Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
David vlucht naar Nob
1David stond op en vertrok. Jonatan ging de stad in.
וַיָּ֖קָם
(vayaqam)
en hij stond op
וַיֵּלַ֑ךְ
(vayelakh)
en hij ging
וִיהוֹנָתָ֖ן
(vihonatan)
en Jonatan
בָּ֥א
(ba)
kwam
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De Hebreeuwse telling loopt hier anders dan de Nederlandse.
Wat in Nederlandse Bijbels 1 Sam. 20:42b is, is hier vers 1.
Daarom is 1 Sam. 21:2–16 gelijk aan Nederlands 21:1–15.
3David zei tegen de priester Achimelech: „De koning heeft mij een opdracht gegeven. Hij zei tegen mij: ‘Niemand mag iets weten van de zaak waarvoor ik je stuur en die ik je heb opgedragen.’ De jongens heb ik naar die en die plaats laten gaan.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֜ד
(david)
David
לַאֲחִימֶ֣לֶךְ
(laachimelekh)
tegen Achimelech
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
הַמֶּלֶךְ֮
(hamelekh)
de koning
צִוַּ֣נִי
(tsivani)
heeft mij geboden
דָבָר֒
(davar)
een zaak
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֗י
(elay)
tegen mij
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
אַל
(al)
niet
יֵ֧דַע
(yeda)
laat hem weten
מְא֛וּמָה
(meuma)
iets
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֛ר
(hadavar)
de zaak
אֲשֶׁר
(asher)
waarvoor
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
שֹׁלֵֽחֲךָ֖
(sholechakha)
ik stuur je
וַאֲשֶׁ֣ר
(vaasher)
en waarvoor
צִוִּיתִ֑ךָ
(tsivitikha)
ik heb je geboden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנְּעָרִ֣ים
(hanearim)
de jongens
יוֹדַ֔עְתִּי
(yodati)
ik heb bekendgemaakt
אֶל
(el)
naar
מְק֥וֹם
(meqom)
een plaats
פְּלֹנִ֖י
(peloni)
die-en-die
אַלְמוֹנִֽי
(almoni)
zo-en-zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
David zegt dat de koning hem een opdracht heeft gegeven.
Dat staat nergens in het verhaal.
David verbergt dat hij voor Saul op de vlucht is (vers 11).
Lezing
יוֹדַעְתִּי (jodati) betekent letterlijk ‘ik heb bekendgemaakt’.
Wij vertalen: David heeft de jongens laten weten waar zij moeten zijn.
5De priester antwoordde David: „Ik heb geen gewoon brood bij de hand. Er is alleen heilig brood, als de jongens zich tenminste van vrouwen hebben onthouden.”
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
הַכֹּהֵ֤ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִד֙
(david)
David
וַיֹּ֔אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵֽין
(ein)
geen
לֶ֥חֶם
(lechem)
brood
חֹ֖ל
(chol)
gewoon
אֶל
(el)
bij
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
יָדִ֑י
(yadi)
mijn hand
כִּֽי
(ki)
want
אִם
(im)
tenzij
לֶ֤חֶם
(lechem)
brood
קֹ֨דֶשׁ֙
(qodesh)
heilig
יֵ֔שׁ
(yesh)
er is
אִם
(im)
als
נִשְׁמְר֥וּ
(nishmeru)
zij zich hebben onthouden
הַנְּעָרִ֖ים
(hanearim)
de jongens
אַ֥ךְ
(akh)
alleen
מֵאִשָּֽׁה
(meisha)
van een vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָל (chol), ‘gewoon’, is het tegenovergestelde van קֹדֶשׁ (qodesh), ‘heilig’.
Het heilige brood is het toonbrood (vers 7).
Volgens Lev. 24:9 mogen alleen Aäron en zijn zonen het eten, op een heilige plaats.
Wie een zaadlozing had, was onrein tot de avond (Lev. 15:18). Dat verklaart de vraag over de jongens.
6David antwoordde de priester: „Zeker, vrouwen zijn bij ons weggehouden, zoals altijd wanneer ik uittrek. De uitrusting van de jongens is heilig, ook al is het een gewone reis. Hoeveel te meer zal zij vandaag heilig zijn door de uitrusting.”
