
(elav)
tegen Hem
וַיִּשְׁלָֽם
(vayishlam)
en bleef ongedeerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Hij verplaatst bergen zonder dat ze het weten, en keert ze om in Zijn toorn.
הַמַּעְתִּ֣יק
(hamatiq)
Hij die verplaatst
הָ֭רִים
(harim)
bergen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָדָ֑עוּ
(yadau)
weten ze het
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
Hij die
הֲפָכָ֣ם
(hafakham)
ze omkeert
בְּאַפּֽוֹ
(beapo)
in Zijn toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Hij doet de aarde beven op haar plaats, en haar pilaren schudden.
הַמַּרְגִּ֣יז
(hamargiz)
Hij die doet beven
אֶ֭רֶץ
(erets)
aarde
מִמְּקוֹמָ֑הּ
(mimeqomah)
van haar plaats
וְ֝עַמּוּדֶ֗יהָ
(veamudeiha)
en haar pilaren
יִתְפַלָּצֽוּן
(yitfalatsun)
schudden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Hij spreekt tot de zon en ze gaat niet op, en Hij verzegelt de sterren.
הָאֹמֵ֣ר
(haomer)
Hij die zegt
לַ֭חֶרֶס
(lacheres)
tot de zon
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִזְרָ֑ח
(yizrach)
gaat ze op
וּבְעַ֖ד
(uvead)
en rond
כּוֹכָבִ֣ים
(kokhavim)
sterren
יַחְתֹּֽם
(yachtom)
verzegelt Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶרֶס (cheres), ‘zon’, is een dichterlijk woord.

De zon gaat niet op als Hij het zegt, en de sterren worden verzegeld, dus afgesloten.

8Hij alleen spant de hemel uit en betreedt de hoogten van de zee.
נֹטֶ֣ה
(note)
Hij die uitspant
שָׁמַ֣יִם
(shamayim)
hemel
לְבַדּ֑וֹ
(levado)
alleen
וְ֝דוֹרֵ֗ךְ
(vedorekh)
en betreedt
עַל
(al)
op
בָּ֥מֳתֵי
(bamotei)
hoogten van
יָֽם
(yam)
de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Hij maakt de Beer, Orion en de Plejaden, en de kamers van het zuiden.
עֹֽשֶׂה
(ose)
Hij die maakt
עָ֭שׁ
(ash)
de Beer
כְּסִ֥יל
(kesil)
Orion
וְכִימָ֗ה
(vekhima)
en de Plejaden
וְחַדְרֵ֥י
(vechadrei)
en kamers van
תֵמָֽן
(teman)
het zuiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָשׁ (ash), כְּסִיל (kesil) en כִּימָה (kimah) zijn sterrenbeelden.

De gebruikelijke vertaling is Beer (of Arcturus), Orion en de Plejaden; de identificatie is niet zeker.

Zie ook 38:31–32 en Amos 5:8.

‘De kamers van het zuiden’ zijn de sterren aan de zuidelijke hemel.

10Hij doet grote dingen die niemand kan doorgronden, wonderen zonder getal.
עֹשֶׂ֣ה
(ose)
Hij die doet
גְ֭דֹלוֹת
(gedolot)
grote dingen
עַד
(ad)
tot
אֵ֣ין
(ein)
niet is er
חֵ֑קֶר
(cheqer)
onderzoek
וְנִפְלָא֗וֹת
(veniflaot)
en wonderen
עַד
(ad)
tot
אֵ֥ין
(ein)
niet is er
מִסְפָּֽר
(mispar)
getal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zie, Hij gaat langs mij, maar ik zie Hem niet. Hij glijdt voorbij en ik merk Hem niet op.
הֵ֤ן
(hen)
zie
יַעֲבֹ֣ר
(yaavor)
Hij gaat voorbij
עָ֭לַי
(alay)
langs mij
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֶרְאֶ֑ה
(ere)
zie ik (Hem)
וְ֝יַחֲלֹ֗ף
(veyachalof)
en Hij glijdt weg
וְֽלֹא
(velo)
en niet
אָבִ֥ין
(avin)
merk ik
לֽוֹ
(lo)
Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Zie, Hij grist weg. Wie kan Hem terughouden? Wie zal tegen Hem zeggen: ‘Wat doet U?’
הֵ֣ן
(hen)
zie
יַ֭חְתֹּף
(yachtof)
Hij grist weg
מִ֣י
(mi)
wie
יְשִׁיבֶ֑נּוּ
(yeshivenu)
kan Hem terughouden
מִֽי
(mi)
wie
יֹאמַ֥ר
(yomar)
zal zeggen
אֵ֝לָ֗יו
(elav)
tot Hem
מַֽה
(ma)
wat
תַּעֲשֶֽׂה
(taase)
doet U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Eloah houdt Zijn toorn niet in. Onder Hem bukken de helpers van Rahab.
אֱ֭לוֹהַּ
(eloha)
Eloah
לֹא
(lo)
niet
יָשִׁ֣יב
(yashiv)
houdt in
אַפּ֑וֹ
(apo)
Zijn toorn
תַּחְתָּ֥יו
(tachtav)
onder Hem
שָׁ֝חֲח֗וּ
(shachachu)
bukken
עֹ֣זְרֵי
(ozerei)
helpers van
רָֽהַב
(rahav)
Rahab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רַהַב (Rahav), ‘Rahab’, is een zeemonster uit de oudoosterse overlevering, een beeld van de chaos (26:12; Ps. 89:11; Jes. 51:9).

