Elohim Bijbel

1 Koningen 14

12345678910111213141516171819202122

Achia’s oordeel over het huis van Jerobeam

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De zoon van Jerobeam wordt ziek

1In die tijd werd Abia, de zoon van Jerobeam, ziek.
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֔יא
(hahi)
die
חָלָ֖ה
(chala)
werd ziek
אֲבִיָּ֥ה
(aviya)
Abia
בֶן
(ben)
zoon van
יָרָבְעָֽם
(yaraveam)
Jerobeam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲבִיָּה (Aviyyah), ‘Abia’: de zoon van Jerobeam.

Niet te verwarren met Abijam, de zoon van Rechabeam (14:31).

2Jerobeam zei tegen zijn vrouw: „Sta toch op en vermom je, zodat men niet weet dat jij de vrouw van Jerobeam bent. Ga naar Silo. Zie, daar is Achia, de profeet. Hij heeft over mij gesproken: ik zou koning worden over dit volk.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יָרָבְעָ֜ם
(yaraveam)
Jerobeam
לְאִשְׁתּ֗וֹ
(leishto)
tot zijn vrouw
ק֤וּמִי
(qumi)
sta op
נָא֙
(na)
toch
וְהִשְׁתַּנִּ֔ית
(vehishtanit)
en vermom je
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יֵֽדְע֔וּ
(yedeu)
zullen weten
כִּי
(ki)
dat
אַ֖תְּ
(at)
jij
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
יָרָבְעָ֑ם
(yaraveam)
Jerobeam
וְהָלַ֣כְתְּ
(vehalakht)
en ga
שִׁלֹ֗ה
(shilo)
naar Silo
הִנֵּה
(hine)
zie
שָׁם֙
(sham)
daar
אֲחִיָּ֣ה
(achiya)
Achia
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
הֽוּא
(hu)
hij
דִבֶּ֥ר
(diber)
sprak
עָלַ֛י
(alay)
over mij
לְמֶ֖לֶךְ
(lemelekh)
als koning
עַל
(al)
over
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Silo (שִׁלוֹ) lag bij het huidige Khirbet Seilun, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem, op de Westelijke Jordaanoever.

Zie 11:29–39 voor Achia.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft אַתִּי (atti), ‘jij’ in een oude vorm.

De voorgelezen tekst (qere) heeft אַתְּ (att), ‘jij’.

De betekenis is gelijk.

Wij volgen de qere.

3Neem tien broden mee, en koeken en een kruik honing, en ga naar hem toe. Hij zal je vertellen wat er met de jongen zal gebeuren.”
וְלָקַ֣חַתְּ
(velaqachat)
en neem
בְּ֠יָדֵךְ
(beyadekh)
in je hand
עֲשָׂרָ֨ה
(asara)
tien
לֶ֧חֶם
(lechem)
broden
וְנִקֻּדִ֛ים
(veniqudim)
en koeken
וּבַקְבֻּ֥ק
(uvaqbuq)
en een kruik van
דְּבַ֖שׁ
(devash)
honing
וּבָ֣את
(uvat)
en ga
אֵלָ֑יו
(elav)
naar hem
ה֚וּא
(hu)
hij
יַגִּ֣יד
(yagid)
zal vertellen
לָ֔ךְ
(lakh)
aan jou
מַה
(ma)
wat
יִּֽהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
לַנָּֽעַר
(lanaar)
met de jongen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִקֻּדִים (niqqudim), ‘koeken’: kleine droge broodjes of koekjes.

בַּקְבֻּק (baqbuq), ‘kruik’: een kleine kruik.

Het is een kleine gave, geen gave van een koning.

