Open in de app Alle boeken Spreuken ← 23 25 → Spreuken 24 Woorden van de wijzen: wijsheid, rechtvaardigheid en het veld van de luiaard
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Wees niet jaloers op de goddelozen 1 Wees niet jaloers op mannen van kwaad, en verlang er niet naar bij hen te zijn.
תְּ֭קַנֵּא
(teqane)
wees jaloers
בְּאַנְשֵׁ֣י
(beanshei)
op mannen van
תִּ֝תְאָ֗יו
(titav)
verlang
לִהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תְּקַנֵּא (teqanne), ‘wees jaloers’: afgunst voelen op wie voorspoed heeft.
Zie ook Ps. 37:1 en Spr. 23:17.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft תִּתְאו (‘verlang’), het gelezen woord (qere) תִּתְאָיו .
De betekenis is gelijk.
2 Want hun hart overpeinst geweld, en hun lippen spreken over zwoegen.
יֶהְגֶּ֣ה
(yehge)
overpeinst
וְ֝עָמָ֗ל
(veamal)
en zwoegen
שִׂפְתֵיהֶ֥ם
(sifteihem)
hun lippen
תְּדַבֵּֽרְנָה
(tedaberena)
spreken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֹׁד (shod), ‘geweld’: verwoesting, roof.
עָמָל (amal), ‘zwoegen’: het woord betekent ook de moeite en ellende die iemand anderen aandoet. Hier gaat het om de last die de kwaaddoeners bedenken en uitspreken.
Wijsheid bouwt een huis 3 Met wijsheid wordt een huis gebouwd, en met verstand wordt het stevig gevestigd.
בְּ֭חָכְמָה
(bechakhema)
met wijsheid
יִבָּ֣נֶה
(yibane)
wordt gebouwd
וּ֝בִתְבוּנָ֗ה
(uvitvuna)
en met verstand
יִתְכּוֹנָֽן
(yitkonan)
wordt het stevig gevestigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָכְמָה (chokhmah), ‘wijsheid’; תְּבוּנָה (tevunah), ‘verstand’.
Het ‘huis’ is het gezin en het bezit.
4 En met kennis worden de kamers gevuld met allerlei kostbaar en aangenaam vermogen.
וּ֭בְדַעַת
(uvedaat)
en met kennis
חֲדָרִ֣ים
(chadarim)
kamers
יִמָּלְא֑וּ
(yimaleu)
worden gevuld
וְנָעִֽים
(venaim)
en aangenaam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוֹן (hon), ‘vermogen’: de rijkdom van een huis.
5 Een wijze man is in sterkte, en een man van kennis versterkt zijn kracht.
וְאִֽישׁ
(veish)
en een man van
מְאַמֶּץ
(meamets)
versterkt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גֶּבֶר (gever), ‘man’: een man in zijn kracht.
מְאַמֶּץ כֹּחַ (meammets koach), ‘versterkt kracht’: hij wordt steeds sterker.
6 Want met leiding voer je oorlog, en redding is er bij veel raadgevers.
בְ֭תַחְבֻּלוֹת
(betachbulot)
met leiding
מִלְחָמָ֑ה
(milchama)
oorlog
וּ֝תְשׁוּעָ֗ה
(uteshua)
en redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תַּחְבֻּלוֹת (tachbulot), ‘leiding’: bekwame leiding, strategie.
Zie ook Spr. 11:14 en 20:18.
תְשׁוּעָה (teshuah), ‘redding’: de overwinning die redding brengt.
7 Wijsheid is te hoog voor de zot; in de poort doet hij zijn mond niet open.
לֶֽאֱוִ֣יל
(leevil)
voor de zot
חָכְמ֑וֹת
(chakhemot)
wijsheid
בַּ֝שַּׁ֗עַר
(bashaar)
in de poort
יִפְתַּח
(yiftach)
opent hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָאמוֹת (ramot), ‘te hoog’: het woord komt alleen hier voor.
Wijsheid staat voor de zot te hoog om te bereiken.
אֱוִיל (evil), ‘zot’.
בַּשַּׁעַר (basha’ar), ‘in de poort’: de plaats waar mensen vergaderden en recht spraken.