וַיַּעַן֩
(vayaan)
en hij antwoordde
דָּוִ֨ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֗וֹ
(lo)
tegen hem
כִּ֣י
(ki)
ja
אִם
(im)
zeker
אִשָּׁ֤ה
(isha)
een vrouw
עֲצֻֽרָה
(atsura)
is tegengehouden
לָ֨נוּ֙
(lanu)
voor ons
כִּתְמ֣וֹל
(kitmol)
zoals gisteren
שִׁלְשֹׁ֔ם
(shilshom)
eergisteren
בְּצֵאתִ֕י
(betseti)
bij mijn uittrekken
וַיִּהְי֥וּ
(vayihyu)
en zij werden
כְלֵֽי
(kelei)
de uitrusting van
הַנְּעָרִ֖ים
(hanearim)
de jongens
קֹ֑דֶשׁ
(qodesh)
heilig
וְהוּא֙
(vehu)
en het
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
een reis
חֹ֔ל
(chol)
gewoon
וְאַ֕ף
(veaf)
hoeveel
כִּ֥י
(ki)
te meer
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
יִקְדַּ֥שׁ
(yiqdash)
zal geheiligd worden
בַּכֶּֽלִי
(bakeli)
in de uitrusting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כֵּלִי (keli) is ‘gereedschap, vat, uitrusting’.
Het kan hier de wapens en bagage van de jongens zijn, of hun lichaam.
Lezing
De laatste zin is in het Hebreeuws kort en moeilijk: ‘hoeveel te meer zal het vandaag geheiligd worden in het gereedschap’.
Wij vertalen: de uitrusting van de jongens is heilig, dus het brood kan ook heilig zijn.
7De priester gaf hem het heilige brood. Er was daar namelijk geen ander brood dan het toonbrood. Dat was voor het aangezicht van Yahweh weggenomen. Men legde warm brood neer op de dag dat het werd weggenomen.
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij gaf
ל֥וֹ
(lo)
hem
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
קֹ֑דֶשׁ
(qodesh)
heilig
כִּי֩
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
הָ֨יָה
(haya)
was
שָׁ֜ם
(sham)
daar
לֶ֗חֶם
(lechem)
brood
כִּֽי
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
לֶ֤חֶם
(lechem)
brood van
הַפָּנִים֙
(hapanim)
het aangezicht
הַמּֽוּסָרִים֙
(hamusarim)
dat werd weggenomen
מִלִּפְנֵ֣י
(milifnei)
van voor
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לָשׂוּם֙
(lasum)
om neer te leggen
לֶ֣חֶם
(lechem)
brood
חֹ֔ם
(chom)
warm
בְּי֖וֹם
(beyom)
op de dag
הִלָּקְחֽוֹ
(hilaqecho)
dat het werd weggenomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לֶחֶם הַפָּנִים (lechem hapanim), ‘brood van het aangezicht’, is het toonbrood: twaalf koeken die elke sabbat vers op de tafel worden gelegd (Lev. 24:5–9; Exod. 25:30).
8Daar was die dag ook een man uit de dienst van Saul. Hij werd vastgehouden voor het aangezicht van Yahweh. Zijn naam was Doëg, de Edomiet, de voornaamste van de herders van Saul.
וְשָׁ֡ם
(vesham)
en daar
אִישׁ֩
(ish)
een man
מֵעַבְדֵ֨י
(meavdei)
van de dienaren van
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
נֶעְצָר֙
(netsar)
vastgehouden
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּשְׁמ֖וֹ
(ushemo)
en zijn naam
דֹּאֵ֣ג
(doeg)
Doëg
הָאֲדֹמִ֑י
(haadomi)
de Edomiet
אַבִּ֥יר
(abir)
de voornaamste van
הָרֹעִ֖ים
(haroim)
de herders
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לְשָׁאֽוּל
(leshaul)
van Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶעְצָר (ne'etsar), ‘vastgehouden’: de reden staat er niet bij.
Misschien was hij gebonden aan een gelofte, een reiniging of een zaak voor de heilige plaats.
Wij laten het open.
דֹּאֵג (Do'eg), de Edomiet, speelt in 1 Sam. 22:9–19 een grote rol.
9David zei tegen Achimelech: „Is er hier bij de hand niet een speer of een zwaard? Ik heb mijn eigen zwaard en mijn wapens niet meegenomen, want de opdracht van de koning was dringend.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִד֙
(david)
David
לַאֲחִימֶ֔לֶךְ
(laachimelekh)
tegen Achimelech
וְאִ֛ין
(vein)
en niet
יֶשׁ
(yesh)
er is
פֹּ֥ה
(po)
hier
תַֽחַת
(tachat)
onder
יָדְךָ֖
(yadekha)
je hand
חֲנִ֣ית
(chanit)
speer
אוֹ
(o)
of
חָ֑רֶב
(charev)
zwaard
כִּ֣י
(ki)
want
גַם
(gam)
ook
חַרְבִּ֤י
(charbi)
mijn zwaard
וְגַם
(vegam)
en ook
כֵּלַי֙
(kelay)
mijn wapens
לֹֽא
(lo)
niet
לָקַ֣חְתִּי
(laqachti)
ik heb genomen
בְיָדִ֔י
(beyadi)
in mijn hand
כִּֽי
(ki)
want
הָיָ֥ה
(haya)
was
דְבַר
(devar)
de zaak van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
נָחֽוּץ
(nachuts)
dringend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כֵּלִי (keli) is hier ‘wapens’.
