Elohim Bijbel

Jeremia 6

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Het leger uit het noorden en het verworpen zilver

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Vlucht uit Jeruzalem

1Zoek veiligheid, zonen van Benjamin, weg uit het midden van Jeruzalem! Blaas in Tekoa de ramshoorn en steek boven Bet-Hakkerem een vuursein op! Want onheil kijkt neer uit het noorden, een grote ondergang.
הָעִ֣זוּ
(haizu)
breng in veiligheid
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
בִניָמִ֗ן
(binyamin)
Benjamin
מִקֶּ֨רֶב֙
(miqerev)
uit het midden van
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
וּבִתְק֨וֹעַ֙
(uvitqoa)
en in Tekoa
תִּקְע֣וּ
(tiqu)
blaas
שׁוֹפָ֔ר
(shofar)
ramshoorn
וְעַל
(veal)
en over
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
הַכֶּ֖רֶם
(hakerem)
de wijngaard
שְׂא֣וּ
(seu)
heft op
מַשְׂאֵ֑ת
(maset)
vuursein
כִּ֥י
(ki)
want
רָעָ֛ה
(raa)
onheil
נִשְׁקְפָ֥ה
(nishqefa)
kijkt neer
מִצָּפ֖וֹן
(mitsafon)
uit het noorden
וְשֶׁ֥בֶר
(veshever)
en ondergang
גָּדֽוֹל
(gadol)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Tekoa: Tekoa (Khirbet Tuqu') lag ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, in het bergland van Juda.

Zie Bet-Hakkerem (Ramat Rachel?; ligging onzeker): Bet-Hakkerem (‘huis van de wijngaard’) lag op een hoogte tussen Jeruzalem en Tekoa, waarschijnlijk bij Ramat Rachel.

Dit is niet zeker.

Uitleg

הָעִזוּ (ha’izu), ‘zoek veiligheid’: een bevel om zich in veiligheid te brengen.

Er is een woordspeling: וּבִתְקוֹעַ (uvitqoa), ‘in Tekoa’, en תִּקְעוּ (tiq’u), ‘blaas’, klinken bijna gelijk. Tekoa ligt zuidelijk van Jeruzalem; de profeet Amos kwam er vandaan (Amos 1:1).

בֵּית הַכֶּרֶם (beit hakkarem), ‘Bet-Hakkerem’: letterlijk ‘huis van de wijngaard’, een plaats bij Jeruzalem. De ligging is niet zeker.

מַשְׂאֵת (massa’et), ‘vuursein’: een vuur of rook die op een hoogte wordt opgestoken als waarschuwing. Het is een ander woord dan מַשָּׂא (massa), ‘last’ (zie Jer. 23:33).

נִשְׁקְפָה (nishqefah), ‘kijkt neer’: het onheil buigt zich vanuit het noorden over het land heen. Zie Jer. 1:14–15.

Jeruzalem lag op de grens van Benjamin en Juda; de ‘zonen van Benjamin’ zijn dus de naaste buren van de stad.

2„De bekoorlijke en verwende, Dochter Sion, Ik vernietig haar.”
הַנָּוָה֙
(hanava)
de bekoorlijke
וְהַמְּעֻנָּגָ֔ה
(vehameunaga)
en de verwende
דָּמִ֖יתִי
(damiti)
Ik vernietig
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּֽוֹן
(tsiyon)
Sion
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

דָּמִיתִי (dammiti), ‘Ik vernietig’: het Hebreeuws kan van het werkwoord דָּמָה (damah), ‘tot zwijgen brengen, vernietigen’, komen, maar ook van een ander werkwoord met dezelfde letters, ‘vergelijken’.

Dan zou de zin zijn: ‘Ik vergelijk de Dochter Sion met een bekoorlijke en verwende weide.’

De betekenis is niet zeker.

הַנָּוָה (hannavah), ‘de bekoorlijke’: ook ‘de weide’.

De vorm ‘Ik’ wijst op Yahweh; daarom staat dit vers rood, midden in de woorden van de profeet.

3Herders komen naar haar toe met hun kuddes. Zij slaan tenten tegen haar op, rondom. Zij laten hun vee grazen, ieder op zijn eigen plek.
אֵלֶ֛יהָ
(eleiha)
naar haar toe
יָבֹ֥אוּ
(yavou)
komen
רֹעִ֖ים
(roim)
herders
וְעֶדְרֵיהֶ֑ם
(veedreihem)
en hun kuddes
תָּקְע֨וּ
(taqeu)
slaan op
עָלֶ֤יהָ
(aleiha)
tegen haar
אֹהָלִים֙
(ohalim)
tenten
סָבִ֔יב
(saviv)
rondom
רָע֖וּ
(rau)
laten grazen
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
יָדֽוֹ
(yado)
zijn plek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Herders met hun kuddes zijn het beeld van een leger dat zich rondom de stad legert.

Iedere herder laat zijn vee weiden op ‘zijn hand’, dat is zijn eigen deel (אֶת יָדוֹ, et yado).