4De vrouw van Jerobeam deed zo. Zij stond op, ging naar Silo en kwam in het huis van Achia. Achia kon niet zien, want zijn ogen stonden stil door zijn ouderdom.
וַתַּ֤עַשׂ
(vataas)
en deed
כֵּן֙
(ken)
zo
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
יָרָבְעָ֔ם
(yaraveam)
Jerobeam
וַתָּ֨קָם֙
(vataqam)
en stond op
וַתֵּ֣לֶךְ
(vatelekh)
en ging
שִׁלֹ֔ה
(shilo)
naar Silo
וַתָּבֹ֖א
(vatavo)
en kwam
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
אֲחִיָּ֑ה
(achiya)
Achia
וַאֲחִיָּ֨הוּ֙
(vaachiyahu)
en Achia
לֹֽא
(lo)
niet
יָכֹ֣ל
(yakhol)
kon
לִרְא֔וֹת
(lirot)
zien
כִּ֛י
(ki)
want
קָ֥מוּ
(qamu)
stonden stil
עֵינָ֖יו
(einav)
zijn ogen
מִשֵּׂיבֽוֹ
(miseivo)
vanwege zijn ouderdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

קָמוּ עֵינָיו (qamu enav), ‘zijn ogen stonden stil’: zijn ogen konden niets meer volgen.

Vergelijk 1 Sam. 4:15.

Yahweh waarschuwt Achia

5Yahweh had tegen Achia gezegd: „Zie, de vrouw van Jerobeam komt om een woord van je te vragen over haar zoon, want hij is ziek. Zo en zo moet je tot haar spreken. Wanneer zij binnenkomt, zal zij zich anders voordoen.”
וַיהוָ֞ה
(vaYahweh)
en Yahweh
אָמַ֣ר
(amar)
had gezegd
אֶל
(el)
tot
אֲחִיָּ֗הוּ
(achiyahu)
Achia
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
יָרָבְעָ֡ם
(yaraveam)
Jerobeam
בָּאָ֣ה
(baa)
komt
לִדְרֹשׁ֩
(lidrosh)
om te vragen
דָּבָ֨ר
(davar)
woord
מֵעִמְּךָ֤
(meimekha)
van bij jou
אֶל
(el)
over
בְּנָהּ֙
(benah)
haar zoon
כִּֽי
(ki)
want
חֹלֶ֣ה
(chole)
ziek
ה֔וּא
(hu)
hij
כָּזֹ֥ה
(kazo)
zus
וְכָזֶ֖ה
(vekhaze)
en zo
תְּדַבֵּ֣ר
(tedaber)
je zult spreken
אֵלֶ֑יהָ
(eleiha)
tot haar
וִיהִ֣י
(vihi)
en het zal zijn
כְבֹאָ֔הּ
(kevoah)
als zij komt
וְהִ֖יא
(vehi)
en zij
מִתְנַכֵּרָֽה
(mitnakera)
zich anders voordoend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit zijn de woorden van Yahweh Zelf aan Achia.

Wij zetten ze in rood.

Yahweh spreekt hier rechtstreeks tegen Achia.

מִתְנַכֵּרָה (mitnakkerah), ‘zich als een vreemde voordoen’: zij verbergt wie zij is.

Achia’s woord tegen Jerobeam

6Toen Achia het geluid van haar voeten hoorde, terwijl zij door de deur kwam, zei hij: „Kom binnen, vrouw van Jerobeam. Waarom doe je je anders voor? Ik ben met een harde boodschap naar je toe gestuurd.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
כִשְׁמֹ֨עַ
(kishmoa)
toen hoorde
אֲחִיָּ֜הוּ
(achiyahu)
Achia
אֶת
(et)
(obj.)
ק֤וֹל
(qol)
geluid van
רַגְלֶ֨יהָ֙
(ragleiha)
haar voeten
בָּאָ֣ה
(baa)
komend
בַפֶּ֔תַח
(bapetach)
in de deur
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
בֹּ֖אִי
(boi)
kom binnen
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
יָרָבְעָ֑ם
(yaraveam)
Jerobeam
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
זֶּ֗ה
(ze)
dit
אַ֚תְּ
(at)
jij
מִתְנַכֵּרָ֔ה
(mitnakera)
je doet je anders voor
וְאָ֣נֹכִ֔י
(veanokhi)
en ik
שָׁל֥וּחַ
(shaluach)
gestuurd
אֵלַ֖יִךְ
(elayikh)
naar jou
קָשָֽׁה
(qasha)
hard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָשָׁה (qashah), ‘hard’: een harde boodschap.

De profeet is blind, maar Yahweh heeft hem laten weten wie er komt.