8 Wie bedenkt kwaad te doen, hem noemt men een meester van listige plannen.
מְחַשֵּׁ֥ב
(mechashev)
wie bedenkt
לְהָרֵ֑עַ
(leharea)
kwaad te doen
בַּֽעַל
(baal)
een meester van
מְזִמּ֥וֹת
(mezimot)
listige plannen
יִקְרָֽאוּ
(yiqrau)
noemt men
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַּעַל מְזִמּוֹת (baal mezimmot), ‘meester van listige plannen’: מְזִמָּה (mezimmah) is meestal ‘doordachtheid’ in goede zin (Spr. 1:4).
Hier is het negatief, omdat het om kwaad gaat.
9 Het plan van zotheid is zonde, en de spotter is een gruwel voor de mens.
זִמַּ֣ת
(zimat)
het plan van
וְתוֹעֲבַ֖ת
(vetoavat)
en een gruwel voor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זִמַּת (zimmat), ‘plan’: wat iemand bedenkt.
Het woord kan ook ‘misdaad’ betekenen.
אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’.
לֵץ (letz), ‘spotter’.
Bevrijd wie naar de dood gaat 10 Heb je je slap getoond op de dag van benauwdheid, dan is je kracht beperkt.
הִ֭תְרַפִּיתָ
(hitrapita)
heb je je slap getoond
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
כֹּחֶֽכָה
(kochekha)
is je kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צָרָה (tsarah), ‘benauwdheid’, en צַר (tsar), ‘beperkt’: in het Hebreeuws zijn dit twee verwante woorden, een woordspeling.
Wie op het moeilijke moment slap wordt, merkt dat zijn kracht klein is.
11 Bevrijd hen die naar de dood worden weggevoerd, en hen die wankelend naar de slachting gaan; houd je niet terug.
לְקֻחִ֣ים
(lequchim)
hen die weggevoerd worden
לַמָּ֑וֶת
(lamavet)
naar de dood
וּמָטִ֥ים
(umatim)
en hen die wankelen
לַ֝הֶ֗רֶג
(lahereg)
naar de slachting
תַּחְשֽׂוֹךְ
(tachsokh)
je je terughoudt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De zin eindigt in het Hebreeuws met ‘als je je terughoudt’ (אִם תַּחְשׂוֹךְ , im tachsokh).
Wij vertalen: ‘houd je niet terug’.
De bedoeling is: grijp in.
הַצֵּל (hatsel), ‘bevrijd’: van נָצַל (natsal), zoals ‘bevrijden’ in Spr. 23:14.
12 Als je zegt: „Zie, wij wisten dit niet!”, zou Hij die de harten weegt het dan niet begrijpen? Hij die je ziel bewaakt, die weet het, en Hij vergeldt de mens naar zijn daad.
יָדַ֪עְנ֫וּ
(yadanu)
wisten wij
תֹ֘כֵ֤ן
(tokhen)
Hij die weegt
יָבִ֗ין
(yavin)
het begrijpen
וְנֹצֵ֣ר
(venotser)
en Hij die bewaakt
נַ֭פְשְׁךָ
(nafshekha)
je ziel
וְהֵשִׁ֖יב
(veheshiv)
en Hij vergeldt
כְּפָעֳלֽוֹ
(kefaolo)
naar zijn daad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תֹּכֵן לִבּוֹת (tochen libbot), ‘Hij die de harten weegt’: Yahweh doorgrondt wat in een mens leeft.
Zie ook Spr. 21:2.
נֹצֵר נַפְשְׁךָ (notser nafshekha), ‘Hij die je ziel bewaakt’. נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: je leven.
וְהֵשִׁיב לְאָדָם כְּפָעֳלוֹ (veheshiv leadam kefaolo), ‘Hij vergeldt de mens naar zijn daad’. Zie ook Ps. 62:13.
13 Eet honing, mijn zoon, want het is goed, en honingraat is zoet voor je gehemelte.
וְנֹ֥פֶת
(venofet)
en honingraat
חִכֶּֽךָ
(chikekha)
je gehemelte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֹפֶת (nofet), ‘honingraat’: eigenlijk ‘wat uit de raat druipt’.
Honing is hier beeld voor wijsheid (vers 14).
14 Weet dat wijsheid zo is voor je ziel: als je haar vindt, is er een toekomst, en je hoop wordt niet afgesneden.
חָכְמָ֗ה
(chakhema)
wijsheid
לְנַ֫פְשֶׁ֥ךָ
(lenafshekha)
voor je ziel
מָ֭צָאתָ
(matsata)
je haar vindt
אַחֲרִ֑ית
(acharit)
een toekomst
וְ֝תִקְוָתְךָ֗
(vetiqvatekha)
en je hoop
תִכָּרֵֽת
(tikaret)
wordt afgesneden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דְּעֶה (de’eh), ‘weet’: het gebod om het te begrijpen.
