Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Darius en de drie bestuurders
1Darius de Mediër nam het koningschap over, toen hij ongeveer 62 jaar oud was.
וְדָרְיָ֨וֶשׁ֙
(vedareyavesh)
en Darius
מָֽדָיָ֔א
(madaya)
de Mediër
קַבֵּ֖ל
(qabel)
ontving
מַלְכוּתָ֑א
(malkhuta)
het koninkrijk
כְּבַ֥ר
(kevar)
ongeveer
שְׁנִ֖ין
(shenin)
jaren
שִׁתִּ֥ין
(shitin)
zestig
וְתַרְתֵּֽין
(vetartein)
en twee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In de Hebreeuwse telling is dit vers 1 van hoofdstuk 6.
Nederlandse bijbels tellen dit als 5:31: Hebr. 6:1 = NL 5:31 en Hebr. 6:2–29 = NL 6:1–28.
De app zet de kruisverwijzingen zelf om.
דָּרְיָוֶשׁ (Daryavesh), ‘Darius’: hier ‘Darius de Mediër’. De tekst zegt niet wie hij is of hoe hij aan het koningschap komt (vergelijk 9:1 en 11:1). Wij noemen geen identificatie.
קַבֵּל (qabbel), ‘ontving’: hij nam het koningschap in ontvangst, zonder dat gezegd wordt van wie.
2Darius vond het goed honderdtwintig satrapen aan te stellen, die over heel het koninkrijk zouden zijn.
שְׁפַר֙
(shefar)
het beviel
קֳדָ֣ם
(qodam)
voor
דָּרְיָ֔וֶשׁ
(dareyavesh)
Darius
וַהֲקִים֙
(vahaqim)
en hij stelde aan
עַל
(al)
over
מַלְכוּתָ֔א
(malkhuta)
het koninkrijk
לַאֲחַשְׁדַּרְפְּנַיָּ֖א
(laachashdarpenaya)
satrapen
מְאָ֣ה
(mea)
honderd
וְעֶשְׂרִ֑ין
(veesrin)
en twintig
דִּ֥י
(di)
die
לֶהֱוֺ֖ן
(lehevon)
zouden zijn
בְּכָל
(bekhal)
over heel
מַלְכוּתָֽא
(malkhuta)
het koninkrijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier begint de Nederlandse telling van hoofdstuk 6: Hebr. 6:2 = NL 6:1.
אֲחַשְׁדַּרְפְּנַיָּא (achashdarpenayya), ‘de satrapen’: ambtenaren die een gebied van het rijk bestuurden. Het woord is Perzisch van oorsprong. Het getal honderdtwintig staat in de tekst.
3Boven hen stelde hij drie bestuurders aan, van wie Daniël er één was. De satrapen moesten aan hen verantwoording afleggen, zodat de koning geen schade zou lijden.
וְעֵ֤לָּא
(veela)
en boven
מִנְּהוֹן֙
(minehon)
hen
סָרְכִ֣ין
(sarekhin)
bestuurders
תְּלָתָ֔א
(telata)
drie
דִּ֥י
(di)
van wie
דָנִיֵּ֖אל
(daniyel)
Daniël
חַֽד
(chad)
een
מִנְּה֑וֹן
(minehon)
van hen
דִּֽי
(di)
opdat
לֶהֱוֺ֞ן
(lehevon)
zouden
אֲחַשְׁדַּרְפְּנַיָּ֣א
(achashdarpenaya)
de satrapen
אִלֵּ֗ין
(ilein)
deze
יָהֲבִ֤ין
(yahavin)
geven
לְהוֹן֙
(lehon)
aan hen
טַעְמָ֔א
(tama)
rekenschap
וּמַלְכָּ֖א
(umalka)
en de koning
לָֽא
(la)
niet
לֶהֱוֵ֥א
(leheve)
zou lijden
נָזִֽק
(naziq)
schade
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סָרְכִין (sarekin), ‘bestuurders’: hoge ambtenaren boven de satrapen.
De tekst noemt er drie, van wie Daniël er één is.
טַעְמָא (ta’ma), ‘rekenschap’: een verslag of verantwoording.
4Toen blonk Daniël uit boven de bestuurders en de satrapen, omdat een buitengewone geest in hem was. De koning was van plan hem over heel het koninkrijk aan te stellen.