7Ga, zeg tegen Jerobeam: ‘Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: Omdat Ik jou uit het midden van het volk verhoogd heb en je tot leider over Mijn volk Israël heb gemaakt,
לְכִ֞י
(lekhi)
ga
אִמְרִ֣י
(imri)
zeg
לְיָרָבְעָ֗ם
(leyaraveam)
tegen Jerobeam
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
יַ֛עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
הֲרִימֹתִ֖יךָ
(harimotikha)
Ik heb verhoogd jou
מִתּ֣וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וָאֶתֶּנְךָ֣
(vaetenkha)
en Ik heb gemaakt jou
נָגִ֔יד
(nagid)
leider
עַ֖ל
(al)
over
עַמִּ֥י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָגִיד (nagid), ‘leider’: een woord dat Yahweh ook voor Saul en David gebruikt (1 Sam. 9:16; 2 Sam. 7:8).

Hier eindigt het citaat van Yahweh pas in vers 16; wij zetten het in zwart met enkele aanhalingstekens, omdat Achia Yahweh citeert.

8heb Ik het koninkrijk weggescheurd van het huis van David en aan jou gegeven. Maar jij was niet zoals Mijn dienaar David. Hij hield Mijn geboden, volgde Mij met heel zijn hart en deed alleen wat recht was in Mijn ogen.
וָאֶקְרַ֤ע
(vaeqra)
en Ik scheurde
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּמְלָכָה֙
(hamamlakha)
het koninkrijk
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
van het huis van
דָּוִ֔ד
(david)
David
וָאֶתְּנֶ֖הָ
(vaeteneha)
en gaf het
לָ֑ךְ
(lakh)
aan jou
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הָיִ֜יתָ
(hayita)
was je
כְּעַבְדִּ֣י
(keavdi)
zoals Mijn dienaar
דָוִ֗ד
(david)
David
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
שָׁמַ֨ר
(shamar)
hield
מִצְוֺתַ֜י
(mitsvotay)
Mijn geboden
וַאֲשֶׁר
(vaasher)
en die
הָלַ֤ךְ
(halakh)
ging
אַחֲרַי֙
(acharay)
achter Mij
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לְבָב֔וֹ
(levavo)
zijn hart
לַעֲשׂ֕וֹת
(laasot)
om te doen
רַ֖ק
(raq)
alleen
הַיָּשָׁ֥ר
(hayashar)
wat recht is
בְּעֵינָֽי
(beeinay)
in Mijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De woorden over het uitscheuren van het koninkrijk herhalen 11:11–13 en 11:31–39.

Zie ook 12:15.

9Jij hebt meer kwaad gedaan dan allen die voor jou waren. Je bent heengegaan en hebt voor jezelf andere goden gemaakt, en gegoten beelden, om Mij tot toorn te prikkelen. Mij heb je achter je rug geworpen.
וַתָּ֣רַע
(vatara)
en je deed kwaad
לַעֲשׂ֔וֹת
(laasot)
om te doen
מִכֹּ֖ל
(mikol)
meer dan allen
אֲשֶׁר
(asher)
die
הָי֣וּ
(hayu)
waren
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor jou
וַתֵּ֡לֶךְ
(vatelekh)
en je ging
וַתַּעֲשֶׂה
(vataase)
en je maakte
לְּךָ֩
(lekha)
voor jezelf
אֱלֹהִ֨ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֤ים
(acherim)
andere
וּמַסֵּכוֹת֙
(umasekhot)
en gegoten beelden
לְהַכְעִיסֵ֔נִי
(lehakhiseni)
om Mij te tergen
וְאֹתִ֥י
(veoti)
en Mij
הִשְׁלַ֖כְתָּ
(hishlakhta)
je wierp
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
גַוֶּֽךָ
(gavekha)
je rug
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַסֵּכוֹת (massekhot), ‘gegoten beelden’: beelden van gesmolten metaal.

Het kan verwijzen naar de gouden kalveren (12:28).

Zie ook Exod. 32:4.

שָׁלַךְ אַחֲרֵי גַו (shalakh achrei gav), ‘achter de rug werpen’: iemand volledig negeren. Zie ook Neh. 9:26.