4„Heilig de oorlog tegen haar! Sta op, laten wij optrekken op het heetst van de dag! Wee ons, want de dag loopt ten einde, want de schaduwen van de avond worden langer.
קַדְּשׁ֤וּ
(qadeshu)
heiligt
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
tegen haar
מִלְחָמָ֔ה
(milchama)
oorlog
ק֖וּמוּ
(qumu)
staat op
וְנַעֲלֶ֣ה
(venaale)
en laten wij optrekken
בַֽצָּהֳרָ֑יִם
(batsahorayim)
op de middag
א֥וֹי
(oy)
wee
לָ֨נוּ֙
(lanu)
ons
כִּי
(ki)
want
פָנָ֣ה
(pana)
helt over
הַיּ֔וֹם
(hayom)
de dag
כִּ֥י
(ki)
want
יִנָּט֖וּ
(yinatu)
worden uitgerekt
צִלְלֵי
(tsillei)
schaduwen van
עָֽרֶב
(arev)
avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קַדְּשׁוּ (qaddeshu), ‘heilig’: het werkwoord קָדַשׁ (qadash) betekent hier ‘de oorlog toewijden, voorbereiden’.

Een oorlog begon met een heilige handeling; vergelijk Joël 4:9.

Het is de stem van de vijand.

בַצָּהֳרָיִם (batsohorayim), ‘op het heetst van de dag’: letterlijk ‘in de middag’, de tijd waarop men gewoonlijk rust.

De aanhalingstekens lopen door tot het einde van vers 5.

5Sta op, laten wij in de nacht optrekken en haar paleizen verwoesten.”
ק֚וּמוּ
(qumu)
staat op
וְנַעֲלֶ֣ה
(venaale)
en laten wij optrekken
בַלָּ֔יְלָה
(balayela)
bij nacht
וְנַשְׁחִ֖יתָה
(venashchita)
en laten wij verwoesten
אַרְמְנוֹתֶֽיהָ
(armenoteiha)
haar paleizen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het volk in het noorden wil de aanval in de nacht voortzetten omdat de dag voorbij is.

אַרְמְנוֹתֶיהָ (armenoteha), ‘haar paleizen’: versterkte gebouwen binnen de stad.

Kap bomen om tegen Jeruzalem

6Want zo zegt Yahweh van de legermachten: „Kap bomen om en werp een wal op tegen Jeruzalem. Zij is de stad die gestraft moet worden. Zij is helemaal onderdrukking in haar midden.
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
כִּרְת֣וּ
(kirtu)
kapt om
עֵצָ֔ה
(etsa)
bomen
וְשִׁפְכ֥וּ
(veshifkhu)
en werpt op
עַל
(al)
tegen
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
סֹלְלָ֑ה
(solela)
een wal
הִ֚יא
(hi)
zij
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הָפְקַ֔ד
(hafeqad)
die gestraft moet worden
כֻּלָּ֖הּ
(kulah)
helemaal
עֹ֥שֶׁק
(osheq)
onderdrukking
בְּקִרְבָּֽהּ
(beqirbah)
in haar midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19.

עֵצָה (etsah), ‘bomen’: hier hout, van עֵץ (ets). Het woord lijkt op עֵצָה (etsah), ‘raad’, maar de zin gaat over het kappen van bomen voor een belegering (vergelijk Deut. 20:19–20).

סֹלְלָה (solelah), ‘wal’: een aarden helling die tegen de muur wordt opgeworpen.

הָפְקַד (hofqad), ‘gestraft moet worden’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken’, hier met een slecht gevolg: Yahweh komt met straf.

7Zoals een put haar water vers houdt, zo houdt zij haar kwaad vers. Geweld en verwoesting worden in haar gehoord. Voor Mijn aangezicht zijn voortdurend ziekte en wonden.
כְּהָקִ֥יר
(kehaqir)
zoals houdt vers
בַּ֨יִר֙
(bayir)
een put
מֵימֶ֔יהָ
(meimeiha)
haar water
כֵּ֖ן
(ken)
zo
הֵקֵ֣רָה
(heqera)
houdt vers
רָעָתָ֑הּ
(raatah)
haar kwaad
חָמָ֣ס
(chamas)
geweld
וָ֠שֹׁד
(vashod)
en verwoesting
יִשָּׁ֨מַע
(yishama)
wordt gehoord
בָּ֧הּ
(bah)
in haar
עַל
(al)
voor
פָּנַ֛י
(panay)
Mijn aangezicht
תָּמִ֖יד
(tamid)
voortdurend
חֳלִ֥י
(choli)
ziekte
וּמַכָּֽה
(umaka)
en wond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een put houdt het water ‘vers’ doordat het steeds opwelt.

Zo blijft Jeruzalem steeds nieuw kwaad voortbrengen.

חָמָס וָשֹׁד (chamas vashod), ‘geweld en verwoesting’: de twee woorden staan vaker samen.

פָּנַי (panai), ‘Mijn aangezicht’: Yahweh ziet voortdurend de wonden van de stad.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is בור (bor), ‘put’; de overlevering (qere) leest בַּיִר (bayir), een zeldzame vorm met dezelfde betekenis.

Wij volgen de lezing.