אֱדַ֨יִן֙
(edayin)
toen
דָּנִיֵּ֣אל
(daniyel)
Daniël
דְּנָ֔ה
(dena)
deze
הֲוָ֣א
(hava)
was
מִתְנַצַּ֔ח
(mitnatsach)
uitblinkend
עַל
(al)
boven
סָרְכַיָּ֖א
(sarekhaya)
de bestuurders
וַאֲחַשְׁדַּרְפְּנַיָּ֑א
(vaachashdarpenaya)
en de satrapen
כָּל
(kal)
alles
קֳבֵ֗ל
(qovel)
tegenover
דִּ֣י
(di)
dat
ר֤וּחַ
(ruach)
geest
יַתִּירָא֙
(yatira)
buitengewone
בֵּ֔הּ
(beh)
in hem
וּמַלְכָּ֣א
(umalka)
en de koning
עֲשִׁ֔ית
(ashit)
was van plan
לַהֲקָמוּתֵ֖הּ
(lahaqamuteh)
hem aan te stellen
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
מַלְכוּתָֽא
(malkhuta)
het koninkrijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רוּחַ יַתִּירָא (ruach yattira), ‘een buitengewone geest’: zoals in 5:12 en 5:14.
5Toen zochten de bestuurders en de satrapen een aanleiding tegen Daniël te vinden in zijn werk voor het koninkrijk. Maar zij konden geen aanleiding of misdaad vinden, omdat hij betrouwbaar was. Er werd bij hem geen nalatigheid of misdaad gevonden.
אֱדַ֨יִן
(edayin)
toen
סָֽרְכַיָּ֜א
(sarekhaya)
de bestuurders
וַאֲחַשְׁדַּרְפְּנַיָּ֗א
(vaachashdarpenaya)
en de satrapen
הֲו֨וֹ
(havo)
waren
בָעַ֧יִן
(baayin)
zoekend
עִלָּ֛ה
(ila)
een aanleiding
לְהַשְׁכָּחָ֥ה
(lehashkacha)
om te vinden
לְדָנִיֵּ֖אל
(ledaniyel)
tegen Daniël
מִצַּ֣ד
(mitsad)
van de kant van
מַלְכוּתָ֑א
(malkhuta)
het koninkrijk
וְכָל
(vekhal)
en enige
עִלָּ֨ה
(ila)
aanleiding
וּשְׁחִיתָ֜ה
(ushechita)
en misdaad
לָא
(la)
niet
יָכְלִ֣ין
(yakhelin)
konden zij
לְהַשְׁכָּחָ֗ה
(lehashkacha)
vinden
כָּל
(kal)
alles
קֳבֵל֙
(qovel)
tegenover
דִּֽי
(di)
dat
מְהֵימַ֣ן
(meheiman)
betrouwbaar
ה֔וּא
(hu)
hij was
וְכָל
(vekhal)
en enige
שָׁלוּ֙
(shalu)
nalatigheid
וּשְׁחִיתָ֔ה
(ushechita)
en misdaad
לָ֥א
(la)
niet
הִשְׁתְּכַ֖חַת
(hishtekhachat)
werd gevonden
עֲלֽוֹהִי
(alohi)
bij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עִלָּה (illa), ‘aanleiding’ en שְׁחִיתָה (shechita), ‘misdaad’: iets waarvoor men hem kan aanklagen.
שָׁלוּ (shalu), ‘nalatigheid’: nalatig zijn in zijn werk.
מְהֵימַן (mehemin), ‘betrouwbaar’: het woord is verwant aan ‘vertrouwen’ in vers 24.
8Alle bestuurders van het koninkrijk, de prefecten, de satrapen, de raadsheren en de landvoogden hebben overlegd. De koning moet een verordening vaststellen en een streng verbod afkondigen. Wie dertig dagen lang een verzoek doet aan enige god of mens, behalve aan u, koning, wordt in de leeuwenkuil geworpen.