10Daarom, zie, Ik breng onheil over het huis van Jerobeam. Ik roei van Jerobeam uit wie tegen de muur plast, wie opgesloten is en wie vrij is in Israël. Ik veeg het huis van Jerobeam weg, zoals men mest wegveegt tot er niets meer is.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
מֵבִ֤יא
(mevi)
breng
רָעָה֙
(raa)
onheil
אֶל
(el)
over
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יָרָבְעָ֔ם
(yaraveam)
Jerobeam
וְהִכְרַתִּ֤י
(vehikhrati)
en Ik zal uitroeien
לְיָֽרָבְעָם֙
(leyaraveam)
van Jerobeam
מַשְׁתִּ֣ין
(mashtin)
wie plast
בְּקִ֔יר
(beqir)
tegen de muur
עָצ֥וּר
(atsur)
opgesloten
וְעָז֖וּב
(veazuv)
en vrij
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
וּבִֽעַרְתִּי֙
(uviarti)
en Ik zal wegvegen
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
בֵית
(beit)
huis van
יָרָבְעָ֔ם
(yaraveam)
Jerobeam
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
יְבַעֵ֥ר
(yevaer)
men veegt weg
הַגָּלָ֖ל
(hagalal)
mest
עַד
(ad)
tot
תֻּמּֽוֹ
(tumo)
het is op
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַשְׁתִּין בְּקִיר (mashtin beqir), ‘wie tegen de muur plast’: een ruwe uitdrukking voor elke man.

Zo ook 16:11; 21:21; 2 Kon. 9:8.

עָצוּר וְעָזוּב (atsur veazuv), ‘opgesloten en vrij’: waarschijnlijk iedereen, hoog of laag. De precieze betekenis is onzeker.

גֵּלֶל (gelel), ‘mest’: afval dat wordt weggevaagd.

11Wie van Jerobeam in de stad sterft, zullen de honden opeten. Wie in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel opeten. Want Yahweh heeft het gesproken.’
הַמֵּ֨ת
(hamet)
wie sterft
לְיָֽרָבְעָ֤ם
(leyaraveam)
van Jerobeam
בָּעִיר֙
(bair)
in de stad
יֹאכְל֣וּ
(yokhlu)
zullen eten
הַכְּלָבִ֔ים
(hakelavim)
de honden
וְהַמֵּת֙
(vehamet)
en wie sterft
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
in het veld
יֹאכְל֖וּ
(yokhlu)
zullen eten
ע֣וֹף
(of)
vogel van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
כִּ֥י
(ki)
want
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבֵּֽר
(diber)
heeft gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dat de honden en de vogels de doden opeten, is een vloek uit het verbond: Deut. 28:26.

Het wordt herhaald in 16:4 en 21:24.

12Maar jij, sta op en ga naar je huis. Op het moment dat je voeten de stad binnengaan, zal het kind sterven.
וְאַ֥תְּ
(veat)
en jij
ק֖וּמִי
(qumi)
sta op
לְכִ֣י
(lekhi)
ga
לְבֵיתֵ֑ךְ
(leveitekh)
naar je huis
בְּבֹאָ֥ה
(bevoa)
bij het komen van
רַגְלַ֛יִךְ
(raglayikh)
je voeten
הָעִ֖ירָה
(haira)
naar de stad
וּמֵ֥ת
(umet)
en zal sterven
הַיָּֽלֶד
(hayaled)
het kind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Heel Israël zal om hem rouwen en hem begraven. Want alleen hij van Jerobeam zal in een graf komen. Dat is omdat in hem iets goeds is gevonden tegenover Yahweh, de Elohim van Israël, in het huis van Jerobeam.
וְסָֽפְדוּ
(vesafedu)
en zullen rouwen
ל֤וֹ
(lo)
om hem
כָל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וְקָבְר֣וּ
(veqaveru)
en zullen begraven
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
כִּֽי
(ki)
want
זֶ֣ה
(ze)
deze
לְבַדּ֔וֹ
(levado)
alleen
יָבֹ֥א
(yavo)
zal komen
לְיָרָבְעָ֖ם
(leyaraveam)
van Jerobeam
אֶל
(el)
naar
קָ֑בֶר
(qaver)
graf
יַ֣עַן
(yaan)
omdat
נִמְצָא
(nimtsa)
is gevonden
ב֞וֹ
(bo)
in hem
דָּבָ֣ר
(davar)
iets
ט֗וֹב
(tov)
goeds
אֶל
(el)
jegens
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in het huis van
יָרָבְעָֽם
(yaraveam)
Jerobeam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Yahweh zal Zich een koning over Israël laten opstaan, die het huis van Jerobeam uitroeit. Dat is de dag. En wat? Zelfs nu al.
וְהֵקִים֩
(veheqim)
en Hij zal doen opstaan
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
ל֥וֹ
(lo)
voor Zich
מֶ֨לֶךְ֙
(melekh)
koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יַכְרִ֛ית
(yakhrit)
zal uitroeien
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יָרָבְעָ֖ם
(yaraveam)
Jerobeam
זֶ֣ה
(ze)
dit
הַיּ֑וֹם
(hayom)
de dag
וּמֶ֖ה
(ume)
en wat
גַּם
(gam)
ook
עָֽתָּה
(ata)
nu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