Zelfs de helpers van dit monster bukken voor Eloah.

14Hoeveel te minder kan ik Hem antwoorden en mijn woorden tegenover Hem kiezen.
אַ֭ף
(af)
hoeveel
כִּֽי
(ki)
te minder
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
ik
אֶֽעֱנֶ֑נּוּ
(eenenu)
zal Hem antwoorden
אֶבְחֲרָ֖ה
(evchara)
zal kiezen
דְבָרַ֣י
(devaray)
mijn woorden
עִמּֽוֹ
(imo)
tegenover Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Zelfs als ik gelijk had, zou ik Hem niet kunnen antwoorden. Ik kan alleen mijn rechter om genade smeken.
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
Hem die
אִם
(im)
al
צָ֭דַקְתִּי
(tsadaqti)
ik had gelijk
לֹ֣א
(lo)
niet
אֶעֱנֶ֑ה
(eene)
zou ik antwoorden
לִ֝מְשֹׁפְטִ֗י
(limshofeti)
mijn rechter
אֶתְחַנָּֽן
(etchanan)
zou ik smeken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job noemt Elohim hier zijn ‘rechter’ (מְשֹׁפְטִי, meshofeti): tegelijk de partij tegen wie hij procedeert en de rechter die moet beslissen.

16Als ik riep en Hij antwoordde, zou ik niet geloven dat Hij naar mijn stem luisterde.
אִם
(im)
indien
קָרָ֥אתִי
(qarati)
ik riep
וַֽיַּעֲנֵ֑נִי
(vayaaneni)
en Hij antwoordde mij
לֹֽא
(lo)
niet
אַ֝אֲמִ֗ין
(aamin)
zou ik geloven
כִּֽי
(ki)
dat
יַאֲזִ֥ין
(yaazin)
Hij luisterde
קוֹלִֽי
(qoli)
naar mijn stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Hij verplettert mij met een storm en vermenigvuldigt mijn wonden zonder reden.
אֲשֶׁר
(asher)
Hij die
בִּשְׂעָרָ֥ה
(bisara)
in een storm
יְשׁוּפֵ֑נִי
(yeshufeni)
verplettert mij
וְהִרְבָּ֖ה
(vehirba)
en vermenigvuldigt
פְצָעַ֣י
(petsaay)
mijn wonden
חִנָּֽם
(chinam)
zonder reden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

בִּשְׂעָרָה (bis’arah) kan ‘in een storm’ of ‘om een haar’ (een kleinigheid) betekenen: het woord שְׂעָרָה/שַׂעֲרָה is beide.

Wij kiezen ‘storm’, zoals ook in 38:1 Elohim uit de storm antwoordt.

In beide lezingen voelt Job zich zonder reden getroffen.

18Hij laat mij geen adem halen, maar verzadigt mij met bitterheid.
לֹֽא
(lo)
niet
יִ֭תְּנֵנִי
(yiteneni)
geeft Hij mij
הָשֵׁ֣ב
(hashev)
te herstellen
רוּחִ֑י
(ruchi)
mijn adem
כִּ֥י
(ki)
maar
יַ֝שְׂבִּעַ֗נִי
(yasbiani)
verzadigt mij
מַמְּרֹרִֽים
(mamerorim)
met bitterheden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Gaat het om kracht, zie, Hij is machtig. Gaat het om recht, wie zal Mij dagvaarden?
אִם
(im)
indien
לְכֹ֣חַ
(lekhoach)
over kracht
אַמִּ֣יץ
(amits)
machtig
הִנֵּ֑ה
(hine)
zie Hem
וְאִם
(veim)
en indien
לְ֝מִשְׁפָּ֗ט
(lemishpat)
over recht
מִ֣י
(mi)
wie
יוֹעִידֵֽנִי
(yoideni)
zal Mij dagvaarden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

יוֹעִידֵנִי (yo’idenni) betekent in de Masoretische tekst ‘zal mij dagvaarden’.

Wij laten Elohim hier zelf spreken: ‘wie zal Mij dagvaarden?’ (vergelijk Jer. 49:19).