אִתְיָעַ֜טוּ
(ityaatu)
hebben overlegd
כֹּ֣ל
(kol)
alle
סָרְכֵ֣י
(sarekhei)
bestuurders van
מַלְכוּתָ֗א
(malkhuta)
het koninkrijk
סִגְנַיָּ֤א
(signaya)
de prefecten
וַֽאֲחַשְׁדַּרְפְּנַיָּא֙
(vaachashdarpenaya)
en de satrapen
הַדָּֽבְרַיָּ֣א
(hadaveraya)
de raadsheren
וּפַחֲוָתָ֔א
(ufachavata)
en de landvoogden
לְקַיָּמָ֤ה
(leqayama)
om vast te stellen
קְיָם֙
(qeyam)
een verordening
מַלְכָּ֔א
(malka)
van de koning
וּלְתַקָּפָ֖ה
(uletaqafa)
en om sterk te maken
אֱסָ֑ר
(esar)
een verbod
דִּ֣י
(di)
dat
כָל
(kal)
wie
דִּֽי
(di)
dat
יִבְעֵ֣ה
(yive)
zal vragen
בָ֠עוּ
(bau)
een verzoek
מִן
(min)
van
כָּל
(kal)
enige
אֱלָ֨הּ
(elah)
god
וֶֽאֱנָ֜שׁ
(veenash)
of mens
עַד
(ad)
tot
יוֹמִ֣ין
(yomin)
dagen
תְּלָתִ֗ין
(telatin)
dertig
לָהֵן֙
(lahen)
behalve
מִנָּ֣ךְ
(minakh)
van u
מַלְכָּ֔א
(malka)
koning
יִתְרְמֵ֕א
(yitreme)
zal worden geworpen
לְגֹ֖ב
(legov)
in de kuil van
אַרְיָוָתָֽא
(aryavata)
de leeuwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סִגְנַיָּא (signayya), ‘de prefecten’, הַדָּבְרַיָּא (haddavrayya), ‘de raadsheren’, en פַּחֲוָתָא (pachavata), ‘de landvoogden’: titels van hoge ambtenaren.
De vertaling van de verschillende titels is niet helemaal zeker.
אֱסָר (esar), ‘verbod’: een bindend voorschrift waaraan men zich door een eed verbindt.
גֹּב אַרְיָוָתָא (gov aryavata), ‘de kuil van de leeuwen’: wij schrijven ‘leeuwenkuil’.
9Stel nu, koning, het verbod vast en onderteken het document, zodat het niet veranderd kan worden. Zo is het de wet van de Meden en de Perzen, die niet vervalt.”
כְּעַ֣ן
(kean)
nu
מַלְכָּ֔א
(malka)
koning
תְּקִ֥ים
(teqim)
stel vast
אֱסָרָ֖א
(esara)
het verbod
וְתִרְשֻׁ֣ם
(vetirshum)
en onderteken
כְּתָבָ֑א
(ketava)
het document
דִּ֣י
(di)
zodat
לָ֧א
(la)
niet
לְהַשְׁנָיָ֛ה
(lehashnaya)
het veranderd wordt
כְּדָת
(kedat)
volgens de wet van
מָדַ֥י
(maday)
de Meden
וּפָרַ֖ס
(ufaras)
en de Perzen
דִּי
(di)
die
לָ֥א
(la)
niet
תֶעְדֵּֽא
(tede)
vervalt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דָּת־מָדַי וּפָרַס (dat-Maday uFaras), ‘de wet van de Meden en de Perzen’: een wet die niet veranderd kan worden.
11Toen Daniël wist dat het document ondertekend was, ging hij naar zijn huis. In zijn bovenkamer waren voor hem vensters geopend, in de richting van Jeruzalem. Drie keer per dag knielde hij op zijn knieën. Hij bad en dankte voor het aangezicht van zijn Elohim, zoals hij dat van oudsher gedaan had.
וְ֠דָנִיֵּאל
(vedaniyel)
en Daniël
כְּדִ֨י
(kedi)
toen
יְדַ֜ע
(yeda)
hij wist
דִּֽי
(di)
dat
רְשִׁ֤ים
(reshim)
was ondertekend
כְּתָבָא֙
(ketava)
het document
עַ֣ל
(al)
ging hij
לְבַיְתֵ֔הּ
(levayteh)
naar zijn huis
וְכַוִּ֨ין
(vekhavin)
en vensters
פְּתִיחָ֥ן
(petichan)
geopend
לֵהּ֙
(leh)
voor hem
בְּעִלִּיתֵ֔הּ
(beiliteh)
in zijn bovenkamer
נֶ֖גֶד
(neged)
tegenover
יְרוּשְׁלֶ֑ם
(yerushelem)
Jeruzalem
וְזִמְנִין֩
(vezimnin)
en tijden
תְּלָתָ֨ה
(telata)
drie
בְיוֹמָ֜א
(beyoma)
per dag
ה֣וּא
(hu)
was hij
בָּרֵ֣ךְ
(barekh)
knielend
עַל
(al)
op
בִּרְכ֗וֹהִי
(birkhohi)
zijn knieën
וּמְצַלֵּ֤א
(umetsale)
en biddend
וּמוֹדֵא֙
(umode)
en dankend
קֳדָ֣ם
(qodam)
voor
אֱלָהֵ֔הּ
(elaheh)
zijn Elohim
כָּל
(kal)
alles
קֳבֵל֙
(qovel)
tegenover
דִּֽי
(di)
zoals
הֲוָ֣א
(hava)
hij was
עָבֵ֔ד
(aved)
doende
מִן
(min)
van
קַדְמַ֖ת
(qadmat)
vroeger
דְּנָֽה
(dena)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
עִלִּיתֵהּ (illiteh), ‘zijn bovenkamer’: een kamer op de verdieping.