זֶה הַיּוֹם וּמֶה גַּם עַתָּה (zeh hayyom umeh gam attah), ‘dit is de dag, en wat?

Zelfs nu al.’

De Hebreeuwse tekst is hier moeilijk.

Wij vertalen zo letterlijk mogelijk.

Sommige oude vertalingen hebben een andere lezing.

15Yahweh zal Israël slaan, zoals een riet heen en weer geschud wordt in het water. Hij zal Israël uitrukken van deze goede grond die Hij aan hun vaderen gegeven heeft. Hij zal hen verstrooien aan de overkant van de Rivier, omdat zij hun heilige palen gemaakt hebben en Yahweh tot toorn prikkelen.
וְהִכָּ֨ה
(vehika)
en zal slaan
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
יָנ֣וּד
(yanud)
heen en weer wordt geschud
הַקָּנֶה֮
(haqane)
het riet
בַּמַּיִם֒
(bamayim)
in het water
וְנָתַ֣שׁ
(venatash)
en zal uitrukken
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
מֵ֠עַל
(meal)
van op
הָאֲדָמָ֨ה
(haadama)
de grond
הַטּוֹבָ֤ה
(hatova)
de goede
הַזֹּאת֙
(hazot)
deze
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נָתַן֙
(natan)
Hij gaf
לַאֲב֣וֹתֵיהֶ֔ם
(laavoteihem)
aan hun vaderen
וְזֵרָ֖ם
(vezeram)
en zal hen verstrooien
מֵעֵ֣בֶר
(meever)
van de overkant van
לַנָּהָ֑ר
(lanahar)
de Rivier
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
עָשׂוּ֙
(asu)
zij maakten
אֶת
(et)
(obj.)
אֲשֵׁ֣רֵיהֶ֔ם
(ashereihem)
hun heilige palen
מַכְעִיסִ֖ים
(makhisim)
tergend
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.

Uitleg

הַנָּהָר (hannahar), ‘de Rivier’: de Eufraat.

Zie ook Gen. 15:18; 2 Sam. 8:3.

אֲשֵׁרִים (asherim), ‘heilige palen’: houten palen bij de hoogten. Zie bij 14:23.

הַכָּה (hikkah), ‘slaan’: Israël wordt geslagen zoals een riet door het water, dat zich niet kan vasthouden.

16Hij zal Israël prijsgeven vanwege de zonden van Jerobeam, die gezondigd heeft en Israël heeft laten zondigen.’”
וְיִתֵּ֖ן
(veyiten)
en Hij zal prijsgeven
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
בִּגְלַ֞ל
(biglal)
vanwege
חַטֹּ֤אות
(chatovt)
zonden van
יָֽרָבְעָם֙
(yaraveam)
Jerobeam
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָטָ֔א
(chata)
zondigde
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en die
הֶחֱטִ֖יא
(hecheti)
liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De jongen sterft

17De vrouw van Jerobeam stond op, ging weg en kwam in Tirza. Zij kwam op de drempel van het huis. Toen was de jongen gestorven.
וַתָּ֨קָם֙
(vataqam)
en stond op
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
יָרָבְעָ֔ם
(yaraveam)
Jerobeam
וַתֵּ֖לֶךְ
(vatelekh)
en ging
וַתָּבֹ֣א
(vatavo)
en kwam
תִרְצָ֑תָה
(tirtsata)
naar Tirza
הִ֛יא
(hi)
zij
בָּאָ֥ה
(baa)
kwam
בְסַף
(besaf)
op de drempel van
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
וְהַנַּ֥עַר
(vehanaar)
en de jongen
מֵֽת
(met)
gestorven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tirza (תִּרְצָה) lag waarschijnlijk bij Tell el-Farah (noord), ongeveer 11 km ten noordoosten van Nabloes, op de Westelijke Jordaanoever.

