Elohim Bijbel

Jeremia 44

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Het woord aan de Judeeërs in Egypte en de koningin van de hemel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het woord aan de Judeeërs in Egypte

1Het woord dat tot Jeremia kwam voor alle Judeeërs die in het land Egypte woonden, in Migdol, in Tachpanches, in Nof en in het land Patros:
הַדָּבָר֙
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הָיָ֣ה
(haya)
was
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אֶ֚ל
(el)
voor
כָּל
(kal)
alle
הַיְּהוּדִ֔ים
(hayehudim)
Judeeërs
הַיֹּשְׁבִ֖ים
(hayoshevim)
die woonden
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
הַיֹּשְׁבִ֤ים
(hayoshevim)
die woonden
בְּמִגְדֹּל֙
(bemigdol)
in Migdol
וּבְתַחְפַּנְחֵ֣ס
(uvetachpanches)
en in Tachpanches
וּבְנֹ֔ף
(uvenof)
en in Nof
וּבְאֶ֥רֶץ
(uveerets)
en in het land van
פַּתְר֖וֹס
(patros)
Patros
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Migdol, Nof (Memfis) en Patros lagen in Egypte: Migdol in het noordoosten van de Nijldelta, Nof (Memfis) ten zuiden van het huidige Caïro en Patros in Opper-Egypte, het zuiden van het land.

Tachpanches lag in het oosten van de Nijldelta (zie 43:7).

Uitleg

הַיְּהוּדִים (hayehudim), ‘de Judeeërs’: mensen uit Juda.

De Judeeërs wonen nu in heel Egypte, van het noorden tot het zuiden.

Het hoofdstuk heeft drie delen: het woord van Yahweh (verzen 2–14), het antwoord van het volk (verzen 15–19) en Jeremia’s antwoord (verzen 20–30).

2Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: „Jullie hebben zelf al het onheil gezien dat Ik over Jeruzalem en over alle steden van Juda heb gebracht. Zie, ze zijn vandaag een ruïne en niemand woont in hen.
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
רְאִיתֶ֗ם
(reitem)
hebben gezien
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָֽרָעָה֙
(haraa)
het onheil
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
הֵבֵ֨אתִי֙
(heveti)
Ik heb gebracht
עַל
(al)
over
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְעַ֖ל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
alle
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וְהִנָּ֤ם
(vehinam)
en zie hen
חָרְבָּה֙
(charba)
een ruïne
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
בָּהֶ֖ם
(bahem)
in hen
יוֹשֵֽׁב
(yoshev)
woont
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

De woorden van Yahweh staan rood.

De aanhef ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël’ staat zwart.

הָרָעָה (ha-ra’ah), ‘het onheil’: de ramp die Yahweh over Jeruzalem bracht. Waar mensen het doen (verzen 3, 5, 9 en 22), vertalen wij ‘kwaad’; zie Jer. 1:14.

חָרְבָּה (chorbah), ‘ruïne’: zo ook in verzen 6 en 22.

3Dat is vanwege hun kwaad, dat zij deden om Mij tot toorn te prikkelen. Zij gingen wierook branden en andere goden dienen, die zij niet kenden, zij, jullie en jullie vaders.
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
vanwege
רָעָתָ֗ם
(raatam)
hun kwaad
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
עָשׂוּ֙
(asu)
zij deden
לְהַכְעִסֵ֔נִי
(lehakhiseni)
om Mij tot toorn te prikkelen
לָלֶ֣כֶת
(lalekhet)
door te gaan
לְקַטֵּ֔ר
(leqater)
om wierook te branden
לַעֲבֹ֖ד
(laavod)
om te dienen
לֵאלֹהִ֣ים
(lElohim)
goden
אֲחֵרִ֑ים
(acherim)
andere
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
לֹ֣א
(lo)
niet
יְדָע֔וּם
(yedaum)
zij kenden hen
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
וַאֲבֹתֵיכֶֽם
(vaavoteikhem)
en jullie vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְהַכְעִסֵנִי (lehakh’iseni), ‘om Mij tot toorn te prikkelen’: zoals in 2 Kon. 17:17 en 2 Kon. 21:6.

לְקַטֵּר (leqatter), ‘wierook branden’: het werkwoord קטר (qatar) betekent ‘rook laten opgaan’. In dit boek vertalen wij het met ‘wierook branden’, zoals Jer. 1:16.

אֱלֹהִים אֲחֵרִים (elohim acherim), ‘andere goden’: goden van de volken. Het woord Elohim staat hier voor de goden van de volken.

4Ik stuurde telkens weer al Mijn knechten, de profeten, naar jullie toe, met de woorden: ‘Doe toch deze gruwel niet, die Ik haat.’
וָאֶשְׁלַ֤ח
(vaeshlach)
en Ik zond
אֲלֵיכֶם֙
(aleikhem)
naar jullie
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
עֲבָדַ֣י
(avaday)
Mijn knechten
הַנְּבִיאִ֔ים
(haneviim)
de profeten
הַשְׁכֵּ֥ים
(hashkeim)
vroeg opstaand
וְשָׁלֹ֖חַ
(veshaloach)
en zendend
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
אַל
(al)
niet
נָ֣א
(na)
toch
תַעֲשׂ֗וּ
(taasu)
doe
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
דְּבַֽר
(devar)
het ding van
הַתֹּעֵבָ֥ה
(hatoeva)
de gruwel
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שָׂנֵֽאתִי
(saneti)
Ik haat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַשְׁכֵּים וְשָׁלֹחַ (hashkem veshaloach), ‘telkens weer’: letterlijk ‘vroeg opstaand en zendend’.

Het is een vaste uitdrukking voor iets dat men met veel zorg en steeds opnieuw doet.