De vensters waren open in de richting van Jeruzalem; vergelijk 1 Kon. 8:44 en 8:48.
זִמְנִין תְּלָתָה בְיוֹמָא (zimnin telata beyoma), ‘drie keer per dag’: de vaste gebedstijden van Daniël.
מִן קַדְמַת דְּנָה (min qadmat denah), ‘van oudsher’: hij deed dit al eerder.
13Toen kwamen zij naar voren en zeiden tegen de koning over het verbod van de koning: „Hebt u niet een verbod ondertekend? Ieder mens die dertig dagen lang een verzoek doet aan enige god of mens, behalve aan u, koning, in de leeuwenkuil geworpen wordt?” De koning antwoordde en zei: „De zaak staat vast, volgens de wet van de Meden en de Perzen, die niet vervalt.”
בֵּ֠אדַיִן
(bedayin)
toen
קְרִ֨יבוּ
(qerivu)
kwamen zij naar voren
וְאָמְרִ֥ין
(veamerin)
en zeiden
קֳדָם
(qodam)
voor
מַלְכָּא֮
(malka)
de koning
עַל
(al)
over
אֱסָ֣ר
(esar)
het verbod van
מַלְכָּא֒
(malka)
de koning
הֲלָ֧א
(hala)
niet
אֱסָ֣ר
(esar)
een verbod
רְשַׁ֗מְתָּ
(reshamta)
hebt u ondertekend
דִּ֣י
(di)
dat
כָל
(kal)
ieder
אֱנָ֡שׁ
(enash)
mens
דִּֽי
(di)
die
יִבְעֵה֩
(yive)
zal vragen
מִן
(min)
van
כָּל
(kal)
enige
אֱלָ֨הּ
(elah)
god
וֶֽאֱנָ֜שׁ
(veenash)
of mens
עַד
(ad)
tot
יוֹמִ֣ין
(yomin)
dagen
תְּלָתִ֗ין
(telatin)
dertig
לָהֵן֙
(lahen)
behalve
מִנָּ֣ךְ
(minakh)
van u
מַלְכָּ֔א
(malka)
koning
יִתְרְמֵ֕א
(yitreme)
zal worden geworpen
לְג֖וֹב
(legov)
in de kuil van
אַרְיָותָ֑א
(aryavta)
de leeuwen
עָנֵ֨ה
(ane)
antwoordde
מַלְכָּ֜א
(malka)
de koning
וְאָמַ֗ר
(veamar)
en zei
יַצִּיבָ֧א
(yatsiva)
zeker
מִלְּתָ֛א
(mileta)
de zaak
כְּדָת
(kedat)
volgens de wet van
מָדַ֥י
(maday)
de Meden
וּפָרַ֖ס
(ufaras)
en de Perzen
דִּי
(di)
die
לָ֥א
(la)
niet
תֶעְדֵּֽא
(tede)
vervalt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יַצִּיבָא (yatstsiva), ‘staat vast’: de zaak is zeker en kan niet veranderd worden.
14Toen antwoordden zij en zeiden tegen de koning: „Daniël, een van de ballingen van Juda, schenkt geen aandacht aan u, koning. Hij schenkt ook geen aandacht aan het verbod dat u ondertekend hebt. Drie keer per dag verricht hij zijn gebed.”
