2 Timotheüs 1
Dankzegging voor Timoteüs, oproep om de genadegave aan te wakkeren en het toevertrouwde goed te bewaren
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Aanhef
ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: iemand die gezonden is. ἐπαγγελία ζωῆς (epangelia zoes), ‘belofte van het leven’: de belofte gaat over het leven dat in de Messias Yeshua is.
De brief noemt Paulus alleen met zijn naam; in de brieven heet hij altijd Paulus.
In de SBLGNT is bij de woorden Χριστοῦ Ἰησοῦ (Christou Iesou), ‘van de Messias Yeshua’, een variant gemarkeerd; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Hand. 16:1; 1 Kor. 4:17; Fil. 2:19–22.
τέκνον (teknon), ‘kind’: Timoteüs wordt als een geliefd kind aangesproken. ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’: de groet heeft hier drie woorden, net als in 1 Tim. 1:2.
Zie ook Hand. 16:1–3.
Dankzegging en geloof van Timoteüs
λατρεύω (latreuo), ‘dienen’: dienst aan Elohim, ook eredienst. ἀπὸ προγόνων (apo progonon), ‘van mijn voorouders af’: het Griekse ἀπό kan betekenen ‘zoals mijn voorouders’ of ‘vanaf de tijd van mijn voorouders’; de tekst zegt niet meer. συνείδησις (syneidesis), ‘geweten’. ὡς (hos), ‘terwijl’: de Griekse zin loopt door in vers 4; ὡς kan ook ‘hoe’ of ‘zoals’ betekenen.
Zie ook Hand. 24:14; Hand. 23:1.
ἐπιποθέω (epipotheo), ‘verlangen naar’.
‘Je tranen’: de tekst zegt niet bij welke gelegenheid Timoteüs huilde. πληρόω (pleroo), ‘vervullen’.
Zie ook Hand. 20:37–38.
ἀνυπόκριτος (anypokritos), ‘ongeveinsd’: zonder toneelspel. μάμμη (mamme), ‘grootmoeder’; Lois en Eunice zijn de grootmoeder en de moeder van Timoteüs.
In Hand. 16:1 wordt zijn moeder een gelovige Joodse vrouw genoemd, zonder naam. ὑπόμνησιν λαβών (hypomnesin labon), ‘een herinnering ontvangen hebbend’: ook ‘terwijl ik herinnerd word’.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord λαβών (labon), ‘ontvangen hebbend’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Hand. 16:1; 2 Tim. 3:14–15.
Wakker de genadegave aan
ἀναζωπυρέω (anazopyreo), ‘aanwakkeren’: een vuur opnieuw aanblazen. χάρισμα (charisma), ‘genadegave’: een gave die uit genade gegeven is. ἐπίθεσις τῶν χειρῶν (epithesis ton cheiron), ‘oplegging van de handen’: de tekst zegt niet bij welke gelegenheid; vergelijk 1 Tim. 4:14, waar het gaat om de oplegging van de handen van de ouderen.
Zie ook 1 Tim. 4:14; Hand. 13:3.
πνεῦμα (pneuma), ‘geest’: hier een gesteldheid, geen persoon; daarom met kleine letter. δειλία (deilia), ‘lafheid, vrees’. σωφρονισμός (sofronismos), ‘bezonnenheid’: zelfbeheersing, een helder hoofd.
Schaam je niet voor het getuigenis
μαρτύριον (martyrion), ‘getuigenis’. δέσμιος (desmios), ‘gevangene’: Paulus zit gevangen (zie vers 16–17). συγκακοπαθέω (synkakopatheo), ‘samen lijden’: mee lijden.
Het Griekse τῷ εὐαγγελίῳ (to euangelio) staat in de datief: ‘voor de goede boodschap’, ‘met de goede boodschap’ of ‘ten dienste van de goede boodschap’.
‘Onze Heer’ is Yeshua.
Zie ook 2 Tim. 2:3; Rom. 1:16.
κλῆσις ἁγία (klesis hagia), ‘heilige roeping’. πρόθεσις (prothesis), ‘voornemen’. πρὸ χρόνων αἰωνίων (pro chronon aionion), ‘vóór eeuwige tijden’: letterlijk ‘vóór tijden van de eeuwen’; hetzelfde Griekse woord staat in Tit. 1:2.
Het Grieks heeft hier één lange zin (verzen 8–10); wij splitsen hem.
Zie ook Tit. 1:2; Tit. 3:5; Ef. 1:4; Rom. 8:28.