8Laat je terechtwijzen, Jeruzalem, anders maakt Mijn ziel zich van je los. Anders maak Ik je tot een woestenij, een land waar niemand woont.”
הִוָּסְרִי֙
(hivaseri)
laat je terechtwijzen
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
פֶּן
(pen)
anders
תֵּקַ֥ע
(teqa)
maakt zich los
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
Mijn ziel
מִמֵּ֑ךְ
(mimekh)
van je
פֶּן
(pen)
anders
אֲשִׂימֵ֣ךְ
(asimekh)
Ik maak je
שְׁמָמָ֔ה
(shemama)
woestenij
אֶ֖רֶץ
(erets)
land
ל֥וֹא
(lo)
niet
נוֹשָֽׁבָה
(noshava)
bewoond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

הִוָּסְרִי (hivvaseri), ‘laat je terechtwijzen’: het werkwoord יָסַר (yasar) betekent ‘onderwijzen, terechtwijzen, tuchtigen’.

Het volk moet zich laten corrigeren.

תֵּקַע (teqa), ‘maakt zich los’: het werkwoord יָקַע (yaqa) beschrijft iets dat uit het gewricht wordt gerukt, hier een innerlijke afkeer. נַפְשִׁי (nafshi), ‘Mijn ziel’: zoals Jes. 1:14.

9Zo zegt Yahweh van de legermachten: „Zij zullen de overgeblevenen van Israël grondig nalezen, zoals een wijnstok wordt nagelezen. Laat je hand terugkeren als een druivenplukker over de ranken.”
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהֹוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
עוֹלֵ֛ל
(olel)
grondig
יְעוֹלְל֥וּ
(yeolelu)
zullen nalezen
כַגֶּ֖פֶן
(kagefen)
als de wijnstok
שְׁאֵרִ֣ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
הָשֵׁב֙
(hashev)
laat terugkeren
יָדְךָ֔
(yadekha)
je hand
כְּבוֹצֵ֖ר
(kevotser)
als een druivenplukker
עַל
(al)
over
סַלְסִלּֽוֹת
(salsilot)
de ranken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עוֹלֵל יְעוֹלְלוּ (olel ye’olelu), ‘grondig zullen nalezen’: het werkwoord עוֹלֵל (olel) betekent ‘nalezen’, de laatste druiven plukken.

De herhaling in het Hebreeuws geeft nadruk: er blijft niets over.

שְׁאֵרִית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: wat na de ramp overblijft; de vijand leest ook die nog na.

סַלְסִלּוֹת (salsillot), ‘de ranken’: een zeldzaam woord, dat ook ‘manden’ kan betekenen. De betekenis is niet zeker.

Een onbesneden oor

10Tot wie moet ik spreken en wie moet ik waarschuwen, zodat zij het horen? Zie, hun oor is onbesneden en zij kunnen niet luisteren. Zie, het woord van Yahweh is voor hen tot smaad geworden. Zij hebben er geen behagen in.
עַל
(al)
tot
מִ֨י
(mi)
wie
אֲדַבְּרָ֤ה
(adabera)
zal ik spreken
וְאָעִ֨ידָה֙
(veaida)
en zal ik waarschuwen
וְיִשְׁמָ֔עוּ
(veyishmau)
zodat zij horen
הִנֵּה֙
(hine)
zie
עֲרֵלָ֣ה
(arela)
onbesneden
אָזְנָ֔ם
(azenam)
hun oor
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יוּכְל֖וּ
(yukhelu)
zij kunnen
לְהַקְשִׁ֑יב
(lehaqshiv)
luisteren
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הָיָ֥ה
(haya)
is geworden
לָהֶ֛ם
(lahem)
voor hen
לְחֶרְפָּ֖ה
(lecherpa)
tot smaad
לֹ֥א
(lo)
niet
יַחְפְּצוּ
(yachpetsu)
zij hebben behagen
בֽוֹ
(bo)
in het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲרֵלָה אָזְנָם (arelah oznam), ‘hun oor is onbesneden’: een oor dat niet open is voor het woord, zoals een onbesneden hart (Lev. 26:41, Deut. 10:16) of onbesneden lippen (Exod. 6:12).

לְחֶרְפָּה (lecherpah), ‘tot smaad’: Het woord van Yahweh wordt bespot.

Dit vers is een woord van de profeet; vers 11 vervolgt.

11Van de woede van Yahweh ben ik vol. Ik ben het moe haar in te houden. „Giet haar uit over het kind op straat en over de kring van jongemannen, allen samen. Want man en vrouw worden samen gevangen, de oude met wie hoogbejaard is.
וְאֵת֩
(veet)
en met
חֲמַ֨ת
(chamat)
woede van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
מָלֵ֨אתִי֙
(maleti)
ik ben vol
נִלְאֵ֣יתִי
(nileiti)
ik ben moe
הָכִ֔יל
(hakhil)
om in te houden
שְׁפֹ֤ךְ
(shefokh)
giet uit
עַל
(al)
over
עוֹלָל֙
(olal)
kind
בַּח֔וּץ
(bachuts)
op straat
וְעַ֛ל
(veal)
en over
ס֥וֹד
(sod)
kring van
בַּחוּרִ֖ים
(bachurim)
jongemannen
יַחְדָּ֑ו
(yachdav)
samen
כִּֽי
(ki)
want
גַם
(gam)
ook
אִ֤ישׁ
(ish)
man
עִם
(im)
met
אִשָּׁה֙
(isha)
vrouw
יִלָּכֵ֔דוּ
(yilakhedu)
zullen gevangen worden
זָקֵ֖ן
(zaqen)
oude
עִם
(im)
met
מְלֵ֥א
(mele)
vol van
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲמַת יְהוָה (chamat Yahweh), ‘de woede van Yahweh’: de profeet is vol van het gevoel van Yahweh.