בֵּ֠אדַיִן
(bedayin)
toen
עֲנ֣וֹ
(ano)
antwoordden zij
וְאָמְרִין֮
(veamerin)
en zeiden
קֳדָ֣ם
(qodam)
voor
מַלְכָּא֒
(malka)
de koning
דִּ֣י
(di)
dat
דָנִיֵּ֡אל
(daniyel)
Daniël
דִּי֩
(di)
die
מִן
(min)
van
בְּנֵ֨י
(benei)
de zonen van
גָלוּתָ֜א
(galuta)
de ballingschap
דִּ֣י
(di)
van
יְה֗וּד
(yehud)
Juda
לָא
(la)
niet
שָׂ֨ם
(sam)
schenkt
עֲלָ֤ךְ
(alakh)
aan u
מַלְכָּא֙
(malka)
koning
טְעֵ֔ם
(teem)
aandacht
וְעַל
(veal)
en aan
אֱסָרָ֖א
(esara)
het verbod
דִּ֣י
(di)
dat
רְשַׁ֑מְתָּ
(reshamta)
u hebt ondertekend
וְזִמְנִ֤ין
(vezimnin)
en tijden
תְּלָתָה֙
(telata)
drie
בְּיוֹמָ֔א
(beyoma)
per dag
בָּעֵ֖א
(bae)
verricht hij
בָּעוּתֵֽהּ
(bauteh)
zijn gebed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Toen de koning dit woord hoorde, was hij er zeer door ontsteld. Hij zette zijn zinnen op Daniël om hem te redden en spande zich tot zonsondergang in om hem te bevrijden.
אֱדַ֨יִן
(edayin)
toen
מַלְכָּ֜א
(malka)
de koning
כְּדִ֧י
(kedi)
toen
מִלְּתָ֣א
(mileta)
het woord
שְׁמַ֗ע
(shema)
hoorde
שַׂגִּיא֙
(sagi)
zeer
בְּאֵ֣שׁ
(beesh)
was het kwaad
עֲל֔וֹהִי
(alohi)
voor hem
וְעַ֧ל
(veal)
en op
דָּנִיֵּ֛אל
(daniyel)
Daniël
שָׂ֥ם
(sam)
richtte hij
בָּ֖ל
(bal)
zijn zinnen
לְשֵׁיזָבוּתֵ֑הּ
(lesheizavuteh)
om hem te redden
וְעַד֙
(vead)
en tot
מֶֽעָלֵ֣י
(mealei)
het ondergaan van
שִׁמְשָׁ֔א
(shimsha)
de zon
הֲוָ֥א
(hava)
was hij
מִשְׁתַּדַּ֖ר
(mishtadar)
zich inspannend
לְהַצָּלוּתֵֽהּ
(lehatsaluteh)
om hem te bevrijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּאֵשׁ עֲלוֹהִי (be’esh alohi), ‘was het kwaad voor hem’: de koning was er zeer door ontsteld.
Hij ziet nu dat hij in de val is gelopen.
לְשֵׁיזָבוּתֵהּ (leshezavuteh), ‘om hem te redden’, en לְהַצָּלוּתֵהּ (lehatsalutheh), ‘om hem te bevrijden’: twee werkwoorden. Wij vertalen steeds ‘redden’ (shezav) en ‘bevrijden’ (hitsil).
16Toen stormden die mannen naar de koning en zeiden tegen de koning: „Weet, koning, dat het een wet is voor de Meden en de Perzen. Geen enkel verbod en geen enkele verordening die de koning vaststelt, kan veranderd worden.”
בֵּאדַ֨יִן֙
(bedayin)
toen
גֻּבְרַיָּ֣א
(guvraya)
de mannen
אִלֵּ֔ךְ
(ilekh)
die
הַרְגִּ֖שׁוּ
(hargishu)
stormden
עַל
(al)
naar
מַלְכָּ֑א
(malka)
de koning
וְאָמְרִ֣ין
(veamerin)
en zeiden
לְמַלְכָּ֗א
(lemalka)
tegen de koning
דַּ֤ע
(da)
weet
מַלְכָּא֙
(malka)
koning
דִּֽי
(di)
dat
דָת֙
(dat)
de wet
לְמָדַ֣י
(lemaday)
voor de Meden
וּפָרַ֔ס
(ufaras)
en de Perzen
דִּֽי
(di)
is dat
כָל
(kal)
elk
אֱסָ֥ר
(esar)
verbod
וּקְיָ֛ם
(uqeyam)
en verordening
דִּֽי
(di)
die
מַלְכָּ֥א
(malka)
de koning
יְהָקֵ֖ים
(yehaqeim)
vaststelt
לָ֥א
(la)
niet
לְהַשְׁנָיָֽה
(lehashnaya)
veranderd kan worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Toen gaf de koning bevel, en men bracht Daniël en wierp hem in de leeuwenkuil. De koning antwoordde en zei tegen Daniël: „Jouw Elohim, die jij voortdurend dient, Hij zal je redden.”