Zie ook 2 Kron. 36:15 en Jer. 7:25.

עֲבָדַי (avadai), ‘Mijn knechten’: eved met kleine letter, want hier is het geen titel.

תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: alles wat Yahweh verafschuwt, zoals afgoderij.

5Maar zij luisterden niet. Zij neigden hun oor niet om zich van hun kwaad af te keren, zodat zij geen wierook meer zouden branden voor andere goden.
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
שָֽׁמְעוּ֙
(shameu)
zij luisterden
וְלֹא
(velo)
en niet
הִטּ֣וּ
(hitu)
zij neigden
אֶת
(et)
(obj.)
אָזְנָ֔ם
(azenam)
hun oor
לָשׁ֖וּב
(lashuv)
om terug te keren
מֵרָֽעָתָ֑ם
(meraatam)
van hun kwaad
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
om niet
קַטֵּ֖ר
(qater)
wierook te branden
לֵאלֹהִ֥ים
(lElohim)
voor goden
אֲחֵרִֽים
(acherim)
andere
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Toen werd Mijn woede en Mijn toorn uitgegoten. Zij brandde in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem. Zij werden een ruïne en een woestenij, zoals het vandaag is.”
וַתִּתַּ֤ךְ
(vatitakh)
en werd uitgegoten
חֲמָתִי֙
(chamati)
Mijn woede
וְאַפִּ֔י
(veapi)
en Mijn toorn
וַתִּבְעַר֙
(vativar)
en het brandde
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in de steden van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וּבְחֻצ֖וֹת
(uvechutsot)
en in de straten van
יְרֽוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וַתִּהְיֶ֛ינָה
(vatihyeina)
en zij werden
לְחָרְבָּ֥ה
(lecharba)
tot een ruïne
לִשְׁמָמָ֖ה
(lishmama)
tot een woestenij
כַּיּ֥וֹם
(kayom)
zoals de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

חֲמָתִי וְאַפִּי (chamati ve’appi), ‘Mijn woede en Mijn toorn’: zoals in 42:18 (daar in andere volgorde).

Het werkwoord ‘brandde’ staat in het vrouwelijk: ‘Zij brandde’, de woede. Het gaat om de verwoesting van Jeruzalem in 587 v.Chr.

Waarom doen jullie jezelf dit aan?

7Nu dan, zo zegt Yahweh, de Elohim van de legermachten, de Elohim van Israël: „Waarom doen jullie jezelf zo’n groot kwaad aan? Zo roeien jullie man en vrouw, kind en zuigeling uit het midden van Juda uit, en houden jullie geen overgeblevenen over.
וְעַתָּ֡ה
(veata)
en nu
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָה֩
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
Elohim
צְבָא֜וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
לָמָה֩
(lama)
waarom
אַתֶּ֨ם
(atem)
jullie
עֹשִׂ֜ים
(osim)
doen
רָעָ֤ה
(raa)
kwaad
גְדוֹלָה֙
(gedola)
groot
אֶל
(el)
tegen
נַפְשֹׁ֣תֵכֶ֔ם
(nafshotekhem)
jullie levens
לְהַכְרִ֨ית
(lehakhrit)
om uit te roeien
לָכֶ֧ם
(lakhem)
voor jullie
אִישׁ
(ish)
man
וְאִשָּׁ֛ה
(veisha)
en vrouw
עוֹלֵ֥ל
(olel)
kind
וְיוֹנֵ֖ק
(veyoneq)
en zuigeling
מִתּ֣וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
לְבִלְתִּ֛י
(levilti)
zodat niet
הוֹתִ֥יר
(hotir)
overblijft
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
שְׁאֵרִֽית
(sheerit)
overgeblevenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עוֹלֵל (olel), ‘kind’, en יוֹנֵק (yoneq), ‘zuigeling’: een kind dat al speelt en een kind dat nog gezoogd wordt.

Het zijn de zwaksten.

Het paar staat ook in 1 Sam. 15:3.

לְהַכְרִית (lehakhrit), ‘uit te roeien’: letterlijk ‘af te snijden’.

שְׁאֵרִית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: zie 40:11.

8Jullie prikkelen Mij tot toorn met het werk van jullie handen. Jullie branden wierook voor andere goden in het land Egypte, waarheen jullie gekomen zijn om te wonen. Zo worden jullie uitgeroeid en worden jullie een vloek en een smaad onder alle volken van de aarde.
לְהַכְעִסֵ֨נִי֙
(lehakhiseni)
om Mij tot toorn te prikkelen
בְּמַעֲשֵׂ֣י
(bemaasei)
met de werken van
יְדֵיכֶ֔ם
(yedeikhem)
jullie handen
לְקַטֵּ֞ר
(leqater)
door wierook te branden
לֵאלֹהִ֤ים
(lElohim)
voor goden
אֲחֵרִים֙
(acherim)
andere
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֲשֶׁר
(asher)
waarheen
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
בָּאִ֖ים
(baim)
komen
לָג֣וּר
(lagur)
om te wonen
שָׁ֑ם
(sham)
daar
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
opdat
הַכְרִ֣ית
(hakhrit)
uitgeroeid worden
לָכֶ֔ם
(lakhem)
jullie
וּלְמַ֤עַן
(ulemaan)
en opdat
הֱיֽוֹתְכֶם֙
(heyotekhem)
jullie zijn
לִקְלָלָ֣ה
(liqlala)
tot een vloek
וּלְחֶרְפָּ֔ה
(ulecherpa)
en tot smaad
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
onder alle
גּוֹיֵ֥י
(goyei)
volken van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

בְּמַעֲשֵׂי יְדֵיכֶם (bema’asei yedekhem), ‘met het werk van jullie handen’: afgodsbeelden, die mensen met hun handen maken.