Het werkwoord כּוּל (kul) in הָכִיל (hakhil) betekent ‘bevatten, inhouden’.

Vanaf ‘Giet haar uit’ spreekt Yahweh weer; Hij antwoordt de profeet.

סוֹד (sod), ‘kring’: een kring van vertrouwelijke gesprekspartners, hier jonge mannen die bijeen zijn.

מְלֵא יָמִים (melei yamim), ‘vol van dagen’: heel oud.

12Hun huizen gaan over naar anderen, akkers en vrouwen samen. Want Ik strek Mijn hand uit over de bewoners van het land, godsspraak van Yahweh.
וְנָסַ֤בּוּ
(venasabu)
en gaan over
בָֽתֵּיהֶם֙
(bateihem)
hun huizen
לַאֲחֵרִ֔ים
(laacherim)
aan anderen
שָׂד֥וֹת
(sadot)
akkers
וְנָשִׁ֖ים
(venashim)
en vrouwen
יַחְדָּ֑ו
(yachdav)
samen
כִּֽי
(ki)
want
אַטֶּ֧ה
(ate)
Ik strek uit
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִ֛י
(yadi)
Mijn hand
עַל
(al)
over
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
bewoners van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8.

אַטֶּה (atteh), ‘Ik strek uit’: Yahweh strekt Zijn hand uit tot straf, zoals in Jes. 5:25.

Vrede, vrede, maar er is geen vrede

13Want van de kleinste tot de grootste is ieder van hen uit op winst. Van profeet tot priester pleegt ieder bedrog.
כִּ֤י
(ki)
want
מִקְּטַנָּם֙
(miqetanam)
van hun kleinste
וְעַד
(vead)
en tot
גְּדוֹלָ֔ם
(gedolam)
hun grootste
כֻּלּ֖וֹ
(kulo)
ieder van hen
בּוֹצֵ֣עַ
(botsea)
uit op
בָּ֑צַע
(batsa)
winst
וּמִנָּבִיא֙
(uminavi)
en van profeet
וְעַד
(vead)
en tot
כֹּהֵ֔ן
(kohen)
priester
כֻּלּ֖וֹ
(kulo)
ieder van hen
עֹ֥שֶׂה
(ose)
pleegt
שָּֽׁקֶר
(shaqer)
bedrog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jer. 6:13–15 komt bijna woordelijk terug in Jer. 8:10–12.

Waar het Hebreeuws gelijk is, zijn de Nederlandse woorden gelijk;

בּוֹצֵעַ בָּצַע (botsea batsa), ‘uit op winst’: letterlijk ‘afsnijdend winst’, onrechtmatige winst behalend.

שָּׁקֶר (sheqer), ‘bedrog’: ook ‘leugen’. Het woord staat in dit boek voor het bedrog en de valse woorden van de leiders.

14Zij genezen de breuk van Mijn volk lichtvaardig. Zij zeggen: ‘Vrede, vrede!’ Maar er is geen vrede.
וַֽיְרַפְּא֞וּ
(vayrapeu)
en zij genezen
אֶת
(et)
(obj.)
שֶׁ֤בֶר
(shever)
breuk van
עַמִּי֙
(ami)
Mijn volk
עַל
(al)
op
נְקַלָּ֔ה
(neqala)
lichtvaardige wijze
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggend
שָׁל֣וֹם
(shalom)
vrede
שָׁל֑וֹם
(shalom)
vrede
וְאֵ֖ין
(veein)
en niet is er
שָׁלֽוֹם
(shalom)
vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׁבֶר (shever), ‘breuk’: een gebroken lichaam of land; zie ook Jes. 1:6.

Het woord volgt het beeld van een wond die slechts oppervlakkig wordt verbonden.

עַל נְקַלָּה (al neqallah), ‘lichtvaardig’: letterlijk ‘op het lichte’. De profeten en priesters nemen de ramp niet serieus.

שָׁלוֹם שָׁלוֹם (shalom shalom), ‘vrede, vrede’: het Hebreeuws herhaalt het woord. De leiders beloven vrede terwijl de vijand nadert.