Het ‘haar’ verwijst naar de wijsheid, die in het Hebreeuws vrouwelijk is.
אַחֲרִית (acharit), ‘toekomst’, en de uitdrukking ‘je hoop wordt niet afgesneden’: gelijk aan Spr. 23:18.
De rechtvaardige en de goddeloze 15 Loer niet, goddeloze, op de woning van de rechtvaardige; verwoest zijn rustplaats niet.
לִנְוֵ֣ה
(linve)
op de woning van
צַדִּ֑יק
(tsadiq)
een rechtvaardige
תְּשַׁדֵּ֥ד
(teshaded)
verwoest
רִבְצוֹ
(rivtso)
zijn rustplaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָשָׁע (rasha), ‘goddeloze’: de zin kan ook zijn: ‘Loer niet als een goddeloze op de woning van de rechtvaardige.’
Wij lezen het als een aanspreking.
רִבְצוֹ (rivtso), ‘zijn rustplaats’: de plek waar hij zich neerlegt, zijn woning. Zie ook Spr. 1:11 en 1:18 voor het loeren.
16 Want zevenmaal valt de rechtvaardige en staat weer op, maar de goddelozen struikelen in rampspoed.
צַדִּ֣יק
(tsadiq)
een rechtvaardige
וּ֝רְשָׁעִ֗ים
(ureshaim)
maar goddelozen
יִכָּשְׁל֥וּ
(yikashelu)
struikelen
בְרָעָֽה
(beraa)
in rampspoed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֶׁבַע (sheva), ‘zevenmaal’: veelvuldig, steeds weer.
Wie rechtvaardig is, staat telkens weer op.
רָעָה (raah), ‘rampspoed’: het kwaad dat hen treft.
17 Verheug je niet als je vijand valt, en laat je hart niet juichen als hij struikelt.
בִּנְפֹ֣ל
(binfol)
bij het vallen van
אֽ֭וֹיִבְךָ
(oyivkha)
je vijand
תִּשְׂמָ֑ח
(tismach)
verheug je
וּ֝בִכָּשְׁל֗וֹ
(uvikashelo)
en bij zijn struikelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie ook Job 31:29 en Spr. 17:5.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft het meervoud (‘je vijanden’); het gelezen woord (qere) het enkelvoud (‘je vijand’).
Wij volgen het gelezen woord.
18 Anders ziet Yahweh het, en het is kwaad in Zijn ogen, en Hij keert Zijn toorn van hem af.
וְרַ֣ע
(vera)
en het is kwaad
בְּעֵינָ֑יו
(beeinav)
in Zijn ogen
וְהֵשִׁ֖יב
(veheshiv)
en Hij keert af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְהֵשִׁיב מֵעָלָיו אַפּוֹ (veheshiv meaylav apo), ‘Hij keert Zijn toorn van hem af’: Yahweh neemt Zijn toorn weg van de vijand.
De zin kan zo gelezen worden: de toorn van Yahweh trekt zich dan van de vijand terug.
19 Erger je niet over de kwaaddoeners; wees niet jaloers op de goddelozen.
תִּתְחַ֥ר
(titchar)
erger je
בַּמְּרֵעִ֑ים
(bamereim)
over de kwaaddoeners
תְּ֝קַנֵּ֗א
(teqane)
wees jaloers
בָּרְשָׁעִֽים
(bareshaim)
op de goddelozen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תִּתְחַר (titchar), ‘erger je’: zich opwinden over iets.
Gelijk aan Ps. 37:1.
מְרֵעִים (mere’im), ‘kwaaddoeners’.
20 Want de kwade heeft geen toekomst; de lamp van de goddelozen dooft.
אַחֲרִ֣ית
(acharit)
een toekomst
לָרָ֑ע
(lara)
voor de kwade
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֵר רְשָׁעִים יִדְעָךְ (ner reshaim yid’akh), ‘de lamp van de goddelozen dooft’: de lamp is beeld voor het leven.
Zie ook Spr. 13:9 en Job 18:5.
Vrees Yahweh en de koning 21 Vrees Yahweh, mijn zoon, en de koning; meng je niet met hen die veranderen.