Zo ook Jer. 1:16 en 25:6–7.

9Zijn jullie het kwaad van jullie vaders vergeten? Het kwaad van de koningen van Juda en van zijn vrouwen, jullie eigen kwaad en het kwaad van jullie vrouwen, dat zij deden in het land Juda en in de straten van Jeruzalem?
הַֽשְׁכַחְתֶּם֩
(hashkhachtem)
zijn jullie vergeten
אֶת
(et)
(obj.)
רָע֨וֹת
(raot)
het kwaad van
אֲבוֹתֵיכֶ֜ם
(avoteikhem)
jullie vaders
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רָע֣וֹת
(raot)
het kwaad van
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
רָע֣וֹת
(raot)
het kwaad van
נָשָׁ֔יו
(nashav)
zijn vrouwen
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
רָעֹ֣תֵכֶ֔ם
(raotekhem)
jullie kwaad
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
רָעֹ֣ת
(raot)
het kwaad van
נְשֵׁיכֶ֑ם
(nesheikhem)
jullie vrouwen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
עָשׂוּ֙
(asu)
zij deden
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וּבְחֻצ֖וֹת
(uvechutsot)
en in de straten van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

רָעוֹת (ra’ot), ‘het kwaad’: het meervoud van het woord ‘kwaad’; wij vertalen het in dit vers met ‘het kwaad’ voor alle vijf de keren dat het voorkomt.

Lezing

Het Hebreeuws heeft hier נָשָׁיו (nashav), ‘zijn vrouwen’: dat is van ‘de koning’ of van elke koning.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

Wij volgen de Masoretische tekst.

10Tot op deze dag zijn zij niet vernederd. Zij hebben niet gevreesd en zijn niet gegaan in Mijn wet en in Mijn voorschriften, die Ik jullie en jullie vaders heb voorgelegd.”
לֹ֣א
(lo)
niet
דֻכְּא֔וּ
(dukeu)
zijn zij vernederd
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָרְא֗וּ
(yareu)
zij hebben gevreesd
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הָלְכ֤וּ
(halekhu)
zij zijn gegaan
בְתֽוֹרָתִי֙
(betorati)
in Mijn wet
וּבְחֻקֹּתַ֔י
(uvechuqotay)
en in Mijn voorschriften
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֥תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
לִפְנֵיכֶ֖ם
(lifneikhem)
voor jullie
וְלִפְנֵ֥י
(velifnei)
en voor
אֲבוֹתֵיכֶֽם
(avoteikhem)
jullie vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דֻכְּאוּ (dukke’u), ‘zijn vernederd’: letterlijk ‘zijn vermorzeld’.

Het kan betekenen dat zij zich niet hebben vernederd of dat zij niet berouw hebben getoond.

יָרְאוּ (yare’u), ‘zij hebben gevreesd’: het voorwerp ‘Mij’ staat er niet bij. Het gaat om ontzag voor Yahweh.

תּוֹרָתִי (torati), ‘Mijn wet’, en חֻקֹּתַי (chuqqotai), ‘Mijn voorschriften’.

Het oordeel over de overgeblevenen in Egypte

11Daarom, zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: „Zie, Ik richt Mijn aangezicht tegen jullie ten kwade, om heel Juda uit te roeien.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Mij
שָׂ֥ם
(sam)
richtend
פָּנַ֛י
(panay)
Mijn aangezicht
בָּכֶ֖ם
(bakhem)
tegen jullie
לְרָעָ֑ה
(leraa)
ten kwade
וּלְהַכְרִ֖ית
(ulehakhrit)
en om uit te roeien
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂם פָּנַי (sam panai), ‘Ik richt Mijn aangezicht’: Yahweh keert Zich tegen hen.

Zo ook Lev. 17:10 en 20:3, 5.

12Ik zal de overgeblevenen van Juda nemen, die hun gezicht hebben gericht om naar het land Egypte te komen en daar te wonen. Zij zullen allen omkomen in het land Egypte. Zij zullen vallen door het zwaard. Door de honger zullen zij omkomen, van klein tot groot. Door het zwaard en door de honger zullen zij sterven. Zij zullen een vervloeking, een ontzetting, een vloek en een smaad worden.
וְלָקַחְתִּ֞י
(velaqachti)
en Ik zal nemen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁאֵרִ֣ית
(sheerit)
overgeblevenen van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׂ֨מוּ
(samu)
hebben gericht
פְנֵיהֶ֜ם
(peneihem)
hun gezicht
לָב֣וֹא
(lavo)
om te komen
אֶֽרֶץ
(erets)
naar het land van
מִצְרַיִם֮
(mitsrayim)
Egypte
לָג֣וּר
(lagur)
om te wonen
שָׁם֒
(sham)
daar
וְתַ֨מּוּ
(vetamu)
en zij zullen omkomen
כֹ֜ל
(kol)
allen
בְּאֶ֧רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרַ֣יִם
(mitsrayim)
Egypte
יִפֹּ֗לוּ
(yipolu)
zij zullen vallen
בַּחֶ֤רֶב
(bacherev)
door het zwaard
בָּֽרָעָב֙
(baraav)
door de honger
יִתַּ֔מּוּ
(yitamu)
zij zullen omkomen
מִקָּטֹן֙
(miqaton)
van klein
וְעַד
(vead)
en tot
גָּד֔וֹל
(gadol)
groot
בַּחֶ֥רֶב
(bacherev)
door het zwaard
וּבָרָעָ֖ב
(uvaraav)
en door de honger
יָמֻ֑תוּ
(yamutu)
zij zullen sterven
וְהָיוּ֙
(vehayu)
en zij zullen worden
לְאָלָ֣ה
(leala)
tot een vervloeking
לְשַׁמָּ֔ה
(leshama)
tot ontzetting
וְלִקְלָלָ֖ה
(veliqlala)
en tot een vloek
וּלְחֶרְפָּֽה
(ulecherpa)
en tot smaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אָלָה (alah), ‘vervloeking’; שַׁמָּה (shammah), ‘ontzetting’; קְלָלָה (qelalah), ‘vloek’; חֶרְפָּה (cherpah), ‘smaad’: zie 42:18.