15Schamen zij zich, omdat zij gruwel hebben gedaan? Zij schamen zich helemaal niet. Zij weten niet eens wat vernedering is. Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen. In de tijd dat Ik hen straf, zullen zij struikelen, zegt Yahweh.”
הֹבִ֕ישׁוּ
(hovishu)
schamen zij zich
כִּ֥י
(ki)
want
תוֹעֵבָ֖ה
(toeva)
gruwel
עָשׂ֑וּ
(asu)
zij deden
גַּם
(gam)
ook
בּ֣וֹשׁ
(bosh)
schaamte
לֹֽא
(lo)
niet
יֵב֗וֹשׁוּ
(yevoshu)
zij schamen zich
גַּם
(gam)
ook
הַכְלִים֙
(hakhlim)
vernedering
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדָ֔עוּ
(yadau)
zij weten
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
יִפְּל֧וּ
(yipelu)
zullen vallen
בַנֹּפְלִ֛ים
(banofelim)
onder de vallenden
בְּעֵת
(beet)
in de tijd
פְּקַדְתִּ֥ים
(peqadtim)
Ik straf hen
יִכָּשְׁל֖וּ
(yikashelu)
zullen struikelen
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַכְלִים (hakhlim), ‘vernedering’: het werkwoord כָּלַם (kalam) betekent ‘vernederd, beschaamd zijn’.

פְּקַדְתִּים (peqadtim), ‘Ik straf hen’: letterlijk ‘Ik bezoek hen’; zie vers 6.

Dit vers is bijna gelijk aan Jer. 8:12. Daar staat ‘in de tijd van hun straf’ tegenover hier ‘in de tijd dat Ik hen straf’.

De oeroude paden

16Zo zegt Yahweh: „Ga staan bij de wegen en kijk. Vraag naar de oeroude paden: waar is de weg van het goede? Loop daarop en vind rust voor jullie ziel. Maar zij zeiden: ‘Wij zullen niet gaan.’
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
עִמְדוּ֩
(imdu)
ga staan
עַל
(al)
bij
דְּרָכִ֨ים
(derakhim)
wegen
וּרְא֜וּ
(ureu)
en kijk
וְשַׁאֲל֣וּ
(veshaalu)
en vraag
לִנְתִב֣וֹת
(lintivot)
naar paden van
עוֹלָ֗ם
(olam)
oudsher
אֵי
(ei)
waar
זֶ֨ה
(ze)
is dit
דֶ֤רֶךְ
(derekh)
weg van
הַטּוֹב֙
(hatov)
het goede
וּלְכוּ
(ulekhu)
en loop
בָ֔הּ
(bah)
daarop
וּמִצְא֥וּ
(umitsu)
en vind
מַרְגּ֖וֹעַ
(margoa)
rust
לְנַפְשְׁכֶ֑ם
(lenafshekhem)
voor jullie ziel
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zij zeiden
לֹ֥א
(lo)
niet
נֵלֵֽךְ
(nelekh)
wij zullen gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לִנְתִבוֹת עוֹלָם (netivot olam), ‘de oeroude paden’: paden van oudsher, de weg van de vaders.

Het woord עוֹלָם (olam) betekent ‘lang geleden’, ‘oud’ en, waar het de toekomst betreft, ‘voor eeuwig’.

מַרְגּוֹעַ (marg’oa), ‘rust’: een zeldzaam woord voor rustplaats.

De woorden ‘Wij zullen niet gaan’ zijn het antwoord van het volk; ze staan binnen de rode woorden van Yahweh.

17Ik heb wachters over jullie aangesteld: ‘Let op het geluid van de ramshoorn.’ Maar zij zeiden: ‘Wij letten er niet op.’
וַהֲקִמֹתִ֤י
(vahaqimoti)
en Ik heb aangesteld
עֲלֵיכֶם֙
(aleikhem)
over jullie
צֹפִ֔ים
(tsofim)
wachters
הַקְשִׁ֖יבוּ
(haqshivu)
let op
לְק֣וֹל
(leqol)
het geluid van
שׁוֹפָ֑ר
(shofar)
de ramshoorn
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zij zeiden
לֹ֥א
(lo)
niet
נַקְשִֽׁיב
(naqshiv)
wij letten op
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צֹפִים (tsofim), ‘wachters’: de profeten als wachters op de muur; vergelijk Ezech. 3:17 en 33:2.

לְקוֹל שׁוֹפָר (leqol shofar), ‘het geluid van de ramshoorn’: het alarm bij gevaar. Zie ook vers 1.

18Hoor dan, volken, en weet, gemeenschap, wat er onder hen is.
לָכֵ֖ן
(lakhen)
daarom
שִׁמְע֣וּ
(shimu)
hoort
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
וּדְעִ֥י
(udei)
en weet
עֵדָ֖ה
(eda)
gemeenschap
אֶת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
בָּֽם
(bam)
in hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵדָה (edah), ‘gemeenschap’: het woord betekent hier een vergadering.

De betekenis van de zin is niet zeker.

Sommigen lezen ‘weet, getuigen’ of ‘weet, gemeenschap, wat hen overkomt’.