בֵּאדַ֜יִן
(bedayin)
toen
מַלְכָּ֣א
(malka)
de koning
אֲמַ֗ר
(amar)
gaf bevel
וְהַיְתִיו֙
(vehaytiv)
en zij brachten
לְדָ֣נִיֵּ֔אל
(ledaniyel)
Daniël
וּרְמ֕וֹ
(uremo)
en wierpen
לְגֻבָּ֖א
(leguba)
in de kuil
דִּ֣י
(di)
van
אַרְיָוָתָ֑א
(aryavata)
de leeuwen
עָנֵ֤ה
(ane)
antwoordde
מַלְכָּא֙
(malka)
de koning
וְאָמַ֣ר
(veamar)
en zei
לְדָנִיֵּ֔אל
(ledaniyel)
tegen Daniël
אֱלָהָ֗ךְ
(elahakh)
jouw Elohim
דִּ֣י
(di)
die
אַ֤נְתְּ
(ant)
jij
פָּֽלַֽח
(palach)
dient
לֵהּ֙
(leh)
Hem
בִּתְדִירָ֔א
(bitdira)
voortdurend
ה֖וּא
(hu)
Hij
יְשֵׁיזְבִנָּֽךְ
(yesheizevinakh)
zal je redden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De koning spreekt Daniël aan met ‘je’ en ‘jouw’.
Hij spreekt over de Elohim van Daniël als over een vreemde Elohim; hij noemt Hem niet ‘mijn Elohim’.
18Er werd een steen gebracht en op de opening van de kuil gelegd. De koning verzegelde hem met zijn zegelring en met de zegelring van zijn edelen, zodat er niets zou veranderen ten aanzien van Daniël.
וְהֵיתָ֨יִת֙
(veheitayit)
en werd gebracht
אֶ֣בֶן
(even)
een steen
חֲדָ֔ה
(chada)
een
וְשֻׂמַ֖ת
(vesumat)
en werd gelegd
עַל
(al)
op
פֻּ֣ם
(pum)
de opening van
גֻּבָּ֑א
(guba)
de kuil
וְחַתְמַ֨הּ
(vechatmah)
en verzegelde haar
מַלְכָּ֜א
(malka)
de koning
בְּעִזְקְתֵ֗הּ
(beizqeteh)
met zijn zegelring
וּבְעִזְקָת֙
(uveizqat)
en met de zegelring van
רַבְרְבָנ֔וֹהִי
(ravrevanohi)
zijn edelen
דִּ֛י
(di)
opdat
לָא
(la)
niet
תִשְׁנֵ֥א
(tishne)
zou veranderen
צְב֖וּ
(tsevu)
de wens
בְּדָנִיֵּֽאל
(bedaniyel)
ten aanzien van Daniël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עִזְקָה (izqah), ‘zegelring’: de koning en zijn edelen verzegelen de steen.
Zo kan niemand de steen wegnemen zonder dat de koning het merkt.
21Toen hij de kuil naderde, riep hij Daniël met bedroefde stem. De koning antwoordde en zei tegen Daniël: „Daniël, knecht van de levende Elohim, heeft jouw Elohim, die jij voortdurend dient, je kunnen redden van de leeuwen?”
וּכְמִקְרְבֵ֣הּ
(ukhemiqreveh)
en toen hij naderde
לְגֻבָּ֔א
(leguba)
de kuil
לְדָ֣נִיֵּ֔אל
(ledaniyel)
naar Daniël
בְּקָ֥ל
(beqal)
met stem
עֲצִ֖יב
(atsiv)
bedroefde
זְעִ֑ק
(zeiq)
riep hij
עָנֵ֨ה
(ane)
antwoordde
מַלְכָּ֜א
(malka)
de koning
וְאָמַ֣ר
(veamar)
en zei
לְדָנִיֵּ֗אל
(ledaniyel)
tegen Daniël
דָּֽנִיֵּאל֙
(daniyel)
Daniël
עֲבֵד֙
(aved)
knecht van
אֱלָהָ֣א
(elaha)
Elohim
חַיָּ֔א
(chaya)
de levende
אֱלָהָ֗ךְ
(elahakh)
jouw Elohim
דִּ֣י
(di)
die
אַ֤נְתְּ
(ant)
jij
פָּֽלַֽח
(palach)
dient
לֵהּ֙
(leh)
Hem
בִּתְדִירָ֔א
(bitdira)
voortdurend
הַיְכִ֥ל
(haykhil)
heeft kunnen
לְשֵׁיזָבוּתָ֖ךְ
(lesheizavutakh)
je te redden
מִן
(min)
van
אַרְיָוָתָֽא
(aryavata)
de leeuwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱלָהָא חַיָּא (elaha chayya), ‘de levende Elohim’: zie ook 4:31 (NL 4:34) en 6:27 (NL 6:26).