וְתַמּוּ (vetammu), ‘zij zullen omkomen’, en יִתַּמּוּ (yittammu): het werkwoord תמם (tamam) betekent ‘ten einde komen, opgebruikt worden’.

13Ik zal hen straffen die in het land Egypte wonen, zoals Ik Jeruzalem gestraft heb: met het zwaard, met de honger en met de pest.
וּפָקַדְתִּ֗י
(ufaqadti)
en Ik zal straffen
עַ֤ל
(al)
over
הַיּֽוֹשְׁבִים֙
(hayoshevim)
de inwoners
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
van het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
פָּקַ֖דְתִּי
(paqadti)
Ik heb gestraft
עַל
(al)
over
יְרֽוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
בַּחֶ֥רֶב
(bacherev)
met het zwaard
בָּרָעָ֖ב
(baraav)
met de honger
וּבַדָּֽבֶר
(uvadaver)
en met de pest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וּפָקַדְתִּי (ufaqadti), ‘Ik zal straffen’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken’, hier met straf als gevolg.

Zo ook vers 29.

14Er zal geen ontkomene of overlevende zijn voor de overgeblevenen van Juda, die in het land Egypte zijn gekomen om daar te wonen. Zij verlangen ernaar terug te keren naar het land Juda, om daar weer te wonen. Maar zij zullen niet terugkeren, behalve enkele ontkomenen.”
וְלֹ֨א
(velo)
en niet
יִהְיֶ֜ה
(yihye)
zal zijn
פָּלִ֤יט
(palit)
ontkomene
וְשָׂרִיד֙
(vesarid)
en overlevende
לִשְׁאֵרִ֣ית
(lisherit)
voor de overgeblevenen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
הַבָּאִ֥ים
(habaim)
die komen
לָגֽוּר
(lagur)
om te wonen
שָׁ֖ם
(sham)
daar
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְלָשׁ֣וּב
(velashuv)
en om terug te keren
אֶ֣רֶץ
(erets)
naar het land van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
אֲשֶׁר
(asher)
waarnaar
הֵ֜מָּה
(hema)
zij
מְנַשְּׂאִ֤ים
(menaseim)
verlangen
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשָׁם֙
(nafsham)
hun ziel
לָשׁוּב֙
(lashuv)
om terug te keren
לָשֶׁ֣בֶת
(lashevet)
om te wonen
שָׁ֔ם
(sham)
daar
כִּ֥י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
יָשׁ֖וּבוּ
(yashuvu)
zullen zij terugkeren
כִּ֥י
(ki)
behalve
אִם
(im)
als
פְּלֵטִֽים
(peletim)
ontkomenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

פָּלִיט (palit), ‘ontkomene’, en שָׂרִיד (sarid), ‘overlevende’: zie 42:17, waar het paar in omgekeerde volgorde staat.

מְנַשְּׂאִים אֶת נַפְשָׁם (messe’im et nafsham), ‘zij verlangen’: letterlijk ‘zij tillen hun ziel op’. Zo ook Deut. 24:15 en Hos. 4:8.

פְּלֵטִים (peletim), ‘ontkomenen’: een kleine groep die ontsnapt.

Het antwoord van het volk

15Alle mannen die wisten dat hun vrouwen wierook brandden voor andere goden, alle vrouwen die daar stonden, een grote vergadering, en heel het volk dat in het land Egypte woonde, in Patros, antwoordden Jeremia:
וַיַּעֲנ֣וּ
(vayaanu)
en zij antwoordden
אֶֽת
(et)
(obj.)
יִרְמְיָ֗הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
כָּל
(kal)
alle
הָאֲנָשִׁ֤ים
(haanashim)
mannen
הַיֹּֽדְעִים֙
(hayodeim)
die wisten
כִּֽי
(ki)
dat
מְקַטְּר֤וֹת
(meqaterot)
wierook brandden
נְשֵׁיהֶם֙
(nesheihem)
hun vrouwen
לֵאלֹהִ֣ים
(lElohim)
voor goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַנָּשִׁ֥ים
(hanashim)
vrouwen
הָעֹמְד֖וֹת
(haomedot)
die stonden
קָהָ֣ל
(qahal)
vergadering
גָּד֑וֹל
(gadol)
grote
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
הַיֹּשְׁבִ֥ים
(hayoshevim)
dat woonde
בְּאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
בְּפַתְר֥וֹס
(befatros)
in Patros
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Patros (Opper-Egypte): Patros is Opper-Egypte, het zuiden van Egypte langs de Nijl, ten zuiden van de delta.

De grenzen zijn niet scherp te trekken.

Uitleg

קָהָל גָּדוֹל (qahal gadol), ‘een grote vergadering’: een grote menigte, hier de mannen en vrouwen bijeen.

De woorden van de mannen en de vrouwen staan zwart.

Patros ligt in Opper-Egypte (zie vers 1).