Het was vlak bij Sichem de hoofdstad van het noordelijke rijk tot Omri (16:23–24).

18Zij begroeven hem en heel Israël rouwde om hem. Het gebeurde volgens het woord van Yahweh dat Hij door de hand van Zijn dienaar Achia, de profeet, gesproken had.
וַיִּקְבְּר֥וּ
(vayiqberu)
en zij begroeven
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
וַיִּסְפְּדוּ
(vayispedu)
en rouwden
ל֖וֹ
(lo)
om hem
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כִּדְבַ֤ר
(kidvar)
volgens het woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֔ר
(diber)
Hij sprak
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
עַבְדּ֖וֹ
(avdo)
Zijn dienaar
אֲחִיָּ֥הוּ
(achiyahu)
Achia
הַנָּבִֽיא
(hanavi)
de profeet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het einde van Jerobeam

19Zie, de rest van de geschiedenis van Jerobeam staat opgeschreven in het dagboek van de koningen van Israël. Daar staat hoe hij oorlog voerde en hoe hij regeerde.
וְיֶ֨תֶר֙
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de geschiedenis van
יָֽרָבְעָ֔ם
(yaraveam)
Jerobeam
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
hoe
נִלְחַ֖ם
(nilcham)
hij streed
וַאֲשֶׁ֣ר
(vaasher)
en hoe
מָלָ֑ךְ
(malakh)
hij regeerde
הִנָּ֣ם
(hinam)
zie ze
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
voor de koningen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֵפֶר דִּבְרֵי הַיָּמִים (sefer divrei hayyamim), letterlijk ‘boek van de woorden van de dagen’.

Wij vertalen ‘dagboek’: een hofkroniek van de koningen van Israël.

Het is niet het bijbelboek Kronieken, dat in het Hebreeuws dezelfde naam draagt.

Deze kroniek is verloren gegaan.

20De dagen dat Jerobeam regeerde, waren 22 jaar. Hij ging liggen bij zijn vaderen. Zijn zoon Nadab werd koning in zijn plaats.
וְהַיָּמִים֙
(vehayamim)
en de dagen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
מָלַ֣ךְ
(malakh)
regeerde
יָרָבְעָ֔ם
(yaraveam)
Jerobeam
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וּשְׁתַּ֖יִם
(ushtayim)
en twee
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וַיִּשְׁכַּב֙
(vayishkav)
en hij lag
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
נָדָ֥ב
(nadav)
Nadab
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Rechabeam, koning van Juda

21Rechabeam, de zoon van Salomo, was koning in Juda. Rechabeam was 41 jaar toen hij koning werd. Hij regeerde 17 jaar in Jeruzalem, de stad die Yahweh uit alle stammen van Israël gekozen had om daar Zijn naam te vestigen. De naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonitische.
וּרְחַבְעָם֙
(urechavam)
en Rechabeam
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde
בִּֽיהוּדָ֑ה
(bihuda)
in Juda
בֶּן
(ben)
zoon van
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
וְאַחַ֣ת
(veachat)
en één
שָׁנָה֩
(shana)
jaar
רְחַבְעָ֨ם
(rechavam)
Rechabeam
בְּמָלְכ֜וֹ
(bemalekho)
bij zijn regeren
וּֽשֲׁבַ֨ע
(ushava)
en zeven
עֶשְׂרֵ֥ה
(esre)
tien
שָׁנָ֣ה
(shana)
jaar
מָלַ֣ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּירוּשָׁלִַ֗ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
הָ֠עִיר
(hair)
de stad
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּחַ֨ר
(bachar)
koos
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לָשׂ֨וּם
(lasum)
om te zetten
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֥וֹ
(shemo)
Zijn naam
שָׁם֙
(sham)
daar
מִכֹּל֙
(mikol)
uit alle
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en de naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
נַעֲמָ֖ה
(naama)
Naäma
הָעַמֹּנִֽית
(haamonit)
de Ammonitische
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jeruzalem is de stad die Yahweh heeft gekozen om Zijn naam daar te vestigen.