19Hoor, aarde! Zie, Ik breng onheil over dit volk, de vrucht van hun plannen. Want op Mijn woorden hebben zij niet gelet, en Mijn wet hebben zij verworpen.
שִׁמְעִ֣י
(shimi)
hoor
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
aarde
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֜י
(anokhi)
Ik
מֵבִ֥יא
(mevi)
breng
רָעָ֛ה
(raa)
onheil
אֶל
(el)
naar
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
פְּרִ֣י
(peri)
vrucht van
מַחְשְׁבוֹתָ֑ם
(machshevotam)
hun plannen
כִּ֤י
(ki)
want
עַל
(al)
op
דְּבָרַי֙
(devaray)
Mijn woorden
לֹ֣א
(lo)
niet
הִקְשִׁ֔יבוּ
(hiqshivu)
zij letten op
וְתוֹרָתִ֖י
(vetorati)
en Mijn wet
וַיִּמְאֲסוּ
(vayimasu)
en zij verwierpen
בָֽהּ
(bah)
haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פְּרִי מַחְשְׁבוֹתָם (peri machshevotam), ‘de vrucht van hun plannen’: het onheil is de uitkomst van wat zij zelf bedacht hebben.

וְתוֹרָתִי (vetorati), ‘Mijn wet’: תּוֹרָה (torah) betekent ook ‘onderwijs’.

Offers zonder trouw

20Wat moet Ik met wierook die uit Sjeba komt en met goede kalmoes uit een ver land? Jullie brandoffers zijn niet tot Mijn welbehagen en jullie slachtoffers zijn Mij niet aangenaam.”
לָמָּה
(lama)
waartoe
זֶּ֨ה
(ze)
dit
לִ֤י
(li)
voor Mij
לְבוֹנָה֙
(levona)
wierook
מִשְּׁבָ֣א
(misheva)
uit Sjeba
תָב֔וֹא
(tavo)
komt
וְקָנֶ֥ה
(veqane)
en kalmoes
הַטּ֖וֹב
(hatov)
het goede
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מֶרְחָ֑ק
(merchaq)
ver
עֹלֽוֹתֵיכֶם֙
(oloteikhem)
jullie brandoffers
לֹ֣א
(lo)
niet
לְרָצ֔וֹן
(leratson)
tot welbehagen
וְזִבְחֵיכֶ֖ם
(vezivcheikhem)
en jullie slachtoffers
לֹא
(lo)
niet
עָ֥רְבוּ
(arevu)
zijn aangenaam
לִֽי
(li)
voor Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁבָא (Sjeba): een rijk in het zuiden van het Arabisch schiereiland, bekend om zijn wierook; zie 1 Kon. 10:1 en Jes. 60:6.

וְקָנֶה הַטּוֹב (qaneh hatov), ‘goede kalmoes’: een welriekend riet; zie Exod. 30:23.

De offers zijn op zich niet fout, maar ze komen niet voort uit gehoorzaamheid; vergelijk Jes. 1:11–17.

21Daarom, zo zegt Yahweh: „Zie, Ik leg dit volk struikelblokken voor. Vaders en zonen zullen erover struikelen, samen. De buurman en zijn vriend zullen omkomen.”
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie Mij
נֹתֵ֛ן
(noten)
ik geef
אֶל
(el)
aan
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
מִכְשֹׁלִ֑ים
(mikhsholim)
struikelblokken
וְכָ֣שְׁלוּ
(vekhashelu)
en zullen struikelen
בָ֠ם
(bam)
over hen
אָב֨וֹת
(avot)
vaders
וּבָנִ֥ים
(uvanim)
en zonen
יַחְדָּ֛ו
(yachdav)
samen
שָׁכֵ֥ן
(shakhen)
de buurman
וְרֵע֖וֹ
(vereo)
en zijn vriend
וְאָבָֽדוּ
(veavadu)
en zullen omkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִכְשֹׁלִים (mikhshelim), ‘struikelblokken’: dingen waarover men valt.

Yahweh zelf legt ze voor het volk neer.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is יאבדו (yovedu), ‘zij zullen omkomen’; de overlevering (qere) leest וְאָבָדוּ (ve’avadu), ‘en zij zullen omkomen’.

Wij volgen de lezing.

Een volk uit het noorden

22Zo zegt Yahweh: „Zie, een volk komt uit het land in het noorden. Een groot volk wordt opgewekt uit de uithoeken van de aarde.
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
עַ֥ם
(am)
een volk
בָּ֖א
(ba)
komt
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
צָפ֑וֹן
(tsafon)
noorden
וְג֣וֹי
(vegoy)
en een volk
גָּד֔וֹל
(gadol)
groot
יֵע֖וֹר
(yeor)
wordt opgewekt
מִיַּרְכְּתֵי
(miyarketei)
van de uithoeken van
אָֽרֶץ
(arets)
aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צָפוֹן (tsafon), ‘noorden’: de richting vanwaar het onheil komt.

Zie Jer. 1:14–15; ook Jer. 4:6.

Het volk wordt niet bij naam genoemd.

יֵעוֹר (ye’or), ‘wordt opgewekt’: van het werkwoord עוּר (ur), ‘wakker worden’; Yahweh wekt het volk.

Deze verzen komen bijna woordelijk terug in Jer. 50:41–43.