16„Wat het woord betreft dat je in de naam van Yahweh tot ons hebt gesproken: wij luisteren niet naar je.
הַדָּבָ֛ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
דִּבַּ֥רְתָּ
(dibarta)
je hebt gesproken
אֵלֵ֖ינוּ
(eleinu)
tot ons
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
in de naam van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵינֶ֥נּוּ
(einenu)
niet
שֹׁמְעִ֖ים
(shomeim)
luisterend
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
naar jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Nee, wij zullen zeker alles doen wat uit onze mond is gekomen: wierook branden voor de koningin van de hemel en plengoffers voor haar uitgieten. Dat hebben wij gedaan, wij en onze vaders, onze koningen en onze oversten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem. Toen werden wij verzadigd met brood, het ging ons goed en wij zagen geen onheil.
כִּ֩י
(ki)
want
עָשֹׂ֨ה
(aso)
doen
נַעֲשֶׂ֜ה
(naase)
wij zullen doen
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יָצָ֣א
(yatsa)
is uitgegaan
מִפִּ֗ינוּ
(mipinu)
uit onze mond
לְקַטֵּ֞ר
(leqater)
om wierook te branden
לִמְלֶ֣כֶת
(limlekhet)
voor de koningin van
הַשָּׁמַיִם֮
(hashamayim)
de hemel
וְהַסֵּֽיךְ
(vehaseikh)
en om uit te gieten
לָ֣הּ
(lah)
voor haar
נְסָכִים֒
(nesakhim)
plengoffers
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
עָשִׂ֜ינוּ
(asinu)
wij hebben gedaan
אֲנַ֤חְנוּ
(anachnu)
wij
וַאֲבֹתֵ֨ינוּ֙
(vaavoteinu)
en onze vaders
מְלָכֵ֣ינוּ
(melakheinu)
onze koningen
וְשָׂרֵ֔ינוּ
(vesareinu)
en onze oversten
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in de steden van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וּבְחֻצ֖וֹת
(uvechutsot)
en in de straten van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וַנִּֽשְׂבַּֽע
(vanisba)
en wij werden verzadigd
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
met brood
וַנִּֽהְיֶ֣ה
(vanihye)
en het ging ons
טוֹבִ֔ים
(tovim)
goed
וְרָעָ֖ה
(veraa)
en onheil
לֹ֥א
(lo)
niet
רָאִֽינוּ
(rainu)
wij zagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מְלֶכֶת הַשָּׁמַיִם (meleket hashamayim), ‘de koningin van de hemel’: een godin die de tekst niet bij naam noemt.

Zij wordt vaak verbonden met een vruchtbaarheidsgodin van het Nabije Oosten; zeker is dat niet.

Zie ook Jer. 7:18, waar koeken voor haar worden gemaakt.

נְסָכִים (nesakhim), ‘plengoffers’: drankoffers die men uitgoot.

הֶעֱשֹׂה נַעֲשֶׂה (aso na’aseh), ‘wij zullen zeker doen’: het werkwoord wordt herhaald voor nadruk.

וַנִּשְׂבַּע לֶחֶם (vannisba lechem), ‘en wij werden verzadigd met brood’: wij hadden genoeg te eten.

18Maar sinds wij zijn opgehouden wierook te branden voor de koningin van de hemel en plengoffers voor haar uit te gieten, hebben wij aan alles gebrek gehad. Wij zijn omgekomen door het zwaard en door de honger.
וּמִן
(umin)
en sinds
אָ֡ז
(az)
toen
חָדַ֜לְנוּ
(chadalnu)
wij zijn opgehouden
לְקַטֵּ֨ר
(leqater)
met wierook branden
לִמְלֶ֧כֶת
(limlekhet)
voor de koningin van
הַשָּׁמַ֛יִם
(hashamayim)
de hemel
וְהַסֵּֽךְ
(vehasekh)
en met uitgieten
לָ֥הּ
(lah)
voor haar
נְסָכִ֖ים
(nesakhim)
plengoffers
חָסַ֣רְנוּ
(chasarnu)
hebben wij gebrek gehad
כֹ֑ל
(kol)
aan alles
וּבַחֶ֥רֶב
(uvacherev)
en door het zwaard
וּבָרָעָ֖ב
(uvaraav)
en door de honger
תָּֽמְנוּ
(tamenu)
zijn wij omgekomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָסַרְנוּ כֹל (chasarnu kol), ‘wij hebben aan alles gebrek gehad’: letterlijk ‘wij misten alles’.

Het volk schrijft de rampen toe aan het stoppen met de dienst aan de koningin van de hemel.

De tekst stelt dit als hun mening.

19En wanneer wij wierook branden voor de koningin van de hemel en plengoffers voor haar uitgieten: is het zonder onze mannen dat wij voor haar koeken maken om haar af te beelden en plengoffers voor haar uitgieten?”
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
אֲנַ֤חְנוּ
(anachnu)
wij
מְקַטְּרִים֙
(meqaterim)
wierook branden
לִמְלֶ֣כֶת
(limlekhet)
voor de koningin van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וּלְהַסֵּ֥ךְ
(ulehasekh)
en uitgieten
לָ֖הּ
(lah)
voor haar
נְסָכִ֑ים
(nesakhim)
plengoffers
הֲמִֽבַּלְעֲדֵ֣י
(hamibaladei)
is het zonder
אֲנָשֵׁ֗ינוּ
(anasheinu)
onze mannen
עָשִׂ֨ינוּ
(asinu)
dat wij maakten
לָ֤הּ
(lah)
voor haar
כַּוָּנִים֙
(kavanim)
koeken
לְהַ֣עֲצִבָ֔ה
(lehaatsiva)
om haar af te beelden
וְהַסֵּ֥ךְ
(vehasekh)
en uitgieten
לָ֖הּ
(lah)
voor haar
נְסָכִֽים
(nesakhim)
plengoffers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Waarschijnlijk spreken hier de vrouwen: zij zeggen ‘onze mannen’.