Zie ook Deut. 12:5, 12:11.

Uitleg

Rechabeam is 41 jaar als hij koning wordt en regeert 17 jaar.

Dit is volgens de Masoretische tekst.

נַעֲמָה (Na’amah), ‘Naäma’: een Ammonitische vrouw van Salomo. Zie ook 11:1.

22Juda deed wat slecht was in de ogen van Yahweh. Zij maakten Hem jaloers, meer dan alles wat hun vaderen gedaan hadden, met hun zonden die zij begingen.
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en deed
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
הָרַ֖ע
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיְקַנְא֣וּ
(vayqanu)
en zij maakten jaloers
אֹת֗וֹ
(oto)
Hem
מִכֹּל֙
(mikol)
meer dan alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשׂ֣וּ
(asu)
deden
אֲבֹתָ֔ם
(avotam)
hun vaderen
בְּחַטֹּאתָ֖ם
(bechatotam)
met hun zonden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
חָטָֽאוּ
(chatau)
zij zondigden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Ook zij bouwden voor zichzelf hoogten, gewijde stenen en heilige palen, op elke hoge heuvel en onder elke groene boom.
וַיִּבְנ֨וּ
(vayivnu)
en bouwden
גַם
(gam)
ook
הֵ֧מָּה
(hema)
zij
לָהֶ֛ם
(lahem)
voor zich
בָּמ֥וֹת
(bamot)
hoogten
וּמַצֵּב֖וֹת
(umatsevot)
en gewijde stenen
וַאֲשֵׁרִ֑ים
(vaasherim)
en heilige palen
עַ֚ל
(al)
op
כָּל
(kal)
elke
גִּבְעָ֣ה
(giva)
heuvel
גְבֹהָ֔ה
(gevoha)
hoge
וְתַ֖חַת
(vetachat)
en onder
כָּל
(kal)
elke
עֵ֥ץ
(ets)
boom
רַעֲנָֽן
(raanan)
groene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַצֵּבוֹת (matstsevot), ‘gewijde stenen’: rechtopstaande stenen bij heiligdommen.

Zie ook Exod. 23:24; Deut. 12:3.

24Er was ook een mannelijke tempelhoer in het land. Zij deden naar alle gruwelen van de volken die Yahweh voor de zonen van Israël had verdreven.
וְגַם
(vegam)
en ook
קָדֵ֖שׁ
(qadesh)
tempelhoer
הָיָ֣ה
(haya)
was
בָאָ֑רֶץ
(baarets)
in het land
עָשׂ֗וּ
(asu)
zij deden
כְּכֹל֙
(kekhol)
volgens alle
הַתּוֹעֲבֹ֣ת
(hatoavot)
gruwelen van
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
הוֹרִ֣ישׁ
(horish)
verdreef
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor het aangezicht van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָדֵשׁ (qadesh), ‘mannelijke tempelhoer’: van het woord ‘heilig’; een man die zijn lichaam gebruikte bij de eredienst van een afgod.

Zie ook Deut. 23:18.

De gruwelen van de volken staan in Lev. 18:24–30. Zie ook Deut. 18:9–12.

Sisak plundert Jeruzalem

25In het vijfde jaar van koning Rechabeam trok Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem.
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het was
בַּשָּׁנָ֥ה
(bashana)
in het jaar
הַחֲמִישִׁ֖ית
(hachamishit)
het vijfde
לַמֶּ֣לֶךְ
(lamelekh)
voor koning
רְחַבְעָ֑ם
(rechavam)
Rechabeam
עָלָ֛ה
(ala)
trok op
שִׁישַׁ֥ק
(shishaq)
Sisak
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
עַל
(al)
tegen
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

שִׁישַׁק (Shishaq), ‘Sisak’: farao Sjosjenq I van Egypte.

Dit gebeurde in het vijfde jaar van Rechabeam.

De Egyptische tekst op de tempel van Karnak noemt veel steden die hij innam.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft שׁוּשַׁק (Shushaq), de voorgelezen tekst (qere) heeft שִׁישַׁק (Shishaq).