Anderen lezen ‘Hem’ (Job spreekt): wie durft Elohim te dagvaarden?

20Al kreeg ik gelijk, mijn eigen mond zou mij schuldig verklaren. Ben ik onberispelijk, dan verdraait Hij het.
אִם
(im)
indien
אֶ֭צְדָּק
(etsdaq)
ik gelijk heb
פִּ֣י
(pi)
mijn mond
יַרְשִׁיעֵ֑נִי
(yarshieni)
verklaart mij schuldig
תָּֽם
(tam)
onberispelijk
אָ֝֗נִי
(ani)
ik ben
וַֽיַּעְקְשֵֽׁנִי
(vayaqesheni)
dan verdraait Hij het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Ik ben onberispelijk. Ik ken mezelf niet meer, ik verwerp mijn leven.
תָּֽם
(tam)
onberispelijk
אָ֭נִי
(ani)
ik ben
לֹֽא
(lo)
niet
אֵדַ֥ע
(eda)
ken ik
נַפְשִׁ֗י
(nafshi)
mijzelf
אֶמְאַ֥ס
(emas)
ik verwerp
חַיָּֽי
(chayay)
mijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Het is allemaal hetzelfde. Daarom zeg ik: de onberispelijke en de goddeloze maakt Hij beiden een einde.
אַחַ֗ת
(achat)
eenzelfde
הִ֥יא
(hi)
het is
עַל
(al)
op grond
כֵּ֥ן
(ken)
hiervan
אָמַ֑רְתִּי
(amarti)
zei ik
תָּ֥ם
(tam)
de onberispelijke
וְ֝רָשָׁ֗ע
(verasha)
en de goddeloze
ה֣וּא
(hu)
Hij
מְכַלֶּֽה
(mekhale)
maakt een einde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Als een gesel plotseling doodt, lacht Hij om de wanhoop van onschuldigen.
אִם
(im)
indien
שׁ֭וֹט
(shot)
een gesel
יָמִ֣ית
(yamit)
doodt
פִּתְאֹ֑ם
(pitom)
plotseling
לְמַסַּ֖ת
(lemasat)
om de wanhoop van
נְקִיִּ֣ם
(neqiyim)
onschuldigen
יִלְעָֽג
(yilag)
lacht Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24De aarde is in de hand van een goddeloze gegeven. Het gezicht van haar rechters bedekt Hij. Als Hij het niet is, wie dan?
אֶ֤רֶץ
(erets)
aarde
נִתְּנָ֬ה
(nitena)
is gegeven
בְֽיַד
(beyad)
in de hand van
רָשָׁ֗ע
(rasha)
een goddeloze
פְּנֵֽי
(penei)
gezicht van
שֹׁפְטֶ֥יהָ
(shofeteiha)
haar rechters
יְכַסֶּ֑ה
(yekhase)
bedekt Hij
אִם
(im)
indien
לֹ֖א
(lo)
niet
אֵפ֣וֹא
(efo)
dan
מִי
(mi)
wie
הֽוּא
(hu)
Hij (is het)
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een van de scherpste uitspraken van Job: de aarde is aan de goddeloze gegeven, en Elohim bedekt het gezicht van de rechters, zodat ze het recht niet zien.

Het slot, ‘Als Hij het niet is, wie dan?’, maakt Elohim verantwoordelijk.

Mijn dagen vliegen voorbij

25Mijn dagen zijn sneller dan een renner. Ze vluchten, ze zien geen geluk.
וְיָמַ֣י
(veyamay)
en mijn dagen
קַ֭לּוּ
(qalu)
zijn sneller
מִנִּי
(mini)
dan
רָ֑ץ
(rats)
een renner
בָּֽ֝רְח֗וּ
(barechu)
ze vluchten
לֹא
(lo)
niet
רָא֥וּ
(rau)
zien ze
טוֹבָֽה
(tova)
goeds
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Ze glijden voorbij als rietboten, als een arend die op zijn prooi duikt.
חָ֭לְפוּ
(chalefu)
glijden voorbij
עִם
(im)
met
אֳנִיּ֣וֹת
(oniyot)
schepen van
אֵבֶ֑ה
(eve)
riet
כְּ֝נֶ֗שֶׁר
(kenesher)
als een arend
יָט֥וּשׂ
(yatus)
duikt
עֲלֵי
(alei)
op
אֹֽכֶל
(okhel)
prooi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲנִיּוֹת אֵבֶה (aniyyot eve) zijn ‘rietboten’ of ‘snelle schepen’.

De betekenis van אֵבֶה (eve) is onzeker.