Het Hebreeuws geeft de sprekers niet apart aan; wij laten het bij het antwoord van het volk.

כַּוָּנִים (kavvanim), ‘koeken’: een offerbrood voor de godin. Het woord komt ook voor in Jer. 7:18.

לְהַעֲצִבָה (leha’atsivah), ‘om haar af te beelden’: het werkwoord kan ‘een beeld van haar maken’ betekenen, maar de vorm is moeilijk; het kan ook ‘haar te kwetsen’ zijn. Wij nemen het eerste aan.

הֲמִבַּלְעֲדֵי (hamibbal’adei), ‘is het zonder’: een retorische vraag; zonder dat hun mannen het weten of toestaan.

Jeremia antwoordt het volk

20Jeremia zei tegen heel het volk, tegen de mannen en de vrouwen en tegen heel het volk dat hem dit antwoord had gegeven:
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
עַל
(al)
over
הַגְּבָרִ֤ים
(hagevarim)
de mannen
וְעַל
(veal)
en over
הַנָּשִׁים֙
(hanashim)
de vrouwen
וְעַל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
הָעֹנִ֥ים
(haonim)
dat antwoordde
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
דָּבָ֖ר
(davar)
een antwoord
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21„Het wierookbranden dat jullie hebben gedaan in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem, jullie, jullie vaders, jullie koningen, jullie oversten en het volk van het land: heeft Yahweh dat niet herdacht? Is het niet in Zijn hart opgekomen?
הֲל֣וֹא
(halo)
is het niet
אֶת
(et)
(obj.)
הַקִּטֵּ֗ר
(haqiter)
het wierookbranden
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
קִטַּרְתֶּ֜ם
(qitartem)
jullie hebben gebrand
בְּעָרֵ֤י
(bearei)
in de steden van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וּבְחֻצ֣וֹת
(uvechutsot)
en in de straten van
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
אַתֶּ֧ם
(atem)
jullie
וַאֲבֽוֹתֵיכֶ֛ם
(vaavoteikhem)
en jullie vaders
מַלְכֵיכֶ֥ם
(malkheikhem)
jullie koningen
וְשָׂרֵיכֶ֖ם
(vesareikhem)
en jullie oversten
וְעַ֣ם
(veam)
en het volk van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
אֹתָם֙
(otam)
het
זָכַ֣ר
(zakhar)
heeft herdacht
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַֽתַּעֲלֶ֖ה
(vataale)
en het kwam op
עַל
(al)
in
לִבּֽוֹ
(libo)
Zijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Jeremia’s antwoord staat zwart; Yahweh wordt in de derde persoon genoemd.

זָכַר יְהוָה וַתַּעֲלֶה עַל לִבּוֹ (zakhar Yahweh vata’aleh al libbo), ‘Yahweh heeft het herdacht en het is in Zijn hart opgekomen’: zo ook Jer. 3:16 en 7:31.

22Yahweh kon het niet langer verdragen, vanwege het kwaad van jullie daden en vanwege de gruwelen die jullie hebben gedaan. Zo is jullie land een ruïne, een ontzetting en een vloek geworden, zonder inwoner, zoals het vandaag is.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יוּכַל֩
(yukhal)
kon
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
ע֜וֹד
(od)
langer
לָשֵׂ֗את
(laset)
verdragen
מִפְּנֵי֙
(mipenei)
vanwege
רֹ֣עַ
(roa)
het kwaad van
מַעַלְלֵיכֶ֔ם
(maalleikhem)
jullie daden
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
vanwege
הַתּוֹעֵבֹ֖ת
(hatoevot)
de gruwelen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עֲשִׂיתֶ֑ם
(asitem)
jullie hebben gedaan
וַתְּהִ֣י
(vatehi)
en werd
אַ֠רְצְכֶם
(artsekhem)
jullie land
לְחָרְבָּ֨ה
(lecharba)
tot een ruïne
וּלְשַׁמָּ֧ה
(uleshama)
en tot ontzetting
וְלִקְלָלָ֛ה
(veliqlala)
en tot een vloek
מֵאֵ֥ין
(meein)
zonder
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
inwoner
כְּהַיּ֥וֹם
(kehayom)
zoals de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹא יוּכַל יְהוָה עוֹד לָשֵׂאת (lo yukhal Yahweh od laset), ‘Yahweh kon het niet langer verdragen’: letterlijk ‘dragen’.

Het werkwoord נָשָׂא (nasa) betekent hier ‘verdragen’.

מַעַלְלֵיכֶם (ma’allelekhem), ‘jullie daden’: wat zij deden, in slechte zin.

23Omdat jullie wierook hebben gebrand en tegen Yahweh hebben gezondigd, en niet naar de stem van Yahweh hebben geluisterd; omdat jullie niet in Zijn wet, Zijn voorschriften en Zijn getuigenissen zijn gegaan: daarom heeft dit onheil jullie getroffen, zoals het vandaag is.”
מִפְּנֵי֩
(mipenei)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
קִטַּרְתֶּ֜ם
(qitartem)
jullie hebben gebrand
וַאֲשֶׁ֧ר
(vaasher)
en dat
חֲטָאתֶ֣ם
(chatatem)
jullie hebben gezondigd
לַיהוָ֗ה
(laYahweh)
tegen Yahweh
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
שְׁמַעְתֶּם֙
(shematem)
jullie hebben geluisterd
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבְתֹרָת֧וֹ
(uvetorato)
en in Zijn wet
וּבְחֻקֹּתָ֛יו
(uvechuqotav)
en in Zijn voorschriften
וּבְעֵדְוֺתָ֖יו
(uveedevotav)
en in Zijn getuigenissen
לֹ֣א
(lo)
niet
הֲלַכְתֶּ֑ם
(halakhtem)
jullie zijn gegaan
עַל
(al)
daarom
כֵּ֞ן
(ken)
zo
קָרָ֥את
(qarat)
heeft getroffen
אֶתְכֶ֛ם
(etkhem)
jullie
הָרָעָ֥ה
(haraa)
het onheil
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
כַּיּ֥וֹם
(kayom)
zoals de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵדוֹת (edot), ‘getuigenissen’: de geboden die getuigen van het verbond.