עֶבֶד (eved), ‘knecht’: de koning noemt Daniël ‘knecht van de levende Elohim’. Dat woord gebruikt Daniël zelf niet. Zo ook in 3:26 en 3:28.
23Mijn Elohim heeft Zijn engel gestuurd en de bek van de leeuwen gesloten. Zij hebben mij niet geschaad, omdat ik onschuldig bevonden ben voor Hem. Ook tegenover u, koning, heb ik geen kwaad gedaan.”
אֱלָהִ֞י
(elahi)
mijn Elohim
שְׁלַ֣ח
(shelach)
heeft gestuurd
מַלְאֲכֵ֗הּ
(malakheh)
Zijn engel
וּֽסֲגַ֛ר
(usagar)
en heeft gesloten
פֻּ֥ם
(pum)
de bek van
אַרְיָוָתָ֖א
(aryavata)
de leeuwen
וְלָ֣א
(vela)
en niet
חַבְּל֑וּנִי
(chabeluni)
hebben zij mij geschaad
כָּל
(kal)
alles
קֳבֵ֗ל
(qovel)
tegenover
דִּ֤י
(di)
dat
קָֽדָמ֨וֹהִי֙
(qadamohi)
voor Hem
זָכוּ֙
(zakhu)
onschuld
הִשְׁתְּכַ֣חַת
(hishtekhachat)
werd gevonden
לִ֔י
(li)
bij mij
וְאַ֤ף
(veaf)
en ook
קָֽדָמָךְ֙
(qadamakh)
voor u
מַלְכָּ֔א
(malka)
koning
חֲבוּלָ֖ה
(chavula)
kwaad
לָ֥א
(la)
niet
עַבְדֵֽת
(avdet)
heb ik gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַלְאָךְ (mal’akh), ‘engel’: Elohim stuurt Zijn engel.
Zie ook 3:28.
זָכוּ (zakhu), ‘onschuld’: zuiverheid, gerechtigheid. Daniël is onschuldig bevonden ‘voor Hem’ (Elohim) en ook voor de koning.
24Toen was de koning zeer blij over hem en gaf bevel Daniël uit de kuil op te halen. Daniël werd uit de kuil gehaald en er werd geen enkele verwonding aan hem gevonden, omdat hij op zijn Elohim had vertrouwd.
בֵּאדַ֣יִן
(bedayin)
toen
מַלְכָּ֗א
(malka)
de koning
שַׂגִּיא֙
(sagi)
zeer
טְאֵ֣ב
(teev)
was blij
עֲל֔וֹהִי
(alohi)
over hem
וּלְדָ֣נִיֵּ֔אל
(uledaniyel)
en Daniël
אֲמַ֖ר
(amar)
gaf bevel
לְהַנְסָקָ֣ה
(lehansaqa)
om hem op te halen
מִן
(min)
uit
גֻּבָּ֑א
(guba)
de kuil
וְהֻסַּ֨ק
(vehusaq)
en werd opgehaald
דָּנִיֵּ֜אל
(daniyel)
Daniël
מִן
(min)
uit
גֻּבָּ֗א
(guba)
de kuil
וְכָל
(vekhal)
en enige
חֲבָל֙
(chaval)
verwonding
לָא
(la)
niet
הִשְׁתְּכַ֣ח
(hishtekhach)
werd gevonden
בֵּ֔הּ
(beh)
aan hem
דִּ֖י
(di)
omdat
הֵימִ֥ן
(heimin)
hij had vertrouwd
בֵּאלָהֵֽהּ
(belaheh)
op zijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25De koning gaf bevel, en men bracht die mannen die Daniël hadden belasterd. Zij werden in de leeuwenkuil geworpen, zij, hun zonen en hun vrouwen. Voordat zij de bodem van de kuil bereikten, hadden de leeuwen hen overmeesterd en al hun botten vermorzeld.