David zegt dat hij haast had.
10De priester zei: „Het zwaard van Goliat, de Filistijn, die je in het dal van Ela hebt verslagen. Zie, het ligt in een kleed gewikkeld, achter de efod. Wil je het nemen, neem het dan. Er is hier geen ander behalve dat.” David zei: „Er is er geen zoals dat. Geef het mij.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
חֶרֶב֩
(cherev)
het zwaard van
גָּלְיָ֨ת
(galeyat)
Goliat
הַפְּלִשְׁתִּ֜י
(hapelishti)
de Filistijn
אֲשֶׁר
(asher)
die
הִכִּ֣יתָ
(hikita)
jij hebt verslagen
בְּעֵ֣מֶק
(beemeq)
in het dal
הָאֵלָ֗ה
(haela)
Ela
הִנֵּה
(hine)
zie
הִ֞יא
(hi)
het
לוּטָ֣ה
(luta)
is gewikkeld
בַשִּׂמְלָה֮
(basimla)
in een kleed
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
הָאֵפוֹד֒
(haefod)
de efod
אִם
(im)
als
אֹתָ֤הּ
(otah)
jij
תִּֽקַּח
(tiqach)
het wilt nemen
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
קָ֔ח
(qach)
neem
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
niet is
אַחֶ֛רֶת
(acheret)
een ander
זוּלָתָ֖הּ
(zulatah)
behalve het
בָּזֶ֑ה
(baze)
hier
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֛ד
(david)
David
אֵ֥ין
(ein)
niet is
כָּמ֖וֹהָ
(kamoha)
zoals het
תְּנֶ֥נָּה
(tenena)
geef het
לִּֽי
(li)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Het dal van Ela (emeq ha'Elah) ligt in de Sefela, bij het huidige Wadi es-Sant, ten westen van Betlehem (Israël).
Zie 1 Sam. 17:2.
Zie Dal van Ela: Het dal van Ela (Wadi es-Sant) ligt in de Sefela, ten westen van Betlehem.
Uitleg
אֵפוֹד (efod): een priesterkleed (Exod. 28:6–14).
Het zwaard van Goliat ligt hier bewaard in de heilige plaats, achter dat kleed.
12De dienaren van Achis zeiden tegen hem: „Is dit niet David, de koning van het land? Zingen zij niet over hem in de rondedansen: ‘Saul heeft zijn duizenden verslagen, en David zijn tienduizenden’?”
וַיֹּ֨אמְר֜וּ
(vayomru)
en zij zeiden
עַבְדֵ֤י
(avdei)
de dienaren van
אָכִישׁ֙
(akhish)
Achis
אֵלָ֔יו
(elav)
tegen hem
הֲלוֹא
(halo)
is niet
זֶ֥ה
(ze)
dit
דָוִ֖ד
(david)
David
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
הֲל֣וֹא
(halo)
is niet
לָזֶ֗ה
(laze)
over dit
יַעֲנ֤וּ
(yaanu)
zij zongen
בַמְּחֹלוֹת֙
(bamecholot)
in de rondedansen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הִכָּ֤ה
(hika)
verslagen heeft
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
בַּאֲלָפָ֔יו
(baalafav)
in zijn duizenden
וְדָוִ֖ד
(vedavid)
en David
בְּרִבְבֹתָֽיו
(berivvotav)
in zijn tienduizenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Hij veranderde zijn gedrag in hun ogen. Hij gedroeg zich als een gek, in hun handen. Hij krabbelde op de deuren van de poort. Hij liet zijn speeksel in zijn baard lopen.
וַיְשַׁנּ֤וֹ
(vayshano)
en hij veranderde
אֶת
(et)
(obj.)
טַעְמוֹ֙
(tamo)
zijn gedrag
בְּעֵ֣ינֵיהֶ֔ם
(beeineihem)
in hun ogen
וַיִּתְהֹלֵ֖ל
(vayitholel)
en hij gedroeg zich als gek
בְּיָדָ֑ם
(beyadam)
in hun hand
וַיְתָיו֙
(vaytav)
en hij krabbelde
עַל
(al)
op
דַּלְת֣וֹת
(daltot)
deuren van
הַשַּׁ֔עַר
(hashaar)
de poort
וַיּ֥וֹרֶד
(vayored)
en hij liet lopen
רִיר֖וֹ
(riro)
zijn speeksel
אֶל
(el)
op
זְקָנֽוֹ
(zeqano)
zijn baard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gat was een Filistijnse stad; waarschijnlijk Tel es-Safi (Israël).
Uitleg
‘In hun handen’ is: onder hun bereik, terwijl zij hem vasthielden.
Het opschrift van Psalm 34 verwijst naar deze gebeurtenis en noemt de koning Abimelech.
Lezing
Het woord ‘hij krabbelde’ (vayyatav) wordt anders gelezen dan het geschreven staat.