Het woord staat in de rij ‘wet, voorschriften, getuigenissen’ (zie Deut. 4:45; 6:17, 20).

קָרָאת (qara’t), ‘heeft getroffen’: het werkwoord קָרָה (qarah) betekent ‘overkomen, treffen’.

24Jeremia zei tegen heel het volk en tegen alle vrouwen: Hoor het woord van Yahweh, heel Juda dat in het land Egypte is.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יִרְמְיָ֨הוּ֙
(yirmeyahu)
Jeremia
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וְאֶ֖ל
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
alle
הַנָּשִׁ֑ים
(hanashim)
vrouwen
שִׁמְעוּ֙
(shimu)
hoort
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כָּל
(kal)
heel
יְהוּדָ֕ה
(yehuda)
Juda
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

De geloften aan de koningin van de hemel

25Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: „Jullie en jullie vrouwen hebben met jullie mond gesproken en met jullie handen volbracht. Jullie zeiden: ‘Wij zullen zeker onze geloften nakomen. Die hebben wij gedaan om wierook te branden voor de koningin van de hemel en plengoffers voor haar uit te gieten.’ Jullie zullen jullie geloften zeker bevestigen. Jullie zullen jullie geloften zeker uitvoeren.”
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֩
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
אַתֶּ֨ם
(atem)
jullie
וּנְשֵׁיכֶ֜ם
(unesheikhem)
en jullie vrouwen
וַתְּדַבֵּ֣רְנָה
(vatedaberena)
hebben gesproken
בְּפִיכֶם֮
(befikhem)
met jullie mond
וּבִידֵיכֶ֣ם
(uvideikhem)
en met jullie handen
מִלֵּאתֶ֣ם
(miletem)
hebben volbracht
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggend
עָשֹׂ֨ה
(aso)
doen
נַעֲשֶׂ֜ה
(naase)
wij zullen doen
אֶת
(et)
(obj.)
נְדָרֵ֗ינוּ
(nedareinu)
onze geloften
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נָדַ֨רְנוּ֙
(nadarnu)
wij hebben gedaan
לְקַטֵּר֙
(leqater)
om wierook te branden
לִמְלֶ֣כֶת
(limlekhet)
voor de koningin van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וּלְהַסֵּ֥ךְ
(ulehasekh)
en om uit te gieten
לָ֖הּ
(lah)
voor haar
נְסָכִ֑ים
(nesakhim)
plengoffers
הָקֵ֤ים
(haqeim)
bevestigen
תָּקִ֨ימְנָה֙
(taqimena)
jullie zullen bevestigen
אֶת
(et)
(obj.)
נִדְרֵיכֶ֔ם
(nidreikhem)
jullie geloften
וְעָשֹׂ֥ה
(veaso)
en uitvoeren
תַעֲשֶׂ֖ינָה
(taaseina)
jullie zullen uitvoeren
אֶת
(et)
(obj.)
נִדְרֵיכֶֽם
(nidreikhem)
jullie geloften
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is Yahweh’s antwoord op de woorden van het volk in vers 17–19.

De zin ‘Wij zullen zeker onze geloften nakomen’ is een citaat van wat zij zelf zeiden (vers 17).

De slotzinnen kunnen een vaststelling of een ironische opdracht zijn.

Wij vertalen ze als vaststelling.

אֶת נְדָרֵינוּ (et nedarenu), ‘onze geloften’: de beloften die zij aan de koningin van de hemel hadden gedaan.

26Daarom, hoor het woord van Yahweh, heel Juda dat in het land Egypte woont: „Zie, Ik zweer bij Mijn grote naam, zegt Yahweh. Nooit meer zal Mijn naam worden genoemd in de mond van enige man van Juda, in heel het land Egypte. Niemand zal zeggen: ‘Zo waar Heer Yahweh leeft.’
לָכֵן֙
(lakhen)
daarom
שִׁמְע֣וּ
(shimu)
hoort
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כָּל
(kal)
heel
יְהוּדָ֕ה
(yehuda)
Juda
הַיֹּשְׁבִ֖ים
(hayoshevim)
die wonen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Mij
נִשְׁבַּ֜עְתִּי
(nishbati)
ik heb gezworen
בִּשְׁמִ֤י
(bishmi)
bij Mijn naam
הַגָּדוֹל֙
(hagadol)
de grote
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
als
יִהְיֶה֩
(yihye)
zal zijn
ע֨וֹד
(od)
nog
שְׁמִ֜י
(shemi)
Mijn naam
נִקְרָ֣א
(niqra)
genoemd
בְּפִ֣י
(befi)
in de mond van
כָּל
(kal)
elke
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
אֹמֵ֛ר
(omer)
zeggend
חַי
(chay)
zo waar leeft
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Eed van Yahweh bij Zijn eigen naam.

Zie ook Jer. 22:5 en 49:13.

אִם יִהְיֶה עוֹד (im yihyeh od), ‘nooit meer zal er’: een eedformule; het Hebreeuws zegt letterlijk ‘als er nog … zal zijn’. Het betekent een sterke ontkenning.

חַי אֲדֹנָי יְהוִה (chai Adonai Yahweh), ‘zo waar Heer Yahweh leeft’ (‘Heer Yahweh’: zie Jer. 1:6): een vaste eedformule. Zij zullen niet meer in de naam van Yahweh zweren.