φανερόω (fanero), ‘openbaren’: zichtbaar maken. ἐπιφάνεια (epifaneia), ‘verschijning’: hier voor het komen van Yeshua in de wereld; hetzelfde woord staat in 4:1 en 4:8 voor Zijn komst op de laatste dag. σωτήρ (soter), ‘Redder’. καταργέω (katargeo), ‘buiten werking stellen’. φωτίζω (fotizo), ‘verlichten’: aan het licht brengen. ἀφθαρσία (aftharsia), ‘onvergankelijkheid’.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de volgorde van de woorden Ἰησοῦ Χριστοῦ (Iesou Christou), ‘Yeshua de Messias’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Tit. 2:11; Tit. 3:4; 1 Kor. 15:26, 15:54–55.
κῆρυξ (keryx), ‘heraut’: iemand die een boodschap openlijk uitroept. διδάσκαλος (didaskalos), ‘leraar’.
Bij het woord διδάσκαλος (didaskalos), ‘leraar’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Tim. 2:7.
πάσχω (pascho), ‘lijden’; ‘dit’ verwijst naar Paulus’ gevangenschap. πεπίστευκα (pepisteuka), ‘ik heb geloofd’: het werkwoord staat met een datief, ‘ik heb Hem vertrouwd’; wij houden ‘geloven’. παραθήκη (paratheke), ‘toevertrouwd goed’: iets wat iemand in bewaring is gegeven.
Het Grieks laat open of het gaat om wat Paulus aan Elohim heeft toevertrouwd of wat Elohim aan Paulus heeft toevertrouwd; vergelijk vers 14.
‘Die dag’: de dag van het oordeel en de komst van de Heer; zie ook 1:18 en 4:8.
Zie ook 2 Tim. 1:14; 2 Tim. 1:18; 2 Tim. 4:8.
Bewaar het toevertrouwde goed
ὑποτύπωσις (hypotyposis), ‘voorbeeld’: een schets of model om naar te werken. ὑγιαίνω (hygiaino), ‘gezond zijn’: ὑγιαινόντων λόγων betekent ‘gezonde woorden’; hetzelfde woord staat in 4:3 (‘gezond onderwijs’) en in Titus.
Zie ook 2 Tim. 4:3; Tit. 1:9; Tit. 2:1; 1 Tim. 6:3.
Hetzelfde woord παραθήκη (paratheke), ‘toevertrouwd goed’, als in vers 12. φυλάσσω (fylasso), ‘bewaren, beschermen’.
‘De Heilige Geest die in ons woont’: de Geest van Elohim.
Zie ook 2 Tim. 1:12; 1 Tim. 6:20; Rom. 8:11.
Verlaten, maar niet door Onesiforus
Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad.
De grenzen zijn bij benadering.
ἀποστρέφω (apostrefo), ‘zich afkeren’: zich van iemand afwenden.
‘Allen die in Asia zijn’: Asia was een Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije.
De tekst zegt niet hoeveel mensen het betreft of waarom zij zich afkeerden.
Fygelus en Hermogenes worden verder niet genoemd.
Zie ook Hand. 19:10; 2 Tim. 4:16.
Onesiforus wordt hier en in 4:19 genoemd; hij en zijn huis krijgen de zegenbede. ἀναψύχω (anapsycho), ‘verkwikken’. ἅλυσις (halysis), ‘ketting’.
‘De Heer’ (ὁ κύριος) is in de brieven van Paulus meestal Yeshua; de tekst geeft hier geen citaat uit het Oude Testament.
Zie ook 2 Tim. 1:8; 2 Tim. 4:19.
Zie Rome: Rome was de hoofdstad van het Romeinse rijk, aan de Tiber in het midden van Italië.
Rome is de plaats waar Paulus gevangen zit. σπουδαίως (spoudaios), ‘ijverig’.
Bij het woord σπουδαίως (spoudaios), ‘ijverig’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Hand. 28:16, 28:30.
Zie Efeze: Efeze lag aan de westkust van Turkije, bij het huidige Selçuk.
Het was de grootste stad van de Romeinse provincie Asia.
‘De Heer’ en ‘Heer’ in dezelfde zin: het Grieks heeft beide keren κύριος (kyrios), eerst met lidwoord (ὁ κύριος), daarna zonder (παρὰ κυρίου).
De tekst zegt niet of beide keren dezelfde persoon bedoeld is.
Wij houden beide ‘Heer’.
‘Op die dag’: de dag van het oordeel, zie 1:12 en 4:8. διακονέω (diakoneo), ‘dienen’.
Efeze: zie 1:15 en 4:12.
De SBLGNT zet aan het eind van vers 17 en midden in vers 18 een gedachtestreep; wij maken er korte zinnen van.
Zie ook 2 Tim. 1:12; 2 Tim. 4:8, 4:12.