23Boog en werpspies grijpen zij vast. Wreed zijn zij en zij ontfermen zich niet. Hun stem bruist als de zee, en zij rijden op paarden, opgesteld als één man voor de strijd, tegen jou, Dochter Sion.”
קֶ֣שֶׁת
(qeshet)
boog
וְכִיד֞וֹן
(vekhidon)
en werpspies
יַחֲזִ֗יקוּ
(yachaziqu)
grijpen vast
אַכְזָרִ֥י
(akhzari)
wreed
הוּא֙
(hu)
hij
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יְרַחֵ֔מוּ
(yerachemu)
zij ontfermen zich
קוֹלָם֙
(qolam)
hun stem
כַּיָּ֣ם
(kayam)
als de zee
יֶהֱמֶ֔ה
(yeheme)
bruist
וְעַל
(veal)
en op
סוּסִ֖ים
(susim)
paarden
יִרְכָּ֑בוּ
(yirkavu)
rijden zij
עָר֗וּךְ
(arukh)
opgesteld
כְּאִישׁ֙
(keish)
als een man
לַמִּלְחָמָ֔ה
(lamilchama)
voor de oorlog
עָלַ֖יִךְ
(alayikh)
tegen jou
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּֽוֹן
(tsiyon)
Sion
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וְכִידוֹן (kidon), ‘werpspies’: een kort wapen om te werpen.

De betekenis is niet helemaal zeker; sommige vertalingen kiezen ‘lans’ of ‘zwaard’.

אַכְזָרִי (akhzari), ‘wreed’: ze hebben geen medelijden; zie ook Jer. 50:42.

יְרַחֵמוּ (yerachamu), ‘zij ontfermen zich’: het werkwoord רָחַם (racham); zo ook de naam לֹא רֻחָמָה (Lo-Ruchama), ‘Niet-ontferming’ in Hos. 1:6.

24Wij hebben het bericht over hen gehoord. Onze handen zijn slap geworden. Benauwdheid heeft ons gegrepen, weeën als van een barende vrouw.
שָׁמַ֥עְנוּ
(shamanu)
wij hebben gehoord
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁמְע֖וֹ
(shameo)
het bericht over hem
רָפ֣וּ
(rafu)
zijn slap geworden
יָדֵ֑ינוּ
(yadeinu)
onze handen
צָרָה֙
(tsara)
benauwdheid
הֶחֱזִיקַ֔תְנוּ
(hecheziqatnu)
heeft ons gegrepen
חִ֖יל
(chil)
weeën
כַּיּוֹלֵדָֽה
(kayoleda)
als een barende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier spreekt het volk, of de profeet namens het volk.

Het gaat om de schrik die zich van de hoofdstad meester maakt.

Zie ook Jer. 50:43.

חִיל (chil), ‘weeën’: de pijn van een barende vrouw is het beeld van plotselinge, niet te ontlopen angst (zoals Jes. 13:8).

25Ga niet uit naar het veld en loop niet op de weg, want het zwaard van de vijand is er: schrik rondom.
אַל
(al)
niet
תֵּֽצְאוּ֙
(tetseu)
ga uit
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
naar het veld
וּבַדֶּ֖רֶךְ
(uvaderekh)
en op de weg
אַל
(al)
niet
תֵּלֵ֑כוּ
(telekhu)
loop
כִּ֚י
(ki)
want
חֶ֣רֶב
(cherev)
zwaard van
לְאֹיֵ֔ב
(leoyev)
de vijand
מָג֖וֹר
(magor)
schrik
מִסָּבִֽיב
(misaviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het bevel staat in het meervoud: de hele bevolking wordt gewaarschuwd.

מָגוֹר מִסָּבִיב (magor missaviv), ‘schrik rondom’: een uitdrukking die Jeremia vaak gebruikt (Jer. 20:3, 20:10, 46:5, 49:29); zie ook Ps. 31:14.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is תצאי (tetsei) en תלכי (telekhi), enkelvoud; de overlevering (qere) leest meervoud: תֵּצְאוּ en תֵּלֵכוּ.

Wij volgen de lezing.

26Dochter van mijn volk, gord een zak om en rol je in de as. Rouw als om een enige zoon, houd een bittere klaagzang, want plotseling komt de verwoester over ons.
בַּת
(bat)
dochter van
עַמִּ֤י
(ami)
mijn volk
חִגְרִי
(chigri)
gord om
שָׂק֙
(saq)
zak
וְהִתְפַּלְּשִׁ֣י
(vehitpaleshi)
en rol je
בָאֵ֔פֶר
(baefer)
in de as
אֵ֤בֶל
(evel)
rouw om
יָחִיד֙
(yachid)
enige
עֲשִׂ֣י
(asi)
maak
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jou
מִסְפַּ֖ד
(mispad)
klaagzang
תַּמְרוּרִ֑ים
(tamrurim)
bitterheden
כִּ֣י
(ki)
want
פִתְאֹ֔ם
(pitom)
plotseling
יָבֹ֥א
(yavo)
komt
הַשֹּׁדֵ֖ד
(hashoded)
de verwoester
עָלֵֽינוּ
(aleinu)
over ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּת עַמִּי (bat ammi), ‘Dochter van mijn volk’: het volk wordt aangesproken als een dochter; zoals Jes. 22:4.

Het is de profeet die spreekt.