Het gaat om dezelfde naam.

Wij volgen de qere.

26Hij nam de schatten van het huis van Yahweh en de schatten van het huis van de koning. Alles nam hij. Hij nam ook alle gouden schilden die Salomo gemaakt had.
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
אֹצְר֣וֹת
(otserot)
schatten van
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֽוֹצְרוֹת֙
(otserot)
schatten van
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכֹּ֖ל
(hakol)
alles
לָקָ֑ח
(laqach)
nam hij
וַיִּקַּח֙
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
מָגִנֵּ֣י
(maginei)
schilden van
הַזָּהָ֔ב
(hazahav)
het goud
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשָׂ֖ה
(asa)
maakte
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָגִנֵּי הַזָּהָב (maginnei hazzahav), ‘gouden schilden’: de schilden die Salomo had laten maken (10:16–17).

Zie ook 7:51; 15:18.

27Koning Rechabeam maakte in hun plaats koperen schilden. Hij vertrouwde ze toe aan de oversten van de lopers, die de wacht hielden bij de ingang van het huis van de koning.
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en maakte
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
רְחַבְעָם֙
(rechavam)
Rechabeam
תַּחְתָּ֔ם
(tachtam)
in hun plaats
מָגִנֵּ֖י
(maginei)
schilden van
נְחֹ֑שֶׁת
(nechoshet)
koper
וְהִפְקִ֗יד
(vehifqid)
en vertrouwde toe
עַל
(al)
aan
יַד֙
(yad)
de hand van
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
הָרָצִ֔ים
(haratsim)
de lopers
הַשֹּׁ֣מְרִ֔ים
(hashomerim)
die bewaken
פֶּ֖תַח
(petach)
ingang van
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָרָצִים (haratsim), ‘de lopers’: de lijfwacht van de koning.

Zie ook 1 Sam. 22:17; 2 Kon. 11:4.

נְחֹשֶׁת (nechoshet), ‘koper’: de oude naam van het metaal, ook gebruikt voor brons.

28Telkens als de koning het huis van Yahweh binnenging, droegen de lopers ze. Daarna brachten zij ze terug naar de kamer van de lopers.
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het was
מִדֵּי
(midei)
telkens als
בֹ֥א
(bo)
kwam
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
יִשָּׂאוּם֙
(yisaum)
droegen ze
הָֽרָצִ֔ים
(haratsim)
de lopers
וֶהֱשִׁיב֖וּם
(veheshivum)
en brachten ze terug
אֶל
(el)
naar
תָּ֥א
(ta)
de kamer van
הָרָצִֽים
(haratsim)
de lopers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het einde van Rechabeam

29De rest van de geschiedenis van Rechabeam en alles wat hij gedaan heeft: staat dat niet opgeschreven in het dagboek van de koningen van Juda?
וְיֶ֛תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
רְחַבְעָ֖ם
(rechavam)
Rechabeam
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֑ה
(asa)
hij deed
הֲלֹא
(halo)
niet
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
כְתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
voor de koningen van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Er was oorlog tussen Rechabeam en Jerobeam, alle dagen.
וּמִלְחָמָ֨ה
(umilchama)
en oorlog
הָיְתָ֧ה
(hayeta)
was
בֵין
(bein)
tussen
רְחַבְעָ֛ם
(rechavam)
Rechabeam
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
יָרָבְעָ֖ם
(yaraveam)
Jerobeam
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Rechabeam ging liggen bij zijn vaderen en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David. De naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonitische. Abijam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֨ב
(vayishkav)
en hij lag
רְחַבְעָ֜ם
(rechavam)
Rechabeam
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֗יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּקָּבֵ֤ר
(vayiqaver)
en werd begraven
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָיו֙
(avotav)
zijn vaderen
בְּעִ֣יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֔ד
(david)
David
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en de naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
נַעֲמָ֖ה
(naama)
Naäma
הָעַמֹּנִ֑ית
(haamonit)
de Ammonitische
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
אֲבִיָּ֥ם
(aviyam)
Abijam
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אֲבִיָּם (Aviyam), ‘Abijam’: de zoon van Rechabeam.

In 2 Kron. 13 heet hij Abia (אֲבִיָּה).

Zie 15:1–8.