וָמֶ֑לֶךְ
(vamelekh)
en de koning
שׁ֝וֹנִ֗ים
(shonim)
hen die veranderen
תִּתְעָרָֽב
(titarav)
meng je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְרָא (yera), ‘vrees’: van het werkwoord ‘vrezen’; voor Yahweh omvat dit ontzag, voor de koning eerbied.
שׁוֹנִים (shonim), ‘hen die veranderen’: de betekenis is onzeker. Het kan zijn: wie de ordening willen veranderen, of ‘hen die anders zijn’. Het woord kan ook ‘twee’ betekenen (שְׁנַיִם ), dus ‘met beiden’.
22 Want plotseling rijst hun ramp op, en de ondergang van hen beiden, wie weet die?
פִ֭תְאֹם
(pitom)
plotseling
וּפִ֥יד
(ufid)
en de ondergang van
שְׁ֝נֵיהֶ֗ם
(sheneihem)
hen beiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁנֵיהֶם (shneihem), ‘hen beiden’: vermoedelijk Yahweh en de koning (vers 21).
Ook mogelijk: de goddeloze en zijn medeplichtige.
אֵיד (eid), ‘ramp’; פִּיד (pid), ‘ondergang’: beide woorden komen zelden voor.
Nog meer woorden van de wijzen 23 Ook dit is van de wijzen: op het gezicht letten bij het recht is niet goed.
לַֽחֲכָמִ֑ים
(lachakhamim)
is van de wijzen
הַֽכֵּר
(haker)
het kennen van
בְּמִשְׁפָּ֣ט
(bemishpat)
bij het recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier begint een nieuw, kort deel van ‘woorden van de wijzen’, na de reeks in Spr. 22:17–24:22.
Het opschrift ‘Ook dit is van de wijzen’ kan ook zijn: ‘Ook dit is voor de wijzen’.
הַכֵּר פָּנִים (hakker panim), ‘het gezicht kennen’: partijdig zijn, naar het aanzien van de persoon kijken. Zie ook Lev. 19:15 en Deut. 1:17.
מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’.
24 Wie tegen een goddeloze zegt: „Jij bent rechtvaardig”, hem vervloeken volken, hem verwensen natiën.
לְרָשָׁע֮
(lerasha)
tegen een goddeloze
צַדִּ֪יק
(tsadiq)
rechtvaardig
יִקְּבֻ֥הוּ
(yiqevuhu)
hem vervloeken
יִזְעָמ֥וּהוּ
(yizamuhu)
hem verwensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’: wie een goddeloze vrijspreekt, vervloeken volken.
Vergelijk Spr. 17:15.
25 Maar voor wie terechtwijzen is het aangenaam, en over hen komt de zegen van het goede.
וְלַמּוֹכִיחִ֥ים
(velamokhichim)
maar voor wie terechtwijzen
יִנְעָ֑ם
(yinam)
is het aangenaam
וַֽ֝עֲלֵיהֶ֗ם
(vaaleihem)
en over hen
בִרְכַּת
(birkat)
de zegen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מוֹכִיחִים (mokhichim), ‘terechtwijzen’: wie een schuldige oordeelt en hem zijn schuld toont.
Het is een vermanende taak die zegen brengt.
26 De lippen kust hij die met juiste woorden antwoordt.
שְׂפָתַ֥יִם
(sefatayim)
lippen
מֵ֝שִׁ֗יב
(meshiv)
die antwoordt
דְּבָרִ֥ים
(devarim)
met woorden
נְכֹחִֽים
(nekhochim)
juiste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׂפָתַיִם יִשָּׁק (sefatayim yishaq), ‘lippen kust hij’: het ‘kussen van de lippen’ is een teken van vriendschap en trouw.
Wie een eerlijk antwoord geeft, toont zo zijn genegenheid.
נְכֹחִים (nekochim), ‘juiste’: wat recht en eerlijk is.
Eerst het werk, dan het huis 27 Maak buiten je werk gereed, zet het voor jezelf klaar op het veld; daarna zul je je huis bouwen.
הָ֘כֵ֤ן
(hakhen)
maak gereed
מְלַאכְתֶּ֗ךָ
(melakhtekha)
je werk
וְעַתְּדָ֣הּ
(veatedah)
en zet het klaar
בַּשָּׂדֶ֣ה
(basade)
op het veld
וּבָנִ֥יתָ
(uvanita)
en je zult bouwen
בֵיתֶֽךָ
(beitekha)
je huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Eerst het werk op het land, daarna het huis: de volgorde van wie voor zijn gezin zorgt.