27Zie, Ik waak over hen ten kwade en niet ten goede. Alle mannen van Juda die in het land Egypte zijn, zullen omkomen door het zwaard en door de honger, tot zij een einde hebben.
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Mij
שֹׁקֵ֧ד
(shoqed)
wakend
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
over hen
לְרָעָ֖ה
(leraa)
ten kwade
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
לְטוֹבָ֑ה
(letova)
ten goede
וְתַמּוּ֩
(vetamu)
en zij zullen omkomen
כָל
(kal)
alle
אִ֨ישׁ
(ish)
man van
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
בְּאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרַ֛יִם
(mitsrayim)
Egypte
בַּחֶ֥רֶב
(bacherev)
door het zwaard
וּבָרָעָ֖ב
(uvaraav)
en door de honger
עַד
(ad)
tot
כְּלוֹתָֽם
(kelotam)
hun einde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

שֹׁקֵד (shoqed), ‘waakt’: Yahweh waakt over hen om onheil te brengen.

Hetzelfde werkwoord staat in Jer. 1:12 en 31:28 voor ‘waken’ over het woord om het uit te voeren.

28Alleen enkele mannen, ontkomenen aan het zwaard, zullen uit het land Egypte terugkeren naar het land Juda, een klein aantal. Dan zullen alle overgeblevenen van Juda, die naar het land Egypte zijn gekomen om daar te wonen, weten wiens woord standhoudt: het Mijne of het hunne.
וּפְלִיטֵ֨י
(ufelitei)
en ontkomenen van
חֶ֜רֶב
(cherev)
het zwaard
יְשֻׁב֨וּן
(yeshuvun)
zullen terugkeren
מִן
(min)
uit
אֶ֧רֶץ
(erets)
het land van
מִצְרַ֛יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֶ֥רֶץ
(erets)
naar het land van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
מְתֵ֣י
(metei)
mannen van
מִסְפָּ֑ר
(mispar)
aantal
וְֽיָדְע֞וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כָּל
(kal)
alle
שְׁאֵרִ֣ית
(sheerit)
overgeblevenen van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
הַבָּאִ֤ים
(habaim)
die komen
לְאֶֽרֶץ
(leerets)
naar het land van
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
לָג֣וּר
(lagur)
om te wonen
שָׁ֔ם
(sham)
daar
דְּבַר
(devar)
het woord van
מִ֥י
(mi)
wie
יָק֖וּם
(yaqum)
zal standhouden
מִמֶּ֥נִּי
(mimeni)
van Mij
וּמֵהֶֽם
(umehem)
en van hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

מְתֵי מִסְפָּר (metei mispar), ‘mannen van aantal’: een klein aantal, zo weinig dat men ze kan tellen.

דְּבַר מִי יָקוּם (devar mi yaqum), ‘wiens woord zal standhouden’: Mijn woord of dat van de overgeblevenen die in Egypte zijn gaan wonen.

29Dit is voor jullie het teken, godsspraak van Yahweh, dat Ik jullie op deze plaats straf. Zodat jullie weten dat Mijn woorden over jullie ten kwade zeker standhouden.”
וְזֹאת
(vezot)
en dit
לָכֶ֤ם
(lakhem)
voor jullie
הָאוֹת֙
(haot)
het teken
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
dat
פֹקֵ֥ד
(poqed)
straffend
אֲנִ֛י
(ani)
Ik
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
over jullie
בַּמָּק֣וֹם
(bamaqom)
op de plaats
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
opdat
תֵּֽדְע֔וּ
(tedeu)
jullie weten
כִּי֩
(ki)
dat
ק֨וֹם
(qom)
standhouden
יָק֧וּמוּ
(yaqumu)
zullen standhouden
דְבָרַ֛י
(devaray)
Mijn woorden
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
over jullie
לְרָעָֽה
(leraa)
ten kwade
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאוֹת (ha’ot), ‘het teken’: een teken dat de woorden van Yahweh uitkomen.

Zie het teken in vers 30.

Het teken: Farao Hofra

30Zo zegt Yahweh: „Zie, Ik geef farao Hofra, de koning van Egypte, in de hand van zijn vijanden en in de hand van wie zijn leven zoeken. Zo heb Ik ook Zedekia, de koning van Juda, gegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, zijn vijand die zijn leven zocht.”
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Mij
נֹ֠תֵן
(noten)
gevend
אֶת
(et)
(obj.)
פַּרְעֹ֨ה
(paro)
farao
חָפְרַ֤ע
(chafera)
Hofra
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
אֹֽיְבָ֔יו
(oyevav)
zijn vijanden
וּבְיַ֖ד
(uveyad)
en in de hand van
מְבַקְשֵׁ֣י
(mevaqshei)
hen die zoeken
נַפְשׁ֑וֹ
(nafsho)
zijn leven
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
נָתַ֜תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
צִדְקִיָּ֣הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
בְּיַ֨ד
(beyad)
in de hand van
נְבוּכַדְרֶאצַּ֧ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֛ל
(bavel)
Babel
אֹיְב֖וֹ
(oyevo)
zijn vijand
וּמְבַקֵּ֥שׁ
(umevaqesh)
en die zoekt
נַפְשֽׁוֹ
(nafsho)
zijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

חָפְרַע (Chofra), ‘Hofra’: Farao Hofra (Grieks Apries) regeerde Egypte volgens de gangbare datering ongeveer van 589 tot 570 v.Chr.

Zie ook Jer. 37:5, waar het leger van de farao wordt genoemd.

Hij wordt in de hand van zijn vijanden gegeven, zoals Zedekia in de hand van Nebukadnezar (Jer. 39:5–7).