27Als ik zeg: ‘Ik zal mijn klacht vergeten, mijn gezicht veranderen en vrolijk kijken’,
אִם
(im)
indien
אָ֭מְרִי
(ameri)
ik zeg
אֶשְׁכְּחָ֣ה
(eshkecha)
ik wil vergeten
שִׂיחִ֑י
(sichi)
mijn klacht
אֶעֶזְבָ֖ה
(eezva)
ik wil laten varen
פָנַ֣י
(panay)
mijn gezicht
וְאַבְלִֽיגָה
(veavliga)
en opvrolijken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28dan ben ik bang voor al mijn pijnen. Ik weet dat U mij niet onschuldig verklaart.
יָגֹ֥רְתִּי
(yagorti)
ik vrees
כָל
(kal)
al
עַצְּבֹתָ֑י
(atsevotay)
mijn pijnen
יָ֝דַ֗עְתִּי
(yadati)
ik weet
כִּי
(ki)
dat
לֹ֥א
(lo)
niet
תְנַקֵּֽנִי
(tenaqeni)
U verklaart mij onschuldig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Ik zal toch schuldig zijn. Waarom dan nog tevergeefs moeite doen?
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
אֶרְשָׁ֑ע
(ersha)
zal schuldig zijn
לָמָּה
(lama)
waarom
זֶּ֝֗ה
(ze)
dan
הֶ֣בֶל
(hevel)
tevergeefs
אִיגָֽע
(iga)
zou ik moeite doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Als ik mij zou wassen met sneeuwwater en mijn handen reinigde met zeep,
אִם
(im)
indien
הִתְרָחַ֥צְתִּי
(hitrachatsti)
ik mij waste
בְמֵי
(bemei)
met water van
שָׁ֑לֶג
(shaleg)
sneeuw
וַ֝הֲזִכּ֗וֹתִי
(vahazikoti)
en reinigde
בְּבֹ֣ר
(bevor)
met zeep
כַּפָּֽי
(kapay)
mijn handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֹּר (bor), ‘zeep’, is hier een reinigingsmiddel, bijvoorbeeld loog of potas.

31dan nog zou U mij in de put dompelen, zodat mijn kleren een afschuw van mij hebben.
אָ֭ז
(az)
dan
בַּשַּׁ֣חַת
(bashachat)
in de put
תִּטְבְּלֵ֑נִי
(titbeleni)
dompelt U mij
וְ֝תִֽעֲב֗וּנִי
(vetiavuni)
en verafschuwen mij
שַׂלְמוֹתָֽי
(salmotay)
mijn kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Er is geen scheidsrechter

32Want Hij is geen mens zoals ik, dat ik Hem zou antwoorden, dat wij samen voor de rechter zouden komen.
כִּי
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
כָּמֹ֣נִי
(kamoni)
zoals ik
אֶֽעֱנֶ֑נּוּ
(eenenu)
dat ik Hem antwoord
נָב֥וֹא
(navo)
dat wij komen
יַ֝חְדָּ֗ו
(yachdav)
samen
בַּמִּשְׁפָּֽט
(bamishpat)
in het gericht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Er is geen scheidsrechter tussen ons, die zijn hand op ons beiden legt.
לֹ֣א
(lo)
niet
יֵשׁ
(yesh)
is er
בֵּינֵ֣ינוּ
(beineinu)
tussen ons
מוֹכִ֑יחַ
(mokhiach)
een scheidsrechter
יָשֵׁ֖ת
(yashet)
die legt
יָד֣וֹ
(yado)
zijn hand
עַל
(al)
op
שְׁנֵֽינוּ
(sheneinu)
ons beiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוֹכִיחַ (mokiach) is een scheidsrechter of bemiddelaar die beide partijen aan zich bindt door zijn hand op hen te leggen.

Job wenst zo iemand (vergelijk 16:19–21; 19:25).

In het Nieuwe Testament wordt Christus de bemiddelaar tussen Elohim en mensen genoemd (1 Tim. 2:5).

34Hij moet Zijn stok van mij wegnemen. Zijn schrikbeeld mag mij niet verschrikken.
יָסֵ֣ר
(yaser)
laat Hij wegnemen
מֵעָלַ֣י
(mealay)
van mij
שִׁבְט֑וֹ
(shivto)
Zijn stok
וְ֝אֵמָת֗וֹ
(veemato)
en Zijn schrik
אַֽל
(al)
niet
תְּבַעֲתַֽנִּי
(tevaatani)
verschrikke mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Dan zou ik spreken en Hem niet vrezen. Maar zo ben ik niet bij mijzelf.”
אַֽ֭דַבְּרָה
(adabera)
ik zou spreken
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אִירָאֶ֑נּוּ
(iraenu)
zou ik Hem vrezen
כִּ֥י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
כֵ֥ן
(ken)
zo
אָ֝נֹכִ֗י
(anokhi)
ik
עִמָּדִֽי
(imadi)
bij mezelf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)