וַאֲמַ֣ר
(vaamar)
en gaf bevel
מַלְכָּ֗א
(malka)
de koning
וְהַיְתִ֞יו
(vehaytiv)
en zij brachten
גֻּבְרַיָּ֤א
(guvraya)
mannen
אִלֵּךְ֙
(ilekh)
die
דִּֽי
(di)
die
אֲכַ֤לוּ
(akhalu)
hadden gegeten
קַרְצ֨וֹהִי֙
(qartsohi)
zijn stukken
דִּ֣י
(di)
van
דָֽנִיֵּ֔אל
(daniyel)
Daniël
וּלְגֹ֤ב
(ulegov)
en in de kuil van
אַרְיָוָתָא֙
(aryavata)
de leeuwen
רְמ֔וֹ
(remo)
wierpen zij
אִנּ֖וּן
(inun)
hen
בְּנֵיה֣וֹן
(beneihon)
hun zonen
וּנְשֵׁיה֑וֹן
(unesheihon)
en hun vrouwen
וְלָֽא
(vela)
en niet
מְט֞וֹ
(meto)
bereikten zij
לְאַרְעִ֣ית
(learit)
de bodem van
גֻּבָּ֗א
(guba)
de kuil
עַ֠ד
(ad)
voordat
דִּֽי
(di)
dat
שְׁלִ֤טֽוּ
(shelitu)
overmeesterden
בְהוֹן֙
(behon)
hen
אַרְיָ֣וָתָ֔א
(aryavata)
de leeuwen
וְכָל
(vekhal)
en alle
גַּרְמֵיה֖וֹן
(garmeihon)
hun botten
הַדִּֽקוּ
(hadiqu)
vermorzelden zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲכַלוּ קַרְצוֹהִי דִּי דָנִיֵּאל (akhalu qartsohi di Daniyyel), ‘die Daniël hadden belasterd’: letterlijk ‘die de stukken van Daniël hadden gegeten’.
Dit is een Aramese uitdrukking voor ‘iemand beschuldigen, belasteren’.
De straf voor de aanklagers treft ook hun zonen en vrouwen. De tekst geeft geen verdere uitleg.
27Van mij is een bevel uitgevaardigd. In heel het gebied van mijn koninkrijk moeten mensen beven en vrezen voor het aangezicht van de Elohim van Daniël. Want Hij is de levende Elohim en bestaat voor eeuwig. Zijn koninkrijk wordt niet vernietigd en Zijn heerschappij duurt tot het einde.
מִן
(min)
van
קֳדָמַי֮
(qodamay)
mij
שִׂ֣ים
(sim)
is gesteld
טְעֵם֒
(teem)
een bevel
דִּ֣י
(di)
dat
בְּכָל
(bekhal)
in heel
שָׁלְטָ֣ן
(shaletan)
het gebied van
מַלְכוּתִ֗י
(malkhuti)
mijn koninkrijk
לֶהֱוֺ֤ן
(lehevon)
zij zijn
זָיְעִין֙
(zayein)
bevend
וְדָ֣חֲלִ֔ין
(vedachalin)
en vrezend
מִן
(min)
voor
קֳדָ֖ם
(qodam)
het aangezicht van
אֱלָהֵ֣הּ
(elaheh)
de Elohim
דִּי
(di)
van
דָֽנִיֵּ֑אל
(daniyel)
Daniël
דִּי
(di)
want
ה֣וּא
(hu)
Hij
אֱלָהָ֣א
(elaha)
Elohim
חַיָּ֗א
(chaya)
de levende
וְקַיָּם֙
(veqayam)
en bestaand
לְעָ֣לְמִ֔ין
(lealemin)
voor eeuwig
וּמַלְכוּתֵהּ֙
(umalkhuteh)
en Zijn koninkrijk
דִּֽי
(di)
dat
לָ֣א
(la)
niet
תִתְחַבַּ֔ל
(titchabal)
wordt vernietigd
וְשָׁלְטָנֵ֖הּ
(veshaletaneh)
en Zijn heerschappij
עַד
(ad)
tot
סוֹפָֽא
(sofa)
het einde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)