Het ‘huis’ kan ook het gezin zijn.
28 Wees niet zonder reden getuige tegen je naaste, en verleid niet met je lippen.
חִנָּ֣ם
(chinam)
zonder reden
בְּרֵעֶ֑ךָ
(bereekha)
tegen je naaste
וַ֝הֲפִתִּ֗יתָ
(vahafitita)
en verleid
בִּשְׂפָתֶֽיךָ
(bisfateikha)
met je lippen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַהֲפִתִּיתָ (vahafitita), ‘en verleid’: het kan ook als vraag gelezen worden: ‘en zou je met je lippen verleiden?’
Wij volgen de gewone lezing als verbod.
29 Zeg niet: „Zoals hij mij heeft gedaan, zo zal ik hem doen; ik zal de man vergelden naar zijn daad.”
עָֽשָׂה
(asa)
hij heeft gedaan
אֶֽעֱשֶׂה
(eese)
zal ik doen
אָשִׁ֖יב
(ashiv)
ik zal vergelden
לָאִ֣ישׁ
(laish)
aan de man
כְּפָעֳלֽוֹ
(kefaolo)
naar zijn daad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie ook Spr. 20:22 en Lev. 19:18.
Het veld van de luiaard 30 Ik ging langs het veld van een luie man en langs de wijngaard van een mens zonder hart.
שְׂדֵ֣ה
(sede)
het veld van
עָבַ֑רְתִּי
(avarti)
ging ik
כֶּ֝֗רֶם
(kerem)
de wijngaard van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier vertelt een wijze in de ‘ik’-vorm wat hij zag.
אִישׁ עָצֵל (ish atsel), ‘een luie man’; חֲסַר־לֵב (chasar lev), ‘zonder hart’: wie het ‘hart’, het verstand, mist.
31 En zie, het was helemaal opgeschoten met netels; distels bedekten zijn oppervlak, en zijn stenen omheining was ingestort.
עָ֘לָ֤ה
(ala)
het was opgeschoten
קִמְּשֹׂנִ֗ים
(qimesonim)
met netels
פָנָ֣יו
(panav)
zijn oppervlak
חֲרֻלִּ֑ים
(charulim)
distels
וְגֶ֖דֶר
(vegeder)
en de omheining van
אֲבָנָ֣יו
(avanav)
zijn stenen
נֶהֱרָֽסָה
(neherasa)
was ingestort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קִמְּשֹׂנִים (qimmeshonim), ‘netels’, en חֲרֻלִּים (charullim), ‘distels’: de betekenis van beide plantnamen is onzeker.
Het gaat om onkruid en stekelig gewas.
32 Ik zag het en richtte mijn hart erop; ik keek en nam tucht aan.
וָֽאֶחֱזֶ֣ה
(vaecheze)
en ik zag het
אָשִׁ֣ית
(ashit)
richtte ik
לָקַ֥חְתִּי
(laqachti)
ik nam aan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָשִׁית לִבִּי (ashit libbi), ‘ik richtte mijn hart’: ik nam het ter harte.
לָקַחְתִּי מוּסָר (laqachti musar), ‘ik nam tucht aan’: ik leerde ervan.
מוּסָר (musar) is ook ‘onderricht’ of ‘vermaning’.
33 Een beetje slaap, een beetje sluimer, een beetje de handen ineenslaan om te liggen.
תְּנוּמ֑וֹת
(tenumot)
sluimer
חִבֻּ֖ק
(chibuq)
het ineenslaan van
לִשְׁכָּֽב
(lishkav)
om te liggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers en het volgende komen vrijwel woordelijk voor in Spr. 6:10–11.
34 En je armoede zal komen als een rondtrekker, en je gebrek als een man met een schild.
מִתְהַלֵּ֥ךְ
(mithalekh)
als een rondtrekker
רֵישֶׁ֑ךָ
(reishekha)
je armoede
וּ֝מַחְסֹרֶ֗יךָ
(umachsoreikha)
en je gebrek
כְּאִ֣ישׁ
(keish)
als een man met
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִתְהַלֵּךְ (mithalekh), ‘rondtrekker’: iemand die rondgaat, zoals een zwerver of een rover.
In Spr. 6:11 staat een iets andere vorm.
אִישׁ מָגֵן (ish magen), ‘een man met een schild’: een gewapende, tegen wie niemand zich kan verweren.