שָׂק (saq), ‘zak’: een grof rouwkleed, op het blote lichaam gedragen; zie Jes. 3:24. בָאֵפֶר (ba’efer), ‘in de as’: het gebaar van rouw.

אֵבֶל יָחִיד (evel yachid), ‘rouw als om een enige zoon’: de diepste rouw, om een kind dat de enige erfgenaam was; vergelijk Amos 8:10.

הַשֹּׁדֵד (hashoded), ‘de verwoester’: de vijand die plotseling komt.

De toetser en het verworpen zilver

27„Een toetser heb Ik je gegeven onder Mijn volk, een vesting, om hun weg te leren kennen en te toetsen.”
בָּח֛וֹן
(bachon)
toetser
נְתַתִּ֥יךָ
(netatikha)
Ik heb je gegeven
בְעַמִּ֖י
(beami)
onder Mijn volk
מִבְצָ֑ר
(mivtsar)
vesting
וְתֵדַ֕ע
(veteda)
en je zult leren kennen
וּבָחַנְתָּ֖
(uvachanta)
en je zult toetsen
אֶת
(et)
(obj.)
דַּרְכָּֽם
(darkam)
hun weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּחוֹן (bachon), ‘toetser’: iemand die metaal toetst om te zien of het zuiver is.

Jeremia moet het volk op dezelfde manier toetsen; de beelden gaan door tot en met vers 30.

מִבְצָר (mivtsar), ‘vesting’: het woord is hier onzeker. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij houden ‘een vesting’ als tweede beeld naast de toetser.

Dit vers staat rood: Yahweh spreekt in de eerste persoon tot Jeremia.

28Zij allen zijn weerspannige opstandelingen, ronddwalend als roddelaars. Koper en ijzer zijn zij. Zij allen handelen verderfelijk.
כֻּלָּם֙
(kulam)
zij allen
סָרֵ֣י
(sarei)
weerspannig van
סֽוֹרְרִ֔ים
(sorerim)
opstandigen
הֹלְכֵ֥י
(holekhei)
wandelaars van
רָכִ֖יל
(rakhil)
laster
נְחֹ֣שֶׁת
(nechoshet)
koper
וּבַרְזֶ֑ל
(uvarzel)
en ijzer
כֻּלָּ֥ם
(kulam)
zij allen
מַשְׁחִיתִ֖ים
(mashchitim)
verderven
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סָרֵי סוֹרְרִים (sarei sorerim), ‘weerspannige opstandelingen’: dezelfde stam sur/sarar, ‘afwijken, koppig zijn’.

הֹלְכֵי רָכִיל (holkhei rakhil), ‘ronddwalend als roddelaars’: wie rondgaat met laster; zie Lev. 19:16.

נְחֹשֶׁת וּבַרְזֶל (nechoshet uvarzel), ‘koper en ijzer’: onedele metalen, hard, maar zonder waarde als zilver; het beeld loopt door in vers 29–30.

Of de verzen 28–30 woorden van de profeet zijn of nog van Yahweh, is niet zeker. Wij kiezen zwart: de profeet beschrijft wat hij na het toetsen vindt.

29De blaasbalg snuift, het lood wordt door het vuur verteerd. Tevergeefs heeft de smelter gesmolten, want de slechten zijn niet losgemaakt.
נָחַ֣ר
(nachar)
brandt
מַפֻּ֔חַ
(mapuach)
blaasbalg
מֵאֵ֖שׁ
(meesh)
door het vuur
תַּ֣ם
(tam)
is verteerd
עֹפָ֑רֶת
(ofaret)
lood
לַשָּׁוְא֙
(lashave)
tevergeefs
צָרַ֣ף
(tsaraf)
smelt
צָר֔וֹף
(tsarof)
smelter
וְרָעִ֖ים
(veraim)
en slechten
לֹ֥א
(lo)
niet
נִתָּֽקוּ
(nitaqu)
zijn losgemaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws is hier moeilijk.

Het beeld is een smeltoven: de blaasbalg blaast het vuur aan, maar het lood dat bij het smelten van zilver helpt, wordt verteerd en het zilver wordt niet gezuiverd.

De slechten kunnen niet worden afgescheiden.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is מאשתם (me’ashtam), als één woord; de overlevering (qere) leest מֵאֵשׁ תַּם (me’esh tam), in twee woorden.

Wij volgen de lezing.

30Verworpen zilver noemt men hen, want Yahweh heeft hen verworpen.
כֶּ֣סֶף
(kesef)
zilver
נִמְאָ֔ס
(nimas)
verworpen
קָרְא֖וּ
(qareu)
noemen zij
לָהֶ֑ם
(lahem)
hen
כִּֽי
(ki)
want
מָאַ֥ס
(maas)
heeft verworpen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּהֶֽם
(bahem)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִמְאָס (nim’as), ‘verworpen’: het werkwoord מָאַס (ma’as) staat ook in vers 19 voor wat het volk met de wet deed.

Nu verwerpt Yahweh het volk.

Dit vers is de afsluiting van het gedeelte; het gaat over Yahweh in de derde persoon